Hebt u God lief? Heb jij God lief?
Hebt u Jezus lief? Heb jij Jezus lief?
1. MATTHEÜS 23
Lees:
Matt. 23:1-36: 1 Toen sprak Jezus tot de menigte en tot Zijn discipelen: 2 De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; 3 daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet overeenkomstig hun werken, want zij zeggen het, maar doen het zelf niet. 4 Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren. 5 Al hun werken doen zij om door de mensen gezien te worden, want zij maken hun gebedsriemen breed en de kwastjes aan hun kleren groot. 6 Zij zijn zeer gesteld op de ereplaatsen tijdens de maaltijden en op de voorste plaatsen in de synagogen; 7 zij zijn ook belust op de begroetingen op de markten, en om door de mensen ‘rabbi, rabbi’ genoemd te worden. 8 Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. 9 En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is. 10 En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus. 11 Maar de belangrijkste van u zal uw dienaar zijn. 12 En wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden; en wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden. 13 Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen; u gaat er immers zelf niet binnen, en hen die erbinnen willen gaan, laat u er niet binnengaan. 14 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u eet de huizen van de weduwen op, en voor de schijn bidt u lang; daarom zult u een des te zwaarder oordeel ontvangen. 15 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reist zee en land af om één proseliet te maken, en als hij het geworden is, maakt u hem een kind van de hel, dubbel zo erg als u. 16 Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij het goud van de tempel, dan is hij aan die eed gebonden. 17 Dwazen en blinden! Want wat is meer, het goud of de tempel, die het goud heiligt? 18 En: heeft iemand gezworen bij het altaar, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij de gave die daarop ligt, dan is hij aan die eed gebonden. 19 Dwazen en blinden! Want wat is meer, de gave of het altaar, dat de gave heiligt? 20 Wie daarom zweert bij het altaar, die zweert daarbij en bij alles wat daarop ligt; 21 en wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij en bij Hem Die daarin woont; 22 en wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God en bij Hem Die daarop zit.
23 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het belangrijkste van de Wet na: het recht, en de barmhartigheid en het geloof. Deze dingen zou men moeten doen en die andere dingen niet nalaten. 24 Blinde leiders, die de mug uitzift maar de kameel doorslikt. 25 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en van de schotel, maar van binnen zijn ze vol van roofzucht en onmatigheid. 26 Blinde Farizeeër, reinig eerst de binnenkant van de drinkbeker en de schotel, zodat ook de buitenkant daarvan rein wordt. 27 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bent als de witgepleisterde graven, die vanbuiten wel mooi lijken, maar van binnen zijn ze vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid. 28 Zo lijkt u ook wel van buiten rechtvaardig voor de mensen, maar van binnen bent u vol huichelarij en wetteloosheid. 29 Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven voor de profeten en versiert de grafmonumenten van de rechtvaardigen, 30 en u zegt: Als wij in de tijd van onze vaderen hadden geleefd, hadden wij niet met hen meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten. 31 Aldus getuigt u tegen uzelf, dat u kinderen bent van hen die de profeten gedood hebben. 32 Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol! 33 Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen? 34 Daarom zie, Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, en sommigen van hen zult u doden en kruisigen, en sommigen van hen zult u geselen in uw synagogen, en u zult hen vervolgen van stad tot stad, 35 opdat over u al het rechtvaardige bloed zal komen dat vergoten is op de aarde, vanaf het bloed van de rechtvaardige Abel tot het bloed van Zacharia, de zoon van Berechja, die u gedood hebt tussen de tempel en het altaar. 36 Voorwaar, Ik zeg u: Al deze dingen zullen komen over dit geslacht.
Indien u de aan het begin gestelde vragen volmondig en welgemeend met ‘JA’ beantwoordde, verklaar dan nu in het licht van bovengenoemd tekstgedeelte uw ‘JA’-woord.
Nee, het is geen strikvraag. Wel zal ik proberen u uit te leggen waarom ik die vraag stel.
2. KEN UW BIJBEL
Als u de Bijbel kent, weet u, dat de verhouding tussen God en mens, tussen Jezus Christus en Zijn volk, Zijn kerk, vaak vergeleken wordt met een huwelijk. Daartoe sluit God een Verbond met Zijn volk. Een Verbond met belofte en eis, met zegen en vloek; met Verbondswraak, als Zijn volk zich in ongehoorzaamheid van Hem afkeert in eigenwilligheid en trouwbreuk.
Stel: een jongen en een meisje vinden elkaar leuk en zoeken toenadering tot elkaar. Vindt u het normaal als ze een half jaar later zeggen: ‘we vinden elkaar leuk, maar we hebben nog geen woord met elkaar gesproken.’ Is het gesprek juist niet hèt middel elkaar (beter) te leren kennen? En als de ‘klik’ er is, wanneer is het gesprek dan afgelopen? Immers, dan willen we elkaar steeds beter leren kennen, begrijpen, doorgronden, verstaan. Elke keer zien we uit naar de volgende keer.
Kent u de Bijbel? Kent u Gods Woord? Wilt u uw ‘JA’-woord op de eerst gestelde vraag volhouden en tegelijk erkennen dat u Gods Woord niet, nauwelijks kent? Is dat niet vreemd? U hebt God toch lief? En van daaruit hebt u Zijn Woord toch lief en wilt u Dat kennen? En nee, het heeft geen enkele zin te gaan vergelijken met anderen. God wil door Zijn kinderen, Zijn volk, gekènd worden, gekènd worden in liefde. Daarom geeft Hij Zijn Woord, de Bijbel, de Schriften, om daardoor gekènd te worden, zoals Hij is!
Inderdaad, de Bijbel spreekt over mensen, die de kennis haten; ook over mensen, die de kennis liefhebben en ernstig zoeken. Hoe vaak staat geschreven, dat mensen, gelovigen, geen kennis hebben. Het lijkt er sterk op, dat heel veel mensen, die dat lezen, er niet eens van schrikken, laat staan, dat ter harte nemen. Het wordt veelal voor ‘kennis’geving aangenomen. Vragen die mensen zich nooit af: als de Heere dat oordeel uitspreekt, soms nog met de toevoeging: Mijn volk gaat daardoor verlóren!
Vragen die mensen zich nooit af: Wat is het oordeel van de Heere over MIJ??? Want veelal met grote schaamte moeten we erkennen: IK kèn het Woord van de Heere niét!, nauwelijks! IK vind het meer dan voldoende, dat anderen, leiders, ambtsdragers, er wat van weten. Herinner Matt. 25:1-13: de gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes. Hoe willen we voor de Heere staan en met grote schaamte erkennen: ik heb U nooit gekend, U, noch Uw Woord, noch Uw Verbond. Zie het voorbeeld hiervoor over die jongen en dat meisje.
Schrikken we nog, als we de Heere Jezus horen verklaren, Matt. 7:23: Dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend; ga weg van Mij, u die de wetteloosheid werkt!
Zegt Hij dat (straks) ook – volkomen terecht!!! – tegen mij? Doen we er vandaag, morgen, al de dagen die we nog krijgen, àlles aan om de Heere, Zijn Woord, te leren kènnen? Hoe groot is de dwaasheid, de blindheid, om eerst te kijken of andere mensen dat ook doen. Wees ervan verzekerd, zié, dat zeer velen er niéts voor doen, dat als zinloos tijdsverlies aanmerken.
‘u die de wetteloosheid werkt!’ Inderdaad, ieder mens, die niét in de weg van de gehoorzaamheid aan het Woord van het Verbond gaat, verdwaalt, raakt steeds verder van Gods Woord en Verbond af en verstaat helemaal niet meer het Woord, zoals geschreven staat in Lukas 13:23b-28:
En Hij zei tegen hen:
24 Strijd om binnen te gaan door de nauwe poort, want velen, zeg Ik u, zullen proberen binnen te gaan en het niet kunnen, 25 namelijk vanaf het ogenblik dat de Heer des huizes is opgestaan en de deur heeft gesloten. Dan zult u beginnen buiten te staan en op de deur te kloppen en te zeggen: Heere, Heere, doe ons open. En Hij zal antwoorden en tegen u zeggen: Ik weet niet waar u vandaan komt. 26 Dan zult u beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken en U hebt in onze straten onderwijs gegeven. 27 En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik weet niet waar u vandaan komt. Ga weg van Mij, allen die ongerechtigheid bedrijven. 28 Daar zal gejammer zijn en tandengeknars, wanneer u Abraham, Izak en Jakob en alle profeten in het Koninkrijk van God zult zien, maar u buitengeworpen.
Gods Verbond, onze verantwoordelijkheid. ‘u die de wetteloosheid werkt!’ Hoe blìjkt telkens weer, dat het door God opgerichte Verbond allesbepalend is in het leven van ieder mens, die zegt te geloven. Want zònder dat Verbond is er ook geen binding aan de Wet; dan staan alle gé- en vèrboden ook los van de dienst aan God. Ja, het Verbond is nauw verbonden, onlosmakelijk verbonden met Gods Wet, al de door God gegeven geboden, verordeningen, inzettingen en bepalingen. Lezen we de Bijbel, dan zien we telkens weer, dat mensen Gods geboden, verordeningen, inzettingen en bepalingen loslieten, verlieten, en op eigenwillige wegen gingen, deden wat goed was in eigen ogen.
Dan staat er: De Israëlieten deden (opnieuw) wat kwaad is in de ogen van de Heere. Het is de minachting van het Verbond! Dan zegt de Heere ook: Zij hebben Mijn Verbond verbroken! Inderdaad, de vrucht daarvan IS: wetteloosheid! Lees het 2e gebod van de 10 geboden: U zult voor uzelf geen beeld maken, geen enkele afbeelding van wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. 5 U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
Leest u goed? ‘De misdaad van de vaderen’ èn ‘van hen die Mij haten’ betreft dezelfde mensen. Ze zijn niet van elkaar los te koppelen. Evenzo ‘duizenden van hen die Mij liefhebben’ èn ‘die Mijn geboden in acht nemen’. De antithese in haar gevolg, in haar uitwerking. Het is heel bijzonder, dat de Heidelbergse Catechismus zich in haar uitleg inzake het 2e gebod, Zondag 35, beperkt tot en met vers 5a. Want die toepassing geldt niet alleen de heidenvolken, maar moet ook elk kerkmens scherp voor ogen staan.
Ofwel, het eerste deel is onlosmakelijk gekoppeld aan het tweede deel. Omdat het tweede deel in de uitleg van Zondag 35 ongenoemd blijft, lijkt het er sterk op, dat het tweede deel als ‘weinig zeggend’ eraan hangt. En we moeten helemaal niet de gedachte krijgen, dat het tweede deel daarmee minder belangrijk is of wordt. Want het tweede deel is uitermate belangrijk in verband met de door Christus op veel plaatsen verwoorde onlosmakelijkheid van WOORD èn DAAD!: Matt. 7:21: Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
En néé, we kunnen niet zeggen, dat we niet ernstig door de Heere Jezus Zelf gewaarschuwd zijn. Integendeel: openlijk heeft Hij dat verkondigd, en het staat breed opgetekend. En laten we ons niet vergissen: het is een strijd op leven en dood!!! Jezus wijst nadrukkelijk op de gevolgen van die strijd voor het inzetten van onze handen, onze voeten, onze ogen dat die ons maar zo – nee: zo gemakkelijk, in een onbewaakt ogenblik! – ertoe kunnen brengen te verslappen in die strijd. Markus 9:43-48: En als uw hand u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan dan met twee handen heen te gaan in de hel, in het onuitblusbare vuur, 44 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. 45 En als uw voet u doet struikelen, hak hem dan af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan dan met twee voeten geworpen te worden in de hel, in het onuitblusbare vuur, 46 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. 47 En als uw oog u doet struikelen, werp het dan uit; het is beter voor u met één oog het Koninkrijk van God in te gaan dan met twee ogen in het helse vuur geworpen te worden, 48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgeblust wordt.
Er is nog een heel groot gevaar, waarvoor we elke dag moeten waken: het gebruik van onze tong, daarnaast ons doen, daarnaast ons zwijgen, maar ook ons niét doen. Ofwel: ons leven voor de Heere moet één zijn, één in zijn bestaan. We moeten voor onze naasten leesbare brieven van Christus zijn, in woord en daad. Jezus waarschuwt ons zeer ernstig ten opzichte van mede-gelovigen. We lezen in Markus 9:42: En wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, doet struikelen, het zou beter voor hem zijn dat er een molensteen om zijn hals werd gedaan en hij in de zee geworpen werd.
Kèn de Bijbel; kèn de Bijbel als de enige en hoogste Norm!; kèn de kerkgeschiedenis, en zie, hoe velen, hetzij door valse leer, hetzij door aanstootgevend leven vélen hebben doen struikelen. En denk niet, dat we ze ver weg hebben te zoeken. Nee, we leven er middenin! En dat niet alleen. O nee, ze schamen er zich geen moment voor; elke dag gaan ze voort op die wegen van wetteloosheid. Wetteloosheid: inderdaad: waar Gods heilige Wet terzijde gesteld is, waar het leven in de gehoorzaamheid aan Gods heilig Verbond verklaard is, wordt, verjaard te zijn. Hoe blíjkt God Eén te zijn, Zijn Woord Eén, in zegen voor hen, die oprecht voor Zijn aangezicht vrezen; ook in vloek en wraak voor hen, die in slavernij aan de duivel Zijn Woord en Verbond verwerpen en minachten.
Lees de Bijbel en wijs aan, waar God ook maar één keer niét trouw aan Zijn Woord was. In zegen, maar ook in vloek, ook in wraak. Want geen mens kan ontkennen het oordeel van de zondvloed, het oordeel over Sodom en Gomorra, het oordeel over de Kanaänieten, de oordelen over tal van volken, de oordelen over hen, die Zijn kinderen vervolgden, verdrukten, doodden. En hebben wij – mensen van de 21e eeuw – de ijdele gedachte, dat wìj wel zullen ontkomen??? Zién we al de oordelen van God niet, uitkomend in verschrikkelijke oorlogen, ziektes, rampen? Dan hier, dan daar, dan ver weg, dan dichtbij. En nee, niémand kan ons garanderen, dat we vandaag, morgen, daardoor niet zèlf getroffen worden. En néé, ook de machthebbers, de groten, de rijken, de sterken, met welke naam ook, zal kùnnen ontkomen. Immers, de levensadem van elk mens is in Zijn hand. Hij regeert daar soeverein over, en Hij Alleen beschikt over tijd en wijze.
3. MENSEN HEBBEN HET ONVERSTAND LIEF
We lezen in Spreuken 1:22-30: 22 Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben, zullen spotters spotternij voor zich begeren en dwazen kennis haten? 23 Keert u zich tot Mijn bestraffing, zie, Ik zal Mijn Geest over u uitstorten, Mijn woorden u bekendmaken. 24 Omdat Ik riep, maar u weigerde, Mijn hand uitstrekte, maar niemand er acht op sloeg, 25 omdat u al Mijn raad verwierp, Mijn bestraffing niet hebt gewild, 26 daarom zal Ik ook lachen om uw ondergang, u bespotten wanneer uw angst komt, 27 wanneer uw angst komt als een verwoesting, uw ondergang eraan komt als een wervelwind, wanneer benauwdheid en nood over u komen. 28 Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden. Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden, 29 omdat zij de kennis hebben gehaat en de vreze des HEEREN niet hebben verkozen. 30 Zij hebben Mijn raad niet gewild, al Mijn bestraffingen hebben zij verworpen.
Hier spreekt God, de hoogste Wijsheid, tot de mensheid. Samen, individueel. Onderken alle elementen van het Verbond! Immers, na ònze zondeval in Adam en Eva was er aan onze kant geen enkel recht op genade of ontferming; integendeel, we hadden Gods rechtvaardig oordeel dubbel en dwars verdiend. De mens wìst dat! Ze probeerden zich uit angst voor God te verbergen. De mens zàg, dat de duivel zijn beloftes niét nakwam.
Heeft God de mens in die dood, in die slavernij gelaten, beseffend: Mijn doel met Mijn schepping, ook van de mens, is – helaas! – mislukt!? O nee, God heeft Zijn Verbond geplaatst, gesteld, opgericht, met dié mens; tegelijk de absolute tegenstelling, de antithese – Gen. 3:15 – tussen geloof en ongeloof, tussen dood en leven, tussen het zich overgeven in die zelfverkozen dood en slavernij èn het uit genade – opnieuw!!! – tot kinderen van God aangenomen zijn en worden.
Wìst God waar Hij toen aan begon, met dié mens? Zeker! Gedachtig aan Zijn gesproken Woord over de mensheid ná de zondeval van de mens: vóór de zondvloed: Gen. 6:5: En de HEERE zag dat de slechtheid van de mens op de aarde groot was, en dat al de gedachtespinsels van zijn hart elke dag alleen maar slecht waren.
En ná de zondvloed: Gen. 8:21: En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens; de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb.
4. GOD ZET ZIJN VERBOND
Dat wéét de mens; dat kàn de mens weten: zó is mijn situatie naar mijn oorsprong in zonde! Hoe groot moet dan de verwondering wel zijn, dat de Heilige, de Levende God Zijn Verbond opricht met zùlke mensen. Wàt een liefde; wàt een ontferming; wàt een genade! Gòd richtte soeverein Zijn Verbond met de mens, met Zijn volk, met Zijn kerk, op. Iedereen, die spreekt over een verbond, wéét, dat een verbond opgericht wordt door twee partijen – meestal gelijkwaardig – met tevoren overeengekomen afspraken, beloftes, verplichtingen, enz. Maar hiér was het initiatief helemaal bij God Alléén! Mèt zondaren! Want de mens had het eerste Verbond dóór hun zonde verbroken en van hun kant opgezegd.
Éénzijdig in ontstaan, tweezijdig in bestaan. Hij richtte Zijn Verbond op met de gevallen mens en riep hem terug uit de dood tot het leven, in de weg van de gehoorzaamheid aan Zijn Woord en Wet, Zijn geboden en verordeningen en bepalingen en inzettingen. Totaal ònverdiend! Lees Leviticus 26 en Deuteronomium 28. Zié, hoe dat Verbond allesbepalend is, en blijft.
En ieder mens, die nadenkt over het beëindigen van zo’n verbond, zal meteen zeggen: als zo’n verbond beëindigd wordt, dan ligt het initiatief daartoe uiteraard bij hem die het verbond oprichtte! Hoeveel te meer geldt dat het Verbond van de levende God met zondaren! Lees uw Bijbel! Wáár leest u dat Gòd duidelijk verklaart, dat van Zijn kant het Verbond van Hem met Zijn volk dàn en dàn en op grond van dié gebeurtenis, stopt? U zoekt tevergeefs! Integendeel, God bevèstigt telkens weer, hoe Zijn Verbond met Zijn volk, Zijn kerk, heilig is en heilig blijft! Lees bijvoorbeeld de Galatenbrief. Lees Openb. 2 en 3.
Zié, hoe de natuurlijke gesteldheid van de mens sinds zijn zondeval tegenover zijn Schepper, ìs! Ja, hoe elk mens met die verdorven gesteldheid doordrenkt is, en zich in die gesteldheid in woord en daad uitleeft. Elke dag weer! Tegelijk bedenkend: ik, mens, ik heb daarvoor willens en wetens in en door mijn eerste voorouders – Adam en Eva – gekozen. En hierdoor heeft de mensheid gekozen voor de dood, voor de slavernij aan de duivel, de satan.
Zié, hoe Verbond èn eisen, voorwaarden, verplichtingen voor beide partijen onlosmakelijk mèt en áán elkaar verbonden zijn. Géén van beide partijen zal toestaan, dat de andere partij dat Verbond zal ontkrachten, ja, in zeggingskracht belachelijk zal maken door Verbond èn eisen, voorwaarden, verplichtingen van elkaar los te maken. En doet een mens dat, doen heel veel mensen dat, laten ze daarin niet overduidelijk zién, dat zij de Gòd van het Verbond niét liefhebben, niet wìllen liefhebben? Hoe staat het Oude Testament er vol van, dat Israël telkens weer afdwaalde, ondanks zeer veel ernstige waarschuwingen daartegen en oordelen daarover.
Dan lezen we Matt. 23. Inderdaad, leiders gaan daarin voorop! Nee, ook de hoogste Profeet en Leraar wordt niét geloofd, niét gehoorzaamd, maar verguisd, uitgeworpen, gedood. Hoe nadrukkelijk heeft Jezus Christus gewezen op de onmogelijkheid, dat God èn Zijn Woord van elkaar ook maar voor één ogenblik losgekoppeld zouden kunnen worden. Maar het door Hem gezette Verbond wel? Dan moet de mens willens en wetens wèigeren God te gehoorzamen, Hem lief te hebben en te gehoorzamen.
En als hetzelfde nu gebeurt, en weer gebeurt, en verkondigd wordt, en geloofd wordt, zie dan, dat het Licht gedoofd wordt, de Leugen regeert, de duivel over die mensen triomfeert en de duivel die mensen in slavernij meevoert in de eeuwige dood en ondergang. In geweldige kortzichtigheid – alleen ziende op het hier en nu! – heeft de mens de duisternis meer lief dan het Licht!
5. GOD REGEERT DÓÓR ZIJN WOORD
Het leven is één. Het is dé tactiek van de duivel die éénheid telkens weer in onderdelen op te splitsen en afzonderlijk in delen te benadrukken en de mens daarmee te doen geloven, dat ze – als ze dàt onderdeel in acht nemen – voor gelovig te houden zijn. Al die andere onderdelen zijn en worden daarmee ondertussen minder belangrijk, onbelangrijk. Gevolg daarvan is, dat mensen die tactiek volgen en in praktijk brengen. Dat niet alleen, nee, ze weten die tactiek ook keer op keer met Bijbelteksten te ‘onderbouwen’. En de duivel gaat daarin voorop:
Matt. 4:3-10:
3 En de verzoeker kwam bij Hem en zei: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden worden.
4 Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.
5 Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en zette Hem op het hoogste gedeelte van de tempel,
6 en hij zei tegen Hem: Als U de Zoon van God bent, werp Uzelf dan naar beneden, want er staat geschreven dat Hij Zijn engelen voor U bevel zal geven, en dat zij U op de handen zullen dragen, opdat U Uw voet niet misschien aan een steen stoot.
7 Jezus zei tegen hem: Er staat eveneens geschreven: U zult de Heere, uw God, niet verzoeken.
8 Opnieuw nam de duivel Hem mee, nu naar een zeer hoge berg, en hij liet Hem al de koninkrijken van de wereld zien, met hun heerlijkheid,
9 en zei tegen Hem: Dit alles zal ik U geven, als U knielt en mij aanbidt.
10 Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen.
Omdat het Wóórd van God door niets en niemand ook maar in het minst ontkracht kàn worden.
Maar zié, dat de duivel, de satan, zo vaak kan zaaien op onontgonnen land: mensen, die niét geleerd hebben de Schriften te kènnen, te doorgrònden; en vanùit diezelfde Schriften geleerd hebben te onderschèiden, te ontmàskeren. Zijn ze daar wel ijverig in – elke dàg!!! – dan zullen ze biddend, smekend, ondervinden, dat de Heilige Geest hen dóór dat kènnen doet onderscheiden welke tactieken de duivel, zijn volgelingen, nú, hiér, inzet om – ware het mogelijk – hem, haar te verleiden en te misleiden. Zié, hoe Jezus de duivel tegemoet treedt met het Wóórd, en hem òntmaskert!
En daarom: indien u de Schriften niét kent, begin er vandaag mee, ijverig. En houdt vol!
6. GEEN KENNIS, GEEN GELOOF, GEEN VERTROUWEN
Dan zien we een afschuwelijk, een huiveringwekkend iets gebeuren: de mens, Verbondskind!, keert zich van God, van Jezus Christus, àf en verklaart, dat het Verbond van God met Zijn Verbondsvolk niet meer van toepassing is. En dat zeker niet in zegen en vloek, en al helemaal niet in de heilige Verbondswraak. Zié de geweldige hoogmoed, waarin zondige mensen het initiatief naar zichzèlf toe trekken, en eigenmachtig het door God opgerichte Verbond denken van alle (zeggings)kracht te kunnen en te mogen beroven. Stilzwijgend: nee hoor, dat vindt God helemaal niet erg.
Dat ging bij velen zo gemakkelijk, omdat ze de Schriften niet kènden! Omdat ze daarin nalatig wáren, en bléven!
Doorzié!!! de diepste drijfveer àchter deze dáád! Immers, het woord ‘VERBOND’ laten we nog wel toe, bij gelegenheid. Maar de door God eraan vastgekoppelde eisen van gehoorzaamheid, die gaan ons gaandeweg steeds meer tegenstaan en ergeren. En daarom luisteren we steeds meer naar stemmen, die ons ingefluisterd worden, die openlijk in bedekte termen, even later openlijk, even later luidkeels toeroepen: dat zijn onmogelijke eisen, die laten ons geen leefruimte over! En daarom: Psalm 2:3:
Laten wij Hun banden verscheuren en Hun touwen van ons werpen!
7. MOEDWIL IN VERGETEN BEVESTIGT ONGELOOF
Ze verwèrpen alle kennis van Gods Woord, bewust, met opzet!
Zié!!! de geweldige blindheid die binnensluipt, waar èigen hoogmoed – OPNIEUW!!! – de kop opsteekt en gaat heersen; zié!!! hoe Gods onpeilbare liefde en ontferming en barmhartigheid – OPNIEUW!!! – in pure eigenwilligheid en zelfliefde wordt verwòrpen! Zié!!! hoe gebrek aan kènnis van de Schriften elk profeteren, elk getuigen daartegen, het zwijgen oplegt. Zal God zo’n geweldige òndankbaarheid – naar Zijn Wóórd! – niet bezoeken met Zijn Verbondsvloek en Verbondswraak, in tijd en eeuwigheid?
We vergéten!!! Gods dóel met Zijn schepping; ònze zondeval; Gòds zètten van de antithese (waarin Zijn liefde en ontferming en barmhartigheid hemelhoog schitteren!); de oneindige veelkleurigheid van al Gods oordelen over een zich in de zònde verhardende mensheid sinds haar zondeval. WIJ vergéten!!! Zie nu de WROEGING in de hel, wanneer de mens van ogenblik tot ogenblik zichzelf dat vergéten niét vergeeft! En zeker wéét: TE LAAT! Hoe rechtvaardig zijn Gods oordelen als Hij nú nog tijd van barmhartigheid geeft om zich met haast te bekeren, maar Hij ziét hoe die barmhartigheid in volstrekte minachting door velen achter zich geworpen wordt.
Maar de gepleegde zonde in de zondeval dan? En alle gepleegde zonden daarna? Laat God die ongestraft? O nee, want God is niet alleen genadig, maar ook rechtvaardig. Hij zag, dat niemand de straf en het oordeel over die zonde kon dragen in eigen kracht. Integendeel, door onze zonden maken we de straf elke dag méér! God zond Zijn Zoon, onze Heere Jezus Christus, God en mens, zonder zonde, zonder zondesmet, zonder zondeschuld. Hij kwam en droeg ònze schuld, ònze straf, in onze plaats, onschuldig, om Zich Zijn volk los te kopen ùit de dood, ùit de slavernij, tot het leven vóór en mèt Hem. Zijn doel met de schepping, tot Zijn eer!
Is Zijn volk, zijn Zijn kinderen Hem daar zeer dankbaar voor en tonen en bewijzen ze dat in een leven in de weg van het Verbond, in de weg van de gehoorzaamheid aan Zijn Woord, Zijn Wet, Zijn inzettingen, verordeningen en bepalingen? Lees de Bijbel, en lees met ontzetting, dat Zijn volk, Zijn kinderen telkens weer met háást zich van Hem afkeerden, Zijn Woord en Wet en inzettingen en verordeningen en bepalingen vergaten, en verwierpen, en terugkeerden naar hun natuurlijke basis van slavernij in dood en zonde.
8. GOD HOUDT IEDER MENS ZELF VERANTWOORDELIJK
Dan zien we de door God aan de mens gegeven verantwoordelijkheid. Vóór de zondeval om niét te zondigen, om niét te eten van de boom van kennis van goed en kwaad. God sprak de mens aan op zijn verantwoordelijkheid!!!, door te dreigen met de DOOD, als de mens die verantwoordelijkheid zou misbruiken en tòch zou eten. De mens werd door de duivel misleid, de mens liét zich door de duivel misleiden!!!…. en at! Verviel daarmee, en daarna de verantwoordelijkheid van de mens? O nee!
Velen willen zich verbergen achter hun onwetendheid, achter hun ‘niet-kunnen’. Velen willen zich verstoppen achter de zonden van anderen, van leiders, van voorgangers, van ambtsdragers.
Het is allemaal tevergeefs! Lees de Bijbel en zie, dat God Zich nooit door iemand laat misleiden. Zijn Woord is de Waarheid! Zeker, de verantwoordelijkheid van leiders, voorgangers, ambtsdragers, is zeer groot. Lees hierboven in Matt. 23 hoe Jezus Christus leiders en ambtsdragers bestraft en hen verantwoordelijk stèlt en hòudt!!! Voor hun dáden, voor hun wóórden, voor hun mislèiden van het volk. Zié, hoe het volk zich daardoor nooit kan verontschuldigen, maar zèlf gaandeweg hun leven steeds weer en steeds meer mee-verantwoordelijk moet weten òf ze hun leiders en voorgangers maar – vaak klakkeloos! Immers: zij zullen het wel weten; zij hebben ervoor gestudeerd! – volgen en nalopen.
Zié, dat zeer veel leiders, voorgangers, ambtsdragers, niét zien, niet wìllen zien, dat ze zèlf in hun voorgáán, in hun voorléven, in hun voorléren, de mensen er vaak niét toe aansporen de Schriften te (leren) kènnen! Ze zijn zó vervuld van hun positie, hun plaats, dat ze tevreden zijn met die situatie. Ondertussen weten ze, dat, als mensen de Schriften wèl (gaan) kènnen, die kennis tégen hen gebruikt kan worden, als die mensen onze zonden in leer en/of leven zien, onderscheiden, en daartegen getùigen! Dan is het toch veel beter, dat – zo mogelijk! – te voorkómen, door hen niét aan te sporen?
Dat niet alleen. Jezus Christus heeft Zijn volk zeer ernstig gewaarschuwd voor misleiders: Matt. 24:5: Want velen zullen komen onder Mijn Naam en zeggen: Ik ben de Christus; en zij zullen velen misleiden. Vers 11: En er zullen veel valse profeten opstaan en die zullen er velen misleiden. Vers 24: want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zó dat zij – als het mogelijk zou zijn – ook de uitverkorenen zouden misleiden.
Dan zien we een afschuwelijk iets wat zich sinds ònze zondeval telkens weer herhaalt: de (overgrote) meerderheid loopt achter leiders en voorgangers en ambtsdragers aan, onderzoekt niét, leest niét, weet niét, onderscheidt niét. Zié!!! Onze eerste voorouders moesten hun verantwoordelijkheid nemen en zich ernstig laten waarschuwen zich niét te laten misleiden. Hun nageslacht wordt in Matt. 24 DRIEx ernstig gewaarschuwd zich niét te laten misleiden. Tegelijk, iedereen kan in de Bijbel lezen, hoe het Verbondsvolk Israël zich keer op keer met haast afwendde van Gods Verbond en weigerde te luisteren.
9. HERHALING NT: GEEN KENNIS, GEEN GELOOF, GEEN VERTROUWEN
Is het ná Jezus opstanding en hemelvaart in de Nieuwtestamentische kerk van Christus beter gegaan? Hebben gelovigen, maar ook hun leiders, hun ambtsdragers, hun voorgangers, hun persoonlijke, hun gezamenlijke verantwoordelijkheid gezién, genómen, gedrágen? Zien we niet veel méér, dat juist die leiders, die voorgangers, die ambtsdragers zich vaak beijverden het volk af te houden tot het verkrijgen van kènnis, tot het verantwoordelijkheid nemen en dragen in het getuigen tégen valse leer, tégen goddeloos leven?
Integendeel, hebben veel leiders, voorgangers, zich niet beijverd die getuigen juist ten dode toe te vervolgen en uit te roeien? En hebben ze daartoe vaak niet het gewone volk weten op te ruien en te organiseren tot vervolging? En zié, dat leugen en laster en verdachtmaking daartoe zeer geëigende middelen waren. Opnieuw, velen onderscheidden niét, en volgden hun leiders en voorgangers blindelings in hun slavernij in dienst van de … duivel!
Hoe aangrijpend, als God klaagt in Hosea 4:6: Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is. Omdat ú de kennis verworpen hebt, heb Ik u verworpen om als priester voor Mij te dienen. Omdat u de wet van uw God hebt vergeten, zal Ik ook uw kinderen vergeten.
God klaagt niet alleen, Hij komt tegelijk met Zijn oordeel, omdat Zijn volk zijn verantwoordelijkheid niet genomen en gedragen heeft. Integendeel, willens en wetens heeft Gods volk de kennis verworpen!!!, daarna de wet van uw God vergeten. Vergelijk bovenstaande passage uit Spreuken 1!
Ja, en toen kwamen er misleiders, en die kregen gemakkelijk toegang en konden bij gebrek aan kennis gemakkelijk misleiden. Hoe geweldig hebben leiders, voorgangers, ambtsdragers, misbruik gemaakt van hun macht, hun invloed, het door henzelf opgezette systeem. RK verklaarde gaandeweg, dat háár leer de juiste was, en dat elke andere leer vals was en vervolgd mocht en moest worden. Ook na de Reformatie bleek deze zònde zeer moeilijk te bestrijden en uit te roeien.
En het laat zich verstaan, dat, als een kerkelijke leer het gezag van Gods Woord bindt ònder haar eigen gezag, dat Gods Woord op zijn hoogst nog een mening is, die men moet toetsen aan de officiële kerkelijke leer. Dat die leer met regelmaat op punten kan worden gewijzigd, aangepast, opgerekt, al naar gelang leiders believen, dat laat zich verstaan. De leden hoeven zich alleen maar mee te bewegen. Onderken het
onthutsende: er wordt door leiders en ambtsdragers vaak veel nauwkeuriger toegezien of leden zich (voldoende) onderwerpen aan de wetten en regels en voorschriften en afspraken en besluiten van leiders en ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen, dan aan Gods heilig Woord. En zie vervolgens, dat veelal diezelfde leiders en ambtsdragers bij – in hun ogen! – onvoldoende gehoorzaamheid en onderwerping hun zelfverkozen straf- en dwangmaatregelen opleggen en afdwingen.
10. HERHALING NT: GOD ZENDT PROFETEN, GETUIGEN
Een gevolg daarvan was daarna ook, dat, als iemand getuigde tegen valse leer, aanstootgevend leven, die persoon verwezen werd naar het door ‘ons’ opgerichte systeem, haar werkwijze, haar regels, haar bepalingen, waarbij en waarin alleen de meeste vergaderingen bindende besluiten inzake ware of valse leer konden nemen en opleggen. In dat systeem is het uiteraard onmogelijk, ja, zelfs ‘hoogmoedig’, te denken, dat iemand het beter zou weten dan officieel is vastgesteld als zijnde de ware leer. Zié, hoe er ernstige afgoderij gepleegd wèrd en wòrdt met Hebr. 13:17! Door leiders en ambtsdragers om leden in ‘hun’ gareel te houden. Door leden, door die tekst zònder kennis tegenover elkaar maar te herhalen en voor te houden. Het ‘systeem’ wèrkt!!!
Hoe velen ook geleden hebben onder verschrikkelijke vervolgingen onder RK, daarna onder Hervormde dwingelandij, onder synodaal Geref. druk, onder vrijg. Geref. binding, het systeem is en blijft springlevend. O zeker, velen spreken nog over het gezag van Gods Woord voor leer en leven, maar in de praktijk blijkt het een papieren gezag zonder enige waarde of diepgang. Spreekt de Schrift dan niet duidelijk? O zeker. Wat zeggen de apostelen Petrus en Johannes tegen ‘hun’ kerkenraad, voorgangers? Hand. 4:19: Maar Petrus en Johannes antwoordden en zeiden tegen hen: Oordeel zelf of het juist is in Gods ogen, meer naar u te luisteren dan naar God. Zie ook Hand. 5:29.
Hierin zien we zo duidelijk, hoe de leiders, de kerkenraad, zichzelf meer macht en bevoegdheid toekenden, toekennen dan de Schrift. Dat dat een telkens terugkerende zònde!!! is, is duidelijk. Ook als men uitdrukkelijk verklaart zich te stellen onder het gezag van Gods Woord en Wet, de praktijk doet het tegenovergestelde zien. Nog sterker, als daartegen getuigd wordt op grond van de Schrift, gaat men veelal eerder over tot vervolging en uitwerping, dan dat men zich van harte bekeert van hun zonden.
11. HOE VERTROUWEN, HOE LIEFHEBBEN ZÒNDER KENNIS?
We moeten nog een belangrijke zaak onderscheiden: de twee-eenheid!: Gods Woord kènnen, èn God liefhebben, zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Haal de één weg, en van beide blijft niets over. Zié, hoe Jezus dié twee-eenheid in Zijn omwandeling op aarde in leer èn leven liet zien. En liet Hij die zien, Hij vroeg en vraagt daarin navolging van Zijn kinderen en erfgenamen. Dat had grote gevolgen: Hij werd geháát, vervolgd, gedood! Vergelijk Psalm 119.
Hoe blìjkt daaruit, dat men de Schriften Zelf niet kènt, Zelf niet gehoorzaamt. Immers, God Zelf heeft heel breed en uitdrukkelijk verklaard, Jer. 17:5-10:
Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens, en die een schepsel tot zijn arm stelt, terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt. 6 Hij zal zijn als een kale struik in de vlakte, die het niet ziet wanneer het goede komt: hij verblijft op de droogste plekken in de woestijn, in zilt en onbewoond land. 7 Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt, wiens vertrouwen de HEERE is. 8 Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is, en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop. Hij merkt het niet als er hitte komt, zijn blad blijft groen. Een jaar van droogte deert hem niet, en hij houdt niet op vrucht te dragen. 9 Arglistig is het hart, boven alles, ja, ongeneeslijk is het, wie zal het kennen? 10 Ik, de HEERE, doorgrond het hart, beproef de nieren, en dat om ieder te geven overeenkomstig zijn wegen, overeenkomstig de vrucht van zijn daden.
Dan zien we een volgend onderscheid: Gòd liefhebben, Gods Wóórd liefhebben, betekent: God vertrouwen op Zijn Woord. Zijn Woord alléén voor Waarheid houden.
Zelfs heidenen onderkennen dat: Richt. 16:15: Daarop zei Delila tegen Simson: Hoe kun je zeggen: Ik heb je lief, terwijl je hart niet met mij is? Je hebt mij nu drie keer bedrogen en mij niet verteld waarin je grote kracht ligt.
Het is toch overduidelijk, dat, als men op leiders, ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, hun uitspraken, hun besluiten, vertrouwt, méér dan op Gods Woord alleen, dat men zich schuldig maakt en stelt onder Gods VLOEK, Gods WRAAK! Hoe benadrukt dit ieders verantwoordelijkheid, elke dag opnieuw! Uit bovenstaande tekst blijkt zo duidelijk, dat wie vertrouwt op een mens, een schepsel tot zijn arm stelt, het overduidelijk is, dat dat gebeurt, OMDAT zijn hart bezig is van de HEERE af te wijken.
Vers 7: Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt, wiens vertrouwen de HEERE is.
We gaan even terug naar ons voorbeeld van die jongen en dat meisje, die elkaar leuk vinden en toenadering tot elkaar zoeken. Het is toch overduidelijk, dat ze gaandeweg die gesprekken elkaar steeds beter leren kennen!? Kennen in liefde!? En mèt dat kennen groeit gaandeweg ook het vertrouwen in elkaar. Toch zullen ze zich er terdege van bewust moeten zijn, dat dat onderlinge vertrouwen van dag tot dag bewézen moet worden in woord èn daad. Hoe gemakkelijk wordt vertrouwen geschonden en beschadigd. Tegelijk, dat vertrouwen móet altijd en overal ondergeschikt zijn en blijven aan het vertrouwen op God!
Stel in het voorbeeld, dat die jongen, dat meisje, het meer dan voldoende vindt, dat anderen, zijn vrienden, haar vriendinnen, haar, hem veel beter leert kennen en vertrouwen dan hijzelf, zijzelf, zouden we dat niet bijzonder vreemd en zeker voor de toekomst onhoudbaar en beslist ongeloofwaardig vinden? Wie zou zo’n bizarre situatie aanbevelen? Laat staan, dat die zich voordoet, serieus voordoet.
We gaan terug naar het kènnen van Gods Woord, het kènnen in liefde! Hoe is het mogelijk, dat vélen zeggen God, Jezus lief te hebben zònder Hem te kennen, zonder gaandeweg het leven hun uiterste best te doen Hem uit Zijn Woord te kènnen, biddend en smekend om de verlichting van en door de Heilige Geest tot het rècht kennen van God, van Jezus. Want het is zèlf rècht kènnen om zèlf niet onder het oordeel van de levende God te komen – zie hierboven Spreuken 1 – terwijl we zo uitdrukkelijk ernstig gewaarschuwd zijn en worden, dàt er veel misleiders zijn en komen. Tegelijk, om door het niét, het onvoldoende kennen zèlf anderen niet te misleiden.
Dan zien we in het dagelijks leven sinds de zondeval!!!, dat zeer velen zich gedragen hebben en gedragen als die jongen, dat meisje, uit het voorbeeld hierboven: het waarachtig kènnen in liefde van Gods Woord, van God, van Jezus, besteden we uit!!! Op eigen onwil, op advies en aanraden van anderen, leiders, ambtsdragers – vergelijk Hebr. 13:17! – , omdat heel veel anderen dat ook uitbesteden, al vele generaties lang. En heel veel leiders en ambtsdragers voltooien hun misleiding bij het sterfbed van mensen: hij, zij, is naar Jezus, naar de hemel gegaan. En VELEN!!! geloven en beamen dat spreken.
Zié!!!, hoe mènsen – ja, ook leiders, ook ambtsdragers – geloofd worden in zeer veel eigen fantasieën. Want we vergéten wat de HEERE gezegd heeft vóór en ná de zondvloed over de gesteldheid van al onze natuurlijke gedachtespinsels. We vergeten ze niet alleen, we geloven de HEERE in dat Woord niet. Integendeel, we geloven de duivel op al zijn leugens en misleidingen, en allen die hem blindelings navolgen en napraten.
Als het wèl goed is in het voorbeeld, dan leren die jongen en dat meisje elkaar kennen in al hun doen en laten, in elkaars aanleg, karakter, smaak in tal van opzichten, hobby’s, ook in zwakheden en beperkingen en eenzijdigheden, maar ook en vooral in elkaars leven voor de HEERE, in woord èn daad. Ja, gaandeweg verweven de levens zich met elkaar, door naar elkaar toe te groeien, met elkaar rekening te houden, elkaar te accepteren zoals de ander ìs! Daarin kunnen zich gaandeweg grote verschillen vertonen, scherpe tegenstellingen. Dan: accepteren we elkaar daarin in liefde, in vertrouwen, of doen ze ons besluiten de relatie te beëindigen?
12. DE ZOON DES MENSEN TREEDT OP, GELEID DOOR DE HEILIGE GEEST
In het liefhebben tussen twee mensen komen alle gevolgen van de zonde mee, aan beide kanten. In het liefhebben van God, van Jezus moet die liefde veel verder gaan dan accepteren, gedogen, (met tegenzin) toestaan. Die liefde moet verstáán waaròm Jezus in Matt. 23 zó optreedt en zó spreekt. Het is de geweldige háát tegen alle zonde, die Jezus drijft. Immers: de ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd. En vanuit die háát wil God, wil Jezus mensen behouden tot het eeuwige leven. Die strijd heeft Jezus het leven gekost aan het kruis, om zondaren uit die macht van dood en zonde en duivel te verlossen, om zondaren vrij te kopen Zich ten eigendom als bruid.
U verstaat: de wáre bruid maakt zich gereed tot dezelfde strijd; de valse ‘bruid’ doet in eigenwilligheid wat haar hier en nu het best uit komt. Zij wil hier en nu het leven behouden; zij wil in elk geval géén strijd; zij richt haar eigen (bedacht) systeem op. De grote Bruidegom, Jezus Christus noemt haar onomwonden: synagoge des satans! Openb. 2:9; 3:9. Dat zegt de grote Getuige, Jezus Christus, Openb. 1:5: en van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, de Eerstgeborene uit de doden en de Vorst van de koningen der aarde. Hem Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed,
Matt. 23 komt niet plotseling uit de lucht vallen. Jezus spreekt hier afrondend, afsluitend, na jarenlang vermaand te hebben dat die schriftgeleerden en Farizeeën zich van hun zonden moesten bekeren. Hoe heeft Hij hen openlijk aangesproken in woord en daad. Het is heel bijzonder, dat Matt. 23 (naar het lijkt) losgemaakt is en wordt van Luk. 4:1a: Jezus, vol van de Heilige Geest,
Het is nauwelijks voor te stellen, dat niet alleen Matt. 23, maar ook al het andere beschreven spreken en doen van onze Heiland – naar het lijkt! – lòsgemaakt is en wordt van dat gegeven: Jezus, vol van de Heilige Geest! Want dat is niet een éénmalig gegeven, wat toen mèt Zijn doop gebeurde en daarna stilzwijgend ophield. Integendeel, het moet ons heel scherp voor ogen staan, dat héél Zijn optreden gestempeld werd door: het vòl zijn van de Heilige Geest.
De bewijzen liggen voor het oprapen: Matt. 23:1-36: Toen sprak Jezus tot de menigte en tot Zijn discipelen (vol van de Heilige Geest): 2 De schriftgeleerden en de Farizeeën zijn gaan zitten op de stoel van Mozes; 3 daarom, al wat zij u zeggen dat u in acht moet nemen, neem dat in acht en doe het; maar doe niet overeenkomstig hun werken, want zij zeggen het, maar doen het zelf niet. 4 Want zij binden lasten samen die zwaar zijn en moeilijk om te dragen, en zij leggen ze op de schouders van de mensen; maar zij willen die zelf met geen vinger verroeren.
13. DE PRAKTIJK LEIDT VAN KERK NAAR … VERENIGING
Het is nauwelijks voor te stellen, maar deze tekening van schriftgeleerden en Farizeeën in hun optreden, is door zeer veel ambtsdragers in de nieuwtestamentische kerkgeschiedenis gekopieerd. Vervolgens opgelegd, vervolgens afgedwongen. Dat heeft zeer grote gevolgen (gehad) voor en in het leven van ‘gewone’ kerkleden: òmdat er niét, nauwelijks, volhardend tegen is getuigd, kon het ingang vinden, werd het verdragen, werd het als ‘normaal’ geaccepteerd en overgenomen.
Tegelijk namen diezelfde ambtsdragers dat optreden, dat gedrag mee naar kerkelijke vergaderingen. Het verplichte toezien op elkaar inzake leer en leven werd hierin gaandeweg verzuimd. Vervolgens kreeg dat steeds meer, steeds breder vervolg. Immers: we moeten elkaar vertrouwen! Vervolgens: we moeten met één mond spreken! Hoe werd en wordt alles in het werk gesteld om de schijn te wekken, dat we één van gedachte zijn, één van zin. En als we onze standpunten ook nog heel ‘geestelijk’ kunnen aankleden en omlijsten, er in onze gebeden Gods zegen over afsmeken, ja, tegenover de gemeente, gemeenteleden, volhouden, dat we geleid en geregeerd worden door de Heilige Geest, dan wordt het heel moeilijk vanuit de Schriften aan te tonen, dat spreken, handelen van ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen duidelijk in strijd is met het geopenbaarde Woord. En als dergelijk optreden ‘gelegitimeerd’ wordt richting gemeenteleden en dat gedrag ‘afgezet’ wordt tegenover de ‘plicht’ voor gemeenteleden – Hebr. 13:17 -, dan is het voor ieder gemeentelid toch overduidelijk, dat de vervulling van die plìcht op de eerste plaats staat?!
We zien hierin een afschuwelijk iets! Namelijk, dat deze voorgangers zèlf de KERK niet zien, maar wat als kerk gezien wordt behàndelen alsof het een ordinaire vereniging is. Een vereniging met een bestuur. Een bestuur, dat regelt, coördineert, beslist, afhandelt, al naar het beste is voor die vereniging. (uiteraard door dat bestuur zèlf!!! te bepalen!)
Daarbij het dóel van die vereniging voor ogen houdend. En in zeer veel gevallen ‘heeft’ het bestuur van een vereniging vergaande bevoegdheden ontvangen van de leden, zichzelf aangemeten. En natuurlijk, het bestuur, bestuursleden kunnen ter verantwoording geroepen worden door leden. En naar de situatie is, het toe laat, wordt opening van zaken gegeven. Natuurlijk kunnen leden aangeven niet tevreden te zijn met de gegeven antwoorden, de inzage in het handelen van bestuursleden. We zullen werken aan een oplossing tot tevredenheid van iedereen. En in het bestuur hebben de afzonderlijke leden ook weer hun eigen taken en bevoegdheden, afhankelijk van de hen toebedeelde functie.
14. VERGETEN: DE KERK BLÌJFT KERK VAN JEZUS CHRISTUS
Maar de KERK, de KERK van Jezus Christus, heeft een unieke plaats, onvergelijkbaar met welke menselijke instelling of organisatie dan ook. Immers, er is één Hoofd, onze Heere Jezus Christus, naar Zijn menselijke natuur in de hemel, naar Zijn Goddelijke natuur overal tegenwoordig. Hij heeft Zijn kerk beloofd bij haar te zijn al de dagen, tot aan de voleinding der wereld. Nee, de KERK – haar leden – ziet Hem niet, maar gelóóft Hem op Zijn Woord, dàt Hij Zijn Heilige Geest uitgestort heeft op heel Zijn volk, op al Zijn kinderen en hen zó, in die weg, regeert.
Want die KERK leest Zijn Woord, en leest daarin dat al die leden van Zijn KERK door Hem gezien en gekend worden als leden van Zijn lichaam. I Cor. 12:13: Ook wij allen immers zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij dat wij Joden zijn, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen; en wij allen zijn van één Geest doordrenkt.
Zié, hoe de apostel Paulus – geleid, geregeerd door de Heilige Geest! – zich op geen enkele manier verheft boven al die andere leden, ja, integendeel, het niet toelaat dat grote maatschappelijke verschillen in positie, in afkomst enig verschil kùnnen of mógen maken. Zo was het in het Oude Testament, zo bleef het in het Nieuwe Testament. Zeker, daarin deelt Hij gaven uit aan ieder persoonlijk, aan de één die, aan de ander andere, aan de één meer, aan de ander minder.
Hij geeft onderscheiden taken aan bepaalde leden, ambten. In het Oude Testament zondert Hij Levieten af tot hun dienst, daarin priesters tot hun taak. Hij stelt koningen aan, richters, profeten, zoals Hij wil, wanneer Hij wil, wie Hij wil. Is het u wel eens opgevallen, dat Hij nooit aan mènsen vraagt wie zìj geschikt achten voor dat ambt, die functie, die taak? Soeverein roept Hìj! Ja, nog veel sterker: al vóór de geboorte – Simson, Jeremia – heeft Hij hen gekend, geroepen, bestemd tot het door Hem bepaalde ambt. Zie Zìjn grootheid, Zijn almacht daarin, zie ònze kleinheid, ònze beperktheid, ònze onwetendheid daarbij.
Is dat in het Nieuwe Testament anders? Heeft Jezus iemand om advies gevraagd, bemiddelaars benoemd, Zich in enig opzicht afhankelijk opgesteld van mènsen, hùn inbreng, hùn deskundigheid, hùn geleerdheid of bekwaamheid? O néé!, integendeel. Hij stort Zijn Heilige Geest uit, Die bekwaam máákt, wìl maken, tot de taken die Hij oplegt. Aan wie Hij wil, wanneer Hij wil, zolang Hij wil. Ieder erkenne daarin zijn/haar totale àfhankelijkheid. Aan ieder afzonderlijk, aan allen samen, zoals HIJ wìl, zoals HIJ nodig oordeelt. En dat alles tot ZIJN eer! Hij is immers de GEVER, de BEWERKER, Hij alleen!
15. VERGETEN: EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID
We lezen Matt. 23. Tonen de Farizeeën, schriftgeleerden, wetgeleerden, andere leiders, dàt beeld? In leer, in leven, in voorbeeld? Hoe vertonen ze in heel veel spreken en handelen het beeld van een vereniging, met henzelf daarin als het bestuur! Hoe hebben ze gaandeweg zichzelf voorzien van macht, bevoegdheid, eer, aanzien; tegelijk datzelfde beeld afgedwongen van de leden (de schare die de wet niet kent.) Het is toch een zotternij ook maar te denken, dat de schare – enkelen uit die schare – hen mag, kan controleren, bekritiseren, laat staan daarin naar behoren kan onderscheiden inzake goed of slecht? Is de beeldvorming vandáág in tal van ‘kerken’, sektes, groepen, (veel) anders? Bij leiders, bij leden? En de praktijk, de werkelijkheid?
We lezen Matt. 5-7. De Bergrede. Wàt een onderwijs! Aan wie? Alleen aan de discipelen? Matt. 7:28, 29: Toen Jezus deze woorden had geëindigd, gebeurde het dat de menigte versteld stond van Zijn onderricht, 29 want Hij onderwees hen als gezaghebbende en niet zoals de schriftgeleerden.
‘de menigte’, ‘Hij onderwees hen’ Maar dat niet alleen. Mèt het onderwijs leerde, oefende Hij hen in het onderscheiden, het onderkennen. En zou HIJ, de hoogste Profeet en Leraar, niet weten, beseffen, waar Hij mee bezig was? Zou Hij de menigte oproepen om te onderkennen, te onderscheiden, de geesten te beproeven of ze uit God zijn, terwijl Hij wist, dat ze dat niet konden, nooit zouden kunnen, ja, zelfs niet mogen?
En wat staat er in Matt. 23:1? ‘Toen sprak Jezus tot de menigte’ Alweer met de indringende oproep, om in het door Hèm gegeven onderwijs te onderkennen, te onderscheiden, de geesten te beproeven, zich daarin ijverig te oefenen, òm daardoor volwassen te worden en te zijn in het geloof! Zié!!!, wat de taak en opdracht is van ieder lid, al de leden samen, in de KERK van Jezus Christus.
We lezen in Joh. 5 over de man die al 38 jaar verlamd was en bij het badwater van Bethesda lag. In vers 14 zegt Jezus tegen hem: zondig niet meer
We lezen in Joh. 8 over een vrouw op overspel betrapt. In vers 11 zegt Jezus tegen haar: zondig niet meer
Jezus roept hen indringend op om te onderscheiden! En ìn, en dóór goed te onderscheiden wisten ze heel goed wat dat ‘niet meer zondigen’ inhield, betekende. En niet alleen de betekenis, maar ook, dat ze dat in praktijk moesten brengen.
Tóónde, bewéés Jezus Christus Zichzelf daarin en daarmee niet als de grote Profeet en Leraar? Immers, in het Oude Testament lezen we over zoveel door de Heere gezonden profeten, die héél het volk keer op keer opriepen zich te bekeren, het kwaad uit hun midden weg te doen, te beginnen met de leiders. Telkens weer werd daarbij een dringend beroep gedaan op hun verantwoordelijkheid, individueel, samen, om te luisteren, te gehoorzamen, zich te laten gezeggen, en tot berouw en bekering te komen. Om te onderkennen en te onderscheiden tussen goed en kwaad, geleerd door priesters, levieten en profeten.
Dan slaan we zo gauw één aspect over, want in het Oude Testament zien we met grote regelmaat, dat een grote meerderheid dat onderwijs vaak voor kennisgeving aannam en naast zich neerlegde. De Heere noemt het volk daarin vaak: halsstarrig, hardnekkig. En daaruit wordt maar al te gauw door lezers, hoorders, toeschouwers, de conclusie getrokken: zie je wel, al dat profeteren heeft geen enkel nut, ‘ze’ luisteren toch niet. Waarom zou ik, zouden wij dan nog wel luisteren? ‘Niemand’ doet het toch?
Maar juist op dat éne aspect komt alle nadruk te liggen, lègt de Heere alle nadruk op: de eigen verantwoordelijkheid! Naar het lijkt hier en nu (nog) niet, maar zeer zeker op de jongste dag, als ieder persoonlijk ter verantwoording geroepen wordt: wat hebt u gedáán? Wanneer elk verstoppen achter spreken en gedrag van anderen uitgesloten is. WAT HEBT U GEDAAN? Niet gezegd, niet bedoeld, maar GEDAAN! Openlijk, publiek.
Het blijkt juist, dat nú, vandáág, die verantwoordelijkheid gezién, gewógen, moet worden. Immers, we weten niet, of we morgen, later, die mogelijkheid alsnog krijgen. De Heere stelt ieder persoonlijk verantwoordelijk voor wat hij/zij zegt, zwijgt, doet, niet doet. Die verantwoordelijkheid moet ieder scherp voor ogen staan; tegelijk: hoe leg ik verantwoording af tegenover Hèm, Die harten en nieren doorgrondt, als ik voortga op de tot nu toe bewandelde weg. Hèb ik Hem inderdaad lief met heel mijn hart, ziel, kracht, verstand; hèb ik mijn naaste lief als mijzelf? En, wat zijn de aanwijsbare vruchten daarvan? Hier, nu?
Op de berg van de verheerlijking horen Petrus, Jakobus en Johannes God de Vader tegen hen zeggen, hen gebieden, Matt. 17:5; Luk. 9:35: LUISTER NAAR HEM. Naar Jezus Christus. Dat betekent toch duidelijk èn het luisteren naar Zijn stem èn het navolgen van Hem in Zijn profeteren en getuigen. Hoe heeft Jezus Christus Zijn discipelen keer op keer moeten vermánen, bestràffen, terèchtwijzen, inzake onderling heersgedrag, de voornaamste (willen) zijn.
Want denkt u werkelijk, dat Jezus Christus èn in Matt. 5-7 èn in Matt. 23 wèl verwachtte dat de menigte Hem wèl direct zou navolgen en gehoorzamen? En was Hij verbaasd, dat korte tijd ná Matt. 23 eenzelfde menigte mèt de leiders riep: kruisig Hem? Had Hij Zelf niet betuigd, Matt. 20:16; Matt. 22:14: want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren. Waarmee Hij des te meer beklemtoont: MENS, WAT HEBT U GEDAAN? ZIE, DRAAG VANDAAG UW VERANTWOORDELIJKHEID! Zie daarbij niet eerst naar anderen, naar leiders, voorgangers, ambtsdragers, of zij het wel doen, of zij u toestaan of u uw ambt van profeet en getuige wel mag uitoefenen. Vergelijk Jer. 17:10.
We lezen in Joh. 6:60: Velen dan van Zijn discipelen die dit hoorden, zeiden: Dit woord is hard; wie kan het aanhoren? En dan volgt in de verzen 65 en 66: En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij komen kan, tenzij het hem door Mijn Vader gegeven is. 66 Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
‘tenzij het hem door Mijn Vader gegeven is’ Heel duidelijk: het geloof moet door de Vader gegeven zijn. Tegelijk draagt de mèns daarin eigen verantwoordelijkheid. Het is èn èn. Zet iemand die twee tegenóver elkaar, inderdaad, dàn zou de mens kunnen zeggen: omdat de Vader het mij niet gegeven heeft kàn ik niet geloven. Maar nú: de Vader stèlt, net als in Gen. 3!, de mens zèlf verantwoordelijk. Zié, dat èn Adam èn Eva in Gen. 3 niét zeiden: omdat U, Vader, het mij niet gaf om niet te zondigen, daarom zondigde ik. O néé, ze wisten heel goed, en ze erkenden ook: inderdaad, dat hèb ik gedaan, ik ben daar helemaal zèlf verantwoordelijk voor en Uw oordeel over mij is daarom ook volstrekt rechtvaardig!
Terug naar waar we gebleven zijn: hier, in Joh. 6:66 staat heel duidelijk, ‘velen van Zijn discipelen trokken zich terug en gingen niet meer met Hem mee.’ Opnieuw: zeiden ze: ‘omdat de Vader het mij niet gaf, daarom kàn ik niet?’ Bleek uit hun DAAD niet overduidelijk, dat ze vanwege de ìnhoud van de prediking van Jezus’ getuigen, niet meer wìlden!? Wat zegt Jezus daarna – als Hij dat ziet – tegen de twaalf discipelen: Dwìng ze!!! Mij te volgen? Gebruik al de middelen om ze te verhinderen weg te gaan? Desnoods geweld? O néé, integendeel, Jezus zegt tegen de twaalf, vers 67: Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Zié (opnieuw!!!), dat Jezus ieder mens zijn/haar èigen verantwoordelijkheid geeft te dragen. Immers, die wèl weggingen, ook hen (als ze zich daarna niet alsnog bekeerden) zal op de jongste dag gevraagd worden: WAT HEBT U GEDAAN? En onder veel getuigen zullen ze dan moeten erkennen: ik ben weggelopen, omdat ik, in al mijn hoogmoed, dié prediking niet lustte! Zelfverloochening??? Beslist niét!!!
Wat antwoordden de twaalf? Verzen 68 en 69: Simon Petrus dan antwoordde Hem: Heere, naar wie zullen wij heen gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. 69 En wij hebben geloofd en erkend dat U de Christus bent, de Zoon van de levende God.
Zeker, hoe hebben de twaalf daarna nog diepgaand de weg van de zelfverloochening moeten leren! Tegelijk hebben ze moeten léren, dat de weg van het geloof een heel smalle weg is, vol verleiding, vol hindernissen, vol valkuilen, vol raffinement en list en bedrog. Van de duivel, van tegenstanders, die de weg van zelfverloochening niét kenden, ook niet wilden kennen, maar in grote hoogmoed en eigenwilligheid zichzelf zochten, eigen eer, eigen aanzien, eigen macht, eigen grootheid en roem.
In deze geschiedenis zag Jezus Christus niet alleen, dat Hem overkwam, wat veel andere profeten vóór Hem overkomen was, maar hoe moet het Hem met grote droefheid geslagen hebben, dat al die mensen Zijn Woord verwierpen, Zijn Woorden van eeuwig leven! Tegelijk, al de ware profeten, al de ware getuigen, die daarna opstonden en profeteerden, getuigden, hen overkwam veelszins hetzelfde. Hoe leert het àf te zien van zichzelf, zichzelf te verloochenen en te blijven zien op het ene Hoofd, Jezus Christus, dat Zìjn Woord volmaakt betrouwbaar is, en dat Hij nooit zal toestaan, dat die getuigen – als zij bij hun getuigenis volharden – verloren gaan.
Vergelijk Ezech. 3:7: Maar het huis van Israël wil naar u niet luisteren, omdat zij naar Mij niet willen luisteren, want heel het huis van Israël heeft een hard voorhoofd en zij zijn hardleers. Hier stelt de HEERE het spreken van ware profeten, ware getuigen, in gevòlg gelijk met Zijn Woord. Tegelijk hierbij de directe verantwoordelijkheid van èn profeten, getuigen, èn toehoorders, geroepen om zèlf te profeteren, getuigen (immers, ze staan àllen in het ambt van profeet!) om zich met haast te verootmoedigen en zichzelf te verloochenen. De HEERE zegt tegen Ezechiël: OMDAT ZE NIET WILLEN LUISTEREN. Zie opnieuw: elke passiviteit ontbreekt; het is willens en wetens!
Tegelijk, als we daarna in de kerkgeschiedenis zien, horen, lezen, dat ware profeten, getuigen, vervolgd worden, vaak ten dode toe, waarbij de vervolgers er niet voor terugschrikken (grof) geweld te gebruiken, list en leugen en bedrog inzetten, hanteren voor èigen doel en aanzien, kunnen we dan niét onderkennen, onderscheiden, of dit de weg van de gehoorzaamheid is, die de HEERE vraagt, die de Heilige Geest in het Woord gebiedt? Willen we zó BLIND zijn, blijven?
Maar dat andere punt: de naaste liefhebben als mijzelf. Hebben zij, die dat in grote woede en verbittering bedachten, besloten, hen ten dode toe te vervolgen, die getuigden tégen hun leringen en praktijken, ook hen, die die getuigen volgden in hun getuigenis, hebben zìj zichzelf nooit afgevraagd: ik móet hen liefhebben als mijzelf; nergens in de Bijbel lees ik een opdracht tot wat ik bedacht, besloten heb, of met een besluit daartoe; op grond wáárvan ga ik die opdracht geven aan ondergeschikten, aan geestelijkheid of lagere overheden? Dezelfde vragen aan hen, die die opdrachten kregen. Onderkèn: het was niet een momentopname, nee, het was een proces, een proces, waar diezelfde vragen elke dag weer opkwamen, op moesten komen, op konden komen. Zeker, er waren er, die die vragen met geweld onderdrukten; er waren er, die puur vleselijk hun lusten botvierden op weerloze slachtoffers; er waren er, die om puur lijfsbehoud niet durfden weigeren, enz. Maar zié, welk een geweldige blindheid zich openbaarde, daar duidelijk bléék!!! – ze lieten het zien in de genomen besluiten! – dat ze èigen verkozen afgoden méér dienden dan de levende Gòd! En daarom hadden ze het Woord van God ook niet lief (ze kenden Dat ook niet, nauwelijks), en ze vertrouwden Dat helemaal niet!
We lezen het; we weten het; we lezen Gen. 3: God houdt de mens verantwoordelijk voor zijn ongehoorzaamheid. Telkens weer horen we, lezen we, dat God dat dóet! En toch luisteren we elke keer weer naar de duivel, naar mensen die de duivel volgen, dat Gods Woord onbetrouwbaar is, veranderlijk, EN WE HECHTEN ER GELOOF AAN!
Jezus Christus heeft Zijn profeteren, getuigen bevèstigd in Zijn lijden en sterven èn opstaan. Waarom verstáát de mens, u en ik, wij, niet? Waarom hinken we telkens weer op twee gedachten? Waarom laten we ons telkens weer verleiden door vàlse profeten, vàlse getuigen, die in navolging van heel veel valse profeten verkondigden: VREDE, VREDE, VREDE, terwijl zij kùnnen zien, dat het oordeel voor de deur staat?
We zien nog een huiveringwekkend iets. In I Samuël 8:5-7 lezen we: 5 Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken. 6 Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel. En Samuel bad tot de HEERE. 7 Maar de HEERE zei tegen Samuel: Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.
NT-isch zien we een afschuwelijk iets: we ‘belijden’, dat Jezus Christus het Hoofd is van Zijn christelijke kèrk! Maar in de pràktijk van tal van ‘kerken’, sekten, groepen, bewegingen, enz. zíen we, dat al die instanties van dag tot dag, van jaar tot jaar, de in de Heilige Schriften verkondigde en Zich openbarende Jezus Christus als de grote Profeet en Leraar en Getuige, verlóóchenen: zó’n Hoofd willen we niet! We stellen zèlf wel ‘hoofdjes’ aan, die ons voorgaan, leren, onderwijzen, die spreken naar wat we willen horen, die de Schriften ‘uitleggen’ zoals het henzelf op dat moment, in die situatie, tegenover die persoon, het beste uitkomt. En in die weg van grote eigenwilligheid en van handhaving van eigen hoogmoed en eerzucht en heerszucht is òns ‘gezag’ bepalend, beslissend, heersend.
Jezus Christus het enige Hóófd? Op papier …, maar in de praktijk van elke dag regeren wìj!, ben ìk ‘hoofd’, nemen wìj een loopje met alle voorschriften, geboden, bepalingen, verordeningen, die het ene Hoofd Zijn kerk heeft voorgeschreven; laten die achterwege, vullen die eigenwillig aan, doen er eigenmachtig af, veranderen die van geval tot geval. En de leden volgen ons als makke lammetjes … en zwijgen. En wordt er toch gescheurd: we roepen ‘ach en wee’, maar gaan even later over tot de orde van de dag en ‘leven’ ermee: jammer.
Even later zijn we er blind voor: o nee, dat is beslist niet mijn bedoeling, dat ik door mìjn hoofd-zijn Jezus Christus als Hoofd voor de voeten loop, veel erger, Hem bekritiseer, nog sterker, Hem als ‘waardeloos Hoofd’ aan de kant schuif en daarmee toon het hoofd-zijn veel beter in te kunnen vullen en uit te kunnen voeren dan Hem. En zié, dat mìjn methodes en mìjn opgezette systemen veel effectiever zijn. En zié, vélen volgen mij, vélen vertrouwen mij en helpen mij graag in de uitvoering van mijn opzet.
Die zònde!!! wordt vergoelijkt, goedgepraat, als kleine bijzaak doodgezwegen. Vertrouw mij, vertrouw ons. Gods Woord uit Jer. 17:5 wordt vergeten; nog erger: wordt niet gekend.
We citeerden zonet I Sam. 8:5-7. Dit krijgt in I Sam. 12:18-21 een vervolg: 18 Toen Samuel de HEERE aanriep, gaf de HEERE donder en regen op die dag. Daarom werd heel het volk zeer bevreesd voor de HEERE en voor Samuel. 19 En heel het volk zei tegen Samuel: Bid voor uw dienaren tot de HEERE, uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij ook nog dit kwaad gedaan dat wij een koning voor ons verlangd hebben. 20 Toen zei Samuel tegen het volk: Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad wel gedaan, maar wijk niet langer van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart. 21 Wijk niet af door de nietige afgoden na te volgen, die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.
Wat een troost! Ook al die eigenwilligheid nú, wil de HEERE graag vergeven. En net als Samuël mogen we iedereen die zich aan die zònden heeft overgegeven, zeggen: ‘Wees niet bevreesd, u hebt al dit kwaad wel gedaan, maar wijk niet langer van achter de HEERE af, en dien de HEERE met uw hele hart. Wijk niet af door de nietige afgoden na te volgen, die niet van nut zijn en niet kunnen redden, want zij zijn nietigheden.’ Schik u onder het zachte juk van het ene Hoofd Jezus Christus, en dien Hem in waarheid.
Daarom: draag uw VERANTWOORDELIJKHEID en neem uw ambt op u en profeteer, getuig, tegen zonden inzake vàlse leer, aanstootgevend leven. Doet u dat, het resultaat, de vrucht daarvan is de woestijn, waar Jezus Christus u onderhoudt. Vgl. Openb. 12:13-17. En herinner, het profeteren is er sinds onze zondeval: Henoch profeteerde, Noach profeteerde. Het refrein in Jeremia: vroeg opstaande, laat opblijvende, zond Ik tot u de profeten. In dié weg behaagt het de HEERE de mens tot berouw en bekering te brengen. De weg van het WOORD.
16. DE WEG GEPREDIKT; DODE PREDIKING
In HC Zondag 12, vraag en antwoord 32 belijden we op de vraag waarom we Christenen genoemd worden, dat we daardoor geroepen zijn tot het uitoefenen van de drie ambten: profeet, priester en koning. Hoe is ons in het onderwijs, in de prediking over deze Zondag 12 geléérd om de Schriften te kènnen, om dóór dat kennen die drie ambten te kunnen uitoefenen. Juist, daarin geleerd om te onderscheiden, te onderkennen, de geesten te beproeven of ze uit God zijn. Maar dàn, zo geleerd, ook inderdaad het ambt van profeet, getuige, op ons te nemen, en, als het moet, in praktijk te brengen.
Het is huiveringwekkend, dat juist zìj, die ons dat onderwezen, veelal ambtsdragers, dat juist zìj, die erop toe zien, dàt die leer zuiver geleerd en onderwezen wordt, ambtsdragers, die praktische uitoefening van juist het ambt van profeet, getuige, tégenstaan, bestrijden, verklaren dat niét te mogen, nog erger, verklaren dat niet te kùnnen, daar dat alleen de bevoegdheid van ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen is.
Het wordt afschuwelijk, als we bedenken, dat diezelfde ambtsdragers ooit zèlf catechisant waren, hetzelfde leerden, opgeroepen werden tot het uitoefenen van diezelfde drie ambten (niet alleen in theorie, maar ook in de praktijk!), maar nu, staande in het bijzonder ambt van predikant, ouderling, de uitoefening ervan in de praktijk tegenstaan, verbieden, bestrijden bij leden. Vooruit: ‘u mag een bezwaarschrift indienen’. Daarmee in feite verklarend: Nee, het is onmogelijk ook maar de gedachte te hebben, dat u als profeet kunt onderscheiden of deze leer vals of waar is, of dit vertoonde leven aanstootgevend is of God welgevallig.
Het wordt natuurlijk lachwekkend, als afgetreden ouderlingen van ‘capabel’ terugvallen in onbekwaam. Of is er voor hen dan een bijzondere status, bij niemand bekend? Maar voorafgaand aan hun bevestiging zijn ze ook onbekwaam, onwetend? I Cor. 12: er is toch duidelijk onderscheid tussen de leden van het éne Lichaam van Christus? Dan weer wel, en dan weer niet? We zijn er druk mee elke morgen, aan de leden van ons eigen lichaam te vertellen, welk lid die dag heerschappij mag voeren over al de andere lichaamsdelen; en aan die andere lichaamsdelen te vertellen dat ze (uiteraard!) zelf niets weten of kunnen en zich in die weg moeten onderwerpen aan de lichaamsdelen die die dag aangewezen zijn om heerschappij te voeren. (misschien morgen zèlf mogen heersen…) Hoe eenvoudig: ieder lid zijn eigen plaats, taak, functie ontvàngen in het ene lichaam. Zó doet het ene Hoofd in Zijn KERK, Zijn gemeente. Hìj regeert, Hìj vergadert, Hìj beschermt, Hìj alleen!
Ziet u, dat we daarmee en daardoor al helemaal terecht gekomen zijn in de praktijk van de ordinaire vereniging? En dat juist ambtsdragers er alles aan gedaan hebben die beeldvorming niet alleen te vestigen door hun praktijken, maar vervolgens ook uitgebouwd en verfijnd en BEvestigd hebben in hun ‘kerk-zijn’? En dat vervolgens te vuur en te zwaard hebben verdedigd, beschermd en bevestigd tegenover wáre profetie? Waarbij we moeten opmerken, dat er in al de afgelopen eeuwen – naar het lijkt – nauwelijks bijgeleerd is.
Hoe willen ambtsdragers ons nog duidelijk maken, dat het Hoofd Zèlf!!! in Matt. 5-7, in Matt. 23, in Joh. 6 de leden wèl oproept en oefent om te onderkennen en te onderscheiden, maar nu, in de 21e eeuw Zijn leden die taak ontneemt en selectief toekent aan een select gezelschap van ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen? Moet dat niet dringend tot de gedachte brengen, dat ‘inderdaad’ het Hoofd al Zijn taken en bevoegdheden heeft uitbesteed en toevertrouwd aan ambtsdragers en hun organisaties, hun zelfbedachte systeem? Zoals het goed is in hùn ogen? Het is niet alleen een gedachte, het is de harde praktijk van elke dag, vertoond, uitgedragen in alles wat zich ‘christelijk’ noemt.
17. HET HOOFD ZÈLF NIET GELOVEN
Het is al snel na de apostolische tijd binnengeslopen: de machtsstrijd tussen oosters-orthodox en rooms-katholiek in het westen van het Romeinse Rijk. Toen dat Rijk scheurde begeerden beiden de eerste plaats in belangrijkheid en zeggenschap. Het leidde er in het jaar 1054 na Christus toe, dat – om hun doel te bereiken! – beide elkaar in de ban – is excommunicatie= in Naam van God, Jezus Christus de ander buiten het Koninkrijk van God sluiten= in Naam van God, Jezus Christus de ander in Zijn Naam aanzeggen, verkondigen, dat die ander met deze daad, dit besluit buiten het Koninkrijk van God staat, en blijft staan totdat de ander zich bekeert en onderwerpt – deden.
Duidelijk moet zijn dat zulk begeren naar macht en zeggenschap zuiver vleselijk is, ja, duivels. Immers, noch de rooms-katholieken, noch de oosters-orthodoxen handelden ‘vol van de Heilige Geest’. Dat blijkt alleen al daaruit, dat in 1965 de wederzijdse excommunicaties werden ingetrokken. Hoe duidelijk moet daaruit blijken, dat er niet anders dan een duivels spel gespeeld werd, is en wordt. Tegelijk blijkt daarin geweldige spot met de heiligheid van God, van Jezus Christus, van Zijn Woord, want als ze inderdaad geleid en geregeerd werden door de Heilige Geest in die uitvaardiging in 1054 èn in die intrekking in 1965, dan zou daarmee en daarin de Heilige Geest de onbetrouwbaarheid zelf zijn: vandaag ‘JA’; morgen ‘NEEN’. En mèt de Heilige Geest evenzo de Vader en de Zoon en het Woord. Herinner de duivel, Gen. 3: God is onbetrouwbaar, Zijn Woord onwaarachtig!
Het is uitgegroeid tot het systeem van de roomse kerk met al haar lagen en instellingen en vormen en gewoonten. Het waren processen, die begonnen, bedacht en opgezet werden door mènsen. Liéten ze zich daarin leiden door de Heilige Geest, door het geopenbaarde Woord? Stond die vraag gaandeweg die processen telkens weer scherp voor ogen? Waren ze daarin (voldoende) kritisch naar zichzelf, naar elkaar toe? Of werd die vraag – maar daarna het antwoord op die vraag – snel vergeten?
De mens moet steeds weer bedenken: Gods Woord staat onwrikbaar vast! Daar is geen enkele procesgang in te ontdekken. In het leven van de mens zien we sinds onze zondeval telkens weer, dat processen door de mèns opgestart worden en gaandeweg de zaak zelf, inhoudelijk veranderen. Wetend van de totale verdorvenheid van de aard van de mens sinds onze zondeval, kan het niet anders, dan dat èlk proces een gedachte, gang, beweging in de richting van eigenwilligheid= van de gehoorzaamheid aan het Woord van de HEERE af, is.
Als er dus op geestelijk terrein gesproken wordt van ‘voortschrijdend inzicht’, dan is dat in een bepaalde procesgang, gaandeweg, die de mèns als ‘voortschrijdend’ benoemt, hardop uitspreekt en vervolgens van de toehoorders verwacht dat dat nieuwe inzicht als positief wordt aangemerkt, gewaardeerd en overgenomen. Maar zié, dat de MENS, de MENS in al zijn zondige hoogmoed, weer centraal staat, weet, beslist, soeverein. In slaafse navolging en onderworpenheid aan … de duivel.
Lees opnieuw Jer. 17:5-10 en onderkèn, dat vers 5: Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens, en die een schepsel tot zijn arm stelt, terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt. een geweldig scherpe waarschuwing is, die we van dag tot dag scherp voor ogen moeten houden. Naar onszelf toe: telkens weer van onszelf afwijzen, wijzend naar het volmaakt bétrouwbare Woord. Naar anderen toe: nee, ook dié, en ook dié, hoe geleerd ook, hoe bekwaam ook, hoe vooraanstaand ook, in welk ambt ook, het is een mèns, op wie ik mijn vertrouwen geestelijk niét mag stellen!
Zie dàn de oneindige rijkdom van Gods Woord, Gods Verbond: onveranderlijk! Nooit zal een mens, die zich Daaraan vastklampt, die Daarop bouwt, die Daarop vertrouwt, beschaamd worden.
Zie Jezus Christus, Die nooit sprak van ‘voortschrijdend inzicht’, maar die wel verwees naar ‘zoals het van de beginne, de schepping’ was.
Maar als we nu vragen: Werden die mensen, die aan het begin van die ontwikkelingen stonden, geleid door de Heilige Geest, waren ze vol van de Heilige Geest, ja of nee?; dan moeten we met het oog op bovenstaande alleen al constateren, dat vleselijke begeerten en vleselijke eerzucht en machtswellust en vleselijke redeneringen opstonden, steeds meer invloed kregen en zich vervolgens tegenover mede-kerkleden lieten gelden. Er was strijd, strijd, strijd, maar het vleselijke werd alleen maar groter en groter. De ware kennis werd gaandeweg minder, de vormendienst nam de regering over, mènsen heersten in de kerk. Jezus Christus was alleen nog papieren Hoofd.
Zie daarbij, dat mensen zeer beïnvloedbaar zijn door andere mensen, hùn (veronderstelde) gedachten, hùn meningen, hùn handelen.
18. DE SCHOONSTE BELIJDENIS HELPT EN VERLOST NIET
We belijden in HC vraag en antwoord 50: Waarom wordt daarbij gezet: ‘Zittende ter rechterhand Gods’? Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is,
opdat Hij Zichzelven daar bewijze
als het Hoofd Zijner Christelijk Kerk,
door Wien de Vader alle dingen regeert.
We belijden in HC vraag en antwoord 54: Wat gelooft gij van de ‘heilige algemene Christelijke Kerk’? Dat de Zone Gods uit het ganse menselijk geslacht
Zich een gemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren,
door Zijn Geest en Woord,
in enigheid des waren geloofs,
van den beginne der wereld tot aan het einde
vergadert, beschermt en onderhoudt;
en dat ik daarvan een levend lidmaat ben en eeuwig zal blijven.
Dan zien we heel duidelijk, dat Jezus Christus, het ene Hoofd, Zijn kerk vergadert, beschermt en onderhoudt. Hij voegt toe, wie Hij wil, wanneer Hij wil. Nooit, nergens, heeft Hij daarin advies, toestemming nodig van een mèns. Blind moet de mens Hem daarin volgen en gehoorzamen en dat lid (ja, ook dàt lid!) accepteren in alle rechten en plichten.
En dat is nóóit afhankelijk, dat màg nooit afhankelijk zijn van de-, hoeveel-, welke gaven die het Hoofd, Zijn Geest, gaf, toedeelde. Voor ieder persoonlijk: ik moet de mij gegeven gaven en talenten ten volle inzetten voor het hele Lichaam, daarin zoekend de eer van het ene Hoofd, de Gever en Bewerker. Tegelijk: in diezelfde hoedanigheid móet ik alle andere leden aanvaarden als ‘gegeven’, als ‘ontvangen’ lid.
Daarin de verzoeking, als mij veel gaven gegeven zijn: mèt die gaven héérsen over hen die minder, andere gaven ontvingen dan ik; tegelijk, opzien naar hen die méér gaven ontvingen; aan gemakzucht toegeven, daar anderen met hun gaven (willen) heersen over andere leden; aan gemakzucht toegeven, door eigen gaven werkloos te laten liggen; aan gemakzucht toegeven, door ons maar snel aan te sluiten bij de mening van de leiders, van de meerderheid.
Daarmee en daardoor de eigen táák, de eigen òpdracht aan de kant te leggen om de gekrégen gaven en talenten als ‘ontoereikend’, als van ‘niet veel waarde’ niét in te zetten, niét te ontwikkelen. Hoe blijkt daarin, dat de ‘mening’ van andere mensen, leiders, leidend gaat worden, zijn, òf ik mijn ontvangen gaven en talenten wèl of niét ontwikkel en inzet. Hoe wordt gemakkelijk vergeten, dat mijn verantwoordelijkheid uiteraard eerst Hèm geldt, Die mij die gaven en talenten gàf! Hìj roept mij daarvoor ter verantwoording. En ik kan mij onmogelijk verschuilen achter anderen, hun handelen en optreden, hun beoordeling. Vgl. Lukas 19:20-23.
Daarin wel een beproeving, een grote beproeving: ziende, wetende, dat de gaven, talenten, die mij toevertrouwd zijn niet zo veel zijn, niet zo groot zijn, ziende mijn beperktheid daarin, ziende, horende, de reacties van mensen, wat kan de beproeving groot zijn die ontvangen gaven en talenten niét, mìnder, in te zetten en te ontwikkelen. Vervolgens de reacties van anderen, als ik die gaven en talenten wèl ontwikkel en inzet, maar door anderen als ‘onvoldoende’, ‘niet van waarde’ achteloos aan de kant geschoven worden. Hoe noodzakelijk is het dan te blijven zien op het Hoofd, op de Geest, Die mij die gaven en talenten toevertrouwde, en ze te blijven ontwikkelen en in te zetten afziende van de ‘waardering’ daarvoor van mensen.
19. DE LÈS VAN DE GESCHIEDENIS NIÉT (WILLEN) VERSTAAN
Want we zien in de hele kerkgeschiedenis telkens weer, dat er leiders, heersers opstaan, die alleen zichzelf zien, hùn naam, eer, plaats, roem, positie. En ten gunste daarvan er niet voor terugdeinzen anderen hun plaats te ontnemen, anderen er met geweld toe dwingen hun gaven en talenten niét in te zetten, niét te ontwikkelen. Vgl.
II Kron. 11:13-17.
Hij werpt uit. O nee, daar is geen enkele willekeur. Integendeel. In het Oude Testament zien we diverse keren, dat volken door hun DADEN!!! door Hem weggevloekt worden van de aarde. De zondvloed, Sodom, Gomorra, Amalek, de Amorieten, de Kanaänieten en de andere volken in Kanaän. Lees daarbij de oordelen over de volken in diverse Profeten. Telkens ten behoeve van Zijn volk! Maar ook in de KERK worden mensen weggevloekt vanwege hun DADEN!!! Ezau, Korach, Dathan en Abiram, Achan, Jerobeam, Baësa, Achab en heel veel anderen. Op Zijn tijd, op Zijn wijze. Nooit, nergens laat de HEERE dat over aan mensen om zelf te bepalen wie, wanneer, hoe, dat moet. Telkens weer de herinnering: MIJ komt de wraak toe, IK zal het vergelden.
Ook in het Nieuwe Testament zien we daarin geen verandering. Lees Matt. 23. Inderdaad, Jezus profeteert tegen die Farizeeën, schriftgeleerden, wetgeleerden, vanwege hun DADEN!!! Maar nergens slaat Hij er ‘eigenmachtig’ op los of beveelt Zijn discipelen, Zijn volgelingen dat te doen. Hij staat het zelfs niet toe! Telkens weer: het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord. Efez. 6:17. Dàt is het enige toegestane wapen.
Zien we nu de ontwikkelingen in de KERK vanaf de apostelen, dan zien we al snel de machtsstrijd ontbranden en daarin geweld niet schuwen. Hoe hadden ze daarin het Sanhedrin als voorbeeld: Jezus veroordeeld en m.b.v. Pilatus en Herodes gekruisigd. Daarna de vervolging van de apostelen, de gemeente ná het optreden van Stephanus. Nergens zien we het in geloof wachten op de HEERE, totdat HIJ wraak neemt. Eigenwilligheid heerst, en openbaart zich in haar bedrijvers.
Integendeel, de mèns neemt zèlf het initiatief, bepaalt zèlf òf, wannéér, wié, hóe leden aangepakt, vervolgd, verdrukt, uitgeworpen, gedood moeten worden. Opnieuw: vuile praktijken van een ordinaire vereniging, haar (wan)bestuur, worden openbaar. Inderdaad, de KERK, haar leden, wordt ten dode toe vervolgd, verguisd. Inderdaad, aan haar DADEN is duidelijk te onderkennen en te onderscheiden, wie Jezus Christus in Waarheid volgen of wie de eigenwilligheid in al haar hoogmoed verkiest en volgt. Zijn er nog vragen wie wáre kerk is en wie vàlse ‘kerk’ is?
Getuigen tegen tal van ontwikkelingen stonden op en getuigden tegen openbare zonden en misstanden en leringen. Getuigen: mensen, vol van de Heilige Geest, wezen zonden aan, wezen zonden af, vermaanden, bestraften, en riepen zondaars op zich te bekeren en het kwaad uit het midden weg te doen. Inderdaad: Efez. 6:17.
Hoe heeft Maarten Luther met het publiceren van de 95 stellingen getuigd tégen zoveel zonden en misstanden in de roomse kerk. Heeft de roomse kerk – haar geestelijkheid – geluisterd, hebben ze zich met haast bekeerd? O nee, integendeel: de leiders voorop deden Maarten Luther in de ban: buitengesloten uit het Koninkrijk van God. Intussen bewerkte de Heilige Geest dat veel roomse geestelijken zich bekeerden. En van de gewone leden niet weinigen. Maar de leiders van de roomse kerk deinsden er niet voor terug met groot geweld vervolgingen te organiseren en velen op een gruwelijke wijze de dood in te jagen door middel van verdrinking, brandstapel, verhanging, marteling en alles wat de duivel hen nog meer ingaf.
20. HET WOORD KÈNNEN … EN TOCH NIET GELOVEN
Ziet u het verschil? Jezus Christus getuigt hier – vol van de Heilige Geest! – in Matt. 23 tégen allerlei zonden en misstanden van Farizeeën en schriftgeleerden. Hij roept Zijn discipelen, het volk niét op tot opstand, tot gewelddadig verzet, nee, Hij getuigt met het Woord! Evenals Hij de duivel in zijn verleidingen weerstond, weerlegde, met alleen het WOORD! Dáár zit het fundamentele verschil om te onderscheiden of een activiteit, woorden, daden, gedaan worden vanuit en geleid door de Heilige Geest òf vanuit eigen vlees en geleid door de duivel.
Zeker: Jezus Christus is de waarachtige Getuige, zonder enig gebrek; alle andere ware profeten en getuigen volgden Hem in het getuigen, behangen met veel zwakheden, gebreken, tekortkomingen, enz. Lees de Profeten! Toch, de Heere sprak hen aan, zond hen, gebood hun: Ga, spreek alles wat Ik u gebied, doe er geen woord vanaf, voeg er geen woord aan toe. Vergelijk Jer. 26. Hoe tegenovergesteld handelden en spraken de vàlse profeten: Zij spraken zoals de opdrachtgevers wensten, en zoals de toehoorders graag hoorden. Zie hoe duivels ze daarbij voegden: ‘Zo zegt de Heere’. Dan zegt de Heere tegen het volk: In deze weg kunt u onderscheiden welke profetie, welk getuigenis inderdaad van Mij afkomstig is, en welke profetie, welk getuigenis niet: let op, zie toe, welk woord, welke profetie inderdaad uitkomt.
Het zijn niet alleen woorden, maar evenzeer de dáden! Elke ‘godsdienst’ die in haar organisatie, haar uitvoering geweld toelaat, laat staan opdraagt, gebiedt, beveelt, organiseert, laat daarmee en daardoor overduidelijk zien, dat zij vàls is. Dat geweld is niet alleen lijfelijk in vervolgingen en verbanningen, maar evenzeer in psychisch opzicht, als ze nalaat, ja, expres weigert, profeten, getuigen, mèt en vanuit het Woord alleen te vermanen, bestraffen, weerleggen en overtuigen. (dat kàn ze ook niet, daar het onmogelijk is de Geest te overtuigen van zonde.) Dat laatste komt heel vaak voor! Maar opnieuw blijkt daaruit zeer helder, dat betreffende ‘godsdienst’ die beslissende fase verwaarloost, overslaat, met gebruik van allerlei uitvluchten zich eraan onttrekt.
Dan zien we, dat (die ‘godsdienst’ is niet een persoon, maar wordt gevormd door de mènsen, die zich ten dienste van die ‘godsdienst’ inzetten in verdediging en organisatie en besluitvorming; en van die mènsen moet uit hun handelen en spreken blìjken, òf ze vol zijn van de Heilige Geest, òf vleselijk eigen doelen najagen!) gemakkelijk en snel gegrepen wordt naar argumenten en gronden, die ten diepste niet anders doen dan eigen ònwil en ònvermogen openbaar maken. Tegelijk, opnieuw, het zal met grote woorden, zelfs met aanroeping van de Naam van de Heere, betuigd worden, dat ze de Heere willen dienen naar Zijn Woord, maar hun dáden, hun wóórden, getuigen tégen hen.
Wat zijn die uitvluchten dan? Een geweldige hoeveelheid. Opgelegd, gezocht, o zo ‘logisch’. Het door onszelf – onze voorouders – opgerichte systeem, dat gaandeweg is bedacht, opgericht, verfijnd. Zié!, dat heel veel van die systemen in tal van opzichten varianten zijn van het systeem wat onze Heere Jezus Christus aantrof en in al haar huichelachtigheid en zelfvoldaanheid en eigengereidheid bestreed. Met onweerlegbare feiten en bewijzen. Lees Matt. 23 nog maar eens. Tegelijk, ook dat systeem was in grote delen vrucht van oude systemen, die in vroeger eeuw opgericht waren en gehanteerd werden. Christus kènde het boek Prediker: niets nieuws onder de zon!
21. UITVLUCHT 1: MACHT, INVLOED
Wat zijn die uitvluchten dan? Een beroep op aanwezige màcht! Macht van aanvoerders, leiders, koningen, vorsten, maar ook priesters, ambtsdragers.
22. UITVLUCHT 2: MACHT, GEGROND OP … MEERDERHEID
Vervolgens beroep op de meerderheid. Hoe democratisch!!! Tegelijk: hoe blìnd!!! Immers, wáár staat in de Schriften dat de aanwezige meerderheid gelijk heeft, de waarheid in pacht heeft? Immers, de praktijk leert elke dag, dat de ‘meerderheid’ van ogenblik tot ogenblik verschilt, verandert, verloopt. Het is de geweldige blindheid van het momènt, waarop de ‘meerderheid’ zich blind staart. Kijk maar naar de reactie van dezelfde mensen, als ze even later blijken te behoren tot de ‘grote’ minderheid. Zié!, dat argumenten op dat moment van ondergeschikt belang zijn. Het gaat om IKKE, IKKE, IKKE, en MIJN gelijk!
Twee voorbeelden van meerderheid (met vele aan te vullen):
Numeri 13 en 14: 10 verspieders staan tegenover 2 verspieders. Een duidelijke meerderheid. Toch, de Heere brengt die 10 verspieders door een plaag om, terwijl die 2 verspieders door de Heere gespaard en 38 jaar later – náár Gods belofte! – Kanaän mogen binnengaan.
Numeri 16: Korach, Dathan, Abiram en On met 250 leiders uit het volk staan tegenover Mozes en Aäron: 254 tegenover 2. Een duidelijke meerderheid. Toch, de Heere brengt die grote meerderheid door een plaag om. Dan, de volgende dag, vers 41: Maar de volgende dag morde heel de gemeenschap van de Israëlieten tegen Mozes en tegen Aäron: Ú hebt het volk van de HEERE gedood! Maar onderkèn daarin de verschrikkelijke hardnekkigheid van het volk. Ze wéten van de goddeloosheid van Korach (Leviet!) en zijn bende. Toch: ‘het volk van de HEERE’!
Hoe moeten deze voorbeelden – nee, deze geschiedenissen! – ons ernstig vermanen niét te zien op aantallen, op meerderheid-minderheid, maar vooreerst zuiver naar Gods Woord te onderscheiden uit woorden èn daden, wie ootmoedig buigt onder het gezag van Gods Woord. De Heere beproeft daarin ieders hàrt inzake haar gezindheid vóór of tégen Hem, Zijn Woord, Zijn Verbond. Niet meer, niet minder.
Om een andere reden noemen we nog een derde voorbeeld van meerderheid:
I Koningen 18: de profeet Elia staat tegenover 450 Baälprofeten. Een duidelijke meerderheid. Baäl zwijgt; de HEERE antwoordt met vuur. Op bevel van Elia worden de 450 Baälprofeten gedood. Daarbij zijn de volgende aantekeningen te maken:
Koningin Izebel bracht de Baälsdienst vanuit Sidon mee naar Israël en koning Achab bewilligde daarin. Hoe duidelijk in strijd met Deut. 13. Daar was deze geschiedenis het resultaat van. Het volk zweeg en stemde toe en ging mee!
De profeet Elia wist heel goed, dat de HEERE geboden had het kwaad uit Israël weg te doen. In gehoorzaamheid aan dat gebod beval hij die profeten te doden.
Die profeten hadden in hun dienen van de Baäl getoond de HEERE niet te willen dienen. Ze hadden zich niet bekeerd, toen Achab hen naar de Karmel riep; integendeel, ze hadden zich uitgeleefd in het proberen Baäl tot antwoorden te bewegen; hoe hadden ze zich openlijk tegenover heel het volk daarin verhard in hun afgoderij. De HEERE gaf nu geen gelegenheid meer tot berouw en bekering.
Het volk zag dit alles gebeuren en werkte eraan mee. Hoe moest dit alles hen ernstig waarschuwen niet opnieuw tot dat grote kwaad terug te keren, de HEERE te verlaten en andere goden te zoeken en te dienen.
Zie de impact, dat koning Achab zich niét bekeert, maar, thuisgekomen, Izebel vertelt wat gebeurd is en haar verder haar gang laat gaan. Hij deed het kwaad uit zijn eigen huis niét weg! Vgl. Ex. 34:16; Deut. 7:3.
Zié de impact als het kwaad kan doorwerken; als vervolgens de boosdoeners niét vervolgd worden, maar integendeel beschermd en verdedigd. We lezen het in Richteren 20:11-14: Zo verzamelden alle mannen van Israël zich tegen deze stad, verbonden als één man. 12 De stammen van Israël stuurden mannen door heel de stam van Benjamin om te zeggen: Wat is dit voor een kwaad dat onder u gebeurd is? 13 Lever ons nu die mannen uit, die verderfelijke lieden die in Gibea zijn, zodat wij hen doden en het kwaad uit Israël weg kunnen doen. De Benjaminieten wilden echter niet naar de stem van hun broeders, de Israëlieten, luisteren. 14 De Benjaminieten verzamelden zich daarentegen vanuit hun steden in Gibea om tegen de Israëlieten ten strijde te trekken.
Hoe zien we hier de eigen verantwoordelijkheid gedragen, en de eigen verantwoordelijkheid verkwanseld. Hoe benadrukt dit het toezien op elkaar, niemand uitgezonderd. Wat een lès! Lees die hele geschiedenis.
Wat een grote les voor de nieuwtestamentische kerk! Want dat betekent strijd, strijd, strijd! Dat betekent: het kwaad uit het midden van de gemeente, de kerk, het kerkverband wègdoen!!! Niét toegeven aan gemakzucht, niét toegeven aan eigenwillige manieren, zoals: we praten erover met de persoon, de personen. Waarmee en waardoor het kwaad kan voortwoekeren, òmdat mènsen, leden, ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen wèigeren te bestraffen, te vermanen, onder tucht te zetten en – bij verharding! – af te snijden. Waarmee en waardoor het gebòd: het kwaad uit het midden wegdoen! blijkt niet meer dan een wassen neus te zijn. Het kan ook op déze (ònze) manier. We geven de duivel gelijk: Gods geboden worden van elk gezag beroofd. Vandaag dit gebod, morgen dat verbod. Welk gebod is dan nog wel te handhaven? Immers, alle eerbied voor de levende God, Die dat gebod beval, is weg. Dan blijft over, dat ieder doet wat goed is in eigen ogen. Wat een blindheid!!! De grote dwaasheid daarin blijkt daaruit, dat we niet verder kijken dan vandaag! Kènden we de Schriften, dan wisten we, dat elke afdwaling klein begint, maar daarna niet, nauwelijks, te stoppen is. Òns doen vandaag heeft (vaak!) grote gevolgen voor de toekomst, voor ons nageslacht. Zie het tweede gebod!!!
Maar er is nog iets veel ergers, en dat zeker in de kerk. Zié!!!, dat de ‘meerderheid’ ook daar gemakkelijk ingang vond. Hoe suggestief, dat iemand die ziet, weet, vermoedt, dat de ‘ruime’ meerderheid vóór is in een bepaalde zaak of kwestie, zo terloops opmerkt maar te gaan stemmen. Hoe gemakkelijk gaan anderen daarin mee. Zié!!!, dat het onderscheid tussen principiële en zakelijke kwesties al gauw verdwijnt. En voor we het weten is er gewenning. Wat is het ‘ergere’? Dit, dat er een spel gespeeld gaat worden, een gruwelijk slecht spèl! Want al die mensen, die op die vergadering aanwezig zijn, over het onderwerp spreken, discussiëren, beraadslagen, zijn ‘christen’. Als ‘christen’ zeggen, belijden ze, HC Zondag 20: Ik geloof in de Heilige Geest. Daarin: Dat de Heilige Geest ook aan mij gegeven is. En als gelovige belijd ik daarmee toch tegelijk dat de Heilige Geest in mij woont, mij regeert, en dat ik vol van de Heilige Geest wil leven, spreken en handelen? Zie het Doopsformulier. Wóónt! In mij thuis is, elke dag weer; ja, mij regeert door het Woord! Ja, ook op die vergadering, ook als die principiële zaak aan de orde is, ook als het voorstel gedaan wordt te stemmen…
We komen er in het gesprek, de discussie met elkaar niet uit. Een principiële zaak, kwestie. En nu daarover gaan stemmen??? De Heilige Geest leidt en regeert alle aanwezige leden? Stemt een deel – vol van de Heilige Geest! – vóór?, en een deel – vol van de Heilige Geest! – tégen? Ofwel, de Heilige Geest is tegen Zichzelf verdeeld? Zijn er meer, veel Heilige Geesten? Of heeft de Heilige Geest Zich voorafgaande aan de stemming teruggetrokken en die mensen aan zichzelf overgegeven, aan eigen gedachten en voorkeur? Maar ná de vergadering verklaren die mensen toch tegenover iedereen, dat ze dàt besluit genomen hebben, geleid door de Heilige Geest? Met stemmingen en al? Onderscheid en zie, welke leugengeest hierin verblindt en heerst.
Maar het blìjkt toch overduidelijk, dat hiermee en hierdoor de PRAKTIJKEN van een ordinaire vereniging in de kerk zijn ingedragen en dat die PRAKTIJKEN daarmee en daardoor zijn gaan héérsen. En dat vervolgens alleen in naam nog van ‘kerk’ gesproken kan worden? Maar dat het de duidelijke kenmerken van de KERK VAN JEZUS CHRISTUS daarmee en daardoor heeft ingeruild voor alle hoogmoedige eigenwilligheid en eigengereidheid? Tegelijk, dat het éne Hoofd daarmee en daardoor vervangen is door het bestuur? Ongeacht of het ambtsdragers heten of zijn of daarvoor moeten doorgaan?
23. MACHT, MEERDERHEID HÉÉRST OVER WOORD VAN GOD
Nu is er een gemeentelid dat getuigt tégen valse leer, en/of tégen aanstootgevend leven van een ambtsdrager, meerdere ambtsdragers. Het systeem is zo ingeburgerd, dat dat getuigenis ‘onontvankelijk’ wordt verklaard. Integendeel, u moet – zo hebben we met elkaar afgesproken! – een bezwaarschrift indienen bij uw kerkenraad, de bevoegde instantie. Maar daarbij moet u wel aan alle door ons bepaalde voorwaarden voldoen. Verder wordt u te verstaan gegeven, dat u – eenvoudig gemeentelid! – niet alleen kunt bepalen en vaststellen of er sprake is van valse leer, aanstootgevend leven. Dat kunnen alleen de bevoegde instanties, kerkenraad, classis, synodes, doen. Zìj beslissen daarover (bij meerderheid!). Toen datzelfde gemeentelid openbare belijdenis van het geloof aflegde werd openlijk door de voorganger verklaard, dat dit lid belijdenis van zijn/haar geloof aflegde, vervuld van de Heilige Geest. Daarnaast hadden diezelfde leden op catechisatie HC Zondag 20 geleerd: Dat de Heilige Geest ook aan mij gegeven is. Daarvóór: gedoopt in de Naam van de Heilige Geest.
Wat blijkt? Diezelfde kerkenraad (die ambtsdragers daarin, ieder persoonlijk, samen!) zègt in feite tegen dat gemeentelid: Toen, toen u belijdenis aflegde was u vol van de Heilige Geest! Dat heeft de voorganger openlijk tegenover de hele gemeente verklaard. En niemand, ook de ambtsdragers niet, hebben daartegen enig bezwaar uitgesproken. Maar nu u getuigt tegen valse leer, aanstootgevend leven van één of meerdere ambtsdragers, nu verklaren WIJ, ambtsdragers, kerkenraad, dat de Heilige Geest, die in u woont, u regeert, blijkbaar van een duidelijk lagere orde is dan de Heilige Geest, Die in òns – ambtsdragers! – woont. Met als conclusie: u kunt niet – hoewel geleid, geregeerd door de Heilige Geest – bepalen, onderscheiden of een bepaalde openlijk verkondigde leer vals is, of vertoond leven aanstootgevend is. Dat kùnnen, mógen alleen ambtsdragers in hun kerkelijke vergaderingen.
Nog één keer: Toen, toen u belijdenis aflegde was u vol van de Heilige Geest! Dat heeft de voorganger openlijk tegenover de hele gemeente verklaard. Was dat niet meer dan een momentopname? Werd dat direct daarna weer afgeschaald? Tegelijk: dat was door de catecheet op catechisatie geléérd! HC Zondag 20! Daar zagen de ambtsdragers op toe, dat het catechetisch onderwijs in onderworpenheid aan de Schriften gebeurde! Maar nu, néé, diezelfde Heilige Geest, Die in u woont, Die kan u onmogelijk doen onderscheiden inzake valse leer, inzake aanstootgevend leven. Nu is diezelfde Heilige Geest totaal àfhankelijk van ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, of zìj het ingediende bezwaarschrift inhoudelijk bevestigen en overnemen, of afwijzen.
‘Geleid door diezelfde Heilige Geest’. Zie, onderscheid, dat diezelfde catecheet èigen onderwijs inzake HC Zondag 20 verloochent! Hij léért: de Heilige Geest woont in jou. Maar hij bedoelt: dat leer ik, omdat het er staat, maar ik wéét, dat het alleen theorie is, daar in de praktijk ònze afgoderij aan Hebr. 13:17 regéért, en héérst. Vandaar onze onuitroeibare afgoderij aan Hebr. 13:17. Want ook de Heilige Geest moet Zich in u aan ons onderwerpen en gehoorzamen. Ofwel: met de Heilige Geest doen wij zoals het ons op dat moment, in die situatie, tegenover die persoon, het beste uitkomt.
En is HC Zondag 20 in de prediking aan de beurt van behandeling, wel, dan ontvouwen we onze theorie, zoals de gemeente van ons verwacht.
En is het Pinksterfeest, wel, dan preken we zoals de tekst ons aangeeft, dan ontvouwen we onze theorie, zoals de gemeente van ons verwacht.
En is HC Zondag 12 vraag en antwoord 32 inzake de 3 ambten – profeet, priester en koning van christenen – aan de beurt van behandeling, wel, dan ontvouwen we onze theorie, zoals de gemeente van ons verwacht. We weten, dat we die drie ambten vanuit onszelf onmogelijk kunnen uitoefenen; alleen, als we geleid en geregeerd worden door God, de Heilige Geest, trachten we dat te doen. Maar in werkelijkheid mag het alleen met instemming en toestemming van ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen.
24. UITVLUCHT 3: ONZE AFGODERIJ: HEBR. 13:17
Maar het is en blijft theorie, want we hechten aan onze afgoderij aan Hebr. 13:17.
Hebr. 13:17: ‘Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut.’ Zié de geweldige blindheid! Ambtsdragers zèggen, dat ze door Jezus Christus Zèlf geroepen zijn tot het bijzonder ambt. Ambtsdragers zèggen, dat ze geregeerd en geleid worden door de Heilige Geest. Maar nú, in de praktijk, òntbinden ze die leiding en regering (immers, als iemand geleid, geregeerd wordt door Iemand anders, dan moet dat blijken in de praktijk van zijn leven, van zijn ambtspraktijk!) van en door de Heilige Geest, door die vereiste gehoorzaamheid en onderdanigheid te binden aan hun èigen persóón, gekoppeld aan het bijzonder ambt. Dan blijkt het in de praktijk, dat de Heilige Geest van die vereiste gehoorzaamheid en onderdanigheid buitengesloten wordt, losgemaakt. Waarmee blijkt, dat die leiding en regering van en door de Heilige Geest alleen dàn en in dié gevallen en op dàt moment, als het die ambtsdrager zèlf uitkomt, zoals het door die ambtsdrager zèlf bepaald wordt, geldt.
De eigenwilligheid ten top! Want de Heilige Geest, Zijn leiding en regering van die bijzondere ambtsdrager, wordt wèl uitgesproken, wèl beleden, maar inhoudelijk heeft ze geen enkele zeggingskracht tegenover hen, tegenover wie die tekst gebiédend! wordt uitgesproken. Zié, hoe daarmee en daardoor het tweede gedeelte van ditzelfde vers als nietszeggend voor kennisgeving wordt aangenomen en gewogen. Kijk, dat ‘waken’, dat willen we vanuit diezelfde afgoderij nog wel volhouden, maar dat ‘rekenschap moeten afleggen’, dat nemen we zelf toch helemaal niet meer serieus? Denk je nou echt, dat het Hoofd Jezus Christus daar zo zwaar aan tilt?, dat zo serieus neemt? Welnee, wees wijzer, Hij sluit Zich heel snel aan bij de mening van de meerderheid, hoe die het ambtswerk van die en die en die beoordelen. En luister dan maar naar wat de voorganger bij het aftreden van die ambtsdragers tegen hen zegt, over hen tot de gemeente zegt, hoe hij daar straks in het gebed openlijk voor dankt! En in dat gebed de gemeenteleden datzelfde gebed op de lippen legt. Maar dan moet het voor àlle aanwezige toehoorders toch overduidelijk zijn, dat hij daarin de waarheid, alleen maar de WAARHEID spreekt???
Meent u werkelijk, dat de Heilige Geest de schrijver dìt doet opschrijven tot héérszucht van mènsen, ambtsdragers? Herinner Gen. 6 en 8! Verklaart Hij hier niet zeer nadrukkelijk, dat die ambtsdragers – daar HIJ in hen woont, wil wonen – in woord en daad door HEM geregeerd alleen dàt spreken, dàt doen, wat HIJ gebiedt in Zijn Woord? Met als enig mogelijk gevolg, dat de geboden gehoorzaamheid en onderwerping juist dat Wóórd, juist de Gòd van dat Woord betreft? Die ambtsdragers mogen beslist niét anders regeren dan door het Woord en de Geest alleen.
En daarom moet bij die ambtsdragers bij elk woord, bij elke daad scherp voor ogen staan: ik moet straks voor het ene HOOFD verantwoording afleggen over elk woord, elke daad, die ik in het bijzonder ambt namens mijn ZENDER heb gesproken, gedaan. Wee mij, als ik heb afgedaan, als ik heb toegevoegd, eigenwillig. Wee mij, als ik mijn eigen mening verkondigd heb, en het geopenbaarde Woord van mijn Zender daarmee en daardoor doodgezwegen en geminacht. Lees Ezech. 33, 34. Zie weer die èigen verantwoordelijkheid! Nooit zal mijn ZENDER toestaan, dat ik mij achter iemand anders, achter heel veel anderen probeer te verstoppen of te verontschuldigen.
Opnieuw: wie, Wié, erkent, aanvaardt u vandaag als ‘hoofd’, als Hoofd?
25. UITVLUCHT 4: ONZE AFGODERIJ: HEBR. 13:7
Hetzelfde geldt Hebr. 13:7: ‘Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na.’ Ook met deze tekst wordt dezelfde afgoderij gepleegd. DENK AAN UW VOORGANGERS! En worden die voorgangers door ons in hoge ere gehouden, dan is het natuurlijk ondenkbaar ook maar te veronderstellen, dat ze het Woord van God niét juist zouden hebben gesproken. Maar zié, dat de òpdràcht de geesten te beproeven – ja, ook, ja, juist van die voorgangers, hun spreken, hun uitleggen, hun toepassen! – hiermee en hierdoor van alle kracht wordt beroofd. Ofwel, niemand ziet er de noodzaak van in, integendeel.
Blijft over, dat het een eigenwijze inbeelding is, als iemand dènkt die plicht uit te moeten voeren tegenover ook dié voorganger. Stilzwijgend wordt voorbijgegaan, dat de duivel telkens weer graag gebruik maakt van mènsen, die èn door karakter, èn door manier van optreden, spreken, zich zo gemakkelijk geliefd maken bij zeer velen. En wéten die mensen dat zelf ook, weten ze er gemakkelijk op in te spelen en er gebruik van te maken, dan is de verleiding groot zich daardoor een (grote) naam te maken bij het grote publiek. Hoe noodzakelijk is het er telkens weer op aan te dringen te onderzoeken, te onderkennen, te onderscheiden òf de geest die verkondigd wordt inderdaad uit God is of niet.
Wat betreft het tweede deel van Hebr. 13:7: Beluister de toespraken die bij de begrafenis, bij het graf van een geliefde voorganger uitgesproken worden. Lees de ‘In memoriams’ die over de persoon gepubliceerd worden. Let wel, het is beslist niet mijn bedoeling personen verdacht te maken, een trap na te geven. Wel is het zeer noodzakelijk het ambt van profeet náár de Schriften in ambt als in uitwerking haar rechtmatige plaats te geven en te doen behouden. Omdat de HEERE dat gebiédt. Kijk, in de Bijbel kunnen we lezen over koning Achab, hoe hij de profeten Elia en Micha benadert en toespreekt, over hen spreekt tegenover anderen. Koning Achab heeft veel navolgers (gehad). Lees de Evangeliën.
26. HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN ZONDAREN; DE DOOP
We moeten nog een belangrijk aspect nader bezien. We schreven al over het Doopsformulier. We lezen in het formulier: ‘In de eerste plaats zijn wij met onze kinderen in zonde ontvangen en geboren. Daarom zijn wij mensen op wie de toorn van God rust, zodat wij in Zijn rijk niet kunnen komen, tenzij wij opnieuw geboren worden (Ef. 2:3. Joh. 3:3).’ U zult oprecht antwoorden: ‘Ten eerste: Belijdt u dat onze kinderen, hoewel ze in zonde ontvangen en geboren zijn en daarom aan allerlei ellende, zelfs aan de verdoemenis onderworpen zijn, toch in Christus geheiligd zijn en daarom als leden van Zijn gemeente behoren gedoopt te zijn?’
Daarna: ‘Als wij gedoopt worden in de Naam van de Heilige Geest, verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig sacrament, dat Hij in ons wonen en ons tot leden van Christus heiligen wil. Zo wil Hij ons schenken wat wij in Christus hebben, namelijk de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkorenen in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen (Ef. 5:27).’ Daarna: ‘In de derde plaats, omdat elk verbond twee kanten in zich heeft, worden wij door God door middel van de doop opgeroepen en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dit betekent dat wij innig verbonden zijn met deze enige God – Vader, Zoon en Heilige Geest -, Hem vertrouwen en liefhebben met heel ons hart, met heel onze ziel, in heel ons denken en met al onze krachten (Mt. 22:37). Verder, dat wij ons van de wereld afkeren, onze oude natuur doden en in een nieuw, godvrezend leven wandelen (Tit. 2:12).’ Daarna: ‘laten wij Zijn heilige Naam aanroepen: Almachtige en eeuwige God, … Wij bidden U, pleitend op Uw grondeloze barmhartigheid, dat U deze kinderen in genade wilt aanzien en door Uw Heilige Geest in Uw Zoon, Jezus Christus wilt inlijven, opdat zij met Hem in Zijn dood begraven worden en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven: hun kruis in de dagelijkse navolging van Christus blijmoedig mogen dragen en Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde; opdat zij dit leven, dat toch niet anders is dan een voortdurend sterven, door Uw genade getroost mogen verlaten en dat zij op de jongste dag voor de rechterstoel van Christus, Uw Zoon onbevreesd mogen verschijnen.’ En in het gebed ná de bediening van de Doop: ‘Almachtige en barmhartige God en Vader, … Wij bidden U ook door Hem, Uw geliefde Zoon, dat U deze gedoopte kinderen door Uw Heilige Geest altijd wilt regeren, opdat zij christelijk en godvrezend opgevoed worden en meer en meer groeien in de Heere Jezus Christus. Geef dat ze zo Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid die U hun en ons allen hebt bewezen, zullen belijden en in alle gerechtigheid onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen. Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest, de enige en waarachtige God, eeuwig loven en prijzen. Amen.’
Hoe, ik vraag u: HOE kunnen we dìt bidden, dat de Heilige Geest dit kind wil inlijven, dat de Heilige Geest dit kind wil regeren (waarmee we erkennen, dat geen mèns dat kan, mag!), hoe kunnen we bidden, dat dit kind ‘Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid die U hem en ons allen hebt bewezen, zal belijden en in alle gerechtigheid onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven en moedig tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk strijden en mogen overwinnen.’ Onderscheidt!!!: dat kind moet gaandeweg het opgroeien leren onderscheiden inzake zonde, duivel en zijn rijk; en vanuit die onderscheiding in Christus’ kracht ertegen strijden en overwinnen.
Met grote verbijstering zien we dan, dat ook die verplichte strijd, ja zelfs dat onderscheiden tòt die strijd, onderworpen worden dóór die ambtsdragers aan hùn afgoderij. Zié, hoe de christelijke leer en het christelijke leven daarmee en daardoor slechts een theorie zijn, waarbij we ook de inhoud van die gebeden hebben in te vullen en uit te leggen zoals ons door ambtsdragers wordt voorgehouden. Maar onderken, dat dat per dag en per geval en per moment kan veranderen. Daaruit moet noodzakelijk volgen, dat de praktische inhoud van de drie ambten: profeet, priester, koning, leeg is. Er blijft niets anders over dan één vormendienst.
Zié, dat die door het Hoofd gebóden strijd tegen de zonde, de duivel en heel zijn rijk, nu stáát tegenover de afgoderij van ambtsdragers in hùn heerszucht. En in die heerszucht verklaren ze, dat ZIJ wel bepalen òf, wannéér, hóe gestreden moet worden, en waartegen. En inderdaad, dan gaat de Bijbel dicht, want wat Gods Woord zònde noemt, dat wordt door vélen – christenen??? – géén zonde genoemd. In elk geval niet voor zonde gehouden. Eenieder moet zelf maar uitmaken of hij het als zonde ziet of niet. Maar het is natuurlijk een ontoelaatbare dwaasheid, als die persoon dat anderen op wil leggen dat als zonde te zien en dat voor zonde te houden. Denk maar aan lhbtiq, denk maar aan de zònde van het uitwerpen van ware getuigen, denk maar aan de zònde van de meerderheid, enz. enz. Er komt alleen maar meer bij.
27. JEZUS VRAAGT GÓEDE VRUCHTEN
Hoe heeft Jezus Christus Zèlf breed gewezen op de noodzaak vruchten voort te brengen, goede vruchten. Opnieuw de tegenstelling: niét dié vruchten, die mènsen, ambtsdragers voor ‘goede vruchten’ houden, en door mènsen, ambtsdragers geprezen worden, maar die vruchten, die door Jezus Christus GOED genoemd worden.
Laten we bij het onderwerp blijven: de inhoud van Matt. 23, is dat een góede vrucht?
Ik doel op Christus onderwijs in Matt. 7:15-20: ‘Maar wees op uw hoede voor de valse profeten, die in schapenvacht naar u toe komen maar van binnen roofzuchtige wolven zijn. 16 Aan hun vruchten zult u hen herkennen. Men plukt toch geen druif van doornstruiken of vijgen van distels? 17 Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort en een slechte boom brengt slechte vruchten voort. 18 Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een slechte boom kan geen goede vruchten voortbrengen. 19 Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in het vuur geworpen. 20 Zo zult u hen dus aan hun vruchten herkennen.’
Onderscheidt, welke dwaasheid, dat Jezus Christus aan ieder, die Hem op dat moment hoort, gebiédt daarin te onderscheiden, terwijl er heel veel ambtsdragers zijn opgestaan, die gemeenteleden voorhouden, dat die bevoegdheid aan hèn is toevertrouwd, door … Jezus Christus, door … de Heilige Geest.
Wat lijkt deze ‘vrucht’ veel op een vrucht van hen, die breed beschreven zijn in vers 15!
Terug naar het Doopsformulier. Zie, hoe die erkenning – 2 keer! – ‘in zonde ontvangen en geboren en daarom aan allerlei ellende, zelfs aan de verdoemenis onderworpen zijn,’ daarmee en daardoor van tafel gevéégd is en wordt! Het is theorie! Maar wìj, ambtsdragers, staan daar oneindig ver boven, en daarom schamen we er ons ook helemaal niet voor om onbarmhartig te heersen over de leden en in die weg zèlf te bepalen wat er in de praktijk van het christenleven overblijft in de uitoefening van het ambt van alle gelovigen, van het ambt van profeet, getuige. Zié, dat die ambtsdrager – zèlf staande met zijn kind bij de doopvont! – meineed pleegt, als hij ‘oprecht antwoordt’ ‘verklaart’ dat ook zijn kind in zonde ontvangen en geboren is, daarop met ‘JA’ antwoordt. Want hij wéét, dat hij straks als ambtsdrager weer gewoon meedoet met de anderen aan hun afgoderij en héérst!!! Zie, dat feitelijk verklaard wordt, dat WIJ, ambtsdragers verheven zijn boven ‘in zonde ontvangen en geboren’. Het is nog dorre theorie, te gebruiken voor de gelegenheid.
Ik vraag u: waren die gebeden bij de Doop gebeden onder voorbehoud? Hebben we van die gebeden inhoudelijk niets gemeend? Was het alleen maar sleur, gewoonte, traditie? Hoopten we er stilletjes op, dat dié vruchten nooit openbaar zouden worden?
Want opnieuw: Hoe willen we vervuld zijn met de Heilige Geest, als we naderhand wèigeren vrucht te dragen? Als we naderhand wèigeren te zien en te erkennen dat àndere leden voor God góede vruchten dragen? En als dat voor andere leden door ambtsdragers in die weg haast onmogelijk gemaakt wordt? Mogelijk op straffe van uitwerping en excommunicatie. Publiek!
We gaan nog een stap verder: Bij de Doop – van onszelf, van onze kinderen, van onze kleinkinderen – zijn deze gebeden opgestegen tot voor Gods aangezicht; heeft het Hoofd Jezus Christus deze gebeden gehoord. Tegelijk ziét Hij het vervolg: àls Hij dat kind door Zijn Heilige Geest bij het opgroeien regeert en aanspoort om het ambt van profeet, getuige daadwerkelijk uit te oefenen, wordt datzelfde kind daarin tegengestaan door … ambtsdragers, die zèggen, pretendéren, vervuld te zijn met de Heilige Geest. Die zèlf die gebeden uitspreken, meebidden, als er weer een kind gedoopt wordt.
28. HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN ZONDAREN; AVONDMAAL
Een week later wordt het Heilig Avondmaal gevierd. Daarin belijden wij: ‘Want wij komen niet tot dit Avondmaal, om daarmede te betuigen, dat wij in onszelf volkomen en rechtvaardig zijn; maar integendeel, aangezien wij ons leven buiten onszelf in Jezus Christus zoeken, zo bekennen wij daarmede, dat wij midden in de dood liggen.’ Dit sluit nauw aan bij wat we belijden in het Doopsformulier. Daarna: ‘Daarom, al is het, dat wij nog vele gebreken en ellendigheid in ons bevinden, als namelijk: dat wij geen volkomen geloof hebben, dat wij ons ook met zulke ijver om God te dienen niet begeven als wij schuldig zijn; maar dagelijks met de zwakheid van ons geloof, en de boze lusten van ons vlees te strijden hebben; nochtans, desniettegenstaande, overmits ons (door de genade des Heiligen Geestes) zulke gebreken van harte leed zijn, en wij begeren tegen ons ongeloof te strijden, en naar alle geboden Gods te leven;’ Leest u goed?: EN WIJ BEGEREN NAAR ALLE GEBODEN GODS TE LEVEN. En dat, terwijl we in de afgelopen week het besluit genomen hebben, dat broeder/zuster GETUIGE afgehouden wordt. Zie, welk een blindheid onze afgoderij gebracht heeft. En mèt deze afgoderij willen we de gemeente geestelijk leiden en voorgaan. En mèt deze afgoderij willen we ‘heilig’ Avondmaal vieren. En Jezus Christus is Zelf Gastheer?
Het is overduidelijk, dat de heerszucht van ambtsdragers, voorgangers, geestelijken, daarmee bevorderd en vermeerderd werd, ja, leidde tot het systeem van priester tot paus. Zèlf bedacht, zèlf ontwikkeld! En als diezelfde geestelijkheid zichzelf daarna ook nog verklaart te zijn rechtstreekse spreekbuis van Jezus Christus; als diezelfde geestelijkheid onder elkaar ook nog verklaart (in navolging van de Farizeeën, Joh. 7:49): ‘Maar deze menigte, die de wet niet kent, is vervloekt’, dan blijkt overduidelijk, dat de heerszucht geen grenzen meer kent. Vervolgens is de afgoderij aan Hebr. 13:17 voor diezelfde ambtsdragers een inkoppertje. En wijs het gemeentelid maar aan, dat diezelfde ambtsdragers kan overtuigen van hun heerszucht. ‘U, gemeentelid, u hebt zich te onderwerpen, u moet gehoorzamen. Punt uit!’
Ziet u hoe die heerszucht totaal ongeloofwaardig wordt? In Openb. 12:12 lezen we: ‘Daarom, verblijd u, hemelen, en u die daarin woont! Wee hun die de aarde en de zee bewonen, want de duivel is naar beneden gekomen, naar u toe, in grote woede, omdat hij weet dat hij nog maar weinig tijd heeft.’ Door het ambt van profeet, getuige, te beperken tot een kleine selecte groep, ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, moet het ‘WEE HUN’ toch wel geweldig overtrokken zijn? Het doet denken aan een groot leger wat optrekt tegen een land om oorlog te voeren; in dat land zijn 10 sterke mannen. De regering van dat land stuurt die 10 mannen naar de grens en is ervan verzekerd, dat het vijandige leger bij het zien van die 10 sterke mannen geweldig schrikt en zich met haast terugtrekt. En net zó denken die ambtsdragers, die kerkelijke vergaderingen, de gemeenten, al haar leden, gerust te stellen: WIJ waken; ga maar lekker slapen; de duivel krijgt ONS niet klein.
Tegelijk moeten diezelfde ambtsdragers dan wèl kunnen uitleggen waarom het in de roomse ‘kerk’, in de hervormde ‘kerk’, in de synodale ‘kerk’, in de vrijgemaakte ‘kerk’, dan wèl telkens zo misging, en mis blijft gaan. Profeten, getuigen, werd telkens de mond gesnoerd, doodgezwegen, geïsoleerd, verdacht gemaakt, uitgebannen.
Die heerszucht heeft nòg een verschrikkelijk gevolg. Jezus Christus heeft – vol van de Heilige Geest! – bij de instelling van het Heilig Avondmaal gezegd: Neem, eet, drink, doe dat tot Mijn gedachtenis. Hoe hebben àmbtsdragers!!! de toegang tot de viering van het Heilig Avondmaal ontzegd aan gemeenteleden, niet omdat ze valse leer brachten, niet omdat ze aanstootgevend leven vertoonden, zich na veel vermaningen verhardden in hun zonden, maar omdat ze (naar het oordeel van de kerkenraad!!!) hen niet voldoende gehoorzaamden, zich niet voldoende aan hen onderwierpen. De toegang tot het Heilig Avondmaal verwerd daarmee tot een dwàngmiddel, een prèssiemiddel.
In 2005 besloot een kerkenraad in een deelgemeente de helft van de gerechtigde leden de toegang tot het Heilig Avondmaal a.s. zondag te ontzeggen. Dat werd hen vrijdags voorafgaande schriftelijk meegedeeld: omdat u, naar het oordeel van de kerkenraad, te weinig vertrouwen hebt in de kerkenraad, heeft de kerkenraad besloten u a.s. zondag af te houden van de Avondmaalstafel. Géén vermaan. Dezelfde kerkenraad nodigde van een gemeente, die zich niét onder opzicht en tucht van haar wenste te stellen – ze wilde zelfstandig institueren! – 1/3 tot de op te stellen Avondmaalstafel uit. Dit om het 2/3 deel daarmee te dwingen alsnog in te stemmen met het zich onder opzicht en tucht van die andere kerkenraad te stellen. Toen die alsnog weigerde werd die meerderheid buitengesloten. Door die kerkenraad, de classis en synode, alle drie bemand, geleid en geregeerd door … diezelfde kerkenraadsleden.
En àlle kerkenraden in het toenmalige kerkverband stemden met deze handelwijze in! Dat gebeurde nu 20 jaar geleden!!! Is er ooit een teken van berouw, van bekering, van wederkeer geweest? Mij niet bekend. In 2024 vond er een fusie plaats. Zaken uit het verleden werden niet meer in behandeling genomen. En zó werden en worden zònden!!! doodgezwegen en feitelijk gelegaliseerd. Dat alles zo smal mogelijk. Het bevestigt opnieuw de geweldige heerszucht van ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen. En leiders gaan voorop. Zij hebben gestudeerd. Andere ambtsdragers hebben gehoorzaam te volgen. Gemeenteleden weten van niets, en dat houden we graag zo. Maar ze zijn toch vol van de Heilige Geest? Zeker, in theorie. Maar ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen regeren en heersen in de praktijk. Het lijkt op een vereniging…
Op de site ‘een in waarheid’ – nauw verbonden met ditzelfde ‘kerkverband’ – schrijft de eindredacteur in een Countercolumn d.d. 20-9-2025: ‘Bijbelvast als we proberen te zijn,’ Inderdaad, dat beeld willen we graag naar buiten toe volhouden. Terwijl we wéten, kùnnen weten, dat o.a. zulk goddeloos spèl al 20 jaar doodgezwegen wordt. Maar Bijbelvast ìs: onze zonden erkennen, belijden, er berouw over hebben en ze laten. Bijbelvast is óók: als we toch aan onze zonden vasthouden, die niet erkennen, belijden, er berouw over hebben en ze laten, dan houdt de HEERE ons wèl aan die zonden, maar tegelijk worden ook al de leden van zo’n ‘kerkverband’ door de HEERE gesteld onder de vloek en de wraak van het Verbond over die gedane en onbeleden zonden.
Het is huiveringwekkend, dat leiders, voorgangers, geleerden, die vóórwenden de Schriften te kènnen en daarnaar te willen leven, daarover stelselmatig zwìjgen! Immers, de Schriften spreken er telkens weer over, dat – als ingeslopen zònden!, niét beleden, niét bestreden en niét uit het midden van de gemeente worden weggedaan – de HEERE die hele gemeente, gemeenschap, daaraan voor schuldig houdt en verklaart. De zonde van de 10 verspieders, de zonde van Achan, de zonde van diverse koningen, nieuwtestamentisch de zonden van de roomse-, hervormde-, synodaal gereformeerde-, vrijgemaakte ‘kerken’, niét beleden, niét bestreden, niét uit het midden weggedaan, ze sleepten en slepen al haar gewezen en bestaande leden mee in het grote oordeel daarover, dat aanstaande is.
In dit verband wil ik wijzen op de geschiedenis zoals beschreven in Num. 14. De HEERE heeft Israël het oordeel aangezegd, 14:28, 29, dat àlle getelden – m.u.v. Jozua en Kaleb – van 20 jaar oud en daarboven – naar hun eigen uitspraak! 14:2 – in de woestijn zouden sterven. Dan lezen we in 14:39, 40: Mozes sprak deze woorden tot al de Israëlieten. Toen treurde het volk zeer. 40 Zij stonden ’s morgens vroeg op en klommen naar de top van de berg en zeiden: Zie, hier zijn wij, wij zullen op weg gaan naar de plaats waarvan de HEERE gesproken heeft, want wij hebben gezondigd.
Zie, ZIE!!!, hoe roomse-, hervormde-, synodaal gereformeerde-, vrijgemaakte ‘kerken’ zelfs tot zulk een valse ‘zonde’erkenning niet kwamen. Integendeel, ze gingen voort op de ingeslagen weg van vervolging en uitwerping van ware profeten, ware getuigen. Daarnaast gingen velen op dezelfde weg: we ‘belijden’ onze ‘zonden’, we trekken nu een dikke streep en beginnen vanaf nu opnieuw ‘met een schone lei’. Zie de blinde lijn die getrokken wordt en die voortgezet wordt: want we wèigeren onze zònden te erkennen en te belijden en ze uit ons midden weg te doen; wat gebeurd is – néé!!!, wat we willens en wetens gedáán hebben tegenover ware getuigen!; of nágelaten hebben door zelf niét te getuigen! – wìj trekken nu een dikke streep, en wìj beginnen vandaag opnieuw en laten wat gebeurd is, néé, wat we (niét!) gedáán hebben, rusten. En we zijn er ook nog van overtuigd, dat de HEERE dat goedkeurt en in die weg met ons meegaat. En dat houden we ook voor aan hen, die ons volgen.
Hoe scherp onderscheidde Mozes in 14:41-45, en hoe bevèstigde de HEERE dat onderscheiden! 41 Maar Mozes zei: Waarom overtreedt u zo het bevel van de HEERE? Want dat zal niet voorspoedig verlopen. 42 Ga niet op weg, want de HEERE zal niet in uw midden zijn, zodat u niet door uw vijanden verslagen wordt. 43 Want de Amalekieten en de Kanaänieten staan daar vóór u, en u zult door het zwaard vallen, want omdat u zich van achter de HEERE afgekeerd hebt, zal de HEERE niet met u zijn. 44 Toch probeerden zij overmoedig naar de top van de berg te klimmen, maar de ark van het verbond van de HEERE en Mozes weken niet uit het midden van het kamp. 45 Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten, die in dat bergland woonden, naar beneden en versloegen hen, en zij verpletterden hen, tot Horma toe.
Zie, hoe heerszucht en zelfhandhaving en eigenwilligheid hand in hand gaan en regeren.
Opnieuw: hoe dringend noodzakelijk is het voor allen om de Schriften te kennen en te verstaan en van Daaruit scherp te onderscheiden tussen wat naar Gods wil is en wat niet naar Gods wil is. En vervolgens daarnaar handelen in de weg van de gehoorzaamheid.
Het ene Hoofd – vol van de Heilige Geest! – nodigt tot het Heilig Avondmaal, gebiedt te eten, te drinken, en dat te doen tot Zijn gedachtenis. En de kerkenraad veegt die nodiging, die geboden van tafel en sluit uit. En tòch willen die ambtsdragers volhouden, dat zij handelen ‘vervuld van de Heilige Geest’. En toch verklaren diezelfde ambtsdragers bij hun bevestiging in het ambt, door Jezus Christus, het Hoofd, Zèlf tot het ambt geroepen te zijn. Maar dit kan beslist niet als een roeping tot het ambt gezien worden, maar als een absolute volmacht tot heersen!!! Zié!!!, hoe de leugen regeert! Door Christus geroepen!, maar alle eigenwilligheid op de troon!!!
Dit bevestigt, wat we ooit in een preek door de predikant hoorden verklaren: De kerkenraad staat tussen Christus en de gemeente. Als, àls dat inderdaad waar was, àls dat naar de wil en mening van de Heilige Geest was, dan wàs elk lid inderdaad àfhankelijk van ambtsdragers of hij/zij behouden werd of niet. Ofwel, na afhouding, na excommunicatie door de kerkenraad – ‘vol van de Heilige Geest!’ – kàn het toch niet anders, dan dat het ene Hoofd Jezus Christus – vol van de Heilige Geest! – dat blindelings bevestigt?! Dat niet alleen, maar daarmee ook alle eigenwillig bewandelde wegen daartoe, zégent?! Maar hoe serieus neemt Jezus Christus dan nog Eigen nodiging en gebod tot Avondmaal vieren? Zié!!!, welk een huiveringwekkend duivels spel er gespeeld wordt. Hoe onthutsend, dat die èigen blindheid niet gezien wordt.
Dan openbaart zich nog een groep: ambtsdragers, gemeenteleden, die dat spel zien, maar …. zwijgen. Die op z’n hoogst nog een keer voorzichtig een kritische opmerking plaatsen, maar weigeren de zonden te onderscheiden, te bestraffen en indringend op te roepen tot berouw en bekering, weigeren op te roepen het kwaad uit het midden weg te doen, ofwel, het ambt van getrouwe getuige op zich te nemen, in te vullen en uit te voeren. De (veelszins) lange weg van getuigen, de weg die vaak de woestijn invoert van schimp, spot, hoon, verdachtmaking, verguizing, uitwerping, excommunicatie. We zitten weer midden in Matt. 23.
29. NÒG EEN DUBBELE GETUIGE
Matt. 11:25: In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader, Heere van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, en ze aan jonge kinderen hebt geopenbaard.
Lukas 10:21: Op dat moment verheugde Jezus Zich in de geest en zei: Ik dank U, Vader, Heere van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, en ze aan jonge kinderen hebt geopenbaard. Ja, Vader, want zo was het Uw welbehagen.
Hoe moet dit dubbel getuigenis van het Hoofd van Zijn kerk àlle leden raken en overtuigen, dat àlle eigenwijsheid, eigenwilligheid, hoogmoed, eerzucht, heerszucht, tot en met bestreden moeten worden. In de eerste plaats bij mijzelf. Inderdaad, een levenslange strijd, worsteling. Daarnaast, tegelijk een indringende oproep om ook op elkaar toe te zien, elkaar daarin èn aan te moedigen om zich als kind door het Hoofd, Zijn Woord, Zijn Geest, te laten regeren, leiden, gezeggen.
Immers: Deze leer sluit nauw aan bij de leer van Jezus in Matt. 18:1-5: Op dat moment kwamen de discipelen bij Jezus en zeiden: Wie is toch de belangrijkste in het Koninkrijk der hemelen? 2 En Jezus riep een kind bij Zich en zette dat in hun midden. 3 En Hij zei: Voorwaar, Ik zeg u: Als u zich niet verandert en wordt als de kinderen, zult u het Koninkrijk der hemelen beslist niet binnengaan. 4 Wie zich dan zal vernederen als dit kind, die is de belangrijkste in het Koninkrijk der hemelen. 5 En wie zo’n kind ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij.
Matt. 19:14: Maar Jezus zei: Laat de kinderen begaan en verhinder hen niet bij Mij te komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen.
Mark. 9:34-37: Maar zij zwegen, want zij hadden onderweg een woordenwisseling met elkaar gehad over wie de belangrijkste was. 35 En Hij ging zitten, riep de twaalf en zei tegen hen: Als iemand de eerste wil zijn, moet hij de laatste van allen zijn en een dienaar van allen. 36 En Hij nam een kind, zette dat in hun midden en omarmde het, en Hij zei tegen hen: 37 Wie een van zulke kinderen ontvangt in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt niet Mij, maar Hem Die Mij gezonden heeft.
Mark. 10:13-15: En ze brachten kinderen bij Hem, opdat Hij hen zou aanraken, maar de discipelen bestraften degenen die hen bij Hem brachten. 14 Maar toen Jezus dat zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei tegen hen: Laat de kinderen bij Mij komen en verhinder hen niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk van God. 15 Voorwaar, Ik zeg u: wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal het beslist niet binnengaan.
Lukas 18:15-17: En zij brachten ook de jonge kinderen bij Hem, opdat Hij die zou aanraken. En toen de discipelen dat zagen, bestraften ze hen. 16 Jezus echter riep die kinderen tot Zich en zei: Laat de kinderen tot Mij komen en verhinder hen niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk van God. 17 Voorwaar zeg Ik u: Wie het Koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal daarin beslist niet binnengaan.
Worden als de kinderen. Kinderen van 1, 2, 3 jaar oud. Kinderen, die voor waar houden wat papa, mama zegt. Kinderen, die ook niet toestaan, dat anderen die waarheid in twijfel trekken, of daar tegenin gaan. Papa zegt het, mama zegt het: einde van alle tegenspraak. Net zó zijn de kinderen van het Koninkrijk van God: Vader zègt het; de Zoon zègt het; de Geest zègt het. Elke tegenspraak is heiligschennis. ‘Ik hoef daar ook niet meer over na te denken, want Vader, Zoon, Geest, zègt het!’
Zie Gen. 3: de duivel doet een beroep op het menselijk verstand: mens, denk na. Suggestief: God weet. En daarmee te dóen, alsof de duivel dat wéét, suggereren, dat de mens, dàt meteen als wáárheid aannemend, nadenkend, tot dezelfde conclusie zal komen. Zie, hoe ik, hoe wij, in onze eerste voorouders, dat kind-zijn verloochenden, ons ertoe lieten verleiden ons verstand in orde op de eerste plaats te zetten, en de vrùcht daarvan voor wijsheid te houden, en het gevolg daarvan uit te voeren: en zij aten.
Dat is Gods welbehagen. In Gen. 3, vanaf toen. De HEERE geloven als een kind. Ons gedragen als vóór onze zondeval: Vader zègt het.
Zié, hoe scherp de antithese: worden als een kind – mens, gebruik je verstand! Na onze zondeval is dàt onze oude natuur: de vruchten van onze verstandelijke vermogens verheerlijken.
Joh. 3:3-5: Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien. 4 Nicodemus zei tegen Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Hij kan toch niet voor de tweede keer in de buik van zijn moeder ingaan en geboren worden? 5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.
Opnieuw geboren: zó scherp is de tegenstelling tussen geloof en ongeloof. Een radicale omkeer: God liefhebben met héél ons verstand: ons verstand in òrde zetten op de tweede plaats: in de eerste plaats staat: ER STAAT GESCHREVEN. GOD SPRAK.
En vervolgens: vanuit datzelfde WOORD onderscheiden! En oordeel nu zelf: handel(d)en de roomse-, de hervormde-, de synodaal-gereformeerde-, de vrijgemaakt-geref. ‘kerken’, haar vertegenwoordigers, haar afgevaardigden, alle andere sekten, scheurkerken, bewegingen, ìn hun besluiten, ìn hun uitspraken, ìn hun (ban)vonnissen over ware profeten, ware getuigen inderdaad als kìnderen, òf met het verstand!? Als kìnderen, dan zullen ze immers naar hun dure plicht vanuit en op grond van het geopenbaarde WOORD diezelfde profeten, getuigen, trachten te overtuigen met alléén het WOORD, dàt hun profetie, hun getuigenis in duidelijke strijd was en is mèt dat WOORD. Met hun verstànd op de eerste plaats zullen de gevòlgen inderdaad daarmee overeenstemmen, tot en met alle andere gevolgen toe.
Hoe werd ná de grote Reformatie, ná de Afscheiding, ná de Vrijmaking, (opnieuw) toenadering gezocht tot hen die achtergebleven waren. Hoe werd er niét, nauwelijks zuiver onderscheiden! Immers, die achterbleven verenigden zich toch mèt de genomen besluiten, maatregelen, vonnissen, en ze toonden die gemeenschap toch publiek aan de ‘Avondmaalstafel’? Kijk, die basishouding: kind – verstand, in òrde, moet heel duidelijk zijn en blijven, en openbaar worden in de dáden.
Hoe zullen we anders ooit verstaan, dat Abraham zijn zoon Izak offerde? Dat David eigen onaanzienlijkheid erkende en beleed voor de HEERE? Dat Jezus de voeten van Zijn discipelen waste? Hoe duidelijk, dat ìn die kind-houding onvoorwaardelijk vertrouwen meekomt, daar onlosmakelijk mee verbonden is.
Hoe moeilijk is die kind-houding te plaatsen en te handhaven in bevindelijke kring. Hoe zal daar ooit over deze twee teksten gesproken (kunnen) worden.
Onderkèn, dat dit gebed van Jezus een geweldige troost is voor Gods kinderen. Laten we elkaar niets wijsmaken, die hoogmoed, waarmee ieder mens doordrenkt is, echt, alleen vast gelóóf in Gods Woord kan die hoogmoed van dag tot dag aan banden leggen en onderwerpen. Tegelijk, dat vaste gelóóf alleen doorziet het ‘blind vertrouwen op verstand’ en de daaruit voortkomende vruchten, waarmee de mèns in al zijn hoogmoed pronkt. Het is een moment, en het gaat voorbij. Maar Gods Woord is en blijft eeuwig!
Er is nog een belangrijk aspect in deze 2 teksten: de HEERE Zèlf zorgt ervoor, dat zij, die in navolging en gehoorzaamheid aan de duivel het verstand in orde op de eerste plaats houden, in hun verstand verblind worden en zijn, en dáárom ook niet tot waar geloof kùnnen komen. Hoe groot hun vorderingen voor de ogen van mensen ook schijnen. Doorzié, dat ze in die houding telkens weer hun vertrouwen móeten stellen op leringen van àndere mensen, ‘geleerdere’ mensen. Tegelijk, zié, dat ze daarmee te pletter lopen tegen Gods Eigen Woord in Jer. 17:5: Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man die vertrouwt op een mens, en die een schepsel tot zijn arm stelt, terwijl zijn hart van de HEERE afwijkt.
Zó was het Uw welbehagen!
Tegelijk: de HEERE Zèlf zorgt ervoor, dat zij, die in beginsel terugkeren naar vóór de zondeval, en zich als kìnd door Vader laten gezeggen, dat juist zìj gaandeweg de Schriften steeds meer, steeds beter (leren) verstaan. Telkens weer zien ze eerst op het geopenbaarde Woord, vóór ze vertrouwen op eigen verstand, redeneringen van anderen. In die weg doorzién ze ook steeds scherper of woorden, daden, in gehoorzaamheid en onderworpenheid aan het Woord zijn, of niet. Is het antwoord negatief, dan zullen ze daartegen vrijmoedig getuigen mèt-, en vanùit het Woord. Zoals ze geleerd zijn door de Zoon. Hoe groot is de natuurlijke verleiding om tòch weer eigen verstand in òrde op de eerste plaats te stellen. Tot onze grote troost bemoedigt de HEERE ons in Zijn Woord, Jer. 17:7, 8: Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt, wiens vertrouwen de HEERE is. 8 Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is, en die zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop. Hij merkt het niet als er hitte komt, zijn blad blijft groen. Een jaar van droogte deert hem niet, en hij houdt niet op vrucht te dragen.
Zó was het Uw welbehagen! Geen mèns zou deze wonderbare weg bedacht kunnen hebben!
Zó is het rechtvaardig óórdeel over de mens.
Twee getuigen: de mens ìs ernstig gewaarschuwd. Hoe versterkt het de geweldige noodzaak om de Schriften te kènnen, om God te vertrouwen op Zijn Woord, om God lief te hebben om Gods wonderbare weg tot verlossing … van zòndaren!
In navolging van deze teksten wil ik nog op 4 kenmerken wijzen:
a. Joh. 10:1-18: Ik ben de Goede Herder
In dit gedeelte doet Jezus Zich kennen als de Goede Herder. Hij roept Zijn schapen bij naam, zij luisteren naar Hem en volgen Hem. De schapen kennen Zijn stem. Tegelijk: Ik ben de Deur voor de schapen. Ofwel: alleen door Mij kunnen de schapen binnengaan. De Goede Herder geeft Zijn leven voor Zijn schapen.
Hoe treffend deze gelijkenis. Schapen kènnen de herder, vertrouwen hem, volgen hem. Àlle schapen! Hoe houdt de herder er oog op, dat zwakke, kleine dieren niet weggedrukt worden; integendeel, hij weet, dat sterke dieren zichzelf wel redden. Maar met het oog op àlle schapen waakt hij i.v.m. rovers, roofdieren, andere gevaren, let hij op weersomstandigheden, kent hij de juiste tijd om naar de stal te gaan, enz.
Hij tekent het gedrag van huurlingen. Ze doen zich vóór als herders. Maar schapen kènnen de stem van de herder, en onderscheiden vreemde stemmen heel goed. Toch, er zijn velen die zich ‘christen’ noemen, die als ‘christen’ gekend willen worden, bekend willen staan, maar die vervolgens toch al te graag en al te gemakkelijk náást de stem van de Goede Herder – Zijn Woord – ook luisteren naar heel veel stemmen van huurlingen, die zich ook als ‘christen’ voordoen, maar in leer en/of leven tonen in òrde hun verstand op de eerste plaats te houden. En naar hun verstand kunnen ze heel goed kennisnemen van allerlei huurlingenpraat. Gesproken, geschreven. Ze onderkennen het grote gevaar niét, dat ze al heel snel nauwelijks meer kunnen onderscheiden tussen de stem van de Goede Herder èn de stem van een huurling. Jezus waarschuwt zeer ernstig voor huurlingen, hun gedrag, hun inzet, hun lafheid. Hoe toont Hij Zichzelf daarmee de Goede Herder, de enige Deur van de schapen te zijn. Hoe duidelijk wijst Hij de weg, wil Hij de schapen waarschuwen en doen onderscheiden.
Hoe duidelijk is hier de verantwoordelijkheid van de mens! Immers, een schaap luistert naar het geluid van de stèm en onderscheidt tussen stem en stem. Een mèns onderscheidt niet alleen tussen stem en stem, maar heeft daarnaast de verantwoordelijkheid ook te onderscheiden tussen wàt gezegd wordt, inhoudelijk dus. Opnieuw, de eerste vereiste tòt onderscheiden is kènnis van het Woord Zelf!
Huurlingen hoeven nooit gevraagd te worden te komen spreken, schrijven; ze dringen zich elke dag op met halve en hele leugens en weten niet van ophouden, met beroep op je verstànd!
b. Joh. 12:24-26: Roeping en verantwoordelijkheid van de tarwekorrel
Ieder mens hecht aan het leven. Het leven is hem alles waard. Dit zegt ons natuurlijk verstand. Hoe tegenovergesteld is de oproep in dit gedeelte om als graankorrel in de aarde te vallen en te sterven. Puur tegen alle verstand in! Jezus Christus deed het: Hij kwam van de hemel af in de weg van vernedering, de weg van smaad en hoon, de weg van kruis en dood en begrafenis. Om Zich Zijn volk vrij te kopen uit de macht van de duivel, uit de macht van de zonde, uit de macht van de dood, Zich ten eigendom. Hij roept de mens op Hem in die weg te volgen. Doet een mens dat, dan weet die mens, dat hij Hem in die weg moet liefhebben boven alles en iedereen, ja, dat hij zijn eigen leven moet haten òm Hem te blijven volgen. Hoe duidelijk, dat deze weg tégen alle natuurlijke verstand ingaat. Inderdaad, als schapen Hem vol vertrouwen volgen.
Ook ziende, dat Hij, de Goede Herder weer opstond uit de dood. Vast gelovend, dat we in die weg van zelfverloochening mèt Hem gekruisigd en vervolgd worden, getuigend van de vaste hoop, in die weg, op Zijn tijd, met Hem verheerlijkt te worden en voor eeuwig met en voor Hem te leven. Veel vrucht dragend: velen zien onze levensweg in geloof; tot navolging òf tot afkeer en verharding in de zonde. Tot zelfverloochening òf tot zelfhandhaving naar eigen verstand.
c. Joh. 14:6: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven
Opnieuw bevestigt Jezus de unieke weg voor zondaren tot behoud: gelóóf!!!, dat Ik, de door Mij gewezen weg dé enige weg is tot het waarachtige leven. Gelóóf Mij op Mijn Woord en volg Mij òp en ìn die weg na, ziende op Mij, luisterend naar Mijn Stem, vast vertrouwend, dat Mijn Woord volmaakt betrouwbaar ìs. Dit in tegenstelling met wat de duivel jullie in het paradijs voorloog. Mijn Woord ìs de Waarheid, Ik ben de Waarheid. De weg van de duivel leidt naar de dood, de door Mij gewezen Weg leidt naar het eeuwige leven. Buig je verstand – door de zonde totaal verduisterd en verdorven! – in òrde weer ònder het gezàg van Mijn Woord en Wet en Verbond. En lééf!
d. Joh. 15:1-8: Ik ben de ware Wijnstok; u bent de ranken
Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de Wijngaardenier. In deze gelijkenis is het overduidelijk, dat we stekeblind móeten zijn en stekeblind wìllen zijn en stekeblind wìllen blijven, als we nog vasthouden aan de, ònze!!!, gedachte (ons verstand!), dat we deze Wijngaardenier en deze ware Wijnstok kunnen misleiden. Niet in het groot, evenmin in het allerkleinste. Ranken groeien aan de wijnstok, worden erop geënt. Tegelijk zijn die ranken volledig afhankelijk van de Wijnstok, afhankelijk van de zorg van de Wijngaardenier. De Wijngaardenier zal er alles aan doen, dat elke rank zoveel mogelijk vruchten geeft; tegelijk reinigt Hij de ranken van alles die de groei van goede vruchten kan belemmeren. De ware Wijnstok en de Wijngaardenier houden elke rank van ogenblik tot ogenblik voor ogen om de ontwikkeling te zien en te beoordelen. Blijkt het nu, dat een rank alleen wil groeien voor eigen sier, en niet bereid is vruchten te dragen – zie èigen verantwoordelijkheid van iedere rank daarin! – dan onderkennen èn de Wijnstok, èn de Wijngaardenier, dat die rank nutteloos ruimte inneemt, zich nutteloos rijke levenssappen toeëigent. De Schriften vermelden op tal van plaatsen, dat de Wijngaardenier zeer veel geduld heeft, maar maakt die rank daar misbruik van, dan is het einde van die rank vast besloten. O nee, de Wijngaardenier noch de Wijnstok vertellen van tevoren wanneer, op welke manier, die rank verwijderd wordt.
De rank heeft zijn eigen verantwoordelijkheid en kan vanuit de Schriften heel goed onderscheiden of hij vrucht draagt of niet. Het is de weg van het Verbond, de weg van de gehoorzaamheid aan het Woord. Wat is zijn gezindheid tegenover God? Hoe nauw zijn alle elementen daarin aan elkaar verbonden en met elkaar verweven. Hèm, de ware Wijnstok volgen betekent tegelijk, dat de Wijnstok Zelf zorgt voor vruchten, veel vruchten, die voor Hem – en zo voor de Wijngaardenier! – van grote waarde zijn.
Tegelijk, we weten, dat de duivel, zijn volgers, die ranken het leven zo zuur mogelijk zullen maken om zo mogelijk te verhinderen dat ze vruchten kunnen en zullen dragen. Zié de grote zorg van èn de Wijngaardenier, èn de ware Wijnstok, Die nooit toestaan dat goede vruchten er niet komen of verloren gaan.
Ieder mens weet, dat afgekapte ranken in korte tijd verdrogen en verdorren en alleen nog bestemd kunnen zijn voor het vuur: weg ermee!
30. VAN ZONDE TOT ZONDE: NIEUWE EIGENWILLIGHEID: BEMOEIAL
Zeker, er is een grote reden tot zwijgen, tot het niet verder komen, willen gaan, dan het maken van een kritische opmerking, vraag: je zult maar beschuldigd worden van ‘BEMOEIZUCHT’, I Petr. 4:15. Zié, dat de huivering daarvan (openlijk) beschuldigd te worden door ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, bij velen grote impact heeft. Op dat moment, vooral tegenover andere aanwezigen, die wellicht die ‘beschuldiging’ graag voor waarheid aannemen, en zo overnemen, maar ook voor de toekomst in de verhouding tot ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen. ‘Laten we maar voorzichtig zijn.’
Werd, wordt maar scherp onderscheiden, of die beschùldiging, verdàchtmaking: BEMOEIAL! juist is, terecht is. Het is zo gemakkelijk iemand een bepaald stempel op te drukken, wétend wat dat stempel voor impact heeft, kan hebben, direct, op termijn. Maar het gebòd om daar uitermate voorzichtig mee te zijn, ja, terughoudend – let op de goede naam en eer van betrokkene! 6e gebod, 9e gebod – wordt (op dat moment) weinig gezien. Nog minder wordt gezien, dat die beschuldiging, die verdachtmaking, maar zo het ambt van profeet, getuige, in haar uitvoering kapot kan maken en in de uitoefening ervan tot ‘schuldig aan BEMOEIZUCHT’ kan leiden. Onderkèn de invloed en uitwerking van die geweldige héérszucht!
Zié, dat daarmee zo gemakkelijk I Petr. 4:15 in stelling gebracht wordt, kan worden, tégen het daadwerkelijk invulling geven aan het ambt van alle gelovigen, het ambt van profeet, het ambt van getuige. Waarbij dan (uiteraard!) ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, bepalen wèlke van de twee in orde op de eerste plaats komt te staan. Zagen we al, dat de afgoderij aan Hebr. 13:17 zeer breed wordt aangehangen en verdedigd en beschermd, dan moet het ons niet verbazen, dat I Petr. 4:15 op de eerste plaats komt te staan. En wordt die beschuldiging tegen een ware getuige uitgesproken, dan is daarmee een handvat gepakt, genomen, waaraan we volgende stappen gemakkelijk ophangen: uw vragen behandelen we niet meer; uw brieven beantwoorden we niet meer; met uw gedrag – het daadwerkelijk uitoefenen van uw ambt van profeet, getuige – moet u, onder betoon van berouw, per direct stoppen. Gehoorzaamt u niet, dan kan dat voor ons een ‘reden’ zijn tot vervolgstappen op de weg van censuur.
Bijzonder, HC Zondag 12 besteedt ruime aandacht aan het ambt van alle gelovigen, profeet, priester en koning. Daar tegenover wordt in geen van de Belijdenisgeschriften aandacht gevraagd voor de ‘zonde’ van bemoeizucht, het mogelijk bemoeial zijn.
31. ZONDE IN REFORMATORISCHE KRINGEN: AVONDMAAL!
Even huiveringwekkend is het, als kerkenraden, ambtsdragers, toestaan, dat gemeenteleden niét aan het Heilig Avondmaal aangaan, terwijl ze daartoe wel gerechtigd, ja verplicht zijn. Of moeten we Christus oproep, Christus geboden zien als een lege nodiging, die ieder naar eigen goeddunken mag invullen en uitvoeren? Met als drogreden: o wee, als ik wel aanga, maar het (achteraf) blijkt, dat ik tot mijn eigen oordeel gegeten en gedronken heb. Dan kan ik maar beter niet aangaan. Nòch die leden, nòch die kerkenraad, heeft blijkbaar ook maar iets begrepen van de plìcht!!!, zichzelf voorafgaande ernstig te beproeven om aan te gaan, om te erkennen, dat ik mij van mijn zonden onder betoon van droefheid en berouw van harte bekeer, en tòch aanga, gelóvend, wétend, dat de Heere barmhartig is en graag vergeeft!
Nòch die kerkenraad, nòch die ambtsdragers kùnnen dat uitleggen. Hieruit moet volgen, dat de afgoderij aan alle onzuivere bevindelijkheid, alle verdraagzaamheid daar tegenover, niét zuiver Schriftuurlijk doorzien, en dus niét onderkend, en daarom niét krachtig bestreden wordt. De traditie van eeuwen wordt daardoor verheerlijkt en nagenoeg voor heilig verklaard en gehouden. Immers, daar terèchte kritiek op uiten wordt bijna als heiligschennis ervaren. Hetzelfde geldt heel veel oude schrijvers, en wàt ze schreven en in hun uitleg voor waarheid verkondigden. Een zeer ernstig gevolg daarvan is geweest en is nog, dat er Bijbelteksten bij gezocht en gevonden werden, worden, die die ‘leringen’ moeten ondersteunen en bevestigen.
Gaandeweg is dat een geheel eigen leven gaan leiden en hebben velen – voorgangers voorop! – zich daarin vastgebeten. Dat men daarbij het gezàg van Gods Woord veelal ondermijnde, daar veel gezàg van oudvaders in wat zij zeiden en schreven alle aandacht ontving, werd en wordt niet onderkend. Een ander gevolg was en is, dat die oudvaders veelal veel beter gekend werden in hun spreken en publiceren, dan het Woord van God. Er trad een grote mate van vrijblijvendheid op: bleef men bij die oudvaders, en hoe, dat was (veelal) bijzaak. Bewijs daarvan? Wel, luister eens naar preken, die gehouden worden in Reformatorische gezindtekringen: in zeer veel preken, lezingen worden uitspraken, leringen van oudvaders met hetzelfde gezàg verkondigd náást uitleg en verkondiging van Gods Woord. Spottend: wat staat God in Gen. 1 toch met lege handen, daar Hij (nog) niet kan verwijzen naar oudvaders, hùn leringen, hùn uitspraken, hùn uitleggingen, hùn toepassingen. Ofwel, ÓPEN uw ogen en zie de geweldige dwaasheid, dat u zóvéél tijd steekt in het bestuderen en voorschotelen van die oudvaders en wat zij verkondigden. Herinner, wat de HEERE ook van hèn zei: ALLES, wat uit (ook!) hùn hart opkwam, was te allen tijde boos! Gen. 6 en 8.
32. DUIVELSE AANSLAG OP TIJD!
Zié, dat de duivel juist dáárin zeer verleidelijk optreedt: in afleiding van het kènnen van Gods Woord! Werd, wordt er (heel) veel tijd besteed aan Schriftstudie, aan het kènnen van Gods Woord, in al Haar verbanden? Werd, wordt er door mensen niet heel veel tijd gestoken in het lezen van romans? Romans, ook ‘christelijke’ romans, waarin het ambt van alle gelovigen, waarin het ambt van profeet, getuige nauwelijks voorkomt? Ofwel, in al die romans wordt dit fundamentele aspect verzwegen! En als het stelselmatig verzwegen wordt, dan is het toch moeilijk uit te leggen, dat het voor God wèl fundamenteel is, en blijft? En hoeveel tijd gaat er zitten in muziek, in film, in toneel, in sport, in uitgaan, in feestvieren, in vergaderen, in hobby en vrije tijd? Ofwel, de duivel wéét heel goed, hoe hij mensen kan paaien in het zich uitleven in wat die mens, die groep mensen aangenaam is. En zijn volgers lopen hem blind na en zijn gratis wegwijzers naar Spreuken 9:13-18, vrouwe dwaasheid. Onderkèn daarin de duivelse aanvallen, vooral op de jeugd!
33. DE DUIVEL HEEFT VEEL NAVOLGERS: ZWIJGERS
Dan is er nog een grote groep leden, die zwìjgt! Hetzij uit onwetendheid, hetzij uit lafheid. Een groep, die weigert het ambt van profeet, priester en koning in woord en daad ter hand te nemen. Een groep, die een afwachtende houding aanneemt, geen kleur bekent, maar telkens weer eigen stem laat afhangen van de mening van de meerderheid. Een groep, die nooit tot volwassenheid in het geloof komt, een groep, die meteen het ontvangen pond inpakt en wegstopt. Een groep, die veelszins door de leiding met rust gelaten wordt. Nee, het is een illusie te denken, dat profeten, getuigen, alles geweldig goed doen. Zie maar, hoeveel zwakheden en gebreken profeten in de Bijbel vaak vertonen.
Elke ‘godsdienst’. Dat betreft àlle groepen, die zich ‘christelijk’ noemen, die door de wereld voor ‘christelijk’ willen worden gehouden en die ervoor zichzelf van overtuigd zijn, dat zij de Heere dienen naar Zijn Woord, in gehoorzaamheid aan Zijn Verbond en wetten en inzettingen en bepalingen en verordeningen. Alleen, de praktijk bewìjst!!! anders. Zouden al die groepen en sekten en ‘kerken’ gelijk hebben, dan handelden ze in woord en daad – zichtbaar, controleerbaar, openlijk! – toch in overeenstemming met het geopenbaarde Woord? Dan zouden ze ieder lid van de gemeente toch juist aanmoedigen om de Schriften ernstig en ijverig te lezen, te onderzoeken, Haar recht te verstaan en – indien nodig! – recht te onderscheiden inzake ware en valse leer, aanstootgevend leven en leven tot Gods eer?
34. IN WELKE WÈG GING JEZUS CHRISTUS ZIJN KERK VOOR?
Jezus Christus heeft als Hoofd ook weer (zie Oude Testament!) zeer veel geduld geoefend, profeten en getuigen gezonden, die het kwaad aanwezen, afwezen en opriepen tot waarachtige bekering. Maar er werd (veelal) niet geluisterd en ze bekeerden zich niet. En toen Jezus Zelf publiek optrad? Wat werd de onderlinge machtsstrijd geweldig groot! Luisterden al die mensen, vooraanstaanden, leden? Onderscheidden ze scherp en zuiver de Schriften? Ze kònden weten, ze móesten weten, dat Jezus Christus vol van de Heilige Geest was. Heeft de Heilige Geest Jezus Christus ooit aangedreven de kerk te verlaten, te breken met de kerk?
Iedereen zal moeten toestemmen, dat de kerk tijdens Christus’ omwandeling op aarde vol valse leringen, vol aanstootgevend leven bij velen, leiders voorop, was. Hoe heeft Christus daartegen getoornd, tegen die zonden gewaarschuwd, die zonden bestraft, de zondaren scherp vermaand en opgeroepen het kwaad uit hun midden weg te doen. Zie Matt. 23. Was er niet alle reden toe om te constateren, dat het een hopeloze zaak was, onbegonnen werk, ja, dat het veel ‘verstandiger’ was, ook veiliger wellicht, om zich met de groep getrouwen te onttrekken en een eigen kerk te beginnen? Maar ja, waarom hadden profeten dat in het Oude Testament niet gedaan, werd hen dat niet geboden, werd hen dat indringend vèrboden?
Omdat dat niét de weg is, die de Heere wijst, die de Heilige Geest wijst. Telkens weer heeft de Heere ook de zondaar weer tot het uiterste de tijd en gelegenheid gegeven zich alsnog te bekeren. Deed die zondaar dat niet, dan verhardde hij zich gaandeweg zover, dat de Heere hem niet meer de mogelijkheid en gelegenheid gaf tot berouw en bekering. Dan zien we het huiveringwekkende: de Heere roeide hun geslacht helemaal uit: Jerobeam, Baësa, Achab. Drie getuigen, dat de HEERE dóet, waarmee Hij dreigt. Toch lieten en laten mensen zich telkens weer door de duivel voorliegen, dat de Verbondsoordelen, Verbondsvloek en Verbondswraak – zie Lev. 26, Deut. 28, Openb. – die de HEERE aanzegt en waarmee HIJ dreigt, lege en inhoudsloze dreigementen zijn.
De Heere Jezus heeft die gewezen weg – vol van de Heilige Geest! – ten einde toe bewandeld: getuigen, getuigen, de zonde aanwijzen, de zondaars vermanen en bestraffen, en op te roepen tot berouw en bekering. Zeker, daar komt een eind aan. Hetzij dat de zondaren zich bekeren onder betoon van groot berouw, hetzij dat de zondaren zich verharden in hun zonden, hun oren toestoppen en uiteindelijk die profeten, die getuigen uitwerpen en doden. Zo ook de grote Profeet, Priester en Koning Jezus Christus: onschuldig veroordeeld, uitgeworpen, gekruisigd, gedood.
Dan zien we meteen het ongeloof van hen, die zèlf besluiten te breken, te scheuren. Immers, zij laten daarmee duidelijk zién, dat ze het ene Hoofd van Zijn kerk niét volgen, niét vertrouwen en van daaruit niét gehoorzamen. Tegelijk, dat ze zich ook niét in gehoorzaamheid laten leiden door de Heilige Geest. Zij bepalen zèlf, op de door hèn zèlf bepaalde tijd, dat hun getuigen – of hun wèigeren te getuigen! – al het stadium heeft bereikt, dat de zondaren zich niet meer zullen bekeren. Daarmee spreken ze duidelijk hun wàntrouwen uit tegenover het ene Hoofd der kerk, Jezus Christus, dat Hij te lang wacht, niet op tijd uitleidt, en vervolgens, dat zij zèlf maar het heft in eigen hand moeten nemen. Wìj kunnen het beter; wìj weten het beter; waren wìj maar ‘hoofd’.
35. ALLEEN HET GEOPENBAARDE WOORD WIJST DE WEG
Zie tegelijk, dat die ongehoorzaamheid aan het Hoofd, aan de Heilige Geest, ongehoorzaamheid aan het WOORD betekent, doet zien, en bewijst! Hoe zal men in die scheurkerk nog willen spreken over het gezag van het WOORD? Immers, hun dáden getuigen van pure eigenwilligheid, waaruit blijkt, dat ze op dat moment in die procesgang van hun denken wèigerden zich te onderwerpen aan het geopenbaarde Woord! En wilden ze dat toen niet, dan willen ze dat vandaag evenmin, maar morgen en volgend jaar ook niet. Hoe gemakkelijk vindt de gedachte dan grond, dat Jezus Christus die ongehoorzaamheid over 10, over 100 jaar wel zal zijn vergeten. Immers, Hij hoort toch ook, hoe we ‘in grote getrouwheid’ het Woord openen en verkondigen?!
Onderken de geweldige hoogmoed! Immers, als de mens zich herinnert de totaal verdorven staat, waarin hij zich naar zijn oude natuur bevindt, waaruit de Heilige God hem om niet wil verlossen en bevrijden door het ene offer, gebracht door onze Heere Jezus Christus, dan zal diezelfde mens zich toch onderwerpen aan Zìjn leiding? Jezus uizing, vervolging, uitwerping heen. Dan zal die mens toch tot en met onderkennen, dat hij – uit die door eigen schuld liggen in die verdorven staat! – zelf nóóit kàn noch màg bepalen, òf, en wannéér hij scheurt, breekt, zich afscheidt?
Christus, het ene Hoofd van Zijn christelijke kerk, van Zijn leden. Hìj vergadert, beschermt en onderhoudt haar, dwars door strijd en moeite en tranen, ja, dwars door verg Zij zien nòg een belangrijk aspect over het hoofd: Jezus Christus riep dáár tot de Avondmaalstafel, ja, dáár, waar de zonde inzake valse leer, aanstootgevend leven hoogtij vierde. Dáár, waar zondaren lachten om vermaan en bestraffing. Toch, dáár riep Jezus Christus nòg tot de Tafel. Zie ook in de tijd ná Jezus sterven, begraven worden en opstaan: de apostelen schikten zich nòg onder het Sanhedrin, ze kregen en hadden nòg de taak om te getuigen, totdat ze uitgeworpen werden. Inderdaad, ze kregen van het Hoofd géén toestemming om zèlf te breken, zèlf te scheuren, maar toen het Sanhedrin éérder overging tot uitwerpen dan zich metterdaad te bekeren, tóen gaven ze zèlf daarmee en daardoor aan onbekeerlijk te zijn, maar dat ook te wìllen blijven.
In dezelfde lijn moest de apostel Paulus in alle plaatsen eerst naar de synagoge gaan en de aanwezige Joden oproepen tot geloof in Jezus Christus, de Gekruisigde. Verwierpen ze Jezus Christus, bevèstigden ze dat met hun laster, dan moest Paulus het stof aan zijn voeten tégen hen afschudden en was hij onschuldig inzake hun ondergang. Zo lezen we, dat Paulus in Antiochië, Ikonium, Lystre, Derbe, Thessalonica, Berea en Korinthe deze weg bewandelde. Inzake Efeze lezen we in Hand. 19:9: Maar toen sommigen verhard werden en ongehoorzaam bleven, en tegenover de menigte kwaadspraken van de weg van de Heere, ging hij bij hen weg, en hij zonderde de discipelen af en sprak dagelijks in de school van een zekere Tyrannus. Sommigen beweren dat Paulus hier zèlf brak, scheurde. Zonder dat het er nadrukkelijk staat mogen we aannemen, dat de situatie niet anders was inzake vijandigheid dan in de andere genoemde plaatsen en dat Paulus in dezelfde lijn van geloof en gehoorzaamheid handelde. De Heere bevestigde dat met Zijn zegen in vers 11.
We zien, dat de roomsen èn Maarten Luther èn Johannes Calvijn èn anderen in de ban deden, hen excommuniceerden, hen uit het Koninkrijk van Jezus Christus banden. Hen, en velen met hen. Zolang hebben zij gestreden, getuigd, vermaand, bestraft, zoals de Heilige Geest hen leerde. Toen verliet het Hoofd de roomse kerk en richtte daar niet meer de Heilig Avondmaalstafel aan, maar Hij richtte de Avondmaalstafel aan bij hen die uitgeworpen waren. De grote Reformatie in de 16e eeuw. Alleen dáár. En scheurden er enkelingen, groepen vanaf, ze deden dat in pure eigenwilligheid. Richtten die mensen een tafel aan en deden ze alsof Jezus Christus Zelf hen tot dié Avondmaalstafel riep, dan was dat pure eigenwillige inbeelding.
Het is waar: velen, ook voorgangers, ook leiders, zagen dat niet (voldoende) scherp en zuiver. Ze volgden Augustinus, die meende zèlf te mogen en te kunnen beslissen wanneer gebroken en gescheurd mocht worden. Namelijk, als naar eigen zien en beoordelen de zonden in de kerk zó groot waren, dat ze – naar eigen inzicht! – daar, in die kerk, de Heere niet meer zuiver konden dienen. Hadden ze gezien op het Oude Testament, dan hadden ze opgemerkt, dat tal van gelovigen onder zware afval en veel goddeloosheid tòch door de Heere bewaard werden in en bij het geloof. Zeker, ze hadden daar en daarin een zeer zware taak te vervullen, en dikwijls waren ze hun leven niet zeker, ja, er waren er, die daarom gedood werden.
Maar vanuit de Schriften is die eigenwillige lijn beslist niet te vinden. Integendeel, dan had Jezus Christus Zèlf immers toch zéker die beslissende stap gezet, zie Matt. 23. Als déze goddeloosheden daartoe nog onvoldoende waren, wanneer wel dan?
In de 19e eeuw zien we soortgelijk gebeuren in de Ned. Hervormde kerk. Toen Hendrik de Cock getuigde tegen grote zonden inzake valse leer, aanstootgevend leven in de hervormde kerk, toen volgde een periode van valse beschuldigingen, verdachtmakingen, het zich niet, niet voldoende houden aan gemaakte kerkelijke afspraken, het zich onvoldoende buigen onder bevelen en lasten van kerkelijke vergaderingen. Toch stond in de hervormde kerk toen dáár de Avondmaalstafel, waar Jezus Christus de leden riep.
Maar toen de hervormde kerk hem en anderen zwaar vervolgde en uitwierp, toen verliet het Hoofd de hervormde kerk en richtte daar niet meer de Heilig Avondmaalstafel aan, maar Hij richtte de Avondmaalstafel aan bij hen, die om het geloof uitgeworpen waren, de Afgescheidenen. Ook daar vonden scheuringen plaats, ook daar gingen om allerlei redenen mensen, voorgangers in eigenwilligheid zèlf beslissen te breken. Maar vond in de Afgescheiden kerken géén onrecht plaats, groot onrecht? Helaas, zeker. Maar eerder dan zelf te scheuren en te breken moesten zij blijven getuigen tégen dat onrecht, waarschuwen, vermanen, bestraffen, bidden, dat God nog genadig wederkeer wilde geven, ogen wilde openen, bekering wilde bewerken.
Het vreemde is telkens weer, dat zij, die door ware profeten vermaand, bestraft worden inzake valse leer, aanstootgevend leven, dat zij dat mèt en vanùit de geopenbaarde Schriften niet weerlèggen, overtuigend weerlèggen, maar dat ze de aandacht meteen verleggen naar de persóón van de profeet, getuige, naar andere bijkomstigheden. En het wordt vaak nog vreemder, dat velen van de aanwezigen, toeschouwers, toehoorders, daarin al te gemakkelijk meegaan. Hoe duidelijk hebben ze dat afgekeken van de duivel zèlf! Immers, in Gen. 3 verlegt hij de aandacht van het gebod naar achterliggende vermoedens, verdachtmakingen, naar het twijfelachtige en onzekere ZIJN van God in spreken, in doen. Tenminste, dat verkondigt hij, dàt God zo zou zijn. Gelukkig, er zijn in de Bijbel ook tal van voorbeelden inzake mensen, die zich wèl lieten vermanen, bestraffen, en zich bekeerden. Maar onderkèn daarin de grote eigen verantwoordelijkheid en welke gevolgen dat hééft voor die persoon, maar tegelijk (vaak) ook voor de volgende geslachten. Zie tweede gebod!
Meent u werkelijk, dat iemand, zeer velen, Jezus Christus, het Hoofd kunnen dwingen tot een dilemma, als zij eigenwillig scheuren, breken? Wilt u Jezus Christus, het Hoofd, dwingen mee te gaan in eigenwilligheid? Moet uw ‘overtuiging’ om nú te scheuren, nú te breken, Hem verplichten met u mee te gaan, en zo ùw actie ‘goed’ te keuren? En wat geldt voor uw eigenwillige actie, geldt vervolgens evenzeer voor Zijn aanrichten van de Avondmaalstafel, voor Zijn nodiging: Neem, eet, drink, doe dat tot Mijn gedachtenis. Vervolgens, als in een scheurkerk de voorganger inderdaad ‘dóet!’ alsof daar de Avondmaalstafel staat aangericht en Jezus Christus daar inderdaad aanwezig is en de aanwezige leden inderdaad oproept aan ‘Zijn’ tafel te komen, is dat tegelijk niet de grootste misleiding? Is de blindheid zó groot, dat niemand meer kan onderscheiden, dat Jezus Christus Zich nóóit leent voor dergelijk goddeloos spèl?
Zéker, ook in de kerk, waarvan àfgescheurd is, moet ieder zich indringend onderzoeken en vervolgens onderscheiden welke handelingen, welke besluiten tot die gepleegde scheuring geleid hebben. Want het is toch overduidelijk, dat – als er onrecht begaan is, als er zonden verdoezeld en afgeschermd worden – wij er toch zo spoedig als mogelijk is, dat onrecht, die zonden, moeten belijden en uit ons midden weg moeten doen? O nee, dat rechtvaardigt het scheuren, het breken op geen enkele manier, maar als daarop een reactie volgt van ‘gelukkig, die zijn we kwijt’, dan is die reactie minstens even zondig. Er is – vaak – een (lang) voortraject, vóórdat mensen scheuren, breken. Hoe noodzakelijk is daarbij gedùld hebben met elkaar, elkaar verdrágen, zuivere liefde! Zonder iets van de Waarheid af te doen. Ziende op Jezus Christus.
Jezus Christus heeft Zèlf als Kind van Vader het goede voorbeeld gegeven: Mark. 13:32: Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader. Vergelijk Matt. 24:36; Hand. 1:7. Heeft Hìj daarover gemopperd, gefantaseerd, daarover Zijn ongenoegen getoond? O nee, Hij heeft dat in volmaakt vèrtrouwen bij Zijn Vader gelaten, wetend, gelovend, dat het zó goed was en is. Op gelijke wijze zién kinderen op het Hoofd, wachten in vol vertrouwen de ontwikkelingen af, en scheiden zich af als ze als getuigen worden gedood en uitgeworpen. Hoe vraagt deze weg om gelóóf, om vertròuwen, om wáákzaamheid om niét eigenmachtig vooruit te grijpen naar èigen inzicht.
Tegelijk, als we vandaag opmerken dat we ons bevinden in een vàlse kerk, die in het verleden ware getuigen het zwijgen oplegde, hen doodde en uitwierp, een vàlse kerk, die eigenwillig scheurde, dan moeten we daaruit leren, dat ze dié weg verkozen hebben tot nu toe! Tot nu toe bekeerden ze zich daarvan niét! Integendeel, zij verhardden zich in hun zonde en verzet. En omdat we dàt zien, dàt weten, móeten we – om ons levens wil! – Christus’ Woord opnieuw volgen en gehoorzamen, Openb. 18:4: En ik hoorde een andere stem uit de hemel zeggen: Ga uit haar weg, Mijn volk, opdat u geen deelhebt aan haar zonden, en opdat u niet van haar plagen zult ontvangen. Láát u waarschuwen!!!
Telkens weer had Jezus Christus zeer groot geduld. Maar Hij was en bleef het ene Hoofd van Zijn kerk. Nóóit verdraagt, accepteert Hij het, dat mènsen, wie ook, hoeveel ook, hoe geleerd ook, Hem als Hoofd aan de kant schuiven en zèlf ‘hoofdje’ gaan spelen. En doen mensen dat toch – onder welke ‘vrome’ voorwendsels ook! – zij handelen in pure eigenwilligheid. Òf, als mensen blijven waar Jezus Christus wegroept – uit de roomse, uit de hervormde, uit de synodale, uit de vrijgemaakte ‘kerk’, uit welke scheurkerk, uit welke sekte ook – hoe bezwaard, hoe verontrust ze ook zijn, als het Hoofd wegroept dan hebben zij Hem in gehoorzaamheid te volgen.
Opnieuw: hoe belangrijk is het onderzoeken, onderkennen, onderscheiden, òf woorden, òf daden uit eigenwilligheid voortkomen, of in trouwe gehoorzaamheid en onderworpenheid aan Gods geopenbaarde Woord zijn. Hoe is de gesteldheid van de vrùcht?
Zie de profetieën van de profeet Obadja, hoe de Heere toornt tegen Edom. Edom, die de ondergang van Israël en Juda toejuicht en zichzelf al ziet als de partij die de buit verdeelt en zich toeëigent. Hoe groot de ontrouw van Israël en Juda ook waren, Gods toorn daarover, Gods oordeel daarover: de ballingschap, toch, Edom moest de geschiedenis kènnen, en èigen onbekeerlijkheid zien en belijden. Maar nu ziet God, dat ze in die onbekeerlijkheid blijft en er zich op verheugt buit te halen uit Israël en Juda. Ja zich verheugt over de ondergang van Gods ontrouwe Bondsvolk. En dat verdraagt God niét! Hoe groot moet Gods toorn dan wel zijn over hen, die trouwe getuigen uitwerpen, uitstoten, excommuniceren, doden! Zié, welk een geweldige blindheid leiders en volk zichzelf en anderen aanmeten. Zié, hoe men wèigert de heilige Schriften te kènnen en te verstáán!
De Dolerenden onder leiding van dr. Abraham Kuyper zijn in de hervormde kerk gebleven. Daarmee bleven ze schuldig aan de zonden in de hervormde ‘kerk’. Toen ze tot het inzicht kwamen, dat de hervormde ‘kerk’ een valse kerk was, die zich van haar zònden niét wìlde bekeren, toen hadden ze zich moeten afscheiden en onder berouw moeten voegen bij de Afgescheiden kerken. Kwamen ze al tot dat inzicht, ze wèigerden haar vàlse kerk te noemen, en daarvoor te houden! Zie de ernstige gevolgen daarvan: wat het Hoofd zònde noemt, wèigeren ‘volgelingen’ zònde te noemen, en voor zònde te houden! Vandaar: pluriformiteit.
Wordt daarin niét zuiver onderscheiden, dan móet dit er wel toe leiden, dat eigenwilligheid toegelaten, verdragen, aangemoedigd wordt. Vervolgens: opgelegd, afgedwongen. Processen staan niet stil!!! Immers, is de ‘vrijheid’ dan niet legaal om ‘het’ in Matt. 23 op punten ook niet eens te zijn met het Hoofd Zèlf? Ofwel, zijn de uitgesproken oordelen van het Hoofd niet veel te hàrd en te radicaal en te ongenuanceerd? Zié Gen. 3, hoe de duivel de mens léért èigen mening, opvatting, oordeel te vormen en te hebben, niet alleen náást, maar meteen daarna ook tegenóver Gods uitdrukkelijk Woord en gebod. En zie de vrùcht daarvan: zij aten!
Ziedaar de smalle weg van de geloofsgehoorzaamheid, in woord, in daad, in waarheid.
Gedachtig aan Openb. 18:4vv waarin gelovigen opgeroepen worden uit haar – Babel, valse kerk – weg te gaan, om niet mèt haar te ontvangen het oordeel over haar zonden, waaronder haar vervolgingen van getrouwe getuigen. Dan roept de ware kerk om haar, die valse kerk, dubbel te vergelden naar wat zij de ware gelovigen heeft aangedaan. Na geschorst te zijn traden dr. Kuyper en velen met hem eigenwillig uit de hervormde ‘kerk’, en zochten daarna toenadering tot de Afgescheiden Christelijke Gereformeerde kerken. Ze namen hun zonden mee!
Terecht hebben de Christelijke Gereformeerden de valse leringen van dr. Abraham Kuyper gezien, onderkend, onderscheiden. Toch, toen in 1892 Afgescheidenen en Dolerenden zich (toch) verenigden, toen hadden ze de dure plicht tégen die leringen (die zònden!!!) volhardend te strijden, daartegen te getuigen, die leringen in het licht van de Heilige Schriften te ontmaskeren, blijvend, volhardend, totdat die leringen ten onder zouden gaan in de weg van berouw en bekering, òf totdat die mensen zich in de leringen zó zouden verharden, dat ze ertoe over zouden gaan die getuigen te vervolgen en uit te werpen.
Maar nu hebben zij, die in 1892 niet meegingen met de Vereniging, zich onttrokken, scheurden, braken, zich van hun dure taak losgemaakt en in eigenwilligheid zichzelf beloofd: géén strijd; verdraagzaamheid; als er moeiten, verschillen zijn dan praten we daar met elkaar over en proberen in die weg tot een oplossing te komen. En komt die oplossing naar ieders tevredenheid er niet, dan blijven we praten, dan blijven we elkaar accepteren, want scheuren, breken, willen we niet. Dat was, en is dus duidelijk niét de weg, zoals door het ene Hoofd Jezus Christus gewezen is, zoals door de Heilige Geest geleerd is en wordt. Het is een eigenwillige weg, waarmee fundamentele opdrachten van het Hoofd inzake getuigen, volhardend getuigen tégen zònde, tégen valse leer, tégen aanstootgevend leven, inclusief oproepen tot waarachtige bekering en het wegdoen van bewezen kwaad, in verachtering komen. De praktijk heeft dat bewezen.
Dat is sinds 1892 ook telkens weer gebleken, dat men niét met allerlei eigenwilligheid wìl breken. Integendeel, men ziet in allerlei groepen en sekten en valse ‘kerken’ nog ‘gelovigen’, en daarom wordt daar ook ‘gebeden’, dat de Heere alle prediking, die in ‘getrouwheid’ aan het Woord plaatsvindt wil zegenen. Niét gezien wordt daarmee, dat de Heere Jezus Christus àlle eigenwilligheid en àlle valse ‘kerken’ en groepen en sekten beslist niét zegent. Integendeel, ze liggen onder het oordeel van Gods Verbondswraak, daar ze wèigeren zich van hun zonden te bekeren onder betoon van berouw en terug te keren naar die ene weg van de Verbondsgehoorzaamheid. En daarom accepteren we allerlei ‘gelovigen’ in allerlei groepen en ‘kerken’ en sekten en houden daarmee en daardoor voor iedere toeschouwer het beeld hoog, dat ook Jezus Christus in die eigenwillige weg Zijn kerk vergadert.
‘We’ hebben er een naam voor bedacht: onzichtbare kerk. Velen hebben er grote moeite voor gedaan die naam te legaliseren. Maar zie naar het Hoofd! Welke ‘eer’ ontvangt het Hoofd, als Hij Hoofd is, moet zijn, van een onzichtbare ‘kerk’? Immers, het is een pure bespòtting!!! Moet HIJ, het HOOFD, Die Zelf gezègd heeft: Mij is gegeven!!! – niet door mensen, maar door God de Vader! – alle macht in de hemel en op de aarde, moet Hij nú – ziende de geweldige verdeeldheid! – erkennen: wat maak IK er toch een potje van, wat een vertoning, wat een bespotting, ieder Hoofd-zijn onwaardig!
Tegelijk, àls, àls dat zo zou kunnen, dan is er toch ook nauwelijks verschil te maken, te zien, tussen hen, die actief!!!, uitwierpen, excommuniceerden, èn hen, die uitgeworpen, geëxcommuniceerd werden? Immers, dan MOET het ene Hoofd Jezus Christus toch ook àlles wel ‘goedvinden’? Dan MOET God de Heilige Geest Zichzelf toch hopeloos verloochenen als zijnde GEEST DER WAARHEID? Dan had en heeft de duivel toch het grootste gelijk, dat Gods WOORD volstrekt ònbetrouwbaar en ònwaarachtig is? Dan zitten we daarmee toch in het voorportaal van de alverzoening?
Kent u mensen, die ’s morgens wakker worden en vervolgens eerst de onderscheiden lichaamsdelen moeten opzoeken en aan- en in elkaar moeten passen totdat er weer één lichaam is dat functioneert? Inderdaad, die mensen met een ‘onzichtbaar’ lichaam bestaan niét! Hoe duidelijk blìjkt: eigen òngeloof fantaseert, om zichzelf van de plìcht te ontslaan om zich met haast te bekeren!, èn zich bij de ware kerk aan te sluiten.
NEE!!! Ieder mens, die die naam gebrùikt, dènkt, dat die naam legaal is, zowel de ‘bedenker’ als alle nalopers en na-praters, moeten hard vermaand en bestraft worden, dat ze het ene HOOFD die smaad en schande aandoen. Maar tegelijk beseffen, erkennen, belijden, dat ze wèigeren te bréken met hun eigen zònden daarin. Immers, mèt die naam roepen ze het oordeel van Christus’ toorn over zichzelf, over hun geslacht, over hun nageslacht af.
Immers, ze wèigeren te bréken met hun onbekeerlijkheid, ze wèigeren te luisteren naar al de profeten en getuigen, die Christus zond en zendt, die zeiden: u mag niet scheuren, niet breken, maar u moet – naar het geopenbaarde Woord! – getuigen tegen de zonden, daarmee breken, ze laten, die uit uw midden wegdoen. Maar u wèigerde dat te doen, u gaf en geeft plaats aan die zonden, ja, u legde getuigen het zwijgen op, u wierp hen uit. En u – U!!! – verdedigde en beschermde – alsof u zèlf hoofd bent! – al uw eigenwilligheid daarin. Léés, kèn de Schriften en wijs aan, waar de levende God ook maar één keer toegeeft aan zo’n verdorven eigenwilligheid. En bekeer u met haast van uw afschuwelijke hoogmoed daarin!
En, ook al klinkt de prediking op tal van plaatsen nog zo ‘Schriftgetrouw’, onderkèn en onderschèidt, dat diezelfde prediking alle eigenwilligheid en toestaan van valse leer en aanstootgevend leven, verdraagt, tolereert, gedoogt, en wèigert daartegen te getuigen, te waarschuwen, die te bestraffen, op te roepen het kwaad uit het midden weg te doen. Zié!, dat die zogenaamde ‘Schriftgetrouwe’ prediking daarmee en daardoor van alle gezàg is en wordt beroofd. Het maakt voor de toehoorders geen enkel verschil: je kunt het aanhoren; je kunt het omhelzen en liefhebben; je kunt het naast je neerleggen. Het maakt geen enkel verschil! En dat kùnnen, móeten die predikers, die ambtsdragers die toezien op zuivere prediking, ook weten, zien, onderscheiden. Dan blijkt het huiveringwekkende: ze wìllen het niet zien, ze wìllen het niet onderscheiden! En daarom kan die praktijk jaren, decennialang, ongemoeid doorgaan, en zwijgt men daarover.
Zié, dat dat ‘Schriftgetrouwe’ één element beslist móet verwaarlozen: het gezaghèbbende karakter van het Woord van God. Hoe is dat mogelijk? Immers, men leest Gen. 1! Kàn het Woord van de levende God gezaghebbender zijn? Maar nu: we zèggen dat Gods Woord ‘trouw’ gepredikt wordt, maar in de praktìjk van het leven heeft Het niets te zeggen: vrijblijvendheid, invullen en uitwerken naar eigen goeddunken staat ieder vrij, en we verdragen het graag. Ja, door en met ons stilzwijgen stimuleren en bevestigen en versterken we dat zelfs. Maar wie zal nu nog opstaan en getuigen tégen valse leer, tégen aanstootgevend leven, tégen ontrouw van welk soort ook?
Ziet u, dat daarmee en daardoor stilzwijgend geprotesteerd wordt tégen alle Schriftuurlijke profetie, die wèl de zonde in leer en/of leven aanwijst, bestraft, de zondaren oproept het kwaad uit het midden weg te doen? Ziet u, dat daarmee en daardoor stilzwijgend geprotesteerd wordt tégen alle Schriftuurlijke profetie van onze hoogste Profeet en Leraar, Die al die profeten zònd, Die al die profeten vervulde met Zijn Heilige Geest en hen aandreef òm te profeteren; maar tegelijk tégen het profeteren en getuigen vàn en dóór die hoogste Profeet en Leraar Zèlf, hier in Matt. 23!
Ja, wat komt er in die ‘kerken’ waar ‘Schriftgetrouw’ gepreekt wordt in de praktijk nog terecht van het drievoudig ambt van profeet, priester, koning, waar de voorgangers, de ambtsdragers zelf wèigeren dat ambt van profeet, getuige, in praktijk te brengen? Zullen daar in de gemeente profeten, getuigen opstaan; zullen ze nog verdragen worden; zal er naar hen geluisterd worden? Maar als voorgangers, ambtsdragers dat zèlf al niet doen, dan is toch niet te verwachten dat ze getuigen vanuit de gemeente wèl zullen verdragen? Want iedereen moet in het licht van de Schrift toch overduidelijk onderkennen en onderscheiden, dat de ‘kerkelijk’ zo gescheurde en verdeelde kaart in Nederland voor het ene Hoofd Jezus Christus één grote zonde ìs! En dat het voortbestaan ervan decennialang – daarbij nieuwe scheuringen, daarbij zgn. ‘vereniging’ – op geen enkele manier ook maar een spoor vertoont van enig berouw over die geweldige ZONDE!
Immers, het blijkt telkens weer, dat allerlei ‘hoofdjes’ met elkaar gaan samenspreken, gaan overleggen, gaan discussiëren, òf, wannéér, hóe, gewerkt kan worden aan nauwere toenadering en samenwerking. We bedenken een tussenweg: kanselruil, en we noemen dat een grote stap op weg naar… Maar zié, dat die tussenweg alleen maar beklemtoont, dat ònze eigenwilligheid vast op de troon zit! Want de ZONDE wordt daarmee op geen enkele manier uit het midden weggedaan, en het HOOFD heeft nooit, nergens tot deze eigenwilligheid opgeroepen of haar toegestaan. Het is ontluisterend, onthutsend, dat ná zoveel eigenwilligheid publiek de HEERE ‘gedankt’ wordt voor dat resultaat. Waarmee en waardoor aan de leden de gedachte wordt opgedrongen, dat de HEERE tevreden is, als berouw over de ZONDE en bekering van die ZONDE worden overgeslagen, en we door al die eigenwilligheid gehoorzaam zouden zijn aan Zijn opdracht: opdat zij allen één zijn.
Onderkèn de geweldige blindheid! Zeker, voor het oog lijkt het één, in elk geval een poging, maar bedenk: gesteld, dat deze weg inderdaad de door de HEERE bevolen en geboden weg is, zijn dan àl Gods geboden, inzettingen, bepalingen, verordeningen niet meer dan een schijnvertoning, waartegen ‘rustig’ gezondigd mag en kan worden, zolang het òns goeddunkt, terwijl we even later ‘gewoon’ weer terug kunnen en zeggen: hier zijn we weer; vanaf nu willen we weer leven naar al Uw geboden, inzettingen, bepalingen en verordeningen? Blijkt daaruit niet zeer duidelijk, dat onze èigen waarneming, onze èigen beoordeling de enige norm vormen? Opnieuw: de meerderheid beslist!
36. DE HEILIGE GEEST UITGESTORT, EN VERWORPEN DOOR … ZWIJGEN
Numeri 11:29: Maar Mozes zei tegen hem: ‘Zet u zich voor mij in? Och, waren allen van het volk van de HEERE maar profeten, dat de HEERE Zijn Geest over hen gaf!’ De grote roep van Mozes naar Pinksteren. En juist Mozes zal de nieuwtestamentische kerk, haar voorgangers, haar leden, aanklagen: Ik riep om Pinksteren, u ontving Pinksteren. Alle profetieën, die aankondigden, dat de Heilige Geest op àllen in de gemeente zou worden uitgestòrt!, gingen in vervulling! En wat hebt u gedáán?
U hebt in alle eigenwilligheid de Heilige Geest bestreden, bekritiseerd, gedwarsboomd, ja, van dag tot dag, van eeuw tot eeuw, hebt u openlijk de ware profeten, de ware getuigen, die IK, de Heilige Geest, vervulde tòt profeteren, tòt getuigen, vervolgd, bespot, uitgeworpen, gedood. U hebt van zondag tot zondag openlijk, bedekt, stilzwijgend, verkondigd, dat IK, de Heilige Geest, alleen werkte in leiders, ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, háár besluiten, háár beraadslagingen, háár oordelen, háár uitwerpen. Uw afgoderij van Hebr. 13:17 hebt u daarmee en daardoor van zondag tot zondag gehandhaafd en verkondigd en bevestigd.
Iedereen, die de Schriften ook maar enigszins kènt, wéét, dat het ene Hoofd Jezus Christus van al die eigenwilligheid grùwt!!! Lees alleen Openb. 2 en 3! Zié de geweldige ontluistering: iedereen ZWIJGT!!! Het LIJKT o zo onschuldig! Maar zié, dat daardoor de observatie, de waarneming van en door mènsen – wie ook, hoeveel ook – wordt getaxeerd en gewaardeerd, en … overgenomen en voor waar gehouden, terwijl men wèigert te onderkennen, te onderscheiden, dat dat ZWIJGEN verzèt betekent, niét toegeven, niét erkennen, niét belijden, géén berouw, géén bekering.
Tegelijk, dat mèt die observatie, mèt die waarneming, mèt dat instemmen, men ook zèlf daardoor en daarin meegezogen wordt. Ofwel, dat ZWIJGEN is o zo verleidelijk en heeft een geweldige invloed. En, hoe vaak wordt in de praktijk dat ZWIJGEN als ‘wìjsheid’ aangemerkt: het is nú nog niet de gepaste tijd om te spreken, om te handelen. Zié, hoe de mèns zèlf bepaalt òf en wannéér er wèl gesproken en wèl gehandeld mag en moet worden.
En als in die situatie dan wèl iemand opstaat en daartegen getuigt, let dan op de gezichten van de aanwezigen, hun gezichtsuitdrukking, te beginnen met hen die de leiding hebben in die vergadering. Maar het blijft vaak niet bij alleen die gezichtsuitdrukking, ook verbaal wordt door tal van geluiden aangegeven hoe ‘men’ dat getuigenis verwerpt! Vervolgens, hoe men die getùige verwerpt. Oorzaak? Men onderscheidt niet! Men wìl niet onderscheiden! Men kàn ook niet onderscheiden, daar men de Schriften niet kent, omdat men tevreden is met melk – men wil zuigeling blìjven! – en vast voedsel niet verdraagt.
Men levert zich liever over aan de mening van enkelen, dan dat men zijn uiterste best doet volwassen in het geloof te worden en te zijn. O néé, dat is niet een werk van enkele maanden, misschien een jaar. Het is een werk, dat levenslang inspanning vraagt, dat levenslang doorgaat, en waarvan we aan het eind nog erkennen en belijden: wat hebben we weinig vorderingen gemaakt. Maar tegelijk: als de Heilige Geest Zelf ons niet van dag tot dag aangespoord had en ons daarin vast had doen staan en onze harten, ons verstand en onze ogen niet had verlicht òm Gods Woord steeds beter te verstaan, we waren geen stap verder gekomen. Alleen Hèm komt daarom alle lof, dank en aanbidding toe.
37. DE HEILIGE GEEST UITGESTORT, EN VERWORPEN DOOR … ONS SYSTEEM
Maar tegelijk: de Heilige Geest doet ons met geopende ogen ook de zonde zien, onderscheiden, onderkennen, en Hij doet ons opstaan, om ons ambt van profeet, getuige op te nemen èn te profeteren en te getuigen. De Schriften getuigen op tal van plaatsen, dat dat een weg is van zelfverloochening, een weg, die door velen verguisd en bespot en gesmaad wordt, een weg, die ons ontzegd wordt, daar die weg niet past in ons ‘systeem’. Ons ‘systeem’, waarmee we afgoderij plegen, daar ons ‘systeem’ alleen de garantie geeft, dat alles ordelijk en volgens afspraak en naar de door ons vastgestelde eisen verloopt.
Maar wijs aan: Heeft het ene Hoofd Jezus Christus Zich met haast geschikt naar het toen bestaande ‘systeem’? Heeft Hij nauwkeurig toegezien, dat Hij de inhoud van Matt. 23 meedeelde op een door hen belegde ‘besloten’ vergadering? Immers, ‘we’ moeten alle onenigheid toch zo klein mogelijk houden? Heeft Hij er nauwkeurig op toegezien, dat Hij in Zijn woordkeuze veronderstellenderwijs sprak, niet oordelend, en helemaal niet veroordelend, omdat er velen bij aanwezig waren, die die gebóden voorzichtigheid op prijs stelden en als voorwaarde stelden? En, sloeg Hij die beslissende stap: eerst onder vier ogen, niet over?
Integendeel: Het kwaad was zó groot, de ongerechtigheid zó aanstootgevend, de vijandschap zó openbaar, de verharding – Jezus had al drie jaar gepredikt en getuigd! – zó geweldig scherp, dat Hij elke verzachtende ‘toon’ móest vermijden. Hier bleek ten volle de antithese, de door God gezètte vijandschap tussen vrouwenzaad en slangenzaad. Er is geen sprake van, dat ‘wij, mensen’ moeten beoordelen of God iets, alles, wel goed ‘genoeg’ doet in onze ogen. Immers, daarmee en daardoor geven we alleen maar ruimte aan onze geweldige hóógmoed, die ons de pretentie influistert, dat wij dat mogen, vervolgens, dat de Heere daar toch wel ernstig rekening mee moet houden, vervolgens, dat de Heere ons toch eigenlijk eerst wel toestemming moet vragen, òf, en hóe, en wannéér Hij iets mag en onder welke voorwaarden. We zijn terug bij de verleiding van onze eerste voorouders.
Echter: ons moet ELKE dag scherp voor ogen staan: Gen. 6, Gen. 8: Gods oordeel: ALLES wat uit ons natuurlijk – naar onze oude mens! – hart naar boven komt is te ALLEN tijde BOOS! En die boosheid in de leer en in de handel en wandel wijst het Hoofd hier aan, vervloekt die, en waarschuwt alle toehoorders er ernstig voor daarin op geen enkele wijze mee te gaan en na te doen. En dáártoe is het opgeschreven, opdat àlle lezers, alle hoorders, elke gedachte om in die bestreden en afgewezen leer en handel en wandel wèl toegeeflijkheid te (ver)tonen, ernstig te waarschuwen, dat Zijn oordeel over hen niet anders is, en niet anders zal zijn!
Vraag: Wáár in de Heilige Schriften is de juiste plaats waar de inhoud van Matt. 23 door iedereen wordt toegejuicht?
38. DE HEERE GEBIEDT DE LIEFDE, TOT GOD, TOT DE NAASTE
We moeten nog aandacht vragen voor het meest van alles bepalende onderdeel: de LIEFDE! We kennen Matt. 22:37-40: Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het grote gebod. 39 En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 40 Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.
Zie HC Zondag 2, vraag en antwoord 4.
Ziet u het verband tussen genoemde verzen uit Matt. 22 èn Matt. 23? Ziet u, dat, als u dat nauwe verband daartussen niét ziet, u Matt. 23 heel slecht verstaat?
We lezen eerst een aantal teksten, waaruit blijkt wat God behaagt, wat God in het leven van ieder mens vraagt en wil zien; daarbij getuigenissen van kinderen van God, die weten, onderscheiden wat God behaagt:
Ex. 20:5 en 6: U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten, 6 maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.
Deut. 7:9: Daarom moet u weten dat de HEERE uw God is. Híj is God, de getrouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, tot in duizend generaties.
Deut. 10:12 en 13: Nu dan, Israël, wat vraagt de HEERE, uw God, van u dan de HEERE, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te gaan, Hem lief te hebben en de HEERE, uw God, te dienen, met heel uw hart en met heel uw ziel, 13 en de geboden van de HEERE en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, in acht te nemen, u ten goede?
Deut. 11:1: Daarom moet u de HEERE, uw God, liefhebben en Zijn voorschriften, Zijn verordeningen, Zijn bepalingen en Zijn geboden in acht nemen, alle dagen.
Psalm 11:7a: Want de HEERE is rechtvaardig, Hij heeft rechtvaardige daden lief.
Psalm 18:2: Hij zei: Ik heb U hartelijk lief, HEERE, mijn sterkte.
Psalm 33:5a: Hij heeft gerechtigheid en gericht lief,
Psalm 45:8a: U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
Psalm 97:10a: U die de HEERE liefhebt, haat het kwade.
Psalm 116:1a: Ik heb de HEERE lief,
Psalm 119:47: Ik verblijd mij in Uw geboden, die ik liefheb.
Psalm 119:97: Hoe lief heb ik Uw wet! Hij is heel de dag mijn overdenking.
Psalm 119:113: Ik haat de halfhartigen, maar Uw wet heb ik lief.
Psalm 119:127: Daarom heb ik Uw geboden lief, meer dan goud, ja, meer dan zuiver goud.
Psalm 119:159a: Zie toch hoe ik Uw bevelen liefheb;
Psalm 119:163: Ik haat de leugen en heb er een afschuw van, maar Uw wet heb ik lief.
Spreuken 3:12: Want de HEERE straft wie Hij liefheeft, zoals een vader doet met de zoon die hij goedgezind is.
Spreuken 8:17: Ik heb lief wie Mij liefhebben, en wie Mij ernstig zoeken, zullen Mij vinden.
Spreuken 12:1: Wie vermaning liefheeft, heeft kennis lief, maar wie bestraffing haat, is onverstandig.
Spreuken 15:9: De weg van een goddeloze is voor de HEERE een gruwel, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief.
Jesaja 61:8a: De plannen van een kwaaddoener zijn voor de HEERE een gruwel, maar lieflijke woorden zijn rein.
Amos 5:15: Haat het kwade en heb het goede lief, handhaaf het recht in de poort. Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn voor het overblijfsel van Jozef.
Micha 6:8: Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.
Zach. 8:16: Dit zijn de dingen die u doen moet: spreek de waarheid tegen elkaar, oordeel naar waarheid in uw poorten met een oordeel dat de vrede dient,
Luk. 7:47: Daarom zeg Ik u: Haar zonden, die veel waren, zijn haar vergeven, want zij heeft veel liefgehad; maar aan wie weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.
Joh. 3:35: De Vader heeft de Zoon lief en heeft alle dingen in Zijn hand gegeven.
Joh. 8:42: Jezus dan zei tegen hen: Als God uw Vader was, zou u Mij liefhebben; want Ik ben van God uitgegaan en gekomen. Want Ik ben ook niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
Joh. 10:17: Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven geef om het opnieuw te nemen.
Joh. 13:34 en 35: Een nieuw gebod geef Ik u, namelijk dat u elkaar liefhebt; zoals Ik u liefgehad heb, moet u ook elkaar liefhebben. 35 Hierdoor zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt.
Joh. 14:21: Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, hem zal Mijn Vader liefhebben; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
Joh. 14:23: Jezus antwoordde en zei tegen hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.
Joh. 14:31a: Maar de wereld moet weten dat Ik de Vader liefheb, en doe zoals de Vader Mij geboden heeft.
Joh. 15:9-17: Zoals de Vader Mij liefgehad heeft, heb ook Ik u liefgehad; blijf in Mijn liefde. 10 Als u Mijn geboden in acht neemt, zult u in Mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van Mijn Vader in acht genomen heb en in Zijn liefde blijf. 11 Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u zal blijven en uw blijdschap volkomen zal worden. 12 Dit is Mijn gebod: dat u elkaar liefhebt, zoals Ik u liefgehad heb. 13 Niemand heeft een grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden. 14 U bent Mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied. 15 Ik noem u niet meer dienaren, want een dienaar weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, bekendgemaakt heb. 16 Niet u hebt Mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u ertoe bestemd dat u zou heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht zou blijven, opdat wat u ook maar van de Vader vraagt in Mijn Naam, Hij u dat geeft. 17 Dit gebied Ik u: dat u elkaar liefhebt.
Joh. 16:27: want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en hebt geloofd dat Ik van God ben uitgegaan.
Joh. 17:22-26: En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die U Mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals Wij Eén zijn; 23 Ik in hen, en U in Mij, opdat zij volmaakt één zijn en opdat de wereld erkent dat U Mij gezonden hebt en hen liefgehad hebt, zoals U Mij hebt liefgehad. 24 Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn die U Mij gegeven hebt, opdat zij Mijn heerlijkheid zien, die U Mij gegeven hebt, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld. 25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij gezonden hebt. 26 En Ik heb hun Uw Naam bekendgemaakt, en zal die bekendmaken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is, en Ik in hen.
Rom. 13:10: De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet.
I Kor. 14:1: Jaag de liefde na en streef naar de geestelijke gaven, en vooral daarnaar dat u mag profeteren.
I Kor. 16:14: Laat alles bij u in liefde gebeuren.
Gal. 5:22: De vrucht van de Geest is echter: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.
Efez. 5:1 en 2: Wees dan navolgers van God, als geliefde kinderen, 2 en wandel in de liefde, zoals ook Christus ons liefgehad heeft en Zichzelf voor ons heeft overgegeven als een offergave en slachtoffer, tot een aangename geur voor God.
I Joh. 3:10 en 11: Hieraan zijn de kinderen van God en de kinderen van de duivel te herkennen. Ieder die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als hij die zijn broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de boodschap die u vanaf het begin gehoord hebt, dat wij elkaar moeten liefhebben;
I Joh. 3:14: Wij weten dat wij zijn overgegaan uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben; wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood.
I Joh. 3:18: Mijn lieve kinderen, laten wij niet liefhebben met het woord of met de tong, maar met de daad en in waarheid.
I Joh. 4:1: Geliefden, geloof niet elke geest, maar beproef de geesten of zij uit God zijn; want er zijn veel valse profeten in de wereld uitgegaan.
I Joh. 4:7-13: Geliefden, laten wij elkaar liefhebben, want de liefde is uit God; en ieder die liefheeft, is uit God geboren en kent God. 8 Wie niet liefheeft, kent God niet, want God is liefde. 9 Hierin is de liefde van God aan ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem. 10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon zond als verzoening voor onze zonden. 11 Geliefden, als God ons zo liefhad, moeten ook wij elkaar liefhebben. 12 Niemand heeft ooit God gezien. Als wij elkaar liefhebben, blijft God in ons en is Zijn liefde in ons volmaakt geworden. 13 Hieraan weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, doordat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.
I Joh. 4:20 en 21: Als iemand zou zeggen: Ik heb God lief, en hij zou zijn broeder haten, dan is hij een leugenaar. Want wie zijn broeder, die hij ziet, niet liefheeft, hoe kan hij God liefhebben, Die hij niet gezien heeft? 21 En dit gebod hebben wij van Hem, dat wie God liefheeft, ook zijn broeder moet liefhebben.
III Joh. 1:11: Geliefde, volg niet het kwade na maar het goede. Wie goeddoet, is uit God; maar wie kwaad doet, heeft God niet gezien.
God liefhebben. Gods Woord liefhebben en daarnaar wandelen in de weg van het Verbond. God vertrouwen op Zijn Woord. Vertrouwen zonder enige reserve. Vertrouwen in de vaste overtuiging, dat God spreekt; God, Die niet liegen kan. We gaan terug naar Gen. 3: de duivel spreekt door de slang tot de mens, onze eerste voorouders Adam en Eva, en maakt in en door zijn spreken het Woord van God verdacht, suggereert, dat God onbetrouwbaar is in Zijn spreken, onwaarachtig, dat God informatie achterhoudt, waarvan de mens – aldus de duivel – recht heeft dat te weten.
Nu worden we op zeer veel plaatsen – ik noteerde er een aantal – onderwezen, dat God liefhebben is in beginsel terugkeren naar de situatie van vóór de zondeval: God vast vertrouwen op Zijn Woord, als kind van God. En in die weg wordt vanaf Adam en Eva ieder kind geboren: òf God, Zijn Woord, liefhebben, vertrouwen, gehoorzamen, òf blìjven op de door de duivel aangewezen weg: Gods Woord voor onbetrouwbaar, onwaarachtig, houden, God en de naaste haten. De eeuwige vijandschap tussen vrouwenzaad en slangenzaad.
Dan zien we, dat God Zijn profeten stuurt, mensen, die in Waarheid profeteren, getuigen, van de Waarheid, de onwrikbare betrouwbaarheid van Gods Woord, Verbond, beloften, wetten, getuigenissen, bepalingen, inzettingen, verordeningen. En telkens weer wordt ieder mens geplaatst voor de vraag: heb ik God lief, dan heb ik Zijn Woord lief; wil ik God niet liefhebben, dan haat ik Zijn Woord. Haat ik Zijn Woord, dan haat ik ook hem, haar, die mij met dat Woord vermaant, bestraft. Ja, dan is die haat zo groot, dat ik liever die spreker uitwerp en dood, dan dat ik mij bekeer van mijn zonden.
God stuurde Zijn Kind Jezus. Dat Kind sprak in Matt. 23 Zijn vermaningen, Zijn bestraffingen uit zoals Hem door de Vader geboden was, omdat Hij de Vader liefhad en alles wilde volbrengen waartoe de Vader Hem gezonden had. Zie, hoe de Zoon Zelf hiervan getuigt in genoemde teksten uit het Johannesevangelie.
Zié, hoe de Zoon hiermee en hierdoor Gods Woord bevestigt en bewaarheidt: Ik heb geen behagen in de dood van de zondaar, maar daarin, dat hij zich bekeert en leeft. Zié de grote verantwoordelijkheid van ieder mens in de weinige dagen, die God hem/haar geeft te leven op deze aarde. Grote verantwoordelijkheid voor zichzelf in zijn verhouding tegenover God; tegelijk grote verantwoordelijkheid in zijn verhouding tegenover de naaste. Zié, hoe die verantwoordelijkheid zo vaak niét gezien, niét onderkend wordt. Dan leren we zien, hoe zwaar die verantwoordelijkheid door de HEERE gewogen wordt, als Hij ieder mens in dit leven al, maar straks publiek op de jongste dag, ter verantwoording roept, en vonnis wijst. Gods Woord is daar overduidelijk over.
De duivel weet dit ook. De duivel wéét, dat hem het grote oordeel wacht, de eeuwige verdoemenis. De duivel weet ook, dat alle mensen, die zich door hem lieten, laten verleiden tot leven in haat tégen God, tégen de naaste zullen delen in zijn oordeel, in de eeuwige verdoemenis. Daarom is hij zo consequent in zijn zwìjgen! Hij is de leugen, de onbetrouwbaarheid, zèlf! Hij houdt zèlf informatie achter, omdat hij zondaren niet liefheeft, maar háát! Daarom: mensenmoorder van de beginne.
Daarom stelden we de vraag nadat u Matt. 23 gelezen had, opnieuw: hebt u God lief; hebt u Jezus lief? Is uw antwoord positief, dan betekent dat uiteraard, dat u de WEG die God verkozen heeft met de mensheid te gaan óók liefhebt. De WEG van het Wóórd! De WEG van de profetie, van de getuigenis. Dan ziet u, dat God de mens met grote reden de drie ambten oplegde: profeet, priester en koning. Waarbij in het bijzonder het ambt van profeet betekent dat we God volgen en liefhebben door Zijn Woord zeer hoog te hebben en te houden, de zonde te haten en te bestrijden, de zondaar lief te hebben dóór hem ernstig te waarschuwen en te bestraffen, om – zo mogelijk – hem tot inkeer te brengen. Uiteraard moet de Heere ons profeteren, ons getuigen, daartoe zegenen.
Tegelijkertijd is er grote verantwoordelijkheid bij hem, haar, die bestraft, vermaand wordt i.v.m. valse leer, aanstootgevend leven.
39. VALSTRIK VAN DE DUIVEL: AMBT VAN PROFEET, GETUIGE TOT ZWIJGEN BRENGEN
Nu heeft de kerkgeschiedenis ons geleerd, dat het ambt van profeet ons afgenomen is, door mensen, door voorgangers, door ambtsdragers, door kerkelijke vergaderingen. Laten we de ogen ver opendoen en opnieuw zien, dat we dat ambt onder geen beding ‘uitbesteden’, nee, ook niet op verzoek, ook niet op bevel, door niemand. Wetend, dat de Heere ons dat ambt gééft, en dat Hij van ons rekenschap vraagt. Ja, ook zij, die actief het ambt afnamen moeten rekenschap afleggen, en dat niet kùnnen!, omdat de Schriften daartoe nooit, nergens toestemming voor gaven.
De geschiedenis leert tegelijk, dat, als we ons ambt niét uitvoeren, maar zwijgen, voor ons uitschuiven, uitstellen onder allerlei schoonschijnende ‘argumenten’, we voor de Heere schuldig staan. Zié, hoe Jezus tot àllen sprak en niét zweeg.
Het ambt van profeet is publiek. In de eerste plaats tegenover geloofsgenoten. Ziende de vele verleidingen, de verscheidenheid in verleidingen, is het een bizar iets, dat er zeer hoogmoedige mensen zijn opgestaan, die verkondigden, dat het ambt van profeet bij alleen voorgangers, ambtsdragers, meer dan voldoende zou zijn om alle verleiders op afstand te houden. Als we vervolgens gezien hebben, dat tal van voorgangers, ambtsdragers zwégen, terwijl zij hadden moeten getuigen, dan stemmen we daarin dus toe, dat de duivel de ene na de andere overwinning boekte.
En als hij ook nog voorgangers in gemeenten wist in te palmen en over te halen tot het brengen van valse leer, tot het vertoon van aanstootgevend leven; als hij gelovigen wist te imponeren, als voorgangers, ambtsdragers, zich verhieven in grootheid, aanzien, macht, zodat ze gingen héérsen; inderdaad, dan was het vaak een kleinigheid het ambt van profeet de mond te snoeren. Allemaal processen, waarin de duivel heel goed wist hoe hij moest spelen, intimideren, infiltreren, manipuleren, afdwingen; waarbij de leugen een grote rol speelde.
De geschiedenis leert ons tegelijkertijd, dat de duivel in reformatorisch-bevindelijke kringen ook vele duizenden slachtoffers heeft gemaakt en maakt. Immers, waar in de prediking en allerlei persarbeid de verkiezings-theologie telkens weer alle aandacht vraagt en opeist, waar het eindeloos zoeken in zichzelf naar onvindbare zekerheid inzake zalig-worden nooit ophoudt, daar kan het niet anders, dan dat het uitoefenen van het ambt van profeet helemaal uit zicht verdwijnt.
Eerst moeten immers die eerste dingen tot afronding komen? En zover komt men nooit. Dat weten de voorgangers, die die ‘weg’ prediken en voorstaan ook. Alleen dat al moet hen met zeer grote schrik vervullen: Gods gebod tot het ambt van profeet tégen de zònde!!!, staan wij tegen, doordat we aandacht geven aan die eerste vragen? Aandacht, àlle aandacht, ja, noodzakelijk??? Tegelijk weten ze heel goed, dat die dingen voor de mensen door de Heere verborgen zijn.
Abel wist, dat hij een heilig offer moest brengen; Kaïn werd door de Heere Zelf ernstig gewaarschuwd te heersen over de zònde. En Kaïn kon heel goed onderscheiden wàt, op dat moment, zijn zonde wàs! Hij wilde God tevreden stellen met een ònheilig offer, dat door God zou worden aangenomen. Toen bleek, dat God dat niet deed, maar zijn offer afwees, verplaatste zich zijn woede naar zijn broer, wiens offer de Heere wèl aanzag.
Opnieuw: de Heere vraagt rekenschap over wat we GEDAAN hebben! Dat brengt elke dag de noodzakelijke vraag en plicht: ONDERSCHEIDT of uw weg voor de Heere heilig is of onheilig; en leg dat oordeel niet bij mensen neer, maar onderscheidt in het zuivere Licht van Gods Woord en Wet en Verbond. En bidt daarbij, dat de Heere Zelf Zijn Geest gebiedt uw ogen en hart en verstand daartoe te openen en te verlichten. En wees daarin niet traag, maar beijver u elke dag daarin, Zijn Woord lezend en bestuderend. En zeker, de Heere zàl dat doen! Immers, Hij belooft dat met grote klem. Gelóóf dat dan.
En juist, we moeten nu helemaal niet meer uitstellen. Immers, elke dag weer zien we, horen we, dat mensen uit dit leven worden weggenomen. Ouderen, jongeren. Ofwel, de Heere geeft ons geen enkel inzicht over het aantal jaren, dagen, die Hij mij toeschikt. Laat ik de tijd voorbijgaan, Hij zal mij ter verantwoording roepen en zeggen: Ik gaf je zoveel jaar, zoveel dagen van leven. IK alleen bepaalde, dat die beperkte tijd voor jou voldoende was om je te bekeren en voor Mij te leven. Wat heb je GEDAAN? En nee, IK geef je geen enkele verantwoording waarom IK aan jou zo veel, zo weinig tijd gaf, en aan anderen meer, minder.
Onderkèn, dat IK, de HEERE, door niets, door niemand, gedwongen werd, na jòuw zondeval, mens, een weg van verlossing te openen. Naar MIJN oordeel lag je midden in de dóód! Maar nu je MIJN weg tot verlossing versmaadt, nu blijf je midden in de dood. Daarom, bekeer je met haast, bewandel de WEG tot verlossing, die IK wijs, en leef! GELOOF Mij op Mijn Woord!
Zie nú Matt. 4:1-11: Jezus door de duivel verzocht in de woestijn. Zié, hoe de duivel zijn uiterste best doet om Jezus juist in Zijn ambt als hoogste Profeet en Leraar tot struikelen te brengen. De aangewezen wèg tot behoud ná ònze zondeval is: het WOORD! Het WOORD moet Haar glans van zuiverheid, volmaaktheid, betrouwbaarheid, waarachtigheid weer terugontvangen van … zòndaren. En zou nu de Zoon des mensen Zèlf dat Woord nu in haar eigenschappen bezoedelen, dàn ging daardoor immers een dikke streep door àlles wat ware profeten in het OT geprofeteerd hadden. Ja, dan hadden we nooit van Gòds liefde in Matt. 23 gehoord. Dan had God in het NT ook niemand meer geroepen tot het ambt van profeet, getuige. Het WOORD moet immers weer schitteren in volmaakte betrouwbaarheid en waarachtigheid, opdat de Gòd van het Woord weer alle lof, dank, aanbidding, eer en roem ontvangt van de mèns! Hier, nu in onvolkomenheid; straks eeuwig in volmaaktheid.
40. DE HEERE HÁÁT DE ZONDE
Vervolgens lezen we een aantal teksten, waaruit blijkt wat God haat, waarvan God gruwt in het leven van mensen, waarvan Zijn kinderen geleerd hebben daarin te onderscheiden en die zonden te zien en te haten, omdat ze God liefhebben:
Ex. 20:5: U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten,
Lev. 20:23: U mag niet wandelen overeenkomstig de verordeningen van het volk dat Ik vóór u uit ga verdrijven. Omdat zij al die dingen hebben gedaan, heb Ik een afkeer van hen.
Deut. 7:10: En Hij doet vergelding aan ieder van hen die Hem haten, door hem om te doen komen, hem persoonlijk; Hij zal tegenover wie Hem haat niet aarzelen. Hij zal aan hem vergelding doen, aan hem persoonlijk.
Deut. 12:31: U mag ten aanzien van de HEERE, uw God, niet doen zoals zij! Want alles wat voor de HEERE een gruwel is, wat Hij haat, hebben zij voor hun goden gedaan. Zij hebben voor hun goden immers zelfs hun zonen en hun dochters met vuur verbrand.
Deut. 16:22: Ook mag u geen gewijde steen voor uzelf oprichten, want dat haat de HEERE, uw God.
Richt. 2:19: Maar bij het sterven van de richter gebeurde het dat zij zich weer afkeerden en nog verderfelijker handelden dan hun vaderen, door achter andere goden aan te gaan, die te dienen en zich daarvoor neer te buigen. Zij gaven geen van hun daden op en evenmin hun halsstarrige levenswandel.
Psalm 5:6 en 7: De dwazen blijven niet staande voor Uw ogen. U haat allen die onrecht bedrijven, 7 U brengt de leugenaars om. Van de man van bloed en bedrog heeft de HEERE een afschuw.
Psalm 5:10 en 11: Want in hun mond is niets wat betrouwbaar is, hun binnenste is enkel verderf, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij. 11 Verklaar hen schuldig, o God, laat hen ten val komen met hun opvattingen; verdrijf hen om hun vele overtredingen, want zij zijn U ongehoorzaam.
Psalm 11:5: De HEERE beproeft de rechtvaardige, maar Zijn ziel haat de goddeloze en wie geweld liefheeft.
Psalm 45:8a: U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
Psalm 50:16 en 17: Maar tegen de goddeloze zegt God: Hoe durft u over Mijn verordeningen te vertellen en Mijn verbond in uw mond te nemen? 17 Want ú haat de vermaning en werpt Mijn woorden achter u weg.
Psalm 97:10a: U die de HEERE liefhebt, haat het kwade.
Psalm 101:3-5: Ik zal mij geen verdorven praktijken voor ogen stellen. Ik haat wat de afvalligen doen, hun daden zullen zich niet aan mij hechten. 4 Het slinkse hart zal ver van mij weggaan, de kwaaddoener zal ik niet kennen. 5 Wie zijn naaste in het geheim lastert, hem zal ik ombrengen. Wie hoogmoedige ogen heeft en een trots hart, hem zal ik niet verdragen.
Psalm 119:113: Ik haat de halfhartigen, maar Uw wet heb ik lief.
Psalm 119:128: Daarom heb ik al Uw bevelen in alles voor recht gehouden, maar elk leugenpad heb ik gehaat.
Psalm 119:163: Ik haat de leugen en heb er een afschuw van, maar Uw wet heb ik lief.
Psalm 139:21 en 22: Zou ik niet haten, HEERE, wie U haten, walgen van wie tegen U opstaan? 22 Ik haat hen met een volkomen haat, mijn eigen vijanden zijn het.
Spreuken 1:22: Hoelang zult u, onverstandigen, onverstand liefhebben, zullen spotters spotternij voor zich begeren en dwazen kennis haten?
Spreuken 3:11: Mijn zoon, verwerp de vermaning van de HEERE niet en heb geen afkeer van Zijn bestraffing.
Spreuken 6:16-19: Deze zes haat de HEERE, ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel: 17 hoogmoedige ogen, een valse tong en handen die onschuldig bloed vergieten, 18 een hart dat zondige plannen smeedt, voeten die zich haasten om naar het kwade te rennen, 19 een valse getuige die leugens blaast, en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
Spreuken 8:36: Wie echter tegen Mij zondigt, doet zijn ziel geweld aan. Allen die Mij haten, hebben de dood lief.
Spreuken 13:5: De rechtvaardige haat een leugenachtig woord, maar de goddeloze brengt zichzelf in een kwade reuk en handelt schandelijk.
Spreuken 15:9: De weg van een goddeloze is voor de HEERE een gruwel, maar wie gerechtigheid najaagt, heeft Hij lief.
Spreuken 15:10: Vermaning is onaangenaam voor wie het pad verlaat, en wie bestraffing haat, zal sterven.
Spreuken 15:26: De plannen van een kwaaddoener zijn voor de HEERE een gruwel, maar lieflijke woorden zijn rein.
Spreuken 15:27: Wie op winstbejag uit is, stort zijn huis in het ongeluk, maar wie omkoopgeschenken haat, zal leven.
Spreuken 26:24 en 25: Wie haat draagt, veinst met zijn lippen, maar in zijn binnenste zint hij op bedrog. 25 Geloof hem niet als hij met vriendelijke stem spreekt, want er zijn zeven gruwelen in zijn hart.
Spreuken 26:28: Een valse tong haat hen die hij kwetst, en een gladde mond brengt verderf.
Spreuken 28:9: Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet, is zelfs zijn gebed een gruwel.
Spreuken 28:16: Een vorst die gebrek aan inzicht heeft, maakt zich dikwijls schuldig aan afpersingen, maar wie winstbejag haat, zal zijn dagen verlengen.
Spreuken 29:24: Wie met een dief deelt, haat zijn ziel, hij hoort een vervloeking en maakt het niet bekend.
Jesaja 1:12-17: Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen – wie heeft dit van u gevraagd, dit platlopen van Mijn voorhoven? 13 Breng niet langer nutteloze offers. Het reukwerk is Mij een gruwel. Nieuwemaansdag en sabbat, het bijeenroepen van samenkomsten: Ik verdraag het niet; het is onrecht, zelfs de bijzondere samenkomsten. 14 Uw nieuwemaansdagen, uw feestdagen haat Ik met heel Mijn ziel; ze zijn Mij tot last; Ik ben het moe om ze te dragen. 15 En wanneer u uw handen uitspreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u; ook wanneer u uw gebed vermeerdert, luister Ik niet: uw handen zitten vol bloed. 16 Was u, reinig u! Doe uw slechte daden van voor Mijn ogen weg! Houd op met kwaad doen, 17 leer goed te doen, zoek het recht! Help de verdrukte, doe de wees recht, bepleit de rechtszaak van de weduwe!
Jesaja 61:8a: De plannen van een kwaaddoener zijn voor de HEERE een gruwel, maar lieflijke woorden zijn rein.
Jer. 8:5: Waarom heeft dan dit volk, Jeruzalem, zich afgekeerd met een altijddurende afkeer? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren terug te keren.
Jeremia 44:4 en 5: Ik zond tot u al Mijn dienaren, de profeten, vroeg en laat, om te zeggen: Doe deze gruwelijke zaak toch niet, die Ik haat. 5 Maar zij hebben niet geluisterd en hebben hun oor niet geneigd door zich van hun slechtheid te bekeren door geen reukoffers meer te brengen aan andere goden.
Ezech. 16:36-38: Zo zegt de Heere HEERE: Omdat u uw brandende begeerte uitgestort hebt en uw schaamte ontbloot werd in uw hoererijen met uw minnaars en met al uw gruwelijke stinkgoden, en om het bloed van uw kinderen dat u hun gegeven hebt, 37 daarom, zie, ga Ik al uw minnaars die u behaagd hebt, allen die u bemind hebt, met allen die u gehaat hebt, bijeenbrengen, ja, Ik zal hen van rondom bijeenbrengen tegen u en Ik zal uw schaamte voor hen ontbloten, zodat zij heel uw naaktheid zullen zien. 38 Ik zal u oordelen overeenkomstig de bepalingen voor overspelige vrouwen en vrouwen die bloed vergieten. Ik zal u overgeven aan de bloeddorst van grimmigheid en van na-ijver.
Ezech. 18:24-28: Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet, overeenkomstig al de gruweldaden die de goddeloze gedaan heeft en doet, zal hij in leven blijven? Al zijn gerechtigheden, die hij gedaan heeft, ze zullen niet in herinnering gebracht worden. Vanwege zijn trouwbreuk, die hij gepleegd heeft en vanwege zijn zonde, die hij begaan heeft, alleen dáárom zal hij sterven. 25 Verder zegt u: De weg van de Heere is niet recht. Luister toch, huis van Israël! Mijn weg is niet recht? Zijn niet veeleer uw wegen onrecht? 26 Als de rechtvaardige zich afkeert van zijn gerechtigheid en onrecht doet en daarom sterft, dan sterft hij vanwege zijn onrecht, dat hij gedaan heeft. 27 Maar als een goddeloze zich bekeert van zijn goddeloosheid, die hij gedaan heeft, en recht en gerechtigheid doet, zal hij zijn ziel in het leven behouden. 28 Hij kwam tot inzicht en bekeerde zich van al zijn overtredingen, die hij gedaan had. Hij zal zeker in leven blijven, hij zal niet sterven.
Ezech. 23:28 en 29: Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik geef u over in de hand van hen die u haat, in de hand van hen van wie uw ziel zich heeft losgerukt. 29 Zij zullen u met haat behandelen, alles wat u hebt vergaard, meenemen en u naakt en bloot achterlaten, zodat uw hoerenschaamte ontbloot wordt, uw schandelijk gedrag en uw hoererijen.
Ezech. 35:5 en 6: Omdat u een eeuwige vijandschap hebt en u de Israëlieten deed neerstorten door het geweld van het zwaard in de tijd van hun ondergang, in de tijd van de uiterste ongerechtigheid, 6 daarom, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Voorzeker, Ik zal u tot bloed maken en bloed zal u achtervolgen. Omdat u het bloedvergieten niet hebt gehaat, zal bloed u achtervolgen.
Ezech. 35:10-12: Omdat u zegt: Die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren, wij zullen ze in bezit nemen, al zou de HEERE daar zijn, 11 daarom, zo waar Ik leef, spreekt de Heere HEERE: Ik zal handelen overeenkomstig uw toorn en overeenkomstig uw afgunst, waarmee u uit uw haat jegens hen bent opgetreden. Ik zal Mij onder hen bekendmaken, wanneer Ik u oordelen zal. 12 Dan zult u weten dat Ik, de HEERE, al uw beledigingen gehoord heb, die u tegen de bergen van Israël gesproken hebt: Ze zijn verwoest, ons tot voedsel gegeven.
Hosea 9:15: Al hun kwaad bleek in Gilgal, ja, daar heb Ik hen gehaat. Vanwege hun slechte daden zal Ik hen uit Mijn huis verdrijven. Ik zal hen voortaan niet meer liefhebben: al hun vorsten zijn opstandig.
Amos 5:15: Haat het kwade en heb het goede lief, handhaaf het recht in de poort. Misschien zal de HEERE, de God van de legermachten, genadig zijn voor het overblijfsel van Jozef.
Amos 5:21-23: Ik haat, Ik versmaad uw feesten. Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten, 22 want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers, Ik schep er geen behagen in. En het dankoffer van uw gemest vee: Ik wil het niet aanzien. 23 Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg, en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
Micha 3:2: Zij haten het goede en hebben het kwade lief,
Zach. 8:17: bedenk in uw hart geen kwaad tegen elkaar en heb een valse eed niet lief, want dit alles is iets wat Ik haat, spreekt de HEERE.
Mal. 2:16: Want de HEERE, de God van Israël, zegt dat Hij het wegsturen van de eigen vrouw haat, hoewel men het geweld bedekt met zijn gewaad, zegt de HEERE van de legermachten. Wees dus op uw hoede met uw geest en handel niet trouweloos.
Matt. 24:12: En doordat de wetteloosheid zal toenemen, zal de liefde van velen verkillen.
Lukas 14:26: Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
Lukas 21:17: En u zult omwille van Mijn Naam door allen gehaat worden.
Joh. 3:19 en 20: En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liefgehad, meer dan het licht, want hun werken waren slecht. 20 Want ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet ontmaskerd worden.
Joh. 7:7: De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn.
Joh. 12:25: Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen, en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het behouden tot het eeuwige leven.
Joh. 14:24: Wie Mij niet liefheeft, neemt Mijn woorden niet in acht; en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft.
Joh. 15:18-25: Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u gehaat heeft. 19 Als u van de wereld zou zijn, zou de wereld het hare liefhebben, maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u. 20 Herinner u het woord dat Ik u gezegd heb: Een dienaar is niet meer dan zijn heer. Als zij Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen; als zij Mijn woord in acht genomen hebben, zullen zij ook het uwe in acht nemen. 21 Maar al deze dingen zullen zij u aandoen omwille van Mijn Naam, omdat zij Hem niet kennen Die Mij gezonden heeft. 22 Als Ik niet gekomen was en tot hen gesproken had, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. 23 Wie Mij haat, haat ook Mijn Vader. 24 Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij ze gezien en Mij en Mijn Vader gehaat. 25 Maar het woord moet vervuld worden dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder reden gehaat.
Joh. 17:14: Ik heb hun Uw woord gegeven, en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, zoals Ik niet van de wereld ben.
Rom. 1:24-32: Daarom ook heeft God hen in de begeerten van hun hart overgegeven aan de onreinheid om hun lichamen onder elkaar te onteren. 25 Zij hebben de waarheid van God vervangen door de leugen, en het schepsel vereerd en gediend boven de Schepper, Die te prijzen is tot in eeuwigheid. Amen. 26 Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke hartstochten, want ook hun vrouwen hebben de natuurlijke omgang vervangen door de tegennatuurlijke. 27 En evenzo hebben ook de mannen de natuurlijke omgang met de vrouw opgegeven, en zijn in wellust voor elkaar ontbrand: mannen doen schandelijke dingen met mannen en ontvangen het gepaste loon voor hun dwaling in zichzelf. 28 En omdat het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen. 29 Ze zijn vervuld van allerlei ongerechtigheid, hoererij, boosaardigheid, hebzucht, slechtheid. Ze zijn vol afgunst, moord, ruzie, bedrog, kwaadaardigheid. 30 Kwaadsprekers zijn het, lasteraars, haters van God, smaders, hoogmoedigen, grootsprekers, bedenkers van slechte dingen, ongehoorzaam aan hun ouders, 31 onverstandigen, trouwelozen, mensen zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, onbarmhartig. 32 Zij kennen het recht van God, namelijk dat zij die zulke dingen doen de dood verdienen, en toch doen zij niet alleen zelf deze dingen, maar stemmen ook van harte in met hen die ze doen.
Lev. 18:22 en 23: U mag niet slapen met een mannelijk persoon, zoals u met een vrouw slaapt. Dat is een gruwel. 23 Ook mag u met geen enkel dier de geslachtsdaad verrichten. Dan verontreinigt u uzelf daarmee. Een vrouw mag ook niet vóór een dier gaan staan om ermee te paren. Het is een afschuwelijke schanddaad.
Rom. 12:9: Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede.
I Kor. 16:22: Als iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, laat die vervloekt zijn. Maranatha!
Hebr. 1:9: U hebt gerechtigheid lief en haat ongerechtigheid. Daarom heeft Uw God U gezalfd, o God, met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
I Joh. 2:9-11: Wie zegt dat hij in het licht is en zijn broeder haat, die is tot nog toe in de duisternis. 10 Wie zijn broeder liefheeft, blijft in het licht, en er is in hem niets dat anderen doet struikelen. 11 Maar wie zijn broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet niet waar hij heen gaat, omdat de duisternis zijn ogen verblind heeft.
I Joh. 3:13-15: Verwonder u niet, mijn broeders, als de wereld u haat. 14 Wij weten dat wij zijn overgegaan uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben; wie zijn broeder niet liefheeft, blijft in de dood. 15 Ieder die zijn broeder haat, is een moordenaar; en u weet dat geen moordenaar het eeuwige leven blijvend in zich heeft.
Openb. 2:6: Maar dit hebt u vóór, dat u de werken van de Nikolaïeten haat, die ook Ik haat.
41. DE HEERE HÁÁT DE ZONDE; OOK BLIJVENDE ZONDE IN HET GEBED
We willen kort stilstaan bij enkele genoemde teksten:
Spreuken 28:9: Van hem die zijn oor afkeert van het luisteren naar de wet, is zelfs zijn gebed een gruwel.
Wat moet dit vers iedere bidder scherp voor ogen staan: is mijn gebed in oprechtheid? Of houd ik aan zonden vast? HC Zondag 45 vr. en antw. 116. Het voornaamste stuk van de dankbaarheid welke God van mij vordert. Het bijzondere is, dat niet alleen de bidder zelf, maar ook de toehoorder, de toeschouwer kan beoordelen, onderscheiden, of een gebed God aangenaam is of niet. Het gebed mag niet besmeurd zijn en worden met de vuilheid van zonden, waarvan de bidder wèigert zich te bekeren.
En hier zien we het nauwste verband tussen het gebod van de liefde, liefde tot God en tot de naaste, èn het aangenaam zijn van het gebed voor God. Zie tekst hieronder: Joh. 7:7. Jezus haten en de handen vouwen. Tegelijk, daar onlosmakelijk aan verbonden: ware getuigen van Jezus haten, uitwerpen, excommuniceren en handen vouwen. En daarmee voor aanwezigen, toehoorders, de indruk willen geven dat het daaropvolgende gebed de Heere aangenaam is en door Hem verhoord wordt. Vervolgens, aan die zònde!!! vasthouden, die zònde!!! van dag tot dag, van week tot week, van jaar tot jaar, van eeuw tot eeuw niét uit het leven, niét uit het midden van de gemeente, van het kerkverband wegdoen, en denken, dat God er ook niet meer aan denkt … en als diezelfde mensen, hun kinderen (zònder berouw en bekering over die zònde!!!) de handen vouwen en denken, dat hun gebed de Heere aangenaam is en door Hem verhoord wordt.
Want we ‘vergeten’ al te gauw, dat het gebod van de liefde: de liefde tot bestraffing, vermaning óver valse leer, aanstootgevend leven, overgeslagen is, ja, verkwanseld. Het gebod tot de liefde stond niemand voor ogen: er was alleen een belangenstrijd: is MIJN macht, eer, aanzien, positie, in het geding, dan moet IK die mens, die mensen, op MIJN manier, met de middelen, die MIJ ter beschikking staan, uitschakelen. In elk geval de dreiging zo gauw het kan elimineren. Zie hier Matt. 23. Evenals de Vader háát de Zoon de zònde. Tegelijk volgt Hij de weg der liéfde, door de zondáárs openlijk streng te vermanen en te bestraffen, opdat ze zich alsnog onder betoon van diep berouw met haast bekeren.
Matt. 23: de zonde háten, bestrijden, uit het midden wegdoen. Wie Jezus liefheeft, háát de zonde, bestrijdt de zonde, doet de zonde uit haar midden weg. Wie de zonde niét háát, háát Jezus, háát hem/haar, die de zonde bestrijdt, de zondaar bestraft. Zié, hoe de door velen verkozen ‘tussenweg’: we praten er over; we blijven erover praten, sterk doet denken aan de praktijken van de gemeente te Laodicea, Openb. 3:14-21: láuw zijn, niét haten van de zonde, niet wìllen breken met de zonde, maar in eigenwilligheid het beter denken te weten, en te kunnen, en te doen dan Jezus hier in Matt. 23. Maar dat houdt tegelijk ook in, dat de door God gezètte antithese in Gen. 3 met al de gevolgen van dien ook een onnodige verscherping betekende, terwijl het ‘met elkaar in gesprek gaan’ toch meer dan voldoende zou zijn. Tegelijk wordt hiermee en hierdoor het ambt van profeet totaal van kracht en opdracht beroofd, en elke toegang ontzegd.
Maar toch de handen vouwen en denken, dat in deze weg ‘bìdden’ de Heere aangenaam is en door Hem zeker verhoord wordt?
Herinner Jezus getuigenis, Joh. 11:42a: En Ik wist dat U Mij altijd verhoort,
Vergelijk Joh. 8:28 en 29: Jezus dan zei tegen hen: Wanneer u de Zoon des mensen verhoogd zult hebben, zult u inzien dat Ik het ben, en dat Ik vanuit Mijzelf niets doe, maar dat Ik die dingen spreek zoals Mijn Vader Mij heeft onderwezen. 29 En Hij Die Mij gezonden heeft, is met Mij. De Vader heeft Mij niet alleen gelaten, omdat Ik altijd doe wat Hem welgevallig is.
Joh. 12:47-50: En als iemand Mijn woorden hoort en niet gelooft, veroordeel Ik hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te veroordelen, maar om de wereld zalig te maken. 48 Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft iets wat hem veroordeelt, namelijk het woord dat Ik gesproken heb; dat zal hem veroordelen op de laatste dag. 49 Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken, maar de Vader, Die Mij gezonden heeft, Hijzelf heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet. 50 En Ik weet dat Zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zoals de Vader Mij gezegd heeft.
Joh. 14:10: Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.
Joh. 14:24: Wie Mij niet liefheeft, neemt Mijn woorden niet in acht; en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader, Die Mij gezonden heeft.
Hoe overduidelijk: In Matt. 23 spreekt de Zoon zoals Hij van de Vader geleerd heeft. Zié, dat niémand, die van deze weg afwijkt in eigenwilligheid èn de Vader èn de Zoon volgt, maar Hem verloochent en niét liefheeft. Tegelijk, dat hun gebeden de Heere een gruwel zijn! In die handelingen van eigenwilligheid, ook daarna. Tegelijk, als iemand, velen, daarna, (vele!) jaren daarna, meent voor God onschuldig te zijn en (kerkelijke) toenadering zoekt, in het verzoek daartoe bewilligt, die maakt zich schuldig áán die zònden, die voor God elke dag ònverzoend (be)stáán! Hetzelfde geldt uiteraard ook hen, die in eigenwilligheid scheurden, braken, daar ze het gebòd tot bestraffen, vermanen, liefdeloos naast zich neerlegden. Een ieder onderzoeke zichzelf zeer ernstig, ook in het leven en handelen en leren van voorgeslachten.
42. ZIEDÁÁR DE SCHONE VRUCHT OP HET STAAN BLIJVEN IN MATTH. 4:1-11
Vandaar de volgende tekst:
Joh. 7:7: De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn. We zitten middenin Matt. 23. Één van de kerntaken van profeteren, getuigen: zonden inzake leer en/of leven onderscheiden, onderkennen, benoemen en er hardop tegen getuigen en de zondáár(s) oproepen zich met haast daarvan te bekeren en in die weg het kwaad uit het midden van de gemeente wegdoen.
Zien we, dat onze natuurlijke verdorvenheid zó groot is? Zien we, dat God onze dood niét wil, maar ons leven? Zien we onze natuurlijke hoogmoed, die wèigert zich van harte te bekeren, maar in grote eigenwilligheid aan die hoogmoed vasthoudt en profetie, getuigenis tégen mijn zonden háát? En niet maar even, niet maar een klein beetje, nee, in die natuurlijke hoogmoed is dat voor mij onverdraaglijk, ontoelaatbaar, iets, wat zo snel mogelijk het zwijgen opgelegd moet worden en daarom zo fel als mogelijk bestreden moet worden met alle mogelijke wapenen. En wéét, en zié, dat de duivel daartoe àlle duivelse middelen en methodes aanreikt. Zó groot is onze natuurlijke vijandschap tegen God, tegen Zijn Woord, tegen Zijn Verbond.
Jezus vermeldt in genoemde tekst ook niet de mógelijkheid, dàt er haat kan ontstaan, maar Hij verbindt die háát onlosmakelijk aan Zijn getuigen, Zijn getuigen dat haar werken slecht zijn! En wat doet Jezus in Matt. 23? Inderdaad, de slechtheid ontmaskeren van de geestelijke leiders in Israël. Publiek. Om alle toehoorders, alle lezers daarna, ernstig te waarschuwen en te vermanen zich door al die vertoonde huichelarij niet te laten meesleuren.
God háát de zonde! Jezus Christus, Zijn Zoon, háát de zonde! Hij kàn, màg niet zwijgen als Hij zoveel huichelarij ziet, en ontmaskert ze. Hij bevestigt de wederzijdse liefde tussen de Vader en Hem, en getùigt, openlijk! Hoe duidelijk moet dat zijn voor gelovigen, voor hen, die God liefhebben, voor hen, die Jezus Christus liefhebben. Juist, die LIEFDE moet hen leiden en aansporen evenzó de zònde te háten, de zònde te bestrìjden, de zònde te ontmàskeren.
Onderkèn daarin, dat kerkelijke tucht gekenmerkt móet worden in:
– onderscheiden van zònde in leer, in leven
– het zèlf háten van zonde
– het vanuit zuivere liefde tot die naaste hem/haar vermanen, bestraffen, opdat die naaste zich met haast bekeert
Alle andere zogenaamde ‘tucht’maatregelen zijn één brok van eigenwilligheid, en dùs zònde!!! voor God, voor Jezus Christus!
En hij, zij, die zègt God lief te hebben, die zègt Jezus Christus lief te hebben, maar zwijgt, al redenerend bij zichzelf besluit nog te zwijgen, te wachten tot de ‘geschikte’ tijd, de geconstateerde zònde stilzwijgend haar gang te laten gaan? Daardoor bewijst hij, zij, dat hij God, Jezus Christus niét liefheeft! Het háten van de zònde bewìjst het liefhebben van God, van Jezus Christus, van Gods Woord, van Gods Verbond. Zoek in de Bijbel naar één profeet, die wachtte op de ‘geschikte’ tijd. Die is er niet.
Die liefde telt niet eerst het aantal tegenstanders, berekent niet eerst de ‘kansen’ of zijn getuigenis tégen geconstateerde zònde wel goed overkomt, verlaat zich niet op eigen slimheid, geslepenheid of wat ook in zichzelf, maar die liefde hanteert het zwaard van het Wóórd! Die liefde doet eerst alle moeite om ijverig Gods Woord te leren kènnen, te leren verstáán. O nee, het is geen wedstrijd met anderen, integendeel, de LIEFDE drijft. Zo dreef de LIEFDE tot Zijn Vader de Zoon Jezus Christus tot getuigen. Zie Matt. 23.
Gods kinderen volgen Jezus Christus ná: ze háten de zonde; hem, haar, die zondigt, òm de zonden, òm hun onbekeerlijkheid daarin. Nu lees ik Psalmen van David, Psalm 101, Psalm 139, en door en in het geloof verstá ik David.
Hoe heeft Jezus ons ernstig en scherp vermaand, gewaarschuwd. Zie Lukas 13:22-30 en heel veel andere gedeelten. Zié, hoe het volk Israël sinds haar ontstaan telkens weer ernstig en scherp vermaand en gewaarschuwd is; hoe de HEERE vroeg opstaande, laat opblijvende, Zijn profeten zond mèt Zijn Woord. Zié, hoe Israël zeer vaak die profeten èn hun profeteren háátte, verafschuwde, vervolgde, doodde; het begon bij hun leiders, hun priesters, hun koningen, hun valse profeten. Zié, hoe de Geest van de HEERE mensen overtuigde, vervulde, aandreef, òm te profeteren, òm daarin te volharden. En we kunnen lezen, dat die profeten gewone mensen van vlees en bloed waren, met veel zwakheden en gebreken en tekortkomingen. Tot en met mensen die opdrachten weigerden! Tòch, opnieuw riep de HEERE hen op, beval Hij, te profeteren.
Het is nieuwtestamentisch niet anders: de Heilige Geest vervult mensen, drijft hen aan òm te profeteren, òm te getuigen. Hij vervult hen met liefde tot Hem, tot Zijn Woord, tot Zijn Verbond. Die mensen lezen de Bijbel, zien hoe ware profeten profeteerden en vaak gehaat en geminacht en vervolgd werden vanwege ongeloof, vanwege zelfliefde, om daardoor al die – mogelijke! – gevolgen te voorkómen.
We moeten scherp zien en onderscheiden. Zié, hoe geweldig groot de dwaasheid is van mensen, die openlijk verkondigen: ‘we mogen niet oordelen!’ Het noodzakelijk gevolg daarvan is immers: het ambt van alle gelovigen, daarin het ambt van profeet màg niet uitgeoefend worden, want dan onderscheiden zij, dan ontmaskeren zij, dan (be)oordelen zij, en dat móeten ze om te kùnnen profeteren, om te kùnnen getuigen. Ik noemde zojuist Lukas 13. Daarin vers 28: Daar zal gejammer zijn en tandengeknars, wanneer u Abraham, Izak en Jakob en alle profeten in het Koninkrijk van God zult zien, maar u buitengeworpen. Jezus benoemt hen nadrukkelijk: ‘alle profeten’. En dat niet alleen. Nee, maar Jezus geeft duidelijk aan, dat al die profeten behouden zijn, zalig, samen met Abraham, Izak en Jakob. Onderkèn de éénzijdigheid, daarmee de onhoudbaarheid, de ongeloofwaardigheid van het zich beroepen op alleen: ‘we mogen niet oordelen!’
Het betekent tegelijk, dat, als we Jezus liefhebben, we ook de door Hem gezonden profeten, getuigen, liefhebben. Immers, God de Heilige Geest dreef hen daartoe aan. Hebben we die profeten, die getuigen, lief, dan doen we er ook onze uiterste best voor om scherp te onderscheiden of hun getuigenis is in de weg van de gehoorzaamheid aan het Woord, ja, of nee. Is het ‘ja’, dan hebben we die getuigen lief, tegelijk hun
getuigenis! Immers, die twee zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Gelijk aan Jezus liefhebben èn Zijn getuigenis hier in Matt. 23 liefhebben.
De leidslieden háátten dit getuigenis, ze háátten ook de Getuige, en wilden Hem doden. We noemden enkele getuigen in de kerkgeschiedenis: Maarten Luther, Hendrik de Cock. Met velen aan te vullen. Hoe reageerden de leiders, de geestelijke leiders in hun dagen, de Roomse geestelijkheid, de Hervormde leiders, synodes? Hadden ze de getuigen lief? Onderzochten ze ernstig of het getuigenis in de weg van de gehoorzaamheid aan het Woord was, of niet?
Het valt elke keer weer op, dat ze niét onderzochten, niét onderscheiden, maar zich vastbeten in hun eigen leringen en dwalingen en afgoderijen. Ofwel, ze wìlden niet onderzoeken, ze wèigerden te onderscheiden. Integendeel, ze verklaarden hun èigen leringen en hun èigen instellingen en hun èigen praktijken in feite voor onaantastbaar, heilig. Zié, hoe de ‘vriendelijke’ duivel hen van het ene op het andere moment tot grote razernij bracht om hèn, die het aandurfden hen te bestraffen, te vermanen inzake hun valse leringen, hun dwalingen, hun afgoderijen, alleen vanwege dàt FEIT!!!, fel te vervolgen, te vervolgen ten dode toe. Alleen verloochening van hun DOEN kon een ‘genadige’ weg tot terugkeer bewerken.
Zié de felle vijandschap – Gen. 3! – in de praktijk van het leven. Hoe de tweespalt daarin telkens weer openbaar wordt. Hoe die tweespalt zó doorwerkt, dat die dwars door huwelijken, gezinnen, families, gemeenschappen, heengaat. Zié, dat het wel of niet onderscheiden, het wel of niet ontmaskeren bewerkt òf iemand zich verhardt in afval, goddeloosheid, ongerechtigheid, òf bewerkt, dat iemand zich van harte bekeert, de zonde leert haten en ontvluchten en in die weg terugkeert tot het leven.
We noemden een groot aantal teksten. Het grote gebod: God liefhebben boven alles. Daarnaast: de naaste liefhebben als zichzelf. Ziet u de geweldige afgoderij, dat geestelijke leiders ware getuigen òm hun getuigenis háátten, vervolgden, doodden, uitwierpen? Immers, ze waren verplìcht!!! die getuigen lief te hebben als zichzelf! En blìjkt nu, dat ze hen niét liefhadden, maar vervolgden, uitroeiden, uitwierpen, excommuniceerden, dan blìjkt daaruit toch overduidelijk, dat ze zèlf daardoor ontmaskerd werden en worden als vàlse leraars, vàlse leiders, vàlse voorgangers, vàlse getuigen, vàlse vergaderingen, die vàlse besluiten namen?
Opnieuw Matt. 23. Die leiders hadden zich niét met haast bekeerd, toen Johannes de Doper hen indringend opriep zich te bekeren en de zonden uit hun midden weg te doen. Die leiders hadden zich niét met haast bekeerd, toen Jezus Zelf hen indringend opriep zich te bekeren en de zonden uit hun midden weg te doen. Integendeel, ze verhardden zich in hun onbekeerlijkheid en ze besloten, dat Jezus gedood moest worden. Vervolgens blijkt duidelijk, dat hun werk duivels was, van de duivel bezeten, daar ze – naar het gebod van Mozes! – immers verplicht waren in hun rechtspraak rechtvaardig te oordelen, hoor en wederhoor toe te passen, zonder aanzien van persoon, ziende op de grote Rechter, Die hen in die geboden verplicht had tot rechtvaardig oordelen.
Christus heeft gewezen op de goede boom die goede vruchten voortbrengt, op de slechte boom die slechte vruchten voortbrengt. Opnieuw de dringende oproep aan alle mensen: ONDERSCHEIDT!!! Heb geen vooroordeel. Beoordeel de boom. Is dat moeilijk, haast onmogelijk, beoordeel de vrùchten van die boom. Hoe noodzakelijk is het telkens weer de Schriften te kènnen! In het licht van de Schrift zuiver te zien, te oordelen, te onderscheiden. Want daar is tegelijk dat gebod van liefhebben. Want nu blijkt, dat dat liefhebben afhankelijk is van de gesteldheid van die boom, van de vruchten die die boom voortbrengt. Maar Christus gebood toch duidelijk – Matt. 5:44 – onze vijanden lief te hebben? Zeker. Zié, hoe Jezus Christus òns liefhad toen wij nog vijanden waren. Zie nu de weg van de zelfverloochening! Want voor ons natuurlijk vlees is die weg onmogelijk. Die weg kùnnen we niet gaan, die weg wìllen we niet gaan. ONMOGELIJK!
Dan zien we, dat we die weg alleen ìn en dóór het geloof toch kùnnen gaan. We moeten vooruitkijken: de Schriften openbaren ons de verschrikkingen van de eeuwige verdoemenis, het voor eeuwig buitengesloten zijn van al Gods onverdiende genadegaven. En door het geloof – wetend, beseffend, dat al die genadegaven totaal onverdiend zijn! – weten we, dat we uit genade deel mogen hebben aan al die genadegaven. Dan is er de geweldige verwòndering, dat God ook mìj – kind van Adam en Eva, ook hun zondeval! – verwaardigt tot gelóóf! Ja, dan zullen we getuigen, ook die vijanden door woorden en door daden proberen te bewegen tot het geloof. O nee, hun zonden zullen we niet overnemen, daar geen deel aan willen hebben, die niet (willen) liefhebben. Dan zullen we er onze uiterste best voor doen van dag tot dag daarin scherp te onderscheiden.
Joh. 7:7: De wereld kan u niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken slecht zijn.
Ziet u de geweldige tróóst in dit vers? Kijk, het is een schrikbeeld voor iedereen, door ‘broeders’ en ‘zusters’ vanwege profeteren, getuigen, uitgeworpen te worden. Lees de profeet Jeremia. Het kan ons zó in beslag nemen, dat we wèigeren te profeteren, te getuigen. Maar nu zegt de hoogste Profeet en Leraar, dat de wereld Hem háát, òmdat Hij van haar getuigt, dat haar werken slecht zijn. Als we als profeet, getuige, zonden ontmaskeren en getuigen tégen hen, die die zonden leren en/of doen, en ze háten ons daarom, wat is de tróóst dan geweldig groot, dat de hoogste Profeet en Leraar ons datzelfde ‘loon’ vergunt en doet zien, horen. Terwijl we heel goed beseffen, dat ons profeteren, getuigen niet in de schaduw kan staan van Zijn profeteren en getuigen. Maar toch hetzelfde lóón! Dat bewijst de kèrn van de haat: GODS WOORD!
Dat is (vaak) het loon hier en nu. Zeker! Maar we mogen vooruitzien: even betrouwbaar als we hier en nu Gods Woord en beloften en Verbond houden, even betrouwbaar zien we op de beloften van eeuwig leven en eeuwig heil, tot eer en verheerlijking van Zìjn grote Naam. En daarom moeten we volharden in het geloof: straks gaat dat geloof over in aanschouwen! Op Gods tijd, naar Zijn oordeel.
Getuigen we tegen valse leer, tegen aanstootgevend leven, in de kerk, en we worden vervolgd, uitgeworpen, dan blijkt uit wáár getuigen onze liéfde! Matt. 23 is een geweldig hoofdstuk vol LIEFDE! De situatie in de kerk was toen zeer slecht. De afval was geweldig groot. De heerszucht van de leiders was schrikbarend. En dit hoofdstuk toont overduidelijk:
De huichelarij van het wèl zeggen maar zèlf niét doen, vers 3
Het binden van lasten voor het volk, maar zelf niet aanraken, vers 4
Door de mensen gezien te willen worden door uiterlijkheden, gebedsriemen en kwastjes aan kleren, vers 5
Voorste plaatsen innemen in synagoge en ereplaatsen bij maaltijden, vers 6
Begroetingen op de markten en Rabbi, Rabbi genoemd te worden, vers 7
Verbod om zich Rabbi te laten noemen, Één is Meester: Christus, vers 8
U BENT ALLEN BROEDERS, vers 8
Verbod op aarde iemand uw vader te noemen, Één is Vader: God, vers 9
Verbod op aarde iemand meester te noemen, Één is Meester: Christus, vers 10
Huichelaars, u sluit het Koninkrijk der hemelen voor de mensen, vers 13
Huichelaars, zelf gaat u niet binnen; anderen laat u niet binnen, vers 13
Huichelaars, u eet de huizen van de weduwen op, vers 14
Huichelaars, voor de schijn bidt u lang, vers 14
Huichelaars, u doet uw uiterste best om een volgeling te krijgen, erger dan u, een kind van de hel, vers 15
Blinde leiders, u brengt valse leer inzake eigenwillig zweren, verzen 16-22
Huichelaars, precies in eigenwillige kleinigheden, verwaarlozend het gebod van het recht, barmhartigheid en geloof, vers 23
Blinde leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt, vers 24
Huichelaars, u reinigt de buitenkant van de beker en de schotel; de binnenkant laat u ongemoeid vol roofzucht en onmatigheid, vers 25-26
Huichelaars, u bent als witgepleisterde graven, mooi, maar van binnen vol doodsbeenderen en onreinheid, vers 27
En zo lijkt u rechtvaardig voor de mensen, maar u bent vol huichelarij en wetteloosheid, vers 28
Huichelaars, u bouwt graven voor de profeten en versiert grafmonumenten van rechtvaardigen en zegt: als wij geleefd hadden in de tijd van onze vaderen, dan hadden wij niet meegewerkt om het bloed van de profeten te vergieten. Daarmee getuigt u kinderen te zijn van die moordenaars, verzen 29-31
Maakt ook u dan de maat van uw vaderen vol, vers 32
Slangen, adderengebroed, hoe zou u aan de veroordeling tot de hel ontkomen, vers 33
Daarom, Ik zend profeten, wijzen en schriftgeleerden naar u toe, van wie u zult doden, kruisigen, geselen, vervolgen, opdat over u zal komen al het rechtvaardige bloed van Abel tot Zacharia, die u gedood hebt, verzen 34-35
Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toegezonden zijn. Vers 37
Inderdaad, als Jezus in Matt. 4:1-11 ìn Zijn profeteren, ìn Zijn getuigen tegenover de duivel Zèlf de zuivere Weg van het WOORD niet had gebruikt en tegelijk diezelfde zuivere Weg van het WOORD naar Zijn kinderen en volgelingen niet had gewezen, we zouden de vrùcht van dat profeteren, dat getuigen: Zijn stáán blijven in LIEFDE tot zondaren (Matt. 4:1-11), niét zien, niét verstaan.
Hoe zijn Matt. 4:1-11 èn Matt. 23 onlosmakelijk aan elkaar verbonden in LIEFDE en VRUCHT!
43. 1e CONCLUSIE
Het is nauwelijks te bevatten, dat (naar het lijkt) nauwelijks iemand Matt. 23 zo verstaat. Dat dit hoofdstuk versmald wordt tot een persoonlijke confrontatie tussen Jezus èn Farizeeën en Schriftgeleerden; tegelijk genegeerd wordt vanwege haar inhoud. Àls dat inderdaad zo zou zijn, dan heeft dit hoofdstuk immers nauwelijks nog enige zeggingskracht voor ons?!
Nee, integendeel, in dit hoofdstuk bevèstigt de HEERE de weg, door welke het Hem behaagt mensen te redden uit de poel van de dood, waarin de mens zichzelf willens en wetens had gestort. De weg van het WOORD! Zoals de mens in het paradijs de duivel geloofde en navolgde in het voor ONbetrouwbaar en ONwaarachtig houden van Gods WOORD, in belofte en vloek, zó profeteert en getuigt Jezus Christus in Matt. 23 van de volstrekte BEtrouwbaarheid en waarachtigheid van het WOORD naar Zijn Verbond, in zegen, maar ook in vloek, ook in wraak. Tegelijk ontmaskert Hij allen die de duivel in zijn leugens willen blijven volgen, en in die weg slaven van de duivel blijven, tot in de hel toe.
Het is duidelijk, dat alle profeten, alle getuigen, vanaf de zondeval daarin te onderscheiden zijn in wáre en vàlse profeten, getuigen. Onderscheidt, of ze de HEERE volgen òf van het Woord afdoen, òf aan het Woord toedoen, zoals geopenbaard.
Onderkennen we de geweldige liefde van de levende God, dat Hij in Gen. 3 Zijn uitgesproken oordeel over ònze zonde – gedáán door onze eerste voorouders Adam en Eva – niét direct heeft uitgevoerd? Tegelijk, Hij zàg, Hij wìst, dat we – de mens! – op geen enkele manier in staat waren de schuld daarvoor te dragen, laat staan die weg te nemen. In diezelfde liefde belooft Hij dan Zijn Zoon, Jezus Christus, als het enige, ware Offerlam, Dat niet alleen die schuld kan dragen, maar zelfs helemaal wegnemen, ja, bij de Vader voor ons pleit – wijzend op Zijn offer! – alsof wij nooit zonde gehad of gedaan hadden.
Het is verbijsterend, dat de mensheid, dàt ziende, dàt wetende, niet direct uit pure dankbaarheid op de knieën valt om God daarvoor eeuwig te danken en te prijzen en te aanbidden, maar in haar verdorven hoogmoed van dag tot dag, van eeuw tot eeuw, meent God te mogen voorschrijven en te adviseren en te kritiseren inzake de wèg, waarlangs God die verlossende offerande wil bewerken en bewerkt. Ja, zelfs niet terugdeinst oorlog tegen God te voeren, omdat God hèm – die mèns! – niet als Zijns gelijke erkent en aanvaardt. Juist in dat voorschrijven en adviseren en kritiseren.
God blijft Zichzelf gelijk en verandert niét!!! Hij houdt vast aan de door Hèm bepaalde en vastgestelde weg. En in die weg geeft Hij de mens grote verantwoordelijkheid. Inderdaad, Hij bepaalt, dat die mens in de nederige weg van profeet, getuige, àfziet van zichzelf, àfziet van alle eigen redenering en verstand, àfziet van alle vertoonde hoogmoed en eigendunk, waarvan hij wéét, dat die ook bij hemzelf maar o zo graag regeert en heerst. Ja, elke dag weer daartegen strijd moet voeren, die moet bedwingen en onderwerpen en er over moet heersen. Denkend aan Gods gebod aan Kaïn. Gen. 4:7.
De weg voert terug. Gods Woord moet weer heerschappij voeren, God moet weer alle eer en roem en prijs ontvangen. En daarom moet die mens in het ambt van profeet, getuige, niet anders doen dan Gods Woord in grote getrouwheid gelóven, en na spreken. En er daarbij elke keer scherp op toezien, dat hij alle verleiding weerstaat, om naar eigen goeddunken er eigen verzinsels aan toe te voegen, of om ‘veiligheidsredenen’ er toch maar vanaf te doen. Daarin telkens weer laten zién, laten hóren, dat Gods Woord beslist volkomen waarachtig en betrouwbaar is en blijft. Het is de onmogelijke weg van de zelfverloochening. In eigen kracht kàn niemand die weg gaan en wìl niemand die weg gaan. Telkens zien we ook, dat God de Heilige Geest daartoe roept, daartoe bekwaam maakt, daartoe aandrijft, daartoe die mens vervult.
Die mens zal erkennen, dat God zeer veel geduld met hem had en heeft, daarin veel van die mens ‘verdraagt’. Tegelijk, dat God doorzet en die mens overhaalt, zodat die mens dat ambt van profeet, getuige uitvoert en volbrengt. Dat God tegelijk het hart, de ogen, het verstand van die mens opent, zodat hij erkent, dat God hem liefheeft, tegelijk, dat God grote liefde tot Hem in het hart werkt en legt, zodat hij die – voor hem, naar zijn oude natuur! – onmogelijk zware taak inderdaad opneemt en tot uitvoering brengt. Opnieuw: alleen God, de Vader, de Zoon, de Heilige Geest, alle eer, lof en aanbidding.
God zètte de vijandschap tussen vrouwenzaad en slangenzaad. Immers, de duivel wilde de mens, het kind, maken tot zìjn slaaf. En de mens bewilligde, en volgde hem als een lam. Maar in dat ambt van profeet, getuige, moet hij als kind van God zijn liefde tot God tonen en bewijzen in het – als zondaar! – toch weer het ambt van profeet, getuige, op te nemen en daarin trouw te zijn tot het einde. En in die weg zien we de hele geschiedenis door een geweldige vijandschap tussen wáre en vàlse profetie, wáre en vàlse getuigen, het ene Woord van de Waarheid, en het woord van de leugen. En God vraagt van ieder mens daartussen van dag tot dag, van jaar tot jaar, te kiezen, biddend, dat God hem daarin leidt en regeert en bevestigt.
De door God gewezen wèg, tot behoud van zondaren – onverdiend!!! – leidt tot dodelijke vijandschap. Gòd zèt die vijandschap! God zèt die vijandschap nádat de mens zich in gehoorzaamheid heeft onderworpen aan de duivel. In en door die onderwerping verderft de mens zijn eigen natuur zó grondig, dat er geen enkel goed meer in woont of uit voort kan komen. Zie genoemde teksten uit Gen. 6 en 8. En als God dan mensen beweegt door Zijn Heilige Geest om – teruggekeerd naar het kindschap – toch in waarheid te gaan profeteren en getuigen, dan kan het niet anders, of dat kind wordt geháát door hen, die blìjven in het slaaf-zijn van de duivel.
Dan zien we, dat dat kind zonder reden gehaat wordt. Immers, hij profeteert, getuigt, tot behòud van andere zondaren; hij roept ze op tot berouw en bekering; hij roept ze op het kwaad uit hun midden weg te doen; hij roept ze op terug te keren tot de weg naar het Leven, de weg naar het Licht; hij roept ze op om terug te keren van het slaaf-zijn tot het opnieuw uit genade tot Gods kinderen aangenomen worden.
Dan blijkt de grote háát daarin, dat die mensen in die staat van het slaaf-zijn willen blijven! En daarom háten ze dat profeteren, dat getuigen, en proberen ze in navolging van de duivel ‘de wereld te verbeteren’. Vanaf de dag van de zondeval tot vandaag toe zien ze heel goed, dat ze daarin niets vorderen. Door het geloof in het Woord wéten we, dat God het ook nooit toelaat, dat ze zullen vorderen.
Die háát brengt die mensen zo ver, dat het onuitstaanbaar voor hen is, dat God telkens weer mensen ertoe brengt toch te profeteren, toch te getuigen. Dat betekent voor die profeten, voor die getuigen: ZWIJG!!! Laat ons onze gang – ongestoord! – gaan in onze hoogmoed en eigenwilligheid. Maar de LIEFDE drijft die profeten, getuigen, om toch te spreken, toch te waarschuwen, toch te vermanen, om – zo mogelijk – toch mensen tot bekering te brengen, biddend, dat de Heilige Geest hun getuigenis daartoe wil zegenen.
44. LIEFDE WORDT MET HAAT VERGOLDEN: ZONDER REDEN
Dan zien we: Zonder reden gehaat worden; goeddoen met kwaad vergelden:
Ernstige waarschuwing voor allen geen eigen rechter te zijn:
I Sam 19:5: Hij heeft zijn leven immers in de waagschaal gesteld en de Filistijn verslagen. De HEERE heeft voor heel Israël een grote verlossing teweeggebracht. U hebt het gezien en bent er blij mee geweest. Waarom zou u dan tegen onschuldig bloed zondigen, door David zonder reden te doden?
I Sam. 25:30 en 31a: En het zal gebeuren, wanneer de HEERE aan mijn heer zal doen naar al het goede dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u aanstelt tot een vorst over Israël, 31a dat dit dan voor u, mijn heer, niet tot struikelblok of tot aanstoot voor uw hart zal zijn, dat u namelijk zonder reden bloed vergoten hebt en dat mijn heer zichzelf verlossing geschonken heeft.
Vergelding over hem, die zonder reden bloed vergoot:
I Kon. 2:31: De koning zei tegen hem: Doe zoals hij gesproken heeft, steek hem dood en begraaf hem, en neem zo het bloed dat Joab zonder reden vergoten heeft, van mij en van het huis van mijn vader weg.
Zonder reden geeft de HEERE Job in handen van satan, om satan te bewijzen dat Job God dient om Wie Hij is. Tot ontmaskering van de leugens en verdachtmakingen van satan. Tot grote troost en bemoediging voor alle gelovigen, dat God ook daarin Job vasthoudt en bewaart bij het geloof:
Job 2:3: De HEERE zei tegen de satan: Hebt u ook acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is godvrezend en keert zich af van het kwaad. Hij houdt nog steeds vast aan zijn vroomheid, hoewel u Mij tegen hem opgezet hebt om hem zonder reden te verslinden.
De gelovige weet zichzelf tegenover zijn vijanden onschuldig van kwaad; toch behandelen zijn vijanden hem vijandig, zonder reden:
Psalm 7:4-6: HEERE, mijn God, als ik dát gedaan heb, als er onrecht aan mijn handen kleeft, 5 als ik iemand kwaad vergolden heb die vrede met mij had – wie mij zonder reden benauwde, heb ik juist gered! – 6 dan mag de vijand mij vervolgen, achterhalen, mijn leven op de grond vertrappen en mijn eer in het stof doen wonen!
De gelovige weet, dat Gods wraak zal gaan over hen, die Zijn kinderen zonder reden vervolgen:
Psalm 25:3: Ja, allen die U verwachten, worden niet beschaamd; beschaamd worden zij die zonder reden trouweloos handelen.
Vijanden van God en van gelovigen deinzen er niet voor terug goed met kwaad te vergelden:
Psalm 35:7: Want zonder reden verborgen zij een kuil – hun net – voor mij, zonder reden groeven zij een kuil voor mijn ziel.
Psalm 35:19-21: Laat over mij zich niet verblijden wie om valse redenen mijn vijand zijn, en laat niet heimelijk knipogen wie mij zonder reden haten. 20 Want over vrede spreken zij niet, maar tegen de stillen in den lande bedenken zij bedrieglijke zaken. 21 Zij sperren hun mond wijd open tegen mij; zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien!
Psalm 38:20 en 21: Maar mijn vijanden zijn in leven en worden machtig; wie mij om valse redenen haten, worden talrijk. 21 Wie kwaad voor goed vergelden, zijn mijn tegenstanders, omdat ik het goede najaag.
Psalm 69:5: Wie mij zonder reden haten, zijn talrijker dan de haren van mijn hoofd; wie mij willen ombrengen en om valse redenen mijn vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik toch teruggeven.
Psalm 109:2-5: Want de mond van de goddeloze en de mond van bedrog zijn tegen mij geopend, met valse tong hebben zij met mij gesproken. 3 Met hatelijke woorden hebben zij mij omringd, ja, zij hebben mij zonder reden bestreden. 4 Voor mijn liefde klagen zij mij aan, maar ik was steeds in gebed. 5 Zij hebben kwaad over mij gebracht in plaats van goed, en haat in plaats van mijn liefde.
Psalm 119:161: Vorsten hebben mij zonder reden vervolgd, maar voor Uw woord heeft mijn hart diep ontzag gehad.
Klaagl. 3:52 en 53: Zij die mijn vijanden zijn zonder reden, hebben fel op mij gejaagd als op een vogel. 53 Zij hebben mijn leven in een put gesmoord, en hebben een steen op mij geworpen.
Joh. 15:24 en 25: Als Ik onder hen niet de werken gedaan had die niemand anders gedaan heeft, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij ze gezien en Mij en Mijn Vader gehaat. 25 Maar het woord moet vervuld worden dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder reden gehaat.
Hand. 13:28: En hoewel zij geen reden voor Zijn dood vonden, vroegen zij Pilatus Hem te laten doden.
Met opzet en zonder reden onschuldigen aanvallen en beroven:
Spreuken 1:11: Als zij zeggen: Ga met ons mee, laten wij loeren op bloed, zonder reden een onschuldige belagen,
Spreuken 3:30: Klaag een mens niet zonder reden aan als hij jou geen kwaad heeft gedaan.
Spreuken 24:28: Wees niet zonder reden getuige tegen uw naaste, want zou u met uw lippen misleiden?
De HEERE heeft grote reden tot wraak over Zijn vijanden:
Ezech. 6:10: Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben. Ik heb niet zonder reden gesproken dat Ik hun dit kwaad zou aandoen.
Ezech. 14:23: Zo zullen zij u troost geven als u hun weg en hun daden zult zien. Dan zult u weten dat Ik al wat Ik er gedaan heb, niet zonder reden gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
Mal. 1:10: Was er ook maar iemand onder u die de deuren zou sluiten, dan zou u niet zonder reden Mijn altaar aansteken. Ik heb geen welgevallen in u, zegt de HEERE van de legermachten, en een graanoffer uit uw hand aanvaard Ik niet.
45. AFSLUITENDE CONCLUSIE
Dat is het huiveringwekkende: God is liefde, maar Zijn liefde wordt vergolden met kwaad. Tegelijk, God is rechtvaardig en zal rechtvaardig oordelen naar Zijn recht. In Waarheid. Hier blijkt de geweldige dwaasheid van mensen, die menen, dat zij God kènnen door te bevestigen, dat God ‘Liefde’ is, maar dat tegelijk lospellen van Zijn rechtvaardig zijn en van al Zijn andere deugden. Omdat zij de Schriften niet kènnen en God niet geloven op Zijn volmaakt BEtrouwbare Woord.
God vraagt geen gunst aan mensen om Hem lief te hebben. Integendeel, als Schepper heeft Hij recht op volmaakte liefde van Zijn schepsel, de mens, onderkoning in Zijn schepping, Kind, Mede-erfgenaam.
Het brengt telkens weer terug naar de vraag: hebt u God lief; hebt u Jezus lief? Dan hebt u ook de Jezus van Matt. 23 lief; dan hebt u ook de ware profeten, de ware getuigen lief, die Jezus Christus, als Hoofd van Zijn kerk, zond, zendt en dan neemt u die profetie, dat getuigenis in geloof aan.
Jezus zal u niet vragen wat u gedaan zou hebben, als u onder de hoorders in Matt. 23 gestaan zou hebben. Maar Hij zal u wel zeggen: in uw Bijbel stònd Matt. 23. U zag daarin Mij als hoogste Profeet en Leraar Mijn profetenambt getrouw bedienen, in Waarheid. Hebt u Mij zó – in die weg van gehoorzaamheid! – liefgehad? En bent u in uw leven Mij in die weg van het ambt van profeet, getuige, gevolgd? In Woord, in daad? In Waarheid? Of ‘vierde’ u Avondmaal met hen, die in woord èn daad profeten, getuigen vervolgden en uitwierpen? Of zwéég u? Herinner u!
Bij deze geef ik u alle toestemming dit artikel te delen met anderen.
1. MATTHEÜS 23
2. KEN UW BIJBEL
3. MENSEN HEBBEN HET ONVERSTAND LIEF
4. GOD ZET ZIJN VERBOND
5. GOD REGEERT DÓÓR ZIJN WOORD
6. GEEN KENNIS, GEEN GELOOF, GEEN VERTROUWEN
7. MOEDWIL IN VERGETEN BEVESTIGT ONGELOOF
8. GOD HOUDT IEDER MENS ZELF VERANTWOORDELIJK
9. HERHALING NT: GEEN KENNIS, GEEN GELOOF, GEEN VERTROUWEN
10. HERHALING NT: GOD ZENDT PROFETEN, GETUIGEN
11. HOE VERTROUWEN, HOE LIEFHEBBEN ZÒNDER KENNIS?
12. DE ZOON DES MENSEN TREEDT OP, GELEID DOOR DE HEILIGE GEEST
13. DE PRAKTIJK LEIDT VAN KERK NAAR … VERENIGING
14. VERGETEN: DE KERK BLÌJFT KERK VAN JEZUS CHRISTUS
15. VERGETEN: EIGEN VERANTWOORDELIJKHEID
16. DE WEG GEPREDIKT; DODE PREDIKING
17. HET HOOFD ZÈLF NIET GELOVEN
18. DE SCHOONSTE BELIJDENIS HELPT EN VERLOST NIET
19. DE LÈS VAN DE GESCHIEDENIS NIÉT (WILLEN) VERSTAAN
20. HET WOORD KÈNNEN … EN TOCH NIET GELOVEN
21. UITVLUCHT 1: MACHT, INVLOED
22. UITVLUCHT 2: MACHT, GEGROND OP … MEERDERHEID
23. MACHT, MEERDERHEID HÉÉRST OVER WOORD VAN GOD
24. UITVLUCHT 3: ONZE AFGODERIJ: HEBR. 13:17
25. UITVLUCHT 4: ONZE AFGODERIJ: HEBR. 13:7
26. HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN ZONDAREN; DE DOOP
27. JEZUS VRAAGT GÓEDE VRUCHTEN
28. HET WERK VAN DE HEILIGE GEEST IN ZONDAREN; AVONDMAAL
29. NÒG EEN DUBBELE GETUIGE
30. VAN ZONDE TOT ZONDE: NIEUWE EIGENWILLIGHEID: BEMOEIAL
31. ZONDE IN REFORMATORISCHE KRINGEN: AVONDMAAL!
32. DUIVELSE AANSLAG OP TIJD!
33. DE DUIVEL HEEFT VEEL NAVOLGERS: ZWIJGERS
34. IN WELKE WÈG GING JEZUS CHRISTUS ZIJN KERK VOOR?
35. ALLEEN HET GEOPENBAARDE WOORD WIJST DE WEG
36. DE HEILIGE GEEST UITGESTORT, EN VERWORPEN DOOR … ZWIJGEN
37. DE HEILIGE GEEST UITGESTORT, EN VERWORPEN DOOR … ONS SYSTEEM
38. DE HEERE GEBIEDT DE LIEFDE, TOT GOD, TOT DE NAASTE
39. VALSTRIK VAN DE DUIVEL: AMBT VAN PROFEET, GETUIGE TOT ZWIJGEN BRENGEN
40. DE HEERE HÁÁT DE ZONDE
41. DE HEERE HÁÁT DE ZONDE; OOK BLIJVENDE ZONDE IN HET GEBED
42. ZIEDÁÁR DE SCHONE VRUCHT OP HET STAAN BLIJVEN IN MATTH. 4:1-11
43. 1e CONCLUSIE
44. LIEFDE WORDT MET HAAT VERGOLDEN: ZONDER REDEN
45. AFSLUITENDE CONCLUSIE