3.1j Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 110:1: van David
1. Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten.

Psalm 118:7, 10-12, 22, 23:
7. De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik [mijn] [lust] zien aan degenen, die mij haten.
10-12. Alle heidenen hadden mij omringd; het is in de Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb. 11 Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in de Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb. 12 Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in de Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
22. De steen, [dien] de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.
23. Dit is van de HEERE geschied, [en] het is wonderlijk in onze ogen.

Psalm 119:21-23, 42, 50, 51, 53, 61, 67, 69-71, 78, 84-87, 95, 104, 107, 110, 118, 119, 121, 122, 133, 134, 136, 139, 150, 153-159, 161, 163:
21-23. Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen. 22 Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden. 23 [Als] zelfs de vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft Uw knecht Uw inzettingen betracht.
42. Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
50. Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
51. De hovaardigen hebben mij boven mate zeer bespot; [nochtans] ben ik van Uw wet niet geweken.
53. Grote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddelozen, die Uw wet verlaten.
61. De goddeloze hopen hebben mij beroofd; [nochtans] heb ik Uw wet niet vergeten.
67. Eer ik verdrukt werd, dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw woord.
69-71. De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; [doch] ik bewaar Uw bevelen van ganser harte. 70 Hun hart is vet als smeer; [maar] ik heb vermaak [in] Uw wet. 71 Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw inzettingen leerde.
78. Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; [doch] ik betracht Uw geboden.
84-87. Hoe vele zullen de dagen Uws knechts zijn? Wanneer zult Gij recht doen over mijn vervolgers? 85 De hovaardigen hebben mij putten gegraven, hetwelk niet is naar Uw wet. 86 Al Uw geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij. 87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb Uw bevelen niet verlaten.
95. De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
104. Uit Uw bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.
107. Ik ben gans zeer verdrukt, HEERE! maak mij levend naar Uw woord.
110. De goddelozen hebben mij een strik gelegd; nochtans ben ik niet afgedwaald van Uw bevelen.
118. Gij vertreedt al degenen, die van Uw inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.
119. Gij doet alle goddelozen der aarde weg [als] schuim, daarom heb ik Uw getuigenissen lief.
121. Ain. Ik heb recht en gerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijn onderdrukkers.
122. Wees borg voor Uw knecht ten goede; laat de hovaardigen mij niet onderdrukken.
133. Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
134. Verlos mij van des mensen overlast, en ik zal Uw bevelen onderhouden.
136. Waterbeken vlieten af uit mijn ogen, omdat zij Uw wet niet onderhouden.
139. Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijn wederpartijders Uw woorden vergeten hebben.
150. Die kwade praktijken najagen, genaken [mij], zij wijken verre van Uw wet.
153-159. Resch. Zie mijn ellende aan, en help mij uit, want Uw wet heb ik niet vergeten. 154 Twist mijn twistzaak, en verlos mij, maak mij levend, naar Uw toezegging. 155 Het heil is verre van de goddelozen, want zij zoeken Uw inzettingen niet. 156 HEERE! Uw barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar Uw rechten. 157 Mijn vervolgers en mijn wederpartijders zijn vele, [maar] van Uw getuigenissen wijk ik niet. 158 Ik heb gezien degenen, die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij, dat zij Uw woord niet onderhielden. 159 Zie aan, dat ik Uw bevelen lief heb, o HEERE! maak mij levend naar Uw goedertierenheid.
161. Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
163. Ik haat de valsheid, en heb er een gruwel van; [maar] Uw wet heb ik lief.

Psalm 120:
1 Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot de HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord. 2 O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong. 3 Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen? 4 Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders gloeiende jeneverkolen. 5 O, wee mij, dat ik een vreemdeling ben [in] Mesech, dat ik in de tenten Kedars wone. 6 Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die de vrede haten. 7 Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan de oorlog.

Psalm 123:3, 4:
3. Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.
4. Onze ziel is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hovaardigen.

Psalm 124:
1 Een lied Hammaaloth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israel, 2 Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden; 3 Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak. 4 Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn. 5 Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn. 6 De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof. 7 Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit de strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen. 8 Onze hulp is in de Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

Psalm 125:5:
5. Maar die zich neigen [tot] hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!

Psalm 127:5: van Salomo
5. Welgelukzalig is de man, die zijn pijlkoker met dezelve gevuld heeft; zij zullen niet beschaamd worden, als zij met de vijanden spreken zullen in de poort.

Psalm 129:
1 Een lied Hammaaloth. Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijn jeugd af, zegge nu Israel; 2 Zij hebben mij dikwijls van mijn jeugd af benauwd; evenwel hebben zij mij niet overmocht. 3 Ploegers hebben op mijn rug geploegd; zij hebben hun voren lang getogen. 4 De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen. 5 Laat hen beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen, die Sion haten. 6 Laat hen worden als gras op de daken, hetwelk verdort, eer men het uittrekt; 7 Waarmede de maaier zijn hand niet vult, noch de garvenbinder zijn arm; 8 En die voorbijgaan, niet zeggen: De zegen des HEEREN zij bij u! Wij zegenen ulieden in de Naam des HEEREN.

Psalm 136:23, 24:
23. Die aan ons gedacht heeft in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
24. En Hij heeft ons onze tegenpartijders ontrukt; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *