3.1i Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 89:23, 24, 40-47, 51, 52: van Ethan
23. De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.
24. Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.
40-47. Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde. 41 Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen. 42 Allen, die de weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest. 43 Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd. 44 Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in de strijd. 45 Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten. 46 Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela. 47 Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?
51. Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, die ik in mijn boezem draag, [van] alle grote volken.
52. Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden.

Psalm 91:8, 13-15:
8. Alleenlijk zult gij het met uw ogen aanschouwen; en gij zult de vergelding der goddelozen zien.
13-15. Op de felle leeuw en de adder zult gij treden, gij zult de jonge leeuw en de draak vertreden. 14 Dewijl hij Mij zeer bemint, [spreekt] [God], zo zal Ik hem uithelpen; Ik zal hem op een hoogte stellen, want hij kent Mijn Naam. 15 Hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhoren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn. Ik zal er hem uittrekken, en zal hem verheerlijken.

Psalm 92:7, 8, 10, 12:
7. Een onvernuftig man weet er niet van, en een dwaas verstaat ditzelve niet;
8. Dat de goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden.
10. Want zie, Uw vijanden, o HEERE! want zie, Uw vijanden zullen vergaan; al de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.
12. En mijn oog zal mijn verspieders aanschouwen; mijn oren zullen het horen, aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.

Psalm 94:2-10, 16-23:
2-10. Gij, Rechter der aarde! verhef U; breng vergelding weder over de hovaardigen. 3 Hoe lang zullen de goddelozen, o HEERE! hoe lang zullen de goddelozen van vreugde opspringen? 4 Uitgieten? hard spreken? alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen? 5 O HEERE! zij verbrijzelen Uw volk, en zij verdrukken Uw erfdeel. 6 De weduwe en de vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen. 7 En zeggen: De HEERE ziet het niet, en de God van Jakob merkt het niet. 8 Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden? 9 Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen? 10 Zou Hij, Die de heidenen tuchtigt, niet straffen, Hij, Die de mens wetenschap leert?
16-23. Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners? Wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid? 17 Ten ware dat de HEERE mij een Hulp geweest ware, mijn ziel had bijna in de stilte gewoond. 18 Als ik zei: Mijn voet wankelt; Uw goedertierenheid, o HEERE! ondersteunde mij. 19 Als mijn gedachten binnen in mij vermenigvuldigd werden, hebben Uw vertroostingen mijn ziel verkwikt. 20 Zou zich de stoel der schadelijkheden met U vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting? 21 Zij rotten zich samen tegen de ziel des rechtvaardigen, en zij verdoemen onschuldig bloed. 22 Doch de HEERE is mij geweest tot een Hoog Vertrek, en mijn God tot een Steenrots mijner toevlucht. 23 En Hij zal hun ongerechtigheid op hen doen wederkeren, en Hij zal hen in hun boosheid verdelgen; de HEERE, onze God, zal hen verdelgen.

Psalm 97:3, 10:
3. Een vuur gaat voor Zijn aangezicht heen, en het steekt Zijn wederpartijen rondom aan brand.
10. Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.

Psalm 101:3-5, 7, 8: van David
3-5. Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven. 4 Het verkeerde hart zal van mij wijken; de boze zal ik niet kennen. 5 Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; die zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.
7. Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
8. Alle morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

Psalm 102:1-12:
1-12. 1 Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN. 2 O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen. 3 Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk. 4 Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard. 5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, [zodat] ik vergeten heb mijn brood te eten. 6 Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens. 7 Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen. 8 Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak. 9 Mijn vijanden smaden mij al de dag; die [tegen] mij razen, zweren bij mij. 10 Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen. 11 Vanwege Uw verstoordheid en Uw grote toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij [weder] nedergeworpen. 12 Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.

Psalm 103:6: van David
6. De HEERE doet gerechtigheid en gerichten al dengenen, die onderdrukt worden.

Psalm 105:25:
25. Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.

Psalm 106:10, 11, 41-46:
10. En Hij verloste hen uit de hand des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
11. En de wateren overdekten hun wederpartijders; niet een van hen bleef over.
41-46. En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen. 42 En hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand. 43 Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden [Hem] door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid. 44 Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde. 45 En Hij dacht tot hun beste aan Zijn verbond, en het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden. 46 Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen, die hen gevangen hadden.

Psalm 107:2:
2. Dat [zulks] de bevrijden des HEEREN zeggen, die Hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft.

Psalm 109:
1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet. 2 Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong. 3 En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak. 4 Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was [steeds] [in] [het] gebed. 5 En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde. 6 Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand. 7 Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde. 8 Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt; 9 Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe. 10 En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en [de] [nooddruft] uit hun verwoeste plaatsen zoeken. 11 Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven. 12 Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid [over] [hem] uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij. 13 Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht. 14 De ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij de HEERE, en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd. 15 Dat zij gedurig voor de HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde. 16 Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft de ellendige en de nooddruftige man vervolgd, en de verslagene van hart, om [hem] te doden. 17 Dewijl hij de vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot de zegen, zo zij die verre van hem. 18 En hij zij bekleed met de vloek, als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als de olie in zijn beenderen. 19 Die zij hem als een kleed, [waarmede] hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt. 20 Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van de HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel. 21 Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij. 22 Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn hart is in het binnenste van mij doorwond. 23 Ik ga heen gelijk een schaduw, wanneer zij zich neigt; ik worde omgedreven als een sprinkhaan. 24 Mijn knieen struikelen van vasten, en mijn vlees is vermagerd, zodat er geen vet aan is. 25 Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd. 26 Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid. 27 Opdat zij weten, dat dit Uw hand is, [dat] Gij het, HEERE! gedaan hebt. 28 Laat hen vloeken, maar zegen Gij; laat hen zich opmaken, maar dat zij beschaamd worden; doch dat zich Uw knecht verblijde. 29 Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel. 30 Ik zal de HEERE met mijn mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik Hem prijzen. 31 Want Hij zal de nooddruftige ter rechterhand staan, om [hem] te verlossen van degenen, die zijn ziel veroordelen.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *