4.6. Enkele aangevoerde aspecten tot veranderen.

Als we dan lezen over de zgn. bandbreedte van de gereformeerde traditie, dan moeten we constateren: die bandbreedte is en wordt door de mèns zèlf bepaald en vastgesteld en … waar nodig, waar mogelijk, opgerekt. Want het volgende moment klinkt het: ik vind, naar mijn oordeel past deze gedachte binnen de bandbreedte van de gereformeerde traditie. Vervolgens gaat de discussie dáárover: wel of niet, meerderheid, minderheid.

Is hiermee de basis, de eerbiedige basishouding al naar de achtergrond gedrongen, verdwenen? Namelijk de heilige vrees voor God, de vrees voor Zijn Woord. Het erkennen: IK heb en weet en kan vanuit mijzelf niéts en IK lig door MIJN zondeval voor God midden in de dood. En nu spreekt de Heere in Zijn Woord tot mij, onverdiend. En nu spreken wij over bandbreedte, de bandbreedte van de gereformeerde traditie. Moet ik niet meteen onderscheiden, dat die zgn. bandbreedte puur verstandelijk kan worden verstaan, maar dat die met geloof, waar geloof, niets te maken heeft? Die bandbreedte in haar bestaan, in haar uitwerking, in haar toepassing, ze is gebonden en afhankelijk van de redenering.

Nee, we zullen terug moeten naar de Schrift in al Haar verbanden, en studeren, studeren. Maar eerst moet die basishouding, die gezindheid van ons hart zuiver zijn, zuiver voor God, in onderwerping. Anders overstijgt alle studie nooit het verstandelijk niveau. Zolang dat niet gebeurt, lopen we in de Schrift keer op keer aan tegen waar geloof en haar uitwerking en uitvoering, waarbij we blijven steken op verstandelijk redeneren. Gebeurt dat, komen we niet verder, wìllen we niet meer verder zien, het ‘geloof’ betekent dan ook niet meer dan verstandelijk geloof. Verstarring, traditie, stilstand is het gevolg.

Maar, studeren begint telkens weer vanuit die eerbiedige basishouding met steeds weer aandachtig eerbiedig lùisteren naar het ene Woord! Vervolgens, in en door en na het luisteren, grote bereidheid tot gehoorzamen. Spreek Heere, Uw knecht hóórt! Maar onderken: MIJN hoogmoed èn eerbiedig luisteren en gehoorzamen kunnen nooit tegelijk door één deur. Eerst moet die HOOGMOED gekruisigd worden. Ik moet MIJN ellende kennen en erkennen, haten en ontvluchten.

In ONZE zondeval hebben we ons totaal verblìnd in het ons storten in- en overgeven aan de ongerechtigheid van de duivel. Ons kennen is niets. Hoe vlijmscherp heeft Christus die blindheid aangewezen en toegerekend: Johannes 9. Waarom? Om de mens te ontmaskeren. Om de mens te ontdekken aan zijn ellende. Want ook tóen was de mens vanuit zichzelf stekeblind in al haar hoogmoed en eigendunk en zelfingenomenheid. Ook tóen wist de (geleerde) mens het zèlf wel.

En de mens, denkend te zien, ìs en blìjft daarmee blìnd! Daarom, de mens moet eerst zijn blindheid zien en erkennen en belijden, dat alleen Gòd hem van die blindheid kan verlossen en bevrijden en ziende maken. Maar dan ziét die mens in en door het geloof ook onuitsprekelijke dingen en verstaat Gòds weg in de geschiedenis. Zeker, heel beperkt. Hoe zou ons klein verstand de almachtige en alwetende God doorgronden???

Hetzelfde geldt of een bepaling, gebod, regel, cultuurbepaald is of niet. Daarin zullen we trachten een duidelijk onderscheid te moeten aanbrengen. Aan de ene kant treffen we in de Schrift gewoontes, gegroeide situaties aan, die we hier in Nederland nu niet meer direct aantreffen. Bijv. slavernij, polygamie. In tal van geschiedenissen blijkt de mens zich daarin niet te beheersen, niet te kunnen, niet te willen beheersen.

Het recht van de sterkste, de rijkste, de slimste, duikt steeds weer op. (Wrede) onderdrukking en onrecht zijn regelmatig het rechtstreekse gevolg. Denk aan de vloek!, Genesis 3:16a, d: ‘Tot de vrouw zei Hij: en hij zal over u heerschappij hebben.’ Dan hoeven we niet meteen naar situaties in andere landen te wijzen. Het begint telkens weer bij mijzelf: leef ik in grote zelfbeheersing verstandig met mijn naaste en tracht ik op geen enkele manier op enig vlak misbruik te maken van enig ‘méér zijn of weten of hebben of kunnen’? Want deze vloek treft ieder mens in verhouding tot vrouw, kind, arbeidsondergeschikte, huidskleur, ras, godsdienst, geaardheid, enz. Daarbij, onze HOOGMOED doet ons direct vergeten, dat we àlles gekrégen hebben uit Gods hand, om niet!

8 oktober 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *