4.3b. Christus onderwijs inzake Zijn DOEN en LATEN richting gevend en bepalend voor ieder mens.

– Johannes 5:30: ‘Ik kan van Mijzelve niets doen. Gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en Mijn oordeel is rechtvaardig; want Ik zoek niet Mijn wil, maar de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft.’
En dáárom moeten we àlles wat geschreven staat over onze Heere Jezus Christus daaronder vatten: DIT IS ZUIVER NAAR DE WIL VAN ZIJN VADER! In wat Hij sprak, in wat Hij deed. Al de liefelijke en bemoedigende en troostende woorden, ook alle scherpe en vermanende en oordelende woorden. Als er scheiding in aangebracht wordt, als we aan het ene Woord wèl geloof hechten en aan het andere niét, dan doen WIJ dat ZELF!!!

Dan zullen wij er ook naar geoordeeld worden. Want de Heere Jezus heeft Zich zó nadrukkelijk één verklaard met de Vader, tegelijk met het Woord van de Vader, met het doen van de Vader, dat wij er alleen onszelf en elkaar op kunnen aanspreken, als wij het ene Woord wèl aannemen, maar het andere Woord verwerpen.

Hoe nadrukkelijk stelt de Heere Jezus hier Zijn hóren van de Vader als de enige Nòrm tot oordelen, met meteen daaraan vast: MIJN OORDEEL IS RECHTVAARDIG. Hoe kan een mens er ooit toe komen, zich niét alleen op de Schrift als Norm te beroepen voor een oordeel, laat staan er àndere geschriften of instituten of leringen van mensen voor aan te slepen. Opnieuw zien we hier de totale blindheid en dwaasheid van de mens, die dááraan enig gezag, enig normatief gezag wil ontlenen, wil verbinden. Alsof Gods Woord hulpbehoevend is.

Telkens opnieuw blijkt daaruit, dat er toch weer een eerste toegevend en toegefelijk stapje gezet wordt in de richting van het proberen Gods Woord, Gods gebod in Haar absolute betrouwbaarheid en vastheid en gezag verdacht te maken. En de mens wìl niet beseffen, wìl niet erkennen, wìl niet zien, wìl niet toegeven, dat de geschiedenis van bladzij tot bladzij léért, dat ná het eerste stapje van verdachtmaking heel snel heel veel volgende stappen gezet worden. Hoe gemakkelijk zet de mens zichzelf tussen de oren: natuurlijk, maar IK, IK, doe dat niet, MIJ, MIJ, overkomt dat niet.

Hoe taai blijkt daarin de toegefelijkheid aan de gedachte die de mens zichzelf graag toeschrijft, dat hij vanuit zichzelf stabiel, evenwichtig, standvastig, onverzettelijk is. Met als het noodzakelijk gevolg, dat het ongehoord is, dat iemand anders hem narekent, corrigeert, verbetert, en dat helemaal door iemand, die een ‘mindere’ opleiding of positie heeft. Telkens weer blijken de HOOGMOED en EIGENDUNK en ZELFVOLDAANHEID de mens te overheersen en te verblinden en in extase te brengen.

Het is daarom niet vreemd, dat de mens zich aan God, aan Zijn Woord, vanuit zichzelf niét met haast onderwerpt. Dat is juist helemaal in overeenstemming met onze oude natuur! God Zèlf moet ons daartoe brengen, door Zijn Geest en Woord. Hem alleen alle eer.

– Johannes 5:36: ‘Maar Ik heb een getuigenis meerder, dan [die] van Johannes; want de werken, die Mij de Vader gegeven heeft, om die te volbrengen, dezelve werken, die Ik doe, getuigen van Mij, dat Mij de Vader gezonden heeft.’
De Heere Jezus schuift het getuigenis van Johannes de Doper niet achteloos aan de kant, maar Hij geeft de òrde, de vòlgorde aan. Dat getuigenis komt ná de werken die Hem door de Vader gegeven zijn te doen. En als de Heere Jezus Zelf zo nadrukkelijk wijst op die òrde, die vòlgorde, dan is het helemaal scháámteloos, als mensen, instituten, zich éérst beroepen op kèrkelijk gezag, kèrkelijk spreken, kèrkelijke traditie en gewoonte; of van welk ander instituut ook, of de leiders, de leiding ervan.

Tegelijk, het betekent ook, dat er bij niémand enige vrees of angst mag bestaan voor welke verschrikkelijke tuchtmaatregelen of banvloeken ook, noch voor de gevolgen ervan, die gefundeerd en gebaseerd zijn in de eerste plaats op het gezàg van mènsen, op het gezàg van mènselijke instituten en leringen. Zoals de Heere Jezus ook nadrukkelijk getuigt in Mattheüs 10:28: ‘En vreest niet voor degenen, die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vreest veel meer Hem, Die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.’

Dat betekent tegelijk het grote WEE! voor alle vàlse tucht, alle tucht, die niét de redding en het behoud van de ‘zondaar’ beoogt, maar in de eerste plaats èigen gezag en positie en eer verdedigt en beschermt en afdwingt. Ofwel, de tucht als slagwapen tot onderwerping aan … mènsen, aan mènselijke instituten, aan mènselijke leringen en gewoontes en tradities. Alle rechte tucht begint steeds weer met zèlftucht. Vàlse tucht wordt beheerst door hoogmoedige zelfhandhaving.

In de praktijk – hoe leert de gang van de Heere Jezus hetzelfde!!!, en hoe!!! – is het noodzakelijke gevolg, dat de persoon die zich niét onderwerpt aan mènselijke regels en gewoontes en tradities in de eerste plaats, gemáákt wordt tot zòndáár, en dùs: DES DOODS SCHULDIG! UITGEWORPEN, UITGEBANNEN … IN NAAM VAN GOD. Weet: er overkomt ons niets nieuws, maar laten we Christus daarin navolgen, in gehoorzaamheid, in leer, in leven. In het dragen van laster en smaad, van verguizing en uitstoting, van het monddood gemaakt en genegeerd worden.

Maar in Hebreeën 13:17 wordt toch duidelijk onderwerping en gehoorzaamheid aan de voorgangers – de ambtsdragers – geboden? ‘Zijt uw voorgangeren gehoorzaam, en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen; opdat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.’ Dat is helemaal waar. Tegelijk moeten we scherp voor ogen houden, dat nèrgens in de Schrift gehoorzaamheid en onderdanigheid aan welke geestelijke, welke ambtsdrager dan ook geboden wordt lòs van de leer, de boodschap waarmee iemand komt.

Vergelijk Deuteronomium 13: de òpdràcht aan de Israëlieten om nauwgezet te onderzoeken of de boodschap van een profeet naar de Schrift is of niet. Tegelijk het standvastig bestrijden van alle valse leer en leven. Hoe wordt ook in het Nieuwe Testament ernstig gewaarschuwd tegen binnensluipende vàlse profeten en leraars, die met verderfelijke leringen zullen komen. Hoe waarschuwt de apostel Petrus in I Petrus 5:2, 3 tegen heerschappij voeren in de gemeente.

Wat blijkt heel vaak? Dit, dat mensen – ook ambtsdragers – misbruik maken van hun positie, hun macht, hun invloed. En als dat collectief kan en gebeurt, en als er vervolgens door middel van (tucht)maatregelen standpunten opgelegd en afgedwongen kunnen worden, valse leer ingevoerd kan worden, goedgepraat kan worden, ja, dan is het hek van de dam. Want zijn ambtsdragers zóvèr gekomen in hun gedachten, in hun woorden, in hun voorstellen, in hun besluiten, in hun uitvoering ervan, wel, dan is er toch geen enkel beletsel om ‘ter ondersteuning, ter onderbouwing’ ook nog diverse teksten aan te voeren om hun beleid te ‘onderbouwen’ en te ‘funderen’?

Het blijkt, dat traditie heel sluipend binnenkomt. Natuurlijk, het is van belang, dat het college met één mond praat. Hoe gemakkelijk moet het Woord dan plaats maken voor ‘de meerderheid’. En als er een goede woordvoerder is, die met grote bekwaamheid bepaalde gedachten en besluiten kan doorvoeren, dan wordt het moeilijk die achteraf weer terug te draaien. Hoe gemakkelijk wordt dat met woorden bevestigd: de meerderheid heeft zó besloten!, en we moeten niet telkens weer ‘oude’ afspraken, besluiten, in bespreking nemen. Of gewoon botweg het woord ontnemen.

Traditie wordt vaak als heel vriendelijk voorgesteld, Niets mis mee, toch? Maar traditie heeft heel veel kanten. Traditie kent de kant van gewoonte, wat we met elkaar gewend zijn, waar we met elkaar aan gewend zijn. Traditie kent de kant van stilstand, onveranderlijkheid, vastgeroest zijn. Zó is het altijd geweest en niemand had bezwaar. Traditie kent de kant van de onwil: het zó gewend zijn aan de gewoonte, dat ‘verandering’ direct vijandig benaderd en bekeken wordt. Maar traditie kan ook als heel ‘vriendelijk’ worden voorgesteld. Nu expres met aanhalingstekens. Waarom? Omdat die ‘vriendelijkheid’ het négatieve in traditie onderdrukt, ja, verzwijgt en het zwijgen oplegt.

In Johannes 7:38 zegt de Heere Jezus: ‘Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien.’ Stromen des levenden waters zullen … vloeien. Hierin blijken alle genoemde kanten van traditie niet te passen. Stromen van levend water vloeien, dat betekent beweging, oneindige beweging, vooruitgang. Nergens rust, nergens gezapigheid. Altijd activiteit, nooit passiviteit, nooit berusten in, nooit stilstand. Integendeel, de Geest werkt met geweld, met kracht, door het Wóórd. De Heilige Geest kènt geen rust, geen vakantie, geen werkonderbreking. Hij werkt met háást voort.

En als er dan toch gewezen wordt op traditie, het ‘vriendelijke’ van traditie, dan moeten we wakker schrikken. Want waarin is, kan traditie in harmonie zijn, met stromen van levend water? ‘Die in Mij gelooft’ zegt de Heere Jezus, die stromen zùllen vloeien! Geloof kàn nooit tot zwijgen gebracht worden. En de gelovige màg zich nooit tot zwijgen laten brengen, omdat dat puur tegenstrijdig is: die stromen zijn niet te bedwìngen! En wie een gelovige het zwijgen oplegt, die háát daarmee het geloof en verkiest daarmee alle eigenwilligheid en hoogmoed en traditie en sekte en revolutie. De Heere Jezus zei niets teveel, toen Hij de Joden, de leiders openlijk verweet, dat zij Hem haatten. Zijn kinderen overkomt daarin niets vreemds.

Maar traditie regeert! Individueel, collectief. En is het verwonderlijk, dat vervolgens ook het ambtelijk werk in de gemeente, in de huizen, bepaald wordt en geleid wordt door en vanuit de traditie? Het ambtelijk werk moet de ‘vrede’ dienen, de ‘rust’, in de huizen, in de gemeente. Wee hem, die die ‘vrede’, die ‘rust’ wil verstoren, ook al is het met beroep op de Schriften, hoe onderbouwd ook. Dat is immers een uitdrukkelijk gebod: bewaar de vrede, de onderlinge vrede. Vergelijk Romeinen 12:18, Romeinen 14:17, 19, Romeinen 15:33, II Corinthiërs 13:11, Galaten 5:22, Galaten 6:16, Efeze 2:17, Efeze 4:3, Efeze 6:15, Filippenzen 4:9, Colossenzen 3:15, II Timotheüs 2:22. Om enkele verzen te noemen.

Lezen we niet te snel, ook niet te eenzijdig? Want de God des Vredes zètte Zèlf de vìjandschap, Genesis 3:15. En in de vlóek over Kaïn, de zondvloed, Sodom en Gomorra, Amalek, de Kanaänieten, al de gerichten over vele volken (profeten), blìjkt, dat in bovenstaande verzen onmogelijk bedoeld kàn zijn (alleen) de horizontale vrede tussen mensen. Het is de vrede met Gòd, die staat voorop, die moet voorop staan.

En opnieuw, de dùivel, vervolgens de mèns, zìj pleegden revolutie, zìj verklaarden God de oorlog door hun zònden! God móest toen Zijn vrede verdedigen en geloofwaardig houden, door die vrede te handhaven en te bevestigen door de leugen en de dood te bestrijden en uit te werpen. Hoe deed God dat? In de eerste plaats door Zijn Woord! Vervolgens bevestigt Hij het met Zijn oordelen, Zijn strafgerichten, Zijn eeuwig oordeel op de jongste dag.

Want dat zou ook betekenen, dat de Heere Jezus Christus Zèlf Zich hiermee (met Zijn komen, Zijn strijden, Zijn loskopen en bevrijden uit de macht en tirannie van dood en duivel en leugen) schuldig maakte aan dit gebod. Die gedachte zij verre! Het geeft des te meer aan, dat de Heere Jezus hier een uitermate belangrijk punt noemt en aanwijst en verklaart: de ORDE, de VOLGORDE! ALTIJD moeten gewoonte en traditie in orde, volgorde komen ná het geopenbaarde Woord, als ze al een gerechtvaardigde plaats mogen hebben. Opdat wij niet vergeten! Christus bestreed – zoals de Vader!, zie opnieuw de Eénheid! – alle leugen en dood met het Woord, Wat Hij van de Vader gehoord en gezien had.

Hoe gemakkelijk sluipen gewoonte en traditie naar de eerste plaats in òrde en vòlgorde. De geschiedenis staat er vol van. Willen we Christus navolgen en zó de waarachtige vrede dienen en najagen, we zullen die òrde, die vòlgorde nauwgezet in acht nemen en handhaven. Opnieuw zullen we zien, dat de duivel en zijn volgers niet veranderen van methode en taktiek en werkwijze: de mond snoeren, verdacht maken, schelden, uitwerpen, doden. Zo Jezus Christus, zo Zijn volgelingen.

We lazen in Hebreeën 13:17: ‘want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen;’ Wat houdt dit ‘waken’ nog in? Als de praktijk weinig anders leert, dan de traditie van ‘onderlinge rust en vrede bewaren en najagen’ voorop staat? Waar gegroeide afwijkingen in leer en leven openlijk gedoogd en verdedigd en beschermd worden? Als dit zo is – en de voorbeelden ervan zijn ontelbaar! – wie zal er dan nog serieus mee rekenen, dat hij inderdaad voor Jezus Christus – het HOOFD van de kerk, zijn ZENDER! – rekenschap moet afleggen? Of is dat niets meer dan een loze, lege rekenschap, waar in de praktijk toch niets van overblijft?

Hier blijkt nòg een element àlle aandacht en àlle nadruk te moeten hebben: òns vergéten. Hoe leert de geschiedenis, dat de mens gráág en snèl vergeet! Tenminste, wat anderen goed aan ons deden. Heeft iemand ons ernstig beschadigd, ons (blijvend) kwaad aangedaan, dan vergeten we dat niet. Integendeel, dat onthouden we terdege en als we die persoon weer tegenkomen of … GOD DOET GOED AAN ALLE MENSEN! Zie hoeveel blijvende herinnering en geheugen daaraan is. En dankbaarheid daarvoor. Met als noodzakelijk gevolg daarvan een leven in waar geloof. Of toch niet?

We zien nauwelijks iets van dankbaarheid. De mens is naar zijn oude natuur zó zelfzuchtig, zó eerzuchtig, zó hoogmoedig, zó vol van zichzelf, dat hij nauwelijks ziet dat GOD GOED DOET AAN ALLE MENSEN. Integendeel, HIJ heeft rechten, HIJ moet hebben, en de MENS moet genoeg krijgen. Dat die eisen nooit genoegzaam ingevuld (kunnen) worden, daar de MENS zijn eisen altijd groter maakt, altijd oprekt en uitbreidt, daar zwijgt de mens over. En dáárom is het moment van oprechte dankbaarheid ook nooit bereikt. De MENS vergéét!

Nu komt er een ander kwaad bij: dit, de MENS projecteert èigen handelen, èigen drijven, èigen verdorven natuur, ook: èigen vergéten maar zo over op God! Zie Psalm 10:2-11: ‘De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben. Want de goddeloze roemt over de wens zijner ziel; hij zegent de gierigaard, hij lastert de HEERE. De goddeloze, gelijk hij zijn neus omhoog steekt, onderzoekt niet; al zijn gedachten zijn, dat er geen God is. Zijn wegen maken te allen tijde smart; Uw oordelen zijn een hoogte, verre van hem; al zijn tegenpartijders, die blaast hij aan. Hij zegt in zijn hart; Ik zal niet wankelen; want [ik] zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn. Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid. Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij de onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen de arme. Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om de ellendige te roven; hij rooft de ellendige, als hij hem trekt in zijn net. Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke [poten]. Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.’ Vers 13: ‘Waarom lastert de goddeloze God? zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?’ Tussen (): hoe vaak wordt deze Psalm gezongen?, uit deze Psalm gepreekt?

Lijkt het er niet sterk op, dat dit gedeelte: ‘want zij waken voor uw zielen, als die rekenschap geven zullen;’ vooral ‘gebruikt’ wordt om gemeenteleden onder druk te zetten, dat zij ‘mee moeten werken’? Tegelijk de grote verantwoordelijkheid van hen, daar zij ‘rekenschap moeten geven’? Maar als ze dan bekritiseerd worden, kritisch bevraagd worden inzake het openlijk toelaten van valse leer en zonden en heerszucht en afwijken, dàn is het hek van de dam, dàn wordt er bemoeid met andermans zaken, dàn … blijkt dat rekenschap geven blijkbaar niét dat afwijken en openlijk toestaan van vàlse leer en leven en heerszucht in te houden. Dat wordt ‘VERGETEN’!

Denken we echt, dat Gòd dàt ook vergeet??? Nee toch? En dat die rekenschap daarom veel en veel zwaarder weegt, dan velen beseffen? Dat die rekenschap voor velen ook véél zwaarder toegerekend zal worden, daar zij moesten gelden als ‘voorbeelden voor de kudde’?

Waarom verstaan we niet? We lezen opnieuw Mattheüs 25:31-46. Gezegenden: zij, die in navolging van Christus de waarachtige vrede gediend en nagejaagd hebben door de leugen en de dood ten dode toe te bestrijden met het Wóórd. Vervloekten: zij, die de gestelde òrde en vòlgorde verlaten hebben, omgedraaid hebben en daarmee Christus als leugenaar verworpen, daarmee God de Vader, daarmee het Woord ten leven.

Want dan blijkt in het ambtelijk leven en in de ambtelijke praktijik het Wóórd van God weer voorop te staan. Dan spreekt altijd, overal, eerst het Wóórd! Dan zijn we ook niet bang voor kritiek, onenigheid, verschillen, alle (valse) aantijgingen en verdachtmakingen, en alle (mogelijke) gevolgen, want we kunnen en mogen alleen overtuigd worden met en vanuit het Wóórd! Omdat het Hóófd van de kerk, Jezus Christus, regéért dóór Zijn Geest en Woord!

Hoe heeft Hij dat overtuigend laten horen en zien tijdens Zijn omwandeling. Geen enkele disharmonie. Maar de duivel, zijn volgers, ze wèigerden te luisteren, te horen, te gehoorzamen. Integendeel, hun hoogmoed en eigenwilligheid verwierpen en verguisden die òrde en ze verkozen wànorde en ontwrichting en ontbinding, telkens weer. Met alle gevolgen daarvan, die noodzakelijk moeten volgen.

Hier verlaten betreffende ambtsdragers het gebod om nauwkeurig Schrift met Schrift te vergelijken, om daardoor te voorkómen dat ze de Schrift geweld aandoen. Hoe gemakkelijk wordt hierdoor ook misbruik gemaakt van het overrulen van betreffende persoon door het onvoldoende er de tijd voor geven, dat ze nauwkeurig in hun besluiten en uitvoering gecontroleerd en weerlegd kunnen worden. Om maar te zwijgen over alle misbruik in verband met onkunde.

De Heere Jezus zegt in Johannes 8: 46: ‘Wie van u overtuigt Mij van zonde? En indien Ik de waarheid zeg, waarom gelooft gij Mij niet?’ Waarmee Hij de Joden alle gelegenheid geeft om dat te doen. Waarom doen zij, die op kronkelwegen gaan niet hetzelfde? Omdat zij heel goed (kunnen) weten, dat hun wegen niet recht voor God zijn, dat hun wegen afwijken van de gezonde leer van het zuivere Woord van God. En zo wordt het ene onrecht afgedekt met het volgende onrecht, wordt er vergaderd achter gesloten deuren, is ‘in comité’ heilig en probeert men elke controle te voorkomen. Maar ook traineren, ook ‘onontvankelijk verklaren’ in verband met welke zelfbedachte onzinsmoes ook, ze ‘versieren’ één doel: het voorkómen dat ze terecht onderbouwd weerlegd worden.

Daarom worden de gelovigen in het Nieuwe Testament ook regelmatig opgeroepen om op elkaar toe te zien, elkaar te vermanen. Laten we dit scherp voor ogen houden: Als de Heere Jezus – volmaakt in leer en leven! – mensen toestaat Hem te controleren en te weerleggen, zullen dan van nature BLINDE en ONWETENDE zondaren zich daarvan kunnen of mogen vrijwaren? Onder welk voorwendsel ook? Of is de Heilige Geest méér uitgestort op ambtsdragers dan op niet-ambtsdragers?

Daarom moet de Heilige Schrift steeds weer voor iedereen de enige Norm zijn in leer en leven. Naar die Norm moet gecontroleerd worden en moet ieder zich laten controleren. Zo binden de gelovigen zich aan Jezus Christus onder die ene Norm.

Telkens weer blijkt, dat de door God gestelde òrde en vòlgorde moeten regeren: Vóór alles, bóven alles, iedereen: Gods Woord, waarbij het onmogelijk is, dat God Zichzelf tegenspreekt. En waar Gods Woord in een bepaalde zaak, een bepaalde gedachte, niét duidelijk (genoeg) spreekt, daar past ons grote voorzichtigheid, om vanuit diepe eerbied en ontzag proberen te leren, in te zien, wat vanuit het wèl geopenbaarde op dit vlak tot de juiste afleiding en aanwijzing brengt. Haast is hierbij altijd ongepast.

Waar die òrde en vòlgorde verwaarloosd worden, daar móet noodzakelijk de mèns met al zijn fantasie en hoogmoed wel op de eerste plaats komen. En prompt komen daarin eer en aanzien en invloed en macht en naam en partijdigheid en leugen en bedrog en arrogantie en nog veel meer dingen naar voren en eisen hun plaats op en nemen hun plaats in en regeren, regeren ONbarmhartig en naar eigen willekeur en eigenwilligheid. Gods Woord is hoogstens nog een kapstok, waaraan men naar eigen goeddunken zijn eigenwillige belangetjes hangt, of van daaruit verdedigt. Maar verder, nietszeggend en er zeker niet op aan te spreken.

En wie dat tòch doet? Inderdaad, daar blìjkt, dat Gods Woord niét de orde en volgorde bepaalt, maar menselijke hoogmoed en eigenwilligheid. En de ‘vrome’ vindingrijkheid voert tal van schijnargumenten aan om te ‘bewijzen’ hóe ‘Schriftgetrouw’ we wel zijn. Maar nee, we willen niet nagerekend worden, niet gecontroleerd, want dat toont wantrouwen. Blind vertrouwen, op basis van …, ja, van wat? Op basis van aanzien, geleerdheid, ambt, status, gezag. Om de ‘vrede’ te bewaren en te handhaven. Traditie regeert.

Telkens weer moet het zeer verbazen, dat mensen zó hun uiterste best doen om het vertrouwen van anderen te winnen … zonder gecontroleerd te (willen) worden.

Geachte mens, als u er van overtuigd bènt, dàt u Gods Woord in gehoorzaamheid volgt, dan is het toch bijzaak hoe vaak en door wie u gecontroleerd wordt? Immers, trouw moet blìjken, I Corinthiërs 4. Dan bent u toch voor Gòd overtuigd! Maar u beseft, u bent mens, u kunt dwalen. Wat is het dan een voorrecht, als er broeders, zusters, zijn, die u terechtwijzen, weer op de rechte weg terugbrengen, vanuit en naar het Woord.

U proeft een stuk wantrouwen, achterdocht? Mag ik u ernstig waarschuwen? Ernstig waarschuwen voor al het raffinement, dat de duivel, zijn volgers, aanwenden, om u en mij in slaap te doen sussen, in de diepe doodsslaap van rùst, van vàlse geruststelling, van ‘hóe fijn we het met elkaar hebben’, van àl die gezapigheid, van àl die gewoontes en tradities waarmee we zó vergroeid zijn, van zovéél waarmee we op het terrein van geloof opgegroeid zijn?

Is die waarschuwing dan wel terecht? De praktijk van enkele tientallen jaren heeft ons er des te meer de ogen voor geopend, hoe gemakkelijk gewoonte en traditie, hoe gemakkelijk ingesleten praktijken en argumenten maar zo een eigen leven leiden. Tegelijk, hoe velen zich daaraan méér vastklemmen, dan zich te laten overtuigen vanuit Gods Woord. Of gewoon niet verder (willen) komen dan de bestaande rust.

Eén en ander kan zo gemakkelijk leiden tot de suggestieve insteek: de leiders weten het wel en wij voegen ons ernaar; wie zal hen kunnen of willen verdenken van onchristelijke leer of leven?; daarom, blijf hen gewoon volgen, gehoorzaam; wie denkt er nu nog over om de Schriften ernstig te bestuderen, om ook elkaar van daaruit te dienen en te (kunnen) vermanen, indien nodig? Maar de grote vraag is daarmee: STAAT HET WOORD VAN GOD IN GEZAG NOG WEL OP DE EERSTE PLAATS??? Die òrde, die vòlgorde, die bepáált, die móet bepalen.

We zagen al eerder – Johannes 8:40-43 – dat de Heere Jezus Christus een harde strijd gevoerd heeft om die òrde, die vòlgorde weer heel duidelijk te bepalen, weer heel duidelijk te laten regeren. Hoe groot is dàn de àfgod van de gewoonte, traditie!

Op grond van het bovenstaande: Als de Zóón van God, geopenbaard in het vlees, Zèlf niet anders spreekt en doet, dan àlles te spreken en te doen wat Hij van de Vader gehoord en gezien heeft, àlles wat Hij ons meedeelt, weten wij het dan beter, kunnen wij het dan beter, mogen wij er anders over denken? Wij, die van nature midden in de dood liggen, wij, die totaaal onwetend zijn? Tenzij wij door het Woord van God geleerd worden en zijn.

Tegelijk, als de Heere Jezus Christus dat Woord van Zijn Vader verklaart de enige en volkomen Norm te zijn, waarnaar Hij àl Zijn spreken en doen richt, waaraan Hij àl Zijn spreken en doen onderwerpt, weten wij het dan beter, kunnen wij het dan anders? Moet niet heel ons leven – elk terrein van het leven – naar dat geopenbaarde Woord geordend worden en zijn?

En zeker op het terrein van het geloof moet het zó vanzelfsprekend zijn, dat Gods Woord de enige Leidraad is, in woord en wandel, in leer en leven. En als we bij herhaling zó nadrukkelijk en uitgebreid geleerd worden inzake de weg, die de Heere wijst, dan blijft er maar één conclusie over: àlle discussie, àlle onenigheid, àlle verdeeldheid, over welk onderdeel ook, móet bij onszelf liggen, bij èigen onkunde, bij èigen eigenwijsheid, bij èigen kortzichtigheid en onwil. Het Woord van God is overduidelijk genoeg!

Dan wordt er nog een dwaasheid zichtbaar: we luisteren niet eerst naar het Woord, maar we gaan ons eerst vergelijken met anderen. Wat is de dwaasheid? Dit, we taxeren en toetsen niet in het Licht van het Woord, maar naar ons eigen inzicht, naar het inzicht van ‘eigen’ groep. Hoe dwaas en kortzichtig! Want het volgend moment menen we, zijn we er van overtuigd, dat die eigen mening, taxatie, toets, jùist, bepálend is. Nee, we zeggen het niet, maar in onze gedachten kunnen we ons nauwelijks voorstellen, dat God er ànders over denkt, dat Gòds oordeel van het onze verschilt, ja, er tegenover staat.

Bedenk, vóór de zondeval leefde de mens bij en uit en naar het uitwijzen van Gods openbaring, Gods Woord. Christus dééd het tijdens Zijn omwandeling hier op aarde. En op de nieuwe hemel/aarde mogen we opnieuw op dàt niveau léven. Dàt is léven. Alleen door Christus. Maar nu willen we graag vèr ònder dat niveau naar eigen goeddunken handelen en wandelen? En we houden onszelf en anderen voor, dat we uitzien naar Christus wederkomst en naar de nieuwe hemel/aarde? Wat is onze verwachting dan?

Het is de Heere, Die ons de ogen geopend heeft voor afwijkende ontwikkelingen en ons heeft aangespoord daarin anderen niet te volgen. Het is onze prestatie beslist niet of anderszins. Integendeel. De Heere heeft ons in die weg de ogen geopend voor tal van praktijken en handelwijzen, die onder het aanroepen van Gods Naam en met gevouwen handen bedreven werden en worden. En nee, het einde is nog niet in zicht. Tot en met praktijken, die door de wéreld veroordeeld worden.

Naast tal van verschillen zijn er de duidelijke overeenkomsten. Tussen personen, tussen situaties, tussen taktieken, enz. Maar er moet geen gedachte zijn, dat het òns alleen overkomt, en dat wìj het alleen moeten doen. De gedachte kan maar zo opkomen, dat wij het dáárom wel mis zullen hebben en dat we dáárom wel (moeten) toegeven. Zeker, die sluipende gedachte kan ons maar zo beetpakken en ons danig bezighouden.

Toch, bidt God om wijsheid en inzicht, ook volharding, lees de Schrift aandachtig, luister eerbiedig naar het Woord van God en de Heilige Geest zàl u die wijsheid en dat inzicht geven, die u nodig bent. Ook de volharding, ook als die tegen alle vlees en bloed ingaat. Hebreeën 11 laat ons velen zien, die ons voorgingen.

Ook daarin mochten we in de loop van de jaren leren en ondervinden en ontvangen, ja, boven bidden en denken, en zó bevestigd worden in het geloof. WONDER VAN GENADE!

27 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *