Artikel 13: Van de Voorzienigheid Gods en Regering aller dingen.

Nehemia 9:6:
Gij zijt die HEERE alleen, Gij hebt gemaakt de hemel, de hemel der hemelen, en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeen en al wat daarin is, en Gij maakt die allen levend; en het heir der hemelen aanbidt U.

Psalm 104:30:
Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

Johannes 5:17:
En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk [ook].

Hebreeën 1:3:
Dewelke, alzo Hij is het Afschijnsel [Zijner] heerlijkheid, en het uitgedrukte Beeld Zijner zelfstandigheid, en alle dingen draagt door het woord Zijner kracht, nadat Hij de reinigmaking onzer zonden door Zichzelven te weeg gebracht heeft, is gezeten aan de rechter [hand] der Majesteit in de hoogste [hemelen];

I Petrus 5:7:
Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.

Handelingen 2:31:
Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.

Filippenzen 2:23:
Ik hoop dan wel deze van stonde aan te zenden, zo [haast] als ik in mijn zaken zal voorzien hebben;

Job 6:9:
En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

Psalm 104:29:
Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof.

Job 36:27:
Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die de regen na zijn damp uitgieten;

Psalm 29:3:
De stem des HEEREN is op de wateren, de God der ere dondert; de HEERE is op de grote wateren.

Psalm 147:16,17:
Hij geeft sneeuw als wol; Hij strooit de rijm als as. Hij werpt Zijn ijs heen als stukken; wie zou bestaan voor Zijn koude?

Mattheüs 6:26:
Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt [nochtans] dezelve; gaat gij dezelve niet [zeer] veel te boven?

Psalm 104:14:
Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des mensen, doende het brood uit de aarde voortkomen.

Psalm 104:27-30:
Zij allen wachten op U, dat Gij [hun] hun spijze geeft te zijner tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd. Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven, en zij keren weder tot hun stof. Zendt Gij Uw Geest uit, zo worden zij geschapen, en Gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

Psalm 78:24,25:
En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren. Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.

Haggaï 1:6:
Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorde buidel.

Colossenzen 1:17:
En Hij is voor alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door Hem;

Jesaja 10:15:
Zal een bijl zich beroemen tegen die, die daarmede houwt? Zal een zaag pochen tegen die, die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen, die hem opheffen? Als men een stok opheft, is het geen hout?

Jeremia 10:23:
Ik weet, o HEERE! dat bij de mens zijn weg niet is; het is niet bij een man, die wandelt, dat hij zijn gang richte.

Handelingen 17:28:                                                                                                                                 Want in Hem leven wij, en bewegen ons, en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.

Psalm 8:2:
O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde! Gij, die Uw majesteit gesteld hebt boven de hemelen.

Psalm 93:1:
De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.

Psalm 97:9:
Want Gij, HEERE! zijt de Allerhoogste over de gehele aarde; Gij zijt zeer hoog verheven boven alle goden.

Jeremia 10:7:
Wie zou U niet vrezen, Gij Koning der heidenen? Want het komt U toe; omdat toch onder alle wijzen der heidenen, en in hun ganse koninkrijk, niemand U gelijk is.

Maleachi 1:14:
Ja, vervloekt zij de bedrieger, die een mannetje in zijn kudde heeft, en de Heere belooft, en offert, dat verdorven is! want Ik ben een groot Koning, zegt de HEERE der heirscharen, en Mijn Naam is vreselijk onder de heidenen.

Mattheüs 6:10:
Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel [alzo] ook op de aarde.

I Corinthe 15:24: 
Daarna zal het einde zijn, wanneer Hij het Koninkrijk aan God en de Vader zal overgegeven hebben; wanneer Hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij, en alle macht en kracht.

Jacobus 1:17:
Alle goede gave, en alle volmaakte gifte is van boven, van de Vader der lichten afkomende, bij Welke geen verandering is, of schaduw van omkering.

Openbaring 12:10:
En ik hoorde een grote stem, zeggende in de hemel: Nu is de zaligheid, en de kracht, en het koninkrijk geworden onzes Gods; en de macht van Zijn Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onze God dag en nacht is nedergeworpen.

Efeze 1:11:
In Hem, in Welke wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil;

Genesis 20:6:
En God zei tot hem in de droom: Ik heb ook geweten, dat gij dit in oprechtheid uws harten gedaan hebt, en Ik heb u ook belet van tegen Mij te zondigen; daarom heb Ik u niet toegelaten, haar aan te roeren.

Genesis 31:7:
Maar uw vader heeft bedriegelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten, om mij kwaad te doen.

Handelingen 18:9,10: 
En de Heere zei tot Paulus door een gezicht in de nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet. Want Ik ben met u, en niemand zal [de hand] aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volks in deze stad.

Genesis 50:20:
Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; [doch] God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.

Handelingen 4:27,28:
Want in der waarheid zijn vergaderd tegen Uw heilig Kind Jezus, Welke Gij gezalfd hebt, beiden Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels; Om te doen al wat Uw hand en Uw raad te voren bepaald had, dat geschieden zou.

I Johannes 1:5:
En dit is de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben, en wij u verkondigen, dat God een Licht is, en gans geen duisternis in Hem is.

Jacobus 1:13,14:
Niemand, als hij verzocht wordt, zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en Hij Zelf verzoekt niemand. Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.

Exodus 8:15:
Toen nu Farao zag, dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de HEERE gesproken had.

Exodus 9:7:
En Farao zond er heen, en ziet, van het vee van Israel was niet tot een toe gestorven. Doch het hart van Farao werd verzwaard, en hij liet het volk niet trekken.

Exodus 8:32:
Doch Farao verzwaarde zijn hart ook op ditmaal, en hij liet het volk niet trekken.

Exodus 9:7,12:
En de knechten van Farao zeiden tot hem: Hoe lang zal ons deze tot een strik zijn, laat de mannen trekken, dat zij de HEERE hun God dienen! weet gij nog niet, dat Egypte verloren is? Toen zei de HEERE tot Mozes: Strek uw hand uit over Egypteland, om de sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al wat de hagel heeft over gelaten.

Amos 3:6:
Zal de bazuin in de stad geblazen worden, dat het volk niet siddere? zal er een kwaad in de stad zijn, dat de HEERE niet doet?

Romeinen 1:18:
Want de toorn Gods wordt geopenbaard van de hemel over alle goddeloosheid, en ongerechtigheid der mensen, [als] die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden.

II Thessalonicenzen 1:9:
Dewelken zullen [tot] straf lijden het eeuwig verderf, van het aangezicht des Heeren, en van de heerlijkheid Zijner sterkte,

Johannes 1:12:
Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, [namelijk] die in Zijn Naam geloven;

Spreuken 3:12:
Want de HEERE kastijdt dengene, die Hij liefheeft, ja, gelijk een vader de zoon, [in] [denwelken] hij een welbehagen heeft.

Hebreeën 12:6,10:
Want die de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijke zoon, die Hij aanneemt.  Want genen hebben [ons] wel voor een korte tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt [ons] tot [ons] nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden.

Jacobus 1:2-4:
Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.

Johannes 9:2,3:
En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders, maar [dit is geschied], opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.

Exodus 11:7:
Maar bij alle kinderen Israels zal niet een hond zijn tong verroeren, van de mensen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet, dat de HEERE tussen de Egyptenaren en tussen de Israelieten een afzondering maakt.

II Koningen 19:27,28:
Maar Ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij. Om uw woeden tegen Mij, en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door die weg, door denwelke gij gekomen zijt.

Job 1:12:
En de HEERE zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des HEEREN.

Job 2:6:
En de HEERE zei tot de satan: Zie, hij zij in uw hand, doch verschoon zijn leven.

I Koningen 22:34:
Toen spande een man de boog in zijn eenvoudigheid, en schoot de koning van Israel tussen de gespen en tussen het pantsier. Toen zei hij tot zijn voerman: Keer uw hand, en voer mij uit het leger, want ik ben zeer verwond.

Mattheüs 6:26-30:
Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren; en uw hemelse Vader voedt [nochtans] dezelve; gaat gij dezelve niet [zeer] veel te boven? Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen En wat zijt gij bezorgd voor de kleding? Aanmerkt de lelien des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; En Ik zeg u, dat ook Salomo, in al zijn heerlijkheid, niet is bekleed geweest, gelijk een van deze. Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in de oven geworpen wordt, alzo bekleedt, zal Hij u niet veel meer [kleden], gij kleingelovigen?

Lucas 12:22-28:
En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult. Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven? Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd? Aanmerkt de lelien, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze. Indien nu God het gras dat heden op het veld is, en morgen in de oven geworpen wordt, alzo bekleedt, hoeveel meer u, gij kleingelovigen!

Filippenzen 4:6:
Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God;

I Timotheüs 6:8:
Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.

I Petrus 5:7:
Werpt al uw bekommernis op Hem, want Hij zorgt voor u.

Leviticus 16:8:
En Aaron zal de loten over die twee bokken werpen: een lot voor de HEERE, en een lot voor de weggaande bok.

Jozua 14:1,2:
Dit is nu hetgeen de kinderen Israels geerfd hebben in het land Kanaan; hetwelk de priester Eleazar, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels, hun hebben doen erven; Door het lot hunner erfenis, gelijk als de HEERE door de dienst van Mozes geboden had, aangaande de negen stammen en de halve stam.

Jozua 15:1:
En het lot voor de stam der kinderen van Juda, naar hun huisgezinnen, was: aan de landpale van Edom, de woestijn Zin, zuidwaarts, was het uiterste tegen het zuiden;

Psalm 16:5,6:
De HEERE is het deel mijner erve, en mijns bekers; Gij onderhoudt mijn lot. De snoeren zijn mij in liefelijke plaatsen gevallen; ja, een schone erfenis is mij geworden.

Esther 3:7:
In de eerste maand (deze is de maand Nisan) in het twaalfde jaar van de koning Ahasveros, wierp men het Pur, dat is, het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag, en van maand [tot] [maand], tot de twaalfde maand toe; deze is de maand Adar.

Romeinen 15:4:
Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze lering te voren geschreven, opdat wij, door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften, hoop hebben zouden.

Psalm 131:2:
Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij.

Job 13:15:
Ziet, [zo] Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

Jesaja 54:17:
Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, [die] in gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des HEEREN, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.

Dit bericht is geplaatst in Nederlandse Geloofs Belijdenis. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *