4.3a. Christus onderwijs inzake Zijn DOEN en LATEN richting gevend en bepalend voor ieder mens.

– Johannes 4:34: ‘Jezus zei tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbreng.’
Alleen al in dit ene vers markeert de Heere Jezus Zijn werkzaamheden op deze aarde gedurende Zijn omwandeling. Meteen de volstrekte harmonie daarin, het éénsGeestes zijn. Meteen de volmaakte gehoorzaamheid daartoe. Des te meer dringt zich de vraag op: hoe komt de mens er steeds weer toe zichzelf totale vrijheid en vrijblijvendheid toe te kennen om iets te doen of niet te doen, om iets zó te doen of anders, om iets vandaag te doen of misschien later of helemaal niet?

Het is de totale ongebondenheid van de mens in zijn zondeval. Denkend – daarin de duivel gelovend – dat hij zèlf kan en mag beslissen, dat hij zèlf volledig kan beoordelen, dat hij zèlf soeverein kan beschikken over tijd en gelegenheid – zijn als Gòd! – overstijgt de mens in al zijn HOOGMOED het weten: ik ben schèpsel! Daarin totaal àfhankelijk van mijn Schèpper! Alleen dàt besef al moet de mens klein houden, moet de mens doen erkennen: hoe dwáás ben ik (geweest) dat ook maar een ogenblik te vergeten.

We lezen opnieuw die tekst. Dit zegt niet maar de eerste, de beste mens. Dit zegt Gods Zoon, Zelf eeuwig God. Opnieuw staan we voor die Eénheid, die onwrikbare Eénheid van God, Zijn Woord. En in dit woord bevestigt de Zoon in enkele woorden Zijn vasthouden daaraan zonder een spoor van disharmonie, het toont Zijn één van Geest zijn met de Vader. Ja, hoe kunnen we de juiste woorden vinden om dit op de juiste manier te omschrijven? Het blijft stamelen. Toch mogen we niet zwijgen.

Laten we er meteen op letten, dat de Heere Jezus dit niet zegt als alleen een afstandelijke kennisgeving, in de zin van: nu weten jullie hoe Ik er over denk, hoe Ik er tegenaan kijk, hoe Ik Mijn werk hier inschat. Nee, dit moet heel diep tot de discipelen doordringen. Omdat het is opgetekend voor ons moet het ook heel diep tot ons doordringen: Mens, herìnner je, hóe ver je in de zondeval bent gevallen. Kijk in de spiegel: je bent geschapen als kìnd! Maar als kind onderwierp je je vrijwillig aan de dùivel, de knècht. Je verwierp de door God gestelde orde!

Nu ben Ik gekomen als de eeuwige Zoon, in vernedering, als Dienstknecht. Nu, dit is Mijn program. Niet meer, niet minder. Daarmee: wilt u weer hersteld worden in uw ambt als kìnd, dan zult u Mij navolgen en uw ambt weer op de juiste manier opnemen, uw program weer in praktijk brengen als met uw schepping. Dat houdt in: strijden tegen de duivel, tegen de zonde, leven voor Gods aangezicht, heilig en onberispelijk, niet afwijkend rechts noch links, naar uitwijzen van het heilig Woord van uw God.

De geschiedenis toont niet anders, dan dat de mens er na de zondeval mee begint in zijn hart, in zijn verstand, van dat Woord af te wijken, steeds weer, steeds verder. En ná die eerste lust daartoe, die eerste gedachte en wens daartoe, móet noodzakelijk zijn dáád wel volgen. Woord en daad zijn altijd aan elkaar gekoppeld. Controleer het waarheidsgehalte van de woorden door de daden er naast te leggen. Zie de daden en taxeer het waarheidsgehalte van de woorden. Ontdek de ontstellende schijnwereld die de mens probeert op te houden.

Dit komt in de Schrift diverse keren nadrukkelijk naar voren, als de Schrift zegt (van Israël): Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij. Dit zegt de Heere! De Heere toetst de woorden, de daden van de mens en oordeelt rechtvaardig. Maar die tegenstelling tussen woorden en daden komt zo vaak naar voren, wordt zo vaak aangewezen, daarop wordt de mens zo vaak aangesproken, dat het verbijsterend is, dat we er telkens opnieuw maar zo weer tegen aan lopen: die grote dìsharmonie!

Zien we ons program als kìnd van God? Proberen we – ieder op eigen ontvangen plaats – daar concreet invulling aan te geven, in woord en daad? Toetsen we onszelf daarin, rechtvaardig, in het licht van Gods geopenbaarde Woord. Toetsen we elkaar daarin, rechtvaardig, in het licht van Gods geopenbaarde Woord. Dan volgt: de Heere gééft ons in het geloof aan elkaar. Zònder geloof is er het individualisme, het ieder voor zich, de wereld liggend in de dood, de Kaïnsgedachte: ben ik mijns broeders hoeder?

Dan is het onmogelijk, dat we déze houding tegenover elkaar aannemen, hanteren, ja, voorstaan en bepleiten tegenover geloofsgenoten. Dan blijkt de echtheid van het geloof. Wèl woorden, tegelijk déze houding? We moeten de schellen van onze ogen rukken, we moeten onze maskers aftrekken, we moeten alle schijn wegdoen: we staan voor Gòd! Hij oordeelt, volmaakt rechtvaardig, alwetend, Hij proeft, Hij toetst ons hart, ons leven, onze gezindheid.

Daar is meteen ook weer de gemeenschap met elkaar, het omzien naar elkaar. Hoe zijn gemeenschap en individualisme vìjanden van elkaar. Ze worden al te vaak zo direct náást elkaar gebruikt, gehanteerd, in praktijk gebracht, zo subjectief, zo selectief, zo partijdig. Het gebod: hebt uw vijanden lief, hoe snel wordt daar vaak aan voorbij geleefd. De Heere Jezus dééd het: Hij kwam naar deze puur vijandige wereld om de Zijnen te redden, te verlossen, te behouden. Alleen als we dié liefde proberen doorgronden, kunnen we in en door Hem óók onze vijanden liefhebben. Niet alleen met woorden, ook met daden. Maar vlees en bloed verstaan dit nóóit!

Hoe heeft de Heere Jezus het Woord met de daad verbonden, tot één gemaakt: niet toedoen, niet afdoen, in volkomen harmonie met Vaders wil.

Als de mens dat ziet, en in het geloof daarnaar verlangt, het kan niet anders, of die mens zal er naar jagen die gemeenschap opnieuw gestalte te geven, in woord èn daad, hier in begin. Daarin uitzien naar het volmaakte herstel van die zuivere onbevlekte gemeenschap tussen God en mens en tussen mens en mens, door God bewerkt, door God gewerkt, door God gegeven.

– Johannes 5:19, 20: ‘Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: De Zoon kan niets van Zichzelve doen, tenzij Hij de Vader dat ziet doen; want zo wat Die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks. Want de Vader heeft de Zoon lief, en toont Hem alles, wat Hij doet; en Hij zal Hem groter werken tonen dan deze, opdat gij u verwondert.’
Christus kent de òrde. Hoe naadloos, hoe éénsGeestes volgt Hij de Vader, hoe volmaakt doet Hij wat Hij de Vader ziet doen. In die zuivere harmonie, in dat volkomen vertrouwen heeft de Vader de Zoon lief, volmaakt zuiver en doorzichtig. En de Vader toont Hem alles wat Hij doet. Er is geen enkele terughoudendheid, volstrekte Eénstemmigheid.

Dat is voor ons, mensen, levend in de zonde met al haar gevolgen, niet voor te stellen. Alles is gebrekkig, wankel, onvast, onzeker, voorbijgaand, vol gebreken en tekortkomingen, eindig. In onze blindheid en kortzichtigheid. Tegelijk staren we ons blind op wat voor ogen is en proberen vastheid en zekerheid te vinden in wat ons voorgehouden wordt en wat beredeneerd kan worden. En vervolgens komen we steeds weer bedrogen uit.

En de Heere Jezus bekrachtigt, beklemtoont het met: voorwaar, voorwaar. Niet, alsof het alleen zeggen onvoldoende zou zijn. Nee, Hij doet dat om onze aandacht er des te sterker bij te bepalen, opdat we het niet snel vergeten. Hoe komt Hij onze lauwheid en traagheid daarin wakker schudden. Tegelijk, ons wantrouwen is zó groot, zo onnoemelijk groot, tegenover God, tegenover elkaar, daarin geleerd door de dagelijkse praktijk van onze diepe verdorvenheid.

Alleen, dat wantrouwen geldt niét de duivel. Ook daarin blijkt onze kortzichtigheid, onze totale blindheid, dat we alle valsheid en onbetrouwbaarheid en leugen van de medemens niet direct doorvertalen en vastkoppelen aan de dùivel, aan al zijn leugen en bedrog, aan zijn moordzucht. Daarmee blijft het vaak bij individuele mensen. Nou moeten we wel benadrukken, dat de betreffende mensen niét te verontschuldigen zijn, indien zij zich door de duivel laten aandrijven en opzetten tot hun kwade praktijken. Zie Bijbelboek Job.

Alleen het Woord van God doet ons de ogen open en onderwijst en leert ons, wàt de wil van God is: God liefhebben boven alles en de naaste liefhebben als onszelf, volmaakt zuiver. En alles wat we doen moet in overeenstemming zijn met die liefde. Wat ermee in strijd is, wat ertegen in gaat, wat niet uit geloof is, is zonde, duivels. De gezindheid van ieders hart wordt openbaar uit woorden èn daden, tegenover God, tegenover de naaste.

En de duivel, zijn duivelse doelstellingen, uitkomend in totale ontwrichting en ontbinding van àlles, zij staan lijnrecht in dodelijke vijandschap tegenóver liefde, gemeenschap, harmonie, recht, gerechtigheid en waarheid.

Maar we hebben ons door de duivel laten verleiden en daarmee zijn we totaal verdorven. Onze HOOGMOED en EIGENDUNK en ZELFVOLDAANHEID heersen in en over ons. En alle vuilheid en valsheid en bedrog, ze kunnen ons niet tot inkeer brengen. Telkens opnieuw klampen we ons vast aan valse beloften, valse inbeeldingen, valse fantasie, valse verleidingen.

We zien, we ervaren, we leren dat alle mensen niét te vertrouwen zijn, dat er mensen zijn, die willens en wetens misbruik maken van teveel vertrouwen, op allerlei gebied, op elk vlak. En al gauw beperkt ons vertrouwen zich tot de naaste omgeving, de naaste familie, de mensen, die we leren kennen en vertrouwen. Maar ook dan blijkt, dat er uitzonderingen zijn, negatief, ook positief. En hoe worden we zèlf gekend, en wat is daarin juist?

Dan merken we, dat de meeste mensen zich in die ‘vertrouwde’ groep ‘veilig’ voelen. Er zijn de banden, de verbanden, de verhoudingen, de groepen. En gaandeweg het leven hier en nu blijven die banden, verbanden, verhoudingen bestaan, worden verdiept, verlopen. Er vallen mensen af, er komen mensen bij, er zijn vlakken van aantrekking, er zijn vlakken van afstoting, ja, hoe zit een mens in elkaar en wie doorgrondt de ander? Veel is niet uit te leggen.

Daarbij verbreedt de horizon zich van eigen huis naar buurt, naar buiten, naar nationaal en internationaal. Ons klankbord wordt gevoed met talloze signalen die van mensen in directe omgeving op ons afkomen en aangemerkt worden als prettig, minder prettig, afstotend, enz., met signalen van buitenaf, via pers en media, via berichtgeving. We worden gevormd in ons denken, ons doen, we leren, we leren af, we voegen ons, we verzetten ons. Bepaalde gedachten inspireren ons, andere verfoeien we. Daarbij ons karakter, onze aanleg.

In dat wereldje met al zijn ups en downs gaat veelal ons leventje hier en nu van wieg tot graf. Er is veel, waar we niet direct invloed op hebben, op kunnen hebben, op willen hebben. We ontdekken, dat we beperkt zijn in mogelijkheden door eigen beperktheden, door invloeden van buitenaf, door dingen die ons overkomen (kunnen) op allerlei gebied. Hetzelfde geldt alle andere mensen.

Daarbij rekenen we er vaak totaal niet mee, dat Gòd, de levende Gòd ons leven leidt. Ook in al die natuurlijke liefde en verbanden en relaties en verhoudingen gééft God zoveel. Laten we bedenken, dat dat niét vanzelfsprekend is. Wat hebben we verdiend? Waar hebben we recht op? Wat hebben we bij de geboorte daarvoor meegebracht? Ook, wat kunnen we straks daaruit meenemen?

Telkens weer moeten we ons leven éérst en vóór àlles plaatsen voor Gòd! Hij deed ons geboren worden. Hij regeerde en bepaalde alles wat daaraan vooraf ging, soeverein. Hij werkt de natuurlijke liefde van vlees en bloed.

Hij schiep de mens tot Zijn eer. Na de zondeval zag Hij, dat de mens Hem alleen maar kon en wilde háten, in navolging van de duivel. Maar Gods doel blijft onveranderlijk. En ook dwars door deze bedéling – tussen zondeval en jongste dag, wederkomst, herstel – vergadert Hij Zijn volk uit alle landen en volken en naties en talen Zich ten eigendom.

Hij gééft die natuurlijke liefde en verhoudingen mee, opdat er leven op deze aarde in deze bedeling blijft. Naar onze zondige natuur en verdorvenheid zouden we als mensheid direct uitgestorven zijn, zouden we elkaar meteen van het leven beroofd hebben. Ja, de eerste mensen Adam en Eva zouden elkaar niéts gegund hebben en uit hebzucht en machtswellust elkaar het leven benomen hebben. Dat moet ons heel scherp voor ogen staan.

Maar God gééft die natuurlijke liefde en verhoudingen. En daarom zien we ook, dat de mens veelal daarin leeft en sterft. Verder, de mens leert zichzelf en anderen, dat dìt het leven ìs. Daarin is de mens stekeblind, want de mens kàn uit Gods Woord weten en leren, dat God de mens tot Zijn eer geschapen heeft. Ook, dat God Zijn dóel met de zondeval niét gewijzigd heeft.

De duivel kan nog zo woeden – zie Job – , daarin gevolgd door zijn volgers, Gòd regeert en Hìj bepaalt en bestuurt naar Zijn soeverein raadsbesluit déze bedeling naar Zijn eindbestemming: de nieuwe hemel/aarde, waar God alles in allen is. Alsof er nooit een zondeval met al haar gevolgen geweest was.

In deze bedeling roept Hij alle mensen terug, tot inkeer, tot wedergeboorte, om in al de gebrokenheid en verwordenheid en ontwrichting en ontbinding van de zonde Hèm te zoeken, Hèm lief te hebben boven alles en de naaste lief te hebben als zichzelf. U proeft meteen: dat gaat vèr uit boven alle natuurlijke banden van vlees en bloed, van mogen of niet mogen, van elkaar liggen of niet liggen. Het gebod is er en het staat er en niémand kan zich daaraan onttrekken.

Omdat God Zèlf dat gebod aan de mens gaf en geeft, niemand uitgezonderd, daarom zal Hij straks, bij de wederkomst, ieder mens ter verantwoording roepen OP DAT GEBOD! Immers, God schiep de mens zó, dat hij dat volmaakt dééd, in woord, in daad, in gedachte. Omdat God de mens volmaakt goed had geschapen. Daarom was dat gebod een volkomen terecht gebod, wat de mens gemakkelijk kon volbrengen.

Maar God heeft dat gebod niet veranderd, niet aangepast, mèt de zondeval. Nee, dat gebod blijft van kracht, onherroepelijk. Kan de mens dit gebod volbrengen vanuit zichzelf ná de zondeval? Nee! Integendeel, hij kàn het niet, hij wìl het niet. Toch blijft Gods eis tot volmaakte gehoorzaamheid, vanuit zuivere liefde. Jezus Christus volbrengt die eis.

En daarom lezen we ook, dat Hij àlles léért wat Hij van God gehoord en gezien heeft. Daarom lezen we ook, dat Hij àlles dóet wat Hij gezien heeft dat God doet. Daarom heeft de Vader de Zoon lief.

En daarbij dráágt Hij de straf, de vloek, de toorn van God, die op mìj, op òns rust. Er is niéts in mij, ons, wat Hèm daartoe bracht, verplichtte. Het is Gods onuitsprekelijke liefde alleen. Geldt die verzoening àlle mensen? Nee, alleen hen, die Hem liefhebben in waar geloof en wedergeboren worden tot het nieuwe leven. Daarin begeren ze steeds weer en steeds meer weer te leven als kinderen van God en zo God weer lief te hebben boven alles en de naaste lief te hebben als zichzelf. Dat kunnen en willen we vanuit onszelf helemaal niet, en onze natuurlijke liefde van vlees en bloed schiet daartoe totaal tekort.

Maar God liefhebben betekent dan ook meteen, dat we weer begeren naar àl Gods geboden te leven. In woord, in daad. Begeren we dat, doen we dat, dan kan het niet anders, dan dat we de zònde weer leren haten en ontvluchten. In ons eigen leven, in het leven waarin we door God geplaatst zijn, op die plek, in die situatie, in dat tijdvak, temidden van die mensen.

Waarom lezen we zo slecht? Waarom luisteren we zo slecht?

27 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *