4.7. Noot: God bindt aan Zijn gestelde ordes.

Aan de andere kant zijn er de uitdrukkelijk door God gestelde ordes. God schiep de mens tot kind, de engel tot knecht. De duivel, knecht, verwerpt die orde en verleidt de mens, het kind, ook tot verwerping van de door God gestelde orde door zich in gehoorzaamheid te onderwerpen aan de duivel, de knècht!, en zijn misleiding. Zien we, dat de mens déze gestelde orde verwerpt, vervolgens zijn ook de andere door God gestelde ordes discutabel, niet meer veilig.

We lezen in II Petrus 2:11: ‘Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heere voortbrengen.’ In de brief van Judas wordt vermeld, dat Michaël zijn plááts als knècht in acht neemt en het oordeel over de duivel – knecht in ongerechtigheid! – bij God legt. Plaats kennen ìs bevoegdheid kennen en erkennen. We zagen het bij Jezus als Zoon tegenover Zijn Vader. Hoe groot blijkt dàn de mènselijke HOOGMOED waar zij moet erkennen, dat engelen méérder zijn in sterkte en kracht en dat die HOOGMOED toch zelden aarzelt zijn mening en oordeel en veroordeling te beste te geven, over mensen, over engelen, over God, Gods Woord, Gods raadsbesluit.

Lees Gods oordeel over de afgevallen engelen, Hebreeën 2. En dié zwakke, broze mens, die ZONDAAR!, die spot in zijn HOOGMOED met alles wat heilig is. Hoe noodzakelijk is het – telkens weer – om onze plaats en onze bevoegdheid te zien en te kennen, voor elkaar, voor God! En als die God spréékt, wat kan en mag en moet dan onze houding, onze basishouding zijn! Ziende MIJN, ONZE zondeval!

God stelt Zijn ordes, volmaakt rechtvaardig, naar Zijn goddelijk recht. Wee de knecht, wee het kind, dat dié orde in ongerechtigheid wil omverwerpen. De knecht – de duivel – en zijn handlangers deden het, ziende II Petrus 2:11! De mens – het kind! – volgde en deed het, misleid en verleid. Voor Gods kinderen moeten die gestelde ordes heilig en onaantastbaar zijn, en dùs het fundament van onze basishouding. Gòd stelde ze! En meteen moet ieder mens beseffen, dat mèt de wederkomst van de Heere Jezus die gestèlde ordes in volmaaktheid hersteld en gehandhaafd worden, of voltooid zijn, bijv. huwelijk, dag – nacht, seizoenen. Of is God veranderlijk? Gods raadsbesluit?

God stelt de orde: één man – één vrouw. Inderdaad, dan zien we, dat God polygamie ‘verdraagt’, ‘toelaat’, ook bij Zijn kinderen. Maar we zien ook hoe zich dat vaak wreekt in verstoorde en ontwrichte verhoudingen, met alle daaropvolgende uitwassen. En nee, laten we er ons niet toe laten verleiden, te weten, te beoordelen, of God wel of niet juist handelde in het ‘verdragen’, ‘toelaten’. Veeleer moet ons voor ogen staan: Gods gedùld met zóvéél traagheid en lauwheid en slapheid en onwetendheid en vleselijke lusten van de mens, ook van Zijn kinderen. We zien, dat de Heere Jezus uitdrukkelijk teruggrijpt op het begìn, de Norm scherp stelt en verordent! Mattheüs 19.

God stelt op diverse plaatsen in de Schrift uitdrukkelijk: GEEN VERHOUDING MAN – MAN, VROUW – VROUW, ZOALS MAN – VROUW IN HET HUWELIJK. God noemt het een grúwel! Ook dit is een uitdrukkelijke scheppingsorde, waarvan de mens niet ongestraft afwijkt. Hoe groot is dàn de gruwel voor God, wanneer dergelijke ‘verhoudingen’ ‘ingezegend’ worden in Gods Naam. Hierin blijkt overduidelijk, dat Gods heilig Woord alleen in naam gevolgd wordt, voor zover het ons – mensen – past en uitkomt. Maar Gods gestelde orde daarin wordt radicaal verworpen. En als dat met één gestelde orde gebeurt, dan zijn de andere niet meer veilig, ofwel ook onderworpen aan de HOOGMOED, de willekeur en eigenwilligheid van de MENS! Daarin handhaaft het ongehoorzame kind de slavernij van de revolutionaire knecht in het van harte en met de daad leven in ongerechtigheid. De mens blijft in zijn ellende.

God stelt de orde van het gezag, in verhoudingen van man – vrouw, ouders – kinderen, heer – knecht, koning – onderdaan, en allerlei afgeleide verhoudingen. Met daarbij steeds weer: God méér gehoorzaam zijn dan mensen. Ook: als het moet onrecht dragen en verdragen. Maar voorop staat: het is van Gòd ontvangen gezag om in allerlei verhoudingen alle onrecht te weerstaan en in te dammen en te bestrijden door de daartoe aangestelde ambten met hun specifieke bevoegdheden. Met als doel: tot Gods eer, tot heil van de naaste, tot orde in het leven in al haar verbanden. In al die gezagsverhoudingen moet voor ogen staan: uitoefening ervan met als uiteindelijk doel de verkondiging en verbreiding en verwezenlijking en komst van Gods koninkrijk.

God stelt de orde in de ambtelijke dienst, Oude Testament, Nieuwe Testament. In die orde roept Hij mannen tot ambtelijke dienst, alleen mannen. Ambtelijke dienst in de kerk. Nergens geeft de Heere er ook maar één gedachte toe, dat die orde onderhevig is aan mogelijke verandering, integendeel, ook in het Nieuwe Testament – in de bekende hoofdstukken – wordt enkel gesproken van mànnen.

Des te nadrukkelijker moeten we er op letten, dat in tegenstelling tot bijv. slavernij en polygamie, de Heere in het Oude Testament nèrgens ook maar enige verruiming ten opzichte van de kerkelijke ambten toestaat in de richting van vrouwen. We zien wel richteressen, profetessen, koninginnen, maar in de kerk in de ambten niét!

Zelfs als de Heere deze orde niet uitdrukkelijk geboden had, ja, daar helemaal over gezwegen, dan nòg had de mens uit de praktijk van Oude en Nieuwe Testament moeten leren en weten, dat Gods orde in de kerk zó was en is. Het blijkt steeds weer: de MENS wil veranderen en zoekt naarstig naar ‘overtuigende redenering en onderbouwing’ daartoe; de MENS verklaart dat bepaalde teksten ook anders uitgelegd kunnen worden; de MENS verklaart dat bepaalde teksten nu niet meer gelden, toch eigenlijk cultuurgebonden gehouden moeten worden.

Duidelijker: de mèns ‘herstelt’ de eigen HOOGMOED vanuit de bìnding ònder Gods Woord, en plaatst háár weer op de troon! Opnieuw: MIJN hoogmoed èn eerbiedig luisteren en lezen en gehoorzamen kunnen nooit tegelijk door één deur.

Nog nadrukkelijker: De mens moet zelfs de vraag, de gedachte, niet in ‘bespreking’ laten komen, of God toch niet ergens een ‘mogelijkheid’ gegeven, gelaten zou hebben, om iets te veranderen, te wijzigen, te verruimen. Niet Gòd wekt tot die vraag, die gedachte, die ‘bespreking’ op, maar de HOOGMOED in de mèns geeft, creëert, zichzèlf die ‘ruimte’, die ‘bevoegdheid’, die ‘vrijheid’.

Daarin bewijst en bevestigt de mens, dat de heilige Schrift over hem géén absoluut gezag heeft. De HOOGMOED erkent de diepe ELLENDE van de zonde niet, negeert die, en wil daardoor niet weten van SCHULDERKENNING en SCHULDBESEF, nog veel minder van SMEKEN om vergeving. Zo duivel, zo volger. Daarom kent de hoogmoed geen enkele grens. Tegelijk, die hoogmoed zal de heilige Schrift toch nooit bestuderen om eigen ellende te leren kennen, en te beseffen en te erkennen, dàt de mens zichzelf niét kan redden en verlossen en àfhànkelijk is van Iemand Anders tot verlossing.

En dùs moeten we elke gedachte in die richting radicaal verwerpen als in strijd met Gods uitdrukkelijk gebod en verordening daartoe. Om welke reden dan ook: de mèns beredeneert de gedachte en wens en aannemelijkheid van die verandering. En op het volgend moment zet diezelfde mens zichzelf tussen de oren, dat God het ‘ook wel goed zal vinden’. Maar luister scherp: wordt er telkens weer uitdrukkelijk gevraagd naar- en gewezen op WAT GESCHREVEN STAAT IN GODS WOORD, NORMATIEF?

Of wordt eerst het ‘probleem’ breed uitgemeten – wel of niet vertekend! – en vervolgens heel suggestief de gedachte geopperd, dat we nú, in déze situatie, wel anders móeten, niet anders kùnnen. En een gestroomlijnd verhaal gaat er veelszins gemakkelijk in.

Een gestroomlijnd verhaal is één. Hoe scherp, hoe onafhankelijk, hoe onpartijdig, hoe onomkoopbaar, moet de mens telkens weer zijn om scherp te onderscheiden, te blijven onderscheiden, dat te belijden en te verdedigen, ongeacht welke gevolgen. Want die gevolgen komen bijna altijd zeker, zo niet vandaag, dan morgen of volgende week. Daarin zien we, dat de mens met haast terugkeert naar zijn kortzichtigheid, naar zijn blindheid, naar het hier en nu, naar wat voor ogen is en beredeneerd kan worden, ofwel, naar de houding van de mens in haar oude natuur, de HOOGMOED. Verstandelijk ‘geloof’ regeert, wáár gelóóf wordt uitgeworpen.

Welk een rust, welk een gemoedsrust, welk een geloofsrust, vàst te gelóven, vàst te wéten, dat Gods oordeel kòmt, onherroepelijk. En dat Gods oordeel volmaakt rechtvaardig, onafhankelijk, onpartijdig, onomkoopbaar, zonder aanzien van, is. Nee, alle verleiding en verlokking en zwijgen van de duivel, ook alle verandering en redenering van mensen, ze hebben daarin geen enkele invloed, noch direct, noch indirect. De Heere Jezus zei het al: het Wóórd oordeelt! Dat ene ondeelbare Woord van God. Omdat God Eén is, omdat Zijn Woord Eén is. Dàt mag de gelovige scherp voor ogen staan, elke dag weer, wat de duivel ook aanwendt, hoe mensen ook redeneren.

Maar waar de HOOGMOED op de troon zit, waar verstandelijk ‘geloof’ regeert, waar ZWIJGEN heel geraffineerd haar verwoestende uitwerking heeft, daar is de dóód. De geschiedenis leert van bladzij tot bladzij, dat dàn en dáár alle geboden en verboden en ordes van God in de praktijk weinig meer zijn dan enkele papieren regeltjes. WIJ WILLEN!!! Want, IK zie, WIJ zien … en God zegt: zó blijft uw blindheid! Dat leidde en leidt ertoe, dat de Joden Christus haatten en uitwierpen, Zijn Woord, Zijn kinderen, toen, nu.

God zèt de orde van de afwisseling van de seizoenen, van dag en nacht, soeverein. Maar als het God behaagt, daarvan af te wijken, als Hij dat nodig oordeelt, tot wraak en smaad en vernietiging van Zijn vijanden, toen, plaatselijk, Jozua 10!, dan dóet God zon en maan stilstaan, zolang het Hem behaagt, naar Zijn soeverein welbehagen, naar Zijn rechtvaardige wraakneming.
Maar zo zien we veel vaker, dat God soeverein daartoe even vrij droogte gebiedt, of overstroming, of hagelstenen, of orkanen, of aardbevingen, of koude, of hitte, waar Hij wil, naar Zijn raadsbesluit, opdat de mens zich bekeert!

Dan schijnt de zon weer, alsof er niets is gebeurd.
Nee, de mèns is zó kortzichtig, zó stompzinnig, dat de mens het toeschrijft aan toeval, aan het noodlot, aan de grillen van de natuur, er aan gewoon raakt, het als ‘het hoort er bij’ accepteert, neutraliseert, tracht het met menselijke oplossingen in te dammen en te voorkómen: met het oog op onze verantwoordelijkheid voor de volgende geslachten. DIE IN DE HEMEL ZETELT, LACHT, DE HEERE SPOT MET DIE MENS!

Maar de mens komt niet tot inkeer en erkent: Heere, hoe is het mogelijk, dat wìj zó blind zijn, dat we daarin niet van het ene na het andere ERKENNEN!, dat UW majesteit Zich daarin zo majestueus openbaart, opdat wij UW Naam grootmaken.

Nee, de mens tracht aan die gebeurtenissen te ontkomen, de (materiële en financiële) gevolgen daarvan vóór te zijn en na die gebeurtenis zorgeloos te lachen: MIJ KRIJGEN ZE NIET KLEIN!
En zó moeten we zien: de mèns laat zich niét gezeggen door Gods Woord en ook niet door al de waarschuwingen en oordelen, die God zendt. Zeker, de mens spot en vloekt heel erg, omdat de mens niet wìl luisteren en wìl leven in het dood-zijn in ongerechtigheid. God zal de mens wijzen op Zijn twee getuigen: Zijn Woord en Zijn oordelen, opdat geen mens zich kan verontschuldigen.

We moeten onderscheiden, ongeacht wié iets propageert, op welke manier, in welke situatie, ongeacht het aantal medestanders, ongeacht hun invloed en zeggenschap en macht. Telkens weer moeten we ons onze afkomst voor ogen stellen: WIJ hebben gezondigd, en in dat zondigen hebben we bewust gekozen voor alle ongerechtigheid, en door dat zondigen zijn we stekeblind geworden voor Gòds recht en gerechtigheid en waarheid en liefde en trouw en barmhartigheid.

Zien we dàt, erkennen we dàt, dan zullen we telkens weer vragen naar de beweegredenen, de diepste drijfveren, wàt tot deze voorstellen leidt. Tegelijk, de Schrift open! Alleen in het licht van de Schrift moeten en kunnen we scherp onderscheiden of een gedachte uit en naar de Schrift is of niet. Christus navolgen. Het moet telkens weer blijken: REGEERT HET WOORD VAN GOD òf (hoe subtiel en geraffineerd ook!) DE HOOGMOED VAN DE MENS IN AL HAAR REDENEREN? O, die verstandelijkheid.

Hoe scherp zien we het zuiver onderscheiden van de blindgeborene van de blindheid van de geleerde voorgangers, Johannes 9! Inderdaad, dat was voor hen onaanvaardbaar, onuitstaanbaar, ontoelaatbaar. Daarom: uitgeworpen, in de ban met zo iemand! Niets nieuws in de wereld, ook niet in de kerk, de valse kerk!

8 oktober 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *