4.3c. Christus onderwijs inzake Zijn DOEN en LATEN richting gevend en bepalend voor ieder mens.

– Johannes 6:29: ‘Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft.’
De Heere Jezus snijdt hiermee elke zèlfingenomenheid en elke zèlfverheffing en elke zèlfwerkzaamheid en elke zèlfredzaamheid radicaal de pas af. Het is Gòds werk. Wàt is het werk van God? Dat de mens gelooft in Hem, Die Hij gezonden heeft, Jezus Christus, als de van God gegeven Borg en Middelaar.

Maar hóe willen we de Persoon ook maar in iets lòskoppelen van Zijn léér, Zijn léven, Zijn dóen, Zijn láten. En Christus getuigenis daarin is overduidelijk. We zagen het. Maar dan ligt het niet buiten òns, als wij ‘anders’, ‘eigenwillig’ ‘geloven’. Dan moeten we erkennen: IK WIL NIET GELOVEN ZOALS GOD GEBIEDT! Ik doe het op eigen houtje, op eigen manier, zoals het mij het best uitkomt, zoals de leiders, de leiding, het goeddunkt, zoals wij het leuk en aardig vinden.

Zeker, er is collectieve schuld, collectief (af)dwalen. Maar tevergeefs proberen we er ons achter te verstoppen. Onze eerste voorouders probeerden het ook en ze faalden jammerlijk. Alleen, de mens is zó hardleers, zó eigenwijs, dat hij zichzelf en anderen steeds weer voorhoudt, dat we nú een weg, een mogelijkheid ontdekt hebben, die wèl werkt. Naar eigen bekrompen gedachten. Hoe wordt (in gedachten) Gods almacht en alwetendheid zo gemakkelijk versmald en verkleind en beperkt naar ònze begrippen, naar ònze afmetingen, naar ònze maatstaven. Tegelijik, hoe leert de geschiedenis, dat die zó wankel, zó onzeker, zó veranderlijk zijn. Zó diep zit de háát in ons, dat we willens en wetens àl die onzekerheid omhelzen en verkiezen en aanbidden bóven de vastheid van Gods Woord.

De Schrift is duidelijk: ieder mens wordt door God persoonlijk ten volle verantwoordelijk gesteld en gehouden inzake wat hij in zijn leven gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Naar Gods Norm, Zijn Woord, naar Gods rechtvaardig oordeel. En telkens weer begint dat met eerbiedig lùisteren náár, aandachtig gehoorzaam lézen en áánnemen vàn het Woord van God. En zich Daardoor láten onderwijzen, láten gezeggen, láten leiden, láten regeren. Omdat Gòd spreekt!

Hoe gemakkelijk worden deze geschiedenissen gelezen als iets wat ver van ons af staat, wat anderen betreft, in lang vervlogen tijden. Nee, we leven nú, in 2014. Hoe heeft de Heere ons ernstig gewaarschuwd, dat we niét zo afstandelijk mogen lezen. Want I Corinthiërs 10 geldt òns, hiér, nú. We lézen, we zién, hoe de Joden zich tégen de Heere Jezus keerden. Wij zijn vanuit onszelf niets beter. Láten we ons ernstig waarschuwen en gezeggen? Of treden we gemakkelijk in de voetsporen van de Joden toen en wèigeren we ons met hart en ziel en verstand te bekeren, naar de Schriften. En getuigt daarmee I Corinthiërs 10 straks tégen ons.

– Johannes 6:37-40: ‘Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen; en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Want Ik ben uit de hemel nedergedaald, niet opdat Ik Mijn wil zou doen, maar de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft. En dit is de wil des Vaders, Die Mij gezonden heeft, dat al wat Hij Mij gegeven heeft, Ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage. En dit is de wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, dat een iegelijk, die de Zoon aanschouwt, en in Hem gelooft, het eeuwige leven hebbe; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.’
Hebben we nòg meer getuigenis nodig? Hoe benadrukt de Heere Jezus met deze woorden, dat er bij God nóóit, nèrgens een oorzaak kàn liggen, als wij niet geloven. Hoe wordt met deze woorden de èigen verantwoordelijkheid van ieder mens benadrukt, onderstreept, beklemtoond. Hoe worden met deze woorden alle vàlse geruststellingen tentoongesteld als levensgevaarlijk, levensbedreigend, dodelijk giftig, slaapverwekkend. Daarom zal onderzocht en onderkend moeten worden: is deze geruststelling inderdaad náár, in overeenstemming mèt de Schrift, ja of nee. Alleen de Schrift kan en mag daarin bepalend zijn.

De Schrift openbaart ons, dat de duivel ons wìl verleiden, ons vals wìl geruststellen, ons wìl verstrikken in allerlei verzinsels en fantasieën. En daartoe verleidt hij vele mensen, om hem daarin als slaaf te dienen en te volgen. Echter, als al deze sluipende en verleidelijke middelen niet voldoende helpen en tot voldoende resultaat (naar zijn oordeel) leiden, dan werpt hij alle maskers af. Dan blijkt hij ook niet de vriendelijke, meegaande, meevoelende en aangedane ‘vriend’ te zijn, maar dan is hij de dódelijke vìjand, de dùivel, de móórdenaar van de beginne, de aartsbedrieger en aartsleugenaar. Hoe heeft hij zich laten kènnen tegenover Job?!

Hoe laat hij zich nu kènnen tegenover de Heere Jezus in de vijandschap van de wereld, de Joden, in hun verzèt, in hun weerstáán van de Heere Jezus èn Zijn leer èn Zijn doen en laten. Nee, dan is geen leugen te groot, geen verdachtmaking te vals, geen bruutheid te gemeen. En doet hij zo tegenover de Zoon, en hóe!, meent u werkelijk, dat Christus volgelingen in leer en leven daarvan (tijdelijk) uitgesloten, gevrijwaard worden? Waar staat dat? Wie leert dat? De heilige Schrift in ieder geval niet, nergens. Integendeel.

Dan is bovenstaande tekst voor de gelovigen tot grote troost, tot grote bemoediging, tot waarachtige verzekering, tot eeuwige versterking. Hier spreekt Goddelijke garantie!!! Voor geen geld te koop. Toch onvergelijkelijk in rijkdom en heerlijkheid. Te verkrijgen in de weg van gehoorzaamheid, die gelijk op gaat met zelfverloochening.

– Johannes 6:44: ‘Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.’
Er is de eigen verantwoordelijkheid, ook de Goddelijke verkiezing. Onmogelijk van elkaar te scheiden of te ontwarren. God werkt zó, dat de mens het werken zelf niet opmerkt of constateert, maar dat hij de vrùcht van dat werk onmiskenbaar waarneemt en onderkent als Gods werk. Dan opnieuw die garantie, die blijde garantie, want die opwekking is tot heerlijkheid, tot eeuwige heerlijkheid. Deze garantie moeten we in kracht en zeggenschap zetten naast al die andere beloften van Christus, vrucht en uitwerking van Gods barmhartigheid in Genesis 3:15.

– Johannes 9:4: ‘Ik moet werken de werken Desgene, Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt, wanneer niemand werken kan.’
Er is geen spoor te ontdekken, dat Christus Zich onttrekt aan de gehoorzaamheid aan de Vader. Hoe heerlijk. Immers, één ongehoorzaamheid maakte Hem slaaf van de duivel. Hij verkondigt, dat er een nacht komt, wanneer niemand werken kan. Dat is de nacht van de duivel, wanneer hem nog éénmaal de macht gegeven wordt, waarin hij nog éénmaal zijn dodelijke vijandschap kan botvieren op de Zoon en daarin alles kan aanwenden wat tot zijn beschikking ligt. Maar ook dan regeert God de Vader absoluut. Het is een deel van de toorn van God over de zonde, MIJN zonde, ONZE zonde, omdat IK, WIJ niet zelf konden en wilden betalen. Maar ook deze nacht was helemaal naar Gods raad en voorzienig bestel.

– Johannes 9:30-33: ‘De mens antwoordde, en zei tot hen: Hierin is immers [wat] wonders, dat gij niet weet, van waar Hij is, en [nochtans] heeft Hij mijn ogen geopend. En wij weten, dat God de zondaars niet hoort; maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij. Van [alle] eeuw is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen ogen geopend heeft. Indien Deze van God niet ware, Hij zou niets kunnen doen.’
Onderwijs van een blindgeborene, geleerd door de Schriften, geleerd door God. Hoe heerlijk is dit Woord. Hoe machtig bewijst dit Woord, dat God niet gebonden is aan menselijke mogelijkheden, maar zaait en plant en oogst naar Zijn welbehagen. Tegelijk, dit is voor de HOOGMOEDIGE mens onuitstaanbaar, ontoelaatbaar, onverteerbaar. Toch zet God ook hiermee Zijn soevereine werkwijze ons voor ogen: zo vaak wijst de Heere in Zijn Woord op mensen, die zwak en klein zijn in eigen oog. Moeten zìj dàt doen, zìj?

Er zijn toch veel ‘geschikter’ mensen voor? Opnieuw moeten we de hand op de mond leggen. God beslist en Hij beschikt, want Hij stuurt niet met eigen redenatie, met eigen bedenksels, maar Hij stuurt met Zijn Wóórd! Hoe vaak moet de mens er op gewezen worden, dat het Wóórd gebracht moet worden, niet meer, niet minder. Door wie? Door alle mensen. Mensen, die zichzelf zo zwak en onbekwaam en onbespraakt weten. Toch, de Heere stuurt, met Zijn Wóórd! En dat Woord keert nooit leeg terug, maar het volvoert wat God behaagt.

De geschiedenis leert van bladzij tot bladzij, dat de mens zó verblind is, zó uitermate verblind, dat de mens vanuit zichzelf altijd eerst eens kijkt wié wat zegt. Dié??? Want vervolgens wordt de boodschap, de inhoud van de boodschap verbonden met de boodschàpper! En is de boodschàpper gering, zwak, dan kàn de boodschàp niets betekenen, niet serieus genomen worden. En vervolgens kunnen we met de boodschàpper doen naar ons goeddunken.

Hoe openbaart de Heere daarin Zijn wonderbare weg. De boodschàpper is onaanzienlijk – blindgeborene – de boodschàp schìttert: ‘en Zijn wil doet, die hoort Hij’. Wat een belijdenis!!!, van een blindgeborene. Even later wordt hij door de leiders geëxcommuniceerd, uitgeworpen. Dat doen de leiders, de voorgangers, de vooraanstaanden, die vol zijn van eigen aanzien en positie en voornaamheid en eer en … blind en stom zijn voor eigen geestelijke BLINDHEID.

Inderdaad, dat is toch te dwaas voor woorden, dat zìj – de leiders! – zich door een blindgeborene laten onderwijzen! Maar hierbij moeten we steeds heel scherp voor ogen houden: GOD stuurt, ja, dié, met dié boodschap. Hoe vaak laten mensen hun horen bepalen door de persóón die spreekt en niét door de boodschap die hij brengt.

Dat lezen we eerder in de Bijbel, I Samuël 8:7: ‘Doch de HEERE zei tot Samuel: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.’ Hier zien we een ander aspect, wat de gezindheid van het hart betreft: de boodschap met deze inhoud lust ons niet, staat ons tegen, willen we niet horen. Hoe vereenzelvigt de Heere Zich steeds weer met ZIJN WOORD!

Daarom, het Woord verwerpen is God verwerpen, Gods gezag versmaden. Om daaraan te ontkomen, moeten we onszelf steeds weer diep vernederen, onszelf verloochenen, ons verootmoedigen. Tegelijk moeten we erkennen, dat het aan God Alleen is om te bepalen wié Hij stuurt, met welke boodschap, wanneer. En dan moeten de hoorders onderscheidend luisteren òf de boodschap inderdaad in overeenstemming is met het geopenbaarde Woord.

In dit verband noemen we Johannes 7:16, 17: ‘Jezus antwoordde hun, en zei: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft. Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan [of] Ik van Mijzelven spreek.’ Hoe nadrukkelijk benoemt de Heere Jezus hier ieders eigen verantwoordelijkheid. En nee, de Heere Jezus noemt daarbij geen enkel criterium van geleerdheid, aanleg, kwaliteit. IEDER, naar eigen mate. Het betekent, dat niémand zich kan verontschuldigen: altijd ligt de oorzaak bij de persoon zèlf. Hoe staat dit weer op zeer gespannen voet met traditie! Tegelijk: zo eenvoudig is het blijkbaar, dàt ieder dat kan. Het is voor niemand te moeilijk om zuiver te onderscheiden in het licht van Gods Woord. Telkens weer is er wèl: dóen we onze uiterste best voldoende olie – kennis, onderscheidingsvermogen, inzicht, wijsheid, geloof – (bij ons) te hebben? Die oude natuur van ons: afwachten, rusten, uitstellen, aan anderen overlaten, af laten hangen van reactie anderen, ze zijn en werken zo vaak verstikkend! Traditie, het wordt steeds negatiever, in het geloof.

En hem, die de Heere zendt, die mag bidden om vrijmoedigheid, om de boodschap zo duidelijk en eenduidig mogelijk te brengen. Tegelijk, dat God die arbeid in zwakheid wil zegenen tot eer van God, tot bekering en geloof, tot redding en behoud van zondaren. Wetend, erkennend, Gods Woord is nooit afhankelijk van welke boodschapper dan ook. Wel is er de grote verantwoordelijkheid van de boodschapper, dàt hij inderdaad de zuivere boodschap brengt, niet meer, niet minder. Ook wetend, dat de zuivere boodschap veel weerstand oproept, veel verzet, grote vijandschap.

En nee, ook de manier waarop, het is bijna altijd bijzaak. De mens ‘bedenkt’ een ‘reden’ waarom het hem ‘geoorloofd’ is nu niet naar die boodschap te hoeven luisteren en die te gehoorzamen. Of willen we ook de woordkeus van de Heere Jezus onder ònze loep leggen en vanuit òns oordeel verklaren, dat de mensen toen terecht niet luisterden en gehoorzaamden? Laten we integendeel telkens zeer verwonderd zijn, dàt God op al die arbeid in zwakheid genadig vrucht van geloof en bekering geeft en werkt. Hem Alleen alle lof en eer en aanbidding.

Hoe leert de geschiedenis, dat de mens vaak vàst zit aan mènsen, aan de ìnbreng van de mensen. En zo gemakkelijk wordt gezegd, als een vooraanstaand en invloedrijk persoon op jonge leeftijd overlijdt: hij had nog zo veel kunnen doen, betekenen. Wat is het een grote lege plaats, die hij achterlaat. Stilzwijgend: hoe moet het nu verder? Wie kan dié vervangen, opvolgen?

Maar wordt feitelijk Jezus Christus niet (voorzichtig) bekritiseerd? Hij is het HOOFD van de kerk. Maar nu!!! Kijk eens, dié … persoon. Wat had dié nog kunnen doen?!?! Laten we enkele voorbeelden noemen: Johannes de Doper, onthoofd op jonge leeftijd; Jakobus, onthoofd op jonge leeftijd; Stephanus, gestenigd op (wellicht) jongere leeftijd. Te noemen zijn reformatoren, gewelddadig om het leven gebracht.

Christus heeft toch gezègd, dat Hij àlle macht heeft in de hemel en op de aarde? Kòn Hij de genoemde personen niet op soortgelijke wijze verlossen en bevrijden als Petrus, Paulus, anderen? Immers, dan hadden ze nog zoveel kunnen doen en betekenen.

Gelóven we Christus almacht op aarde? Gelóven we, dat Hij echt HOOFD is van Zijn kerk? Gelóven we, dàt Hij soeverein Zijn kerk vergadert, beschermt en onderhoudt? Gelóven we, dat Hij Zich nooit en nergens in iets van Zijn beleid, de uitvoering ervan, vergist? Gelóven we, dat Hij als HOOFD nooit en nergens in iets àfhankelijk is van menselijke inbreng?

Dan slikken we de gedachte – hij had nog zoveel kunnen doen, betekenen – in! Dan staan we in al onze kleinheid en beperktheid en kortzichtigheid voor Zìjn hoog beleid, Zìjn hoge majesteit: HIJ REGEERT, SOEVEREIN, ONAANTASTBAAR! En als Hìj gebruik wil maken van mensen, het is Zìjn zaak. En als Hìj mensen daar en dan – denk aan de blindgeborene – stuurt met dié boodschap, dan is dat Zìjn zaak. Voor hoelang, wanneer, wie, waar, het is Zìjn zaak!

Hoe nadrukkelijk moet ons dit vóór alles voor ogen staan. Want in onze hoogmoed en eigendunk klimt er maar zo de gedachte op, dat IK, WIJ, belangrijk, onmisbaar zijn. En de daarop volgende gedachte is er ook maar zo: wat zal Jezus, God blij zijn, dat IK, WIJ dàt gezegd, dàt gedaan hebben. Ofwel, zònder mìjn, ònze, inbreng was er van Christus kerkvergaderend werk niéts terecht gekomen. Maar daarmee is Christus gedegradeerd, is Zijn kerkvergaderend werk een mensen-aangelegenheid geworden. Ja, Hij is totaal àfhankelijk geworden van menselijke activiteit en hoedanigheid. Hij HOOFD??? Ondertussen ligt het besef: door MIJN zondeval lig IK middenin de dood! vèr buiten beeld.

Dan is er bij Gods kinderen zeker de worsteling, de geloofsworsteling. Hoe hebben Johannes, Petrus, Paulus, geworsteld met Christus gang met hen: ballingschap, gevangenschap, terwijl er zoveel werk ligt, terwijl de aanvallen van de duivel zo mateloos fel en geraffineerd en verleidelijk en meedogenloos zijn.

Toch moet ons hier en nu in wáár geloof vàst voor ogen staan: JEZUS CHRISTUS REGEERT, ALMACHTIG, SOEVEREIN, ONAFHANKELIJK van welk mens ook. Hoe de duivel ook woedt. Hoe zijn volgers ook alles doen om Christus werk te weerstaan, en het werk in opdracht en navolging en gehoorzaamheid van en aan Zijn Woord tegen te werken en af te breken.

Dan kàn al het werk in gehoorzaamheid zinloos, nutteloos, vruchteloos lijken. We noemen Noach: 120 jaar profeteren, en met slechts zijn gezin in de ark gaan, vanwege ongeloof en verharding van toenmalige wereldbevolking daarin. Toch: profeteer! Die opdracht duurt zó lang!

Daaraan vastgekoppeld: bouw een ark. Zo en zo. Dan staat er, Genesis 6:22: ‘En Noach deed het; naar al wat God hem geboden had, zo deed hij.’ Noach week niet af, rechts noch links. In waar geloof! Immers, Gòd gebiedt. Altijd weer, die HOOGMOED, dat WANTROUWEN, dat ons regeert, aanvliegt: doet God het wel goed? weten wij het niet béter? kunnen, doen wij het niet anders, verstandiger?

Er is een tweede getuige: Mozes. Exodus 39:42, 43: ‘Naar alles, wat de HEERE aan Mozes geboden had, alzo hadden de kinderen Israels het ganse werk gemaakt. Mozes nu bezag het ganse werk, en ziet, zij hadden het gemaakt, gelijk als de HEERE geboden had; alzo hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen.’ Mozes, het volk, ze weken niet af, rechts noch links.

Hoe treffend, hoe éénstemmig is dit zoals we hierboven de Heere Jezus herhaaldelijk horen betuigen, dat Hij àlles doet wat Hij de Vader zag doen. Die gehoorzaamheid vraagt de Heere van Zijn kinderen, in Oude en Nieuwe Testament. Gedurende de weinige dagen die Hij ons hier geeft. Hoe naadloos sluit dit aan bij het leven in het paradijs vóór de zondeval en het leven op de nieuwe hemel/aarde.

Tegelijk, hoe scherp is dan het onderscheid, de tegenstelling, de dodelijke vijandschap tussen dié gehoorzaamheid en alle eigenwilligheid, actief, passief. Eeuwig.

27 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *