3.1k Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 137:7-9:
7-9. HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan de dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe! 8 O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt. 9 Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.

Psalm 138:6-8: van David
6-8. Want de HEERE is hoog, nochtans ziet Hij de nederige aan, en de verhevene kent Hij van verre. 7 Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt Gij mij levend; Uw hand strekt Gij uit tegen de toorn mijner vijanden, en Uw rechterhand behoudt mij. 8 De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in der eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.

Psalm 139:19-22: van David
19-22. O God! dat Gij de goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij! 20 Die van U schandelijk spreken, [en] Uw vijanden ijdellijk verheffen. 21 Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan? 22 Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

Psalm 140:
1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Red mij, HEERE! van de kwade mens; behoed mij voor de man alles gewelds; 3 Die veel kwaads in het hart denken, alle dag samenkomen om te oorlogen. 4 Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela. 5 Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van de man alles gewelds; [van] [hen], die mijn voeten denken weg te stoten. 6 De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela. 7 Ik heb tot de HEERE gezegd: Gij zijt mijn God; neem ter ore, o HEERE! de stem mijner smekingen. 8 HEERE, Heere, Sterkte mijns heils! Gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening. 9 Geef, HEERE! de begeerten des goddelozen niet; bevorder zijn kwaad voornemen niet; zij zouden zich verheffen. Sela. 10 Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen. 11 Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan. 12 Een man van [kwade] tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, die zal men jagen, totdat hij geheel verdreven is. 13 Ik weet, dat de HEERE de rechtzaak des ellendigen, [en] het recht der nooddruftigen zal uitvoeren. 14 Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen Uw Naam loven; de oprechten zullen voor Uw aangezicht blijven.

Psalm 141: 4, 9, 10: van David
4. Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enige handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
9. Bewaar mij voor het geweld des striks, [die] zij mij gelegd hebben, en [voor] de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
10. Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.

Psalm 142:
1 Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was. 2 Ik riep met mijn stem tot de HEERE; ik smeekte tot de HEERE met mijn stem. 3 Ik stortte mijn klacht uit voor Zijn aangezicht; ik gaf te kennen voor Zijn aangezicht mijn benauwdheid. 4 Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op de weg, die ik gaan zou. 5 Ik zag uit ter rechterhand, en ziet, zo was er niemand, die mij kende, er was geen ontvlieden voor mij; niemand zorgde voor mijn ziel. 6 Tot U riep ik, o HEERE! ik zei: Gij zijt mijn Toevlucht, mijn Deel in het land der levenden. 7 Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijn vervolgers, want zij zijn machtiger dan ik. 8 Voer mijn ziel uit de gevangenis, om Uw Naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer Gij wel bij mij zult gedaan hebben.

Psalm 143:3, 9, 11, 12: van David
3. Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.
9. Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
11. O HEERE! maak mij levend, om Uws Naams wil; voer mijn ziel uit de benauwdheid, om Uw gerechtigheid.
12. En roei mijn vijanden uit, om Uw goedertierenheid, en breng hen om, allen, die mijn ziel beangstigen; want ik ben Uw knecht.

Psalm 144:4-8, 10, 11: van David
4-8. De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw. 5 Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken. 6 Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen. 7 Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden; 8 Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.
10. Gij, die de koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;
11. Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

Hoe doordrenken bovenstaande teksten, gedeelten, hoofdstukken het boek der Psalmen!

Opdat wij niet vergeten!

Hoe ontzaglijk rijk, als we dan telkens weer mogen lezen van Job, van de Psalmisten, dat ze in wáár geloof hun vertrouwen op God gesteld hebben en niét beschaamd zijn uitgekomen. Hem alle eer en lof en aanbidding! Opdat we hen in vast vertrouwen ijverig navolgen, in woord, in daad, in gedachte, in gezindheid, in Psalmgezang.

Maar wàt, als het boek der Psalmen uit de gezinnen, uit de erediensten wordt weggenomen en plaats moet maken voor ‘eigentijdse’ liederen? Heeft u de duivel fel horen protesteren, zijn volgers, tégen de vervanging? Bemerkt u, dat zij juist aanmoedigen en allerlei voorwendsels aanvoeren om de verwijdering begrijpelijk en aannemelijk en aanlokkelijk te maken? En nee, er wordt stilzwijgend aan voorbijgegaan, dat de verwijdering van het Psalmboek uit de kerken de kerkmens juist brèngt en vóert naar- en in de grote VERBLINDING en vervult met de grote LEUGEN: er ìs geen psychische OORLOG (meer)! Uit Job leren we het niet, het Psalmboek gaat ook definitief dicht. Alleen die psalmen, alleen die verzen, die in de verste verte niet meer te herleiden zijn met- en herinneren aan die psychische OORLOG, die worden nog een keer opgegeven en gezongen.

Opnieuw moet ik met grote verbijstering het raffinement en de sluwheid van de duivel daarin opmerken. Waar geen wéét is vàn de psychische OORLOG, daar is ook geen bereidheid tòt het voeren van die psychische OORLOG, daar is ook geen bewapening vóór het voeren van die psychische OORLOG. Voor we aan die psychische OORLOG denken, hebben we feitelijk al gecapituleerd! En, gecapituleerd hebben betekent niets minder dan de duivel gelóven in zijn VERBLINDING en LEUGENS, èn blindelings volgen.

Zolang we hier en nu leven krijgen van onze barmhartige God, laten we (ook) die psychische OORLOG voeren, vast staande in het ware geloof, wetend, dat de overwinning in Christus vast staat. Hij zal door Zijn Heilige Geest het ware geloof in ons doen standhouden en bevestigen, zodat we de duivel en zijn volgers daarin blijvend vastberaden weerstaan en overwinnen.

Die psychische OORLOG duurt totdat Christus weerkomt of tot ons overlijden. Tot zolang zullen we hier en nu waakzaam moeten zijn en wakende moeten strijden, ook al lacht de hele wereld ons uit. En telkens weer moeten we tot die strijd aangemoedigd en versterkt worden door Gods Woord, door de Bijbelboeken Job en Psalmen in hun geheel. Laat onze liefde tot het Psalmboek steeds groter en steeds intenser worden.

De Heere geve ons grote vastberadenheid en vasthoudendheid in het geloof, om – waar dat nodig is – alle ‘eigentijdse’ liederen zo snel mogelijk te verwijderen.

Of willen we wijzer zijn dan God en het beter weten en … BLIND blijven, en … de LEUGEN vertrouwen???

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *