4.6 BARMHARTIGHEID. Door Jezus Christus getoond en bewezen, de mens ten voorbeeld. V

6a. Evangelieverkondiging: Barmhartigheid! 1

Het zaaien van het goede Woord van God: BARMHARTIGHEID!

De Heere zaait het Woord met de oproep aan de mens tot geloof en bekering. Voorop staat telkens weer, dat de mens sinds de zondeval in zo’n geweldige doodsslaap ligt, dat alleen bovennatuurlijke krachten hem wakker kunnen schudden en wakker doen blijven. Dat doet God de Heilige Geest door de verkondiging van het Woord.

Hierbij zitten we meteen midden in de uitverkiezing. Toch is de mens geen dood voorwerp. En God behandelt de mens dus ook niet als zodanig. Integendeel. Immers, de mens is geschapen naar Gods beeld, naar Zijn gelijkenis. In het Bijbelboek Job zagen we, dat God langdurig zweeg tegenover Job, toen God aan de duivel de gelegenheid en ruimte en mogelijkheden gaf om Job zwaar te verzoeken. Lichamelijk, daarna, tegelijk, psychisch. Daarna zagen we, dat God dóór het geloof Job ìn dat geloof staande deed blijven.

Het is telkens weer dat onnavolgbare, dat onverklaarbare, dat onuitlegbare, dat de gelovige in beslag neemt. Want de gelovige kàn daarin in niéts op zichzelf, op iets in zichzelf of van zichzelf wijzen, als verklaring. De gelovige getuigt en belijdt, dat hij in niets afwijkt van de rest van de mensheid sinds de mensheid door de eerste twee mensen – Adam en Eva – zich liet verleiden en in zonde viel, ja, moedwillig zondigde. Eén uitzondering: de tweede Adam: Jezus Christus.

Alleen, die echo klinkt elke dag bij ieder mens weer door: U ZULT ALS GOD ZIJN!!!, en de mens hecht daar nog steeds alle geloof aan. God zèt daar tegenover: IK ZET VIJANDSCHAP!!!, en elke dag wordt de mens daarin bevestigd, want de wereld is vol geweldenarij in al haar praktijken en uitwerkingen. Op de ene plaats wat meer, op de andere wat minder, maar het blijken telkens weer momentopnames. Want even later gebeurt er dit en verandert de ‘vrede’ in paniek, angst, wantrouwen, jaloezie.

Hoewel de mens dit ziet, hoewel de politiek, de journalistiek, de pers, enz. enz. daar elke dag weer bol van staan, bekéért de mens zich niet en zegt het vertrouwen in die ‘belofte’ van de duivel niet op. En nee, ook het BEWIJS van God, dàt die gezètte vijandschap elke dag aanwijsbaar en tastbaar is, het brengt de mens niet tot inkeer.

ZO BLIND IS DE MENS IN ZIJN DOODSSLAAP!!! EN DE MENS WIL DAT ZELF ZO HOUDEN!!!

Maar God, de Schepper, wil het behoud van de mens. Daartoe heeft Hij de mens geschapen, opdat de mens als KIND, als onderkoning Hem zal loven en prijzen en dienen. En ná de zondeval behandelt Hij de mens niet als een dood ding, maar doet Hij de mens mèns blìjven. Naar Gods beeld en gelijkenis. Dat houdt meteen in, dat de mens zich nooit kan verontschuldigen, dat hij niet anders kòn, niet anders wìlde, omdat …, ja, omdat …. NEE!!!, de mens wordt er telkens weer toe opgeroepen, zich te bekeren, terug te keren tot God in waar geloof, daartoe de leugens van de duivel te haten en te ontvluchten, te mijden als een dodelijke ziekte.

Tegelijk zal die mens ook de strijd moeten aanbinden in een voortdurende worsteling tegen alle neigingen en lusten en verlangens en toegeven aan, van het oude vlees, van de wereld met haar begeren, want dóór de zondeval is de mens tegenover God en de naaste zó verkeerd en verdorven geworden, dat hij naar die oude natuur niet anders kàn, niet anders wìl, dan God en de naaste te haten.

Dan komt God naar die mens toe met Zijn Woord, met Zijn oproep tot geloof en bekering. En nee, geen duivel kan God daarin zó weerstaan, dat God moet toegeven, erkennen: IK sta hier en nu tegenover die macht van de duivel en al zijn raffinement en geslepenheid, machteloos. We zagen dat overduidelijk in II Koningen 5, in het Bijbelboek Esther, in het Bijbelboek Job. Ja, de hele Bijbel getuigt er van, dàt Gods Woord en belofte volkomen BETROUWBAAR zìjn en blìjven, eeuwig.

Daarom is die oproep van God tot alle mensen ook nooit een zinloze bezigheid, een vruchteloos iets, wat toch niet helpt, wat toch niets oplevert. Hoe moeilijk komt de mens uit die DOODSSLAAP! Want kìjk nou toch eens, wat een geweldige overmacht zich elke dag weer vertoont in òngeloof, allerlei andere ‘geloven’. Wie kan daar nog uit wijs worden wàt het ware geloof is? En als we daarbij noemen de geweldige kerkelijke verdeeldheid, daarnaast de eindeloze rij sekten en bewegingen, die van God en Zijn Woord een karikatuur maken, door één aspect, enkele gegevens uit de Schrift te verklaren het héle Woord van God te zijn. Maar die andere in de Schrift genoemde en aangegeven zaken dan?

Juist, en dat moet tot grote voorzichtigheid brengen. In de eerste plaats het kijken in de spiegel: IK, mens, èn door de zonde, èn door mijn kleinheid als schepsel tegenover de Schepper waardoor ik altijd voor God klein ben en blijf, hoewel Hij mij geschapen heeft als onderkoning – vgl. Psalm 8! – ze moeten me telkens weer tot grote bescheidenheid brengen. En daarom moet ik telkens weer mij vóór alles laten onderwijzen, leren, terechtwijzen, vermanen, corrigeren, door dat ene Woord van de levende God.

Maar dat betekent tegelijk radicaal àfzien van mezelf, eigen inzicht en verstand en redeneren. Nog sterker, die telkens weer onderwerpen áán het geopenbaarde Woord. Met als opdracht en vrucht dat Woord, de BETROUWBAARHEID aan dat Woord, daarmee de God van dat Woord, in rijkdom en betrouwbaarheid en duurzaamheid vèr te achten en te houden bóven alle beloften en garanties en verzekeringen, waarmee de duivel komt.

De duivel, zijn volgers, doen er àlles aan, brengen àlles wat mogelijk is in stelling, òm de mens maar in die DOODSSLAAP te houden, òm die mens maar vast te houden in het vertrouwen op zichzelf en eigen hebben en weten en kunnen en presteren. Hoe betoverend gaat hij, gaan zijn volgers, daarin te werk, dag in, dag uit.

Maar let op, zie, dat de duivel, zijn volgers, altijd weer beginnen met het ONbetrouwbaar voorstellen van Gods Woord, Zijn beloften, Zijn wetten en geboden. En als God nadrukkelijk gebiedt naar Zijn wetten en geboden te leven, ja, ook in deze door de zonde zo verdorven wereld, dan doet de duivel er àlles aan om dat voor te stellen als ònmógelijk, hier, nu, in deze omstandigheid. Daarbij zal de duivel alle tijd en aandacht vragen om aan te tonen, te bewijzen!!!, wijzend op de geweldige aantallen, de enorme invloed, de wetenschap, de voortgaande ontwikkelingen op tal van gebieden, de groei van alle welvaart, enz. enz., dàt God het ONMOGELIJKE!!! vraagt, eist, gebiedt. Daarnaast, tegelijk, kijk eens naar die, en die, en die, zulke vrome mensen, zulke fijne geesten, die het zo goed bedoelen, en die hebben er toch ook geen moeite mee om met de tijdgeesten mee te gaan, tevreden te zijn en toe te geven aan de waardevolle en zorgvuldige compromissen.

Merk op, dat de duivel er over ZWIJGT!!!, dat dat meegaan, dat toegeven, dat verdragen van al die tijdgeesten, dat geloof hechten en vertrouwen op de duurzaamheid en houdbaarheid van al die compromissen, telkens weer BLIJKT van zeer korte duur te zijn, weinig meer dan lucht en drijfzand. Want de duivel wil telkens weer doen geloven, dat zo’n moment nooit meer verandert, dat dat moment, die situatie àltijd zo blijft, geslachten lang.

Gòd laat de hele geschiedenis door zién!, dat Hij regeert, dat Hij al die tijdgeesten en valse profeten telkens weer TE KIJK zet en doet staan, beladen met grote schaamte en schande, overduidelijk daarin doet blijken, dat Zijn Woord ALTIJD doet wat Hem behaagt en uitvoert wat Hij wil en zó nooit leeg terug keert, als was het zinloos en nutteloos. Vergelijk Genesis 1.

Heeft de mens in en door het geloof die geweldige rijkdom van het Woord, van de verkondiging van het Woord in al haar delen, in belofte en eis, in zegenwens en vloek, in vermaan en dreiging, leren zien en kennen, en brengt dat die mens tot een heilig beven voor het Woord, voor de God van het Woord? Dan keert die mens zich in wedergeboren-zijn af van zichzelf en alle eigen begeren, dan leert hij gaandeweg – daartoe onderwezen en geleerd door de Heilige Geest! – steeds duidelijker te onderkennen en te onderscheiden wàt naar Gods Woord en wil is, en daaraan gehoorzamen. Tegelijk, wàt de duivel en zijn volgers allemaal naar voren brengen om het Woord te verstikken en ten onder te brengen, en zo die mens weer terug te brengen in zìjn slavernij, des te dringender de opdracht: onderkèn, onderscheidt, waakt, doe grote moeite om staande te blijven, strijdt!

Nee, de duivel zal dat nooit hardop zeggen. Telkens weer probeert hij het zó voor te stellen, dat hier en nu hèt leven is, dat de mens zèlf de door hem gegeven belofte – U ZULT ALS GOD ZIJN! – kan bewerken en waarmaken. En (uiteraard!) zegt de duivel er niet bij dat daartoe alle middelen en methoden en manieren geoorloofd zijn om dat te bereiken. En (uiteraard!) zegt de duivel er niet bij dat hij diezelfde belofte ook elke dag influistert bij die buurman, die collega, dat kind, die werkgever, die ondernemer. Hèt individualisme!

Dan komt God die terugkeer van de in de door de zonde gevallen mens niet bewerken en bewerkstelligen en verwezenlijken met groot geweld en machtsvertoon, maar door Zijn Woord, door Zijn Geest, Die dóór het geloof aan dat Woord die mens terugbrengt uit de slavernij aan de KNECHT – de duivel – tot het weer vrij-zijn van die slavernij en zo als KIND van God weer te heersen – in begin hier en nu – óver de knecht, de duivel. Herstel van de door God gezètte òrde!

Inderdaad, dóór Zijn Geest en Woord. En dan wordt de door God geëiste gerechtigheid van die in en door de zonde door en door verdorven mens door God niet achteloos terzijde geschoven – daarmee die gerechtigheid als ‘onbelangrijk’ achtend en waarderend – nee, dan wijst Hij op Jezus Christus. Jezus Christus, Gods Zoon, gekomen om te dienen en om Gods geëiste gerechtigheid te volbrengen, daarbij de straf en toorn over de ongerechtigheid van de zonde dóór de mens, dragend en wègdragend. Als straffeloos Lam, gedurende heel Zijn leven, maar vooral aan het kruis. Onschuldig, in de plaats van al Zijn kinderen.

Tégen alle individualisme, de geméénschap der heiligen. Hoe háát de duivel die gemeenschap! Herinner, hij begeert enkel ontbinding en ontwrichting, omverwerping van alle door God gestelde en gezette ordes. En dat doel heiligt àlle middelen. En God zèt daar tegenover: Zijn Woord, de verkondiging ervan; het kruis, het offer door Jezus Christus. Nooit is er groter tegenstelling geweest. Toch is de uitkomst bekend: Het Woord overwint, in Jezus Christus, door de Heilige Geest, tot lof en eer van de levende God.

De Heere Jezus is gekomen, wijzend op Zijn Woord, Zichzelf gelijkstellend met Zijn Woord, Johannes 14:21, 23, 24: ‘Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren. 23 Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. 24 Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.’

9 juli 2016

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *