4.6 BARMHARTIGHEID. Door Jezus Christus getoond en bewezen, de mens ten voorbeeld. V

6a. Evangelieverkondiging: Barmhartigheid! 2

Het zaaien van het goede Woord van God: BARMHARTIGHEID!

Dat Woord wordt verkondigd. Dat verkondigde Woord moet geloofd worden. Naar dat verkondigde Woord moet geleefd worden. Elke vrijblijvendheid is afwezig. Daarom is de Heilige Geest ook uitgesproken radicaal in het Woord, Jakobus 1:22: ‘En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.’ Hoe gemakkelijk is het te luisteren en het toe te stemmen. Tenminste, vanaf de ‘veilige’ zijlijn. Maar als er consequenties aan verbonden worden, als daadwerkelijke instemming gevaar betekent, als bezitting of leven gevraagd wordt, dan?

Inderdaad, dan wordt vertrouwen gevraagd, dan is vertrouwen, vast vertrouwen noodzakelijk. Vast vertrouwen op God, de levende God, Zijn BEtrouwbaar Woord, Zijn BEtrouwbare beloften, dàt Hij zal waarmaken wàt Hij belooft. Dan zien we inderdaad het vertrouwen in onszelf, eigen inzicht, eigen verstand, eigen slimheid of geslepenheid, snel wegsmelten. Zo hebben we Job gezien, toen hij van het ene op het andere ogenblik beroofd werd van al zijn bezittingen, al zijn kinderen. Vervolgens, toen hij psychisch verzocht werd door zijn vrouw, zijn vrienden, terwijl hij dodelijk vermoeid was door een slopende ziekte.

Maar tegelijk zien we, dat Gòd het door Hem geplante en gewerkte geloof staande deed blijven, zodat Job God niét vloekte en vaarwel zei. De daden volgden op de belijdenis.

En Job kwam niet beschaamd uit. God alle lof!

Er is veel schijngeloof. We zullen onszelf ernstig moeten beproeven òf we God inderdaad geloven en vertrouwen op Zijn Woord, in voor- en tegenspoed, in goede en kwade dagen. Vast vertrouwend, dat wat er ook gebeurt, welke plannen ook gesmeed en uitgevoerd worden, daar oneindig vèr bovenuit Gòds Woord en beloften steken in vastheid en zekerheid. En nee, daar kunnen alle schijnvertoon en schijnbeloften van de duivel nog niet bij in de schaduw komen.

Hoe lopen we zèlf vaak aan tegen èigen kleingeloof. Wat moeten we zèlf vaak bezien, dat we nauwelijks vooruitgang boeken. Vanuit onszelf. Elke schijn moeten we weerstaan. Toch, telkens weer opstaan, telkens weer onszelf onderzoeken, onszelf aansporen, onszelf vermanen, daartoe aangespoord en vermaand door het Woord. Hoe dringend en indringend is dat nodig. Niet ziende op anderen, nee, onszelf daarin steeds weer onderwijzend. Opdat we steeds sterker staan in het geloof. In woord, in daad.

Dat werkt God dóór het verkondigde Woord, tenminste als dat Woord naar waarheid en in al haar delen gebracht wordt.

We gaan nog even terug naar Jakobus 1:22: ‘En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.’ Hoe wordt dat laatste in het Woord telkens weer bevestigd, dat mensen zichzelf bedriegen met valse overleggingen. Daarin de ingebakken HOOGMOED overeind en levend houdend. Immers, hoe gemakkelijk leunen we achterover, ziende op wat we gedáán, gepresteerd, gezegd, geschreven, hebben. Het blìjkt daaruit toch hoe we ons veel meer ingezet en uitgesloofd hebben dan die en die en heel veel anderen???

Als gezegd wordt: ‘wìj zijn Gods volk, Gods tempel is hier’; ‘wìj zijn kinderen van Abraham’; als we ons gedragen als de farizeeër, stipt opvolgend allerlei menselijke regeltjes en gebodjes, ons daarmee en daardoor vèr boven elk ander mens stellend. Opnieuw, hoe gemakkelijk regeert HOOGMOED in ons hart en uit zich naar buiten toe. Hoe gemakkelijk brengen ze ons tot grote rust en zelfgenoegzaamheid en zelfingenomenheid. Daar kunnen anderen een voorbeeld aan nemen. En als dat alles dan ook nog door anderen genoemd en geroemd en geprezen en luid verkondigd wordt, dàn …, ja, dàn is het met ons toch goed!!!

Merken we, doorzien we, dat we weer zèlf op de troon zitten? Ons al die lof en eer laten welgevallen, daarvan genieten, ja, daar niet zonder kunnen, ook niet willen? Want wat gebeurt? Dit, we meten ons af naar de maatstaven van de mèns, de menselijke méning, de méning van de dag! En geven we ons daaraan over in onze BLINDHEID!!!, daarmee vergetend, dat het slechts momentopname is, een ogenblik, hoe kortzichtig. Tegelijk, hoe gemakkelijk dènken we even later, dat Gòd net zo denkt en handelt, als mènsen.

Onderkènnen we al die sluipende gevaren en verleidingen en beproevingen, die daarin meekomen? En zeg nou zelf, als er één in de Bijbel genoemd wordt, die daar alle reden toe zou hebben om zó over zichzelf tevreden te zijn, dan wel Job. En iemand ànders speculeert daar heel sterk op: de duivel! Hoe is hìj er van overtuigd, dàt Job God vaarwel zal zeggen en vloeken àls Job beroofd wordt van al zijn bezit en kinderen, vervolgens doodziek psychisch gekweld wordt. En we kunnen niet anders zeggen, dan dat de duivel het alleruiterste gedaan heeft om dàt te bereiken. Niets en niemand sparend, meedogenloos.

Nee, we gaan Job niet op de troon zetten en hem verheerlijken, hem beroemen. Gòd komt alle eer en roem toe, dàt Hij Job door waar geloof staande deed blijven, dwars dóór al die beproevingen heen. Trachtend daarmee alles in de juiste Schriftuurlijke orde te zetten en te houden. Opdat we daaruit leren, dat we onszelf niet door middel van allerlei verleiding en beroeming bedriégen door toch opnieuw verstrikt te raken in onze zo geliefde HOOGMOED!

Verstaan we de oneindige BARMHARTIGHEID van God in de verkondiging van Zijn Woord? Dàt Hij ons zo opzoekt, ons onderwijst, ons trekt, ons wil redden en verlossen en bevrijden uit die geweldige DOODSSLAAP? Want telkens weer blijkt het, dat we daar zo in verstrikt zijn, ja, zo onwillig zijn om ons daaruit te laten trekken, dat God Zèlf ons daartoe als met geweld moet sleuren. En brengt Hij ons dan tot geloof, versterkt Hij dat geloof in ons, zien we terug, hoe langzaam en slap en lui blijken we vaak te zijn, om toch maar weer terug te vallen in het ‘oude’ leventje, in gemakzucht, in vooruit schuiven, in uitstellen, in ‘onze’ ijver af te meten met anderen, in woorden, ook in daden, ja, vooral in daden.

Hoe gemakkelijk stellen we er ons mee tevreden, dat we instemmen met het gebrachte en verkondigde Woord. Terwijl we even later van onze naaste medemens wèl verlangen en verwachten, dat hij zijn gegeven woord, belofte, toezegging, ook daadwerkelijk nakomt. Of het nu van ouders, man, vrouw, kind, collega of wie dan ook komt. Maar nu zelf, tegenover medemensen, maar eerst en vooral tegenover God. Denk aan onze openbare geloofsbelijdenis voor God, in de eerste plaats. Opnieuw, elke vrijblijvendheid ontbreekt.

Want we zien in die BARMHARTIGHEID van de verkondiging van het Woord tegelijk de geweldige rijkdom, het ontzaglijke voorrecht, dat God, de levende God, ook naar mìj omzag, ook mìj wilde en wil redden en verlossen uit de macht van duivel en zonde en dood. Niet tot mìjn eer en glorie, maar opdat ik Hèm weer ga dienen en liefhebben en geloven en vertrouwen, nu met veel gebreken en tekortkomingen, straks eeuwig in volmaaktheid.

Hoe is het mogelijk, mìj, terwijl Hij heel veel anderen voorbij gaat, terwijl Hij heel veel anderen in hun doodsslaap laat. Niet dat Hij niet roept, niet dat Hij niet nodigt, niet dat Hij niet trekt, integendeel. Toch, Hij trekt mij, elke dag weer, om Zijn Woord te lezen en te geloven, mij aan Hem toe te vertrouwen, wat er ook gebeurt. Maar dat niet uit of van mezelf, nee, het is Zìjn gave, door Hem Zelf gewerkt en gelegd. Verder kan ik niet gaan in woorden. Toch mag ik belijden: ik geloof! Tegelijk: HIJ werkte en werkt.

Dan zie ik, dat God Zijn begonnen werk in mij zal volmaken, dat Zijn begonnen werk van geloof in Hem dóór Hem bevestigd zal worden en dat Hij mij op Zijn tijd zal doen delen in de grote erfenis van onze Heere Jezus Christus, die als een schat is weggelegd voor allen die Hem onvergankelijk liefhebben en dienen.

Laten we ondertussen niet vergeten, dat onze HOOGMOED ons van dag tot dag bijblijft. De HOOGMOED, dat God om mìj, om òns niet heenkon, dat ìk, wìj, in, vanuit onszelf toch iets vóór hadden, hebben boven die ander. NEE!!!, God was tegenover niémand iets verplicht! Hoe moet ons dàt elke dag weer scherp voor ogen staan. En klèin houden!

Nee, ik begrijp er niets van, het gaat ver boven mijn verstand en begrip. Toch zie ik en ervaar ik elke dag weer, dat Gods Woord vol kracht en gezag is, door niemand te evenaren.

Hem Alleen zij alle eer en lof en aanbidding, nu en eeuwig. Geprezen Zijn grote BARMHARTIGHEID, dat Hij mij en heel veel anderen gegrepen heeft met Zijn Woord.

9 juli 2016

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *