3.1h Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 75:4-9, 11: voor Asaf
4-9. Het land en al zijn inwoners waren versmolten; [maar] ik heb zijn pilaren vastgemaakt. Sela. 5 Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt de hoorn niet. 6 Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt [niet] met stijve hals. 7 Want het verhogen [komt] niet uit het oosten, noch uit het westen, noch uit de woestijn; 8 Maar God is Rechter; Hij vernedert dezen, en verhoogt genen. 9 Want in des HEEREN hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en Hij schenkt daaruit; doch alle goddelozen der aarde zullen zijn droesemen uitzuigende drinken.
11. En ik zal alle hoornen der goddelozen afhouwen; de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

Psalm 76:4-11: van Asaf
4-11. Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van de boog, het schild, en het zwaard, en de krijg. Sela. 5 Gij zijt doorluchtiger [en] heerlijker dan de roofbergen. 6 De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden. 7 Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken. 8 Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van de tijd Uws toorns af? 9 Gij deedt een oordeel horen uit de hemel; de aarde vreesde en werd stil, 10 Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela. 11 Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.

Psalm 78:42, 53, 61, 66: van Asaf
42. Zij dachten niet aan Zijn hand, aan de dag, toen Hij hen van de wederpartijder verloste;
53. Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.
61. En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.
66. En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

Psalm 79:
1 Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben de tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld. 2 Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands. 3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef. 4 Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn. 5 Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden? 6 Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen. 7 Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest. 8 Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden. 9 Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil. 10 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden. 11 Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms. 12 En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben. 13 Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.

Psalm 80:3-8: van Asaf
3-8. Wek Uw macht op voor het aangezicht van Efraim, en Benjamin, en Manasse, en kom tot onze verlossing. 4 O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. 5 O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks? 6 Gij spijst hen met tranenbrood, en drenkt hen met tranen uit een drieling. 7 Gij hebt ons onze naburen tot een twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich. 8 O God der heirscharen! breng ons weder, en laat Uw aangezicht lichten; zo zullen wij verlost worden.

Psalm 81:14-16: van Asaf
14-16. Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israel in Mijn wegen gewandeld had! 15 In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders. 16 Die de HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.

Psalm 82:
1 Een psalm van Asaf. God staat in de vergadering Godes; Hij oordeelt in het midden der goden; 2 Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela. 3 Doet recht de arme en de wees; rechtvaardigt de verdrukte en de arme. 4 Verlost de arme en de behoeftige, rukt [hem] uit der goddelozen hand. 5 Zij weten niet, en verstaan niet; zij wandelen steeds in duisternis; [dies] wankelen alle fondamenten der aarde. 6 Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden; en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten; 7 Nochtans zult gij sterven als een mens; en als een van de vorsten zult gij vallen. 8 Sta op, o God! oordeel het aardrijk, want Gij bezit alle natien.

Psalm 83:
1 Een lied, een psalm van Asaf. 2 O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God! 3 Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op. 4 Zij maken listiglijk een heimelijke aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen. 5 Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan de naam Israels niet meer gedacht worde. 6 Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt; 7 De tenten van Edom en der Ismaelieten, Moab en de Hagarenen; 8 Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus. 9 Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn de kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela. 10 Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison; 11 [Die] verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde. 12 Maak hen [en] hun prinsen als Oreb en als Zeeb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmuna; 13 Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen. 14 Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor de wind. 15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt; 16 Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind. 17 Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken. 18 Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen; 19 Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.

Psalm 86:14, 16, 17: van David
14. O God! de hovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tirannen zoeken mijn ziel; en zij stellen U niet voor hun ogen.
16. Wend U tot mij, en zijt mij genadig, geef Uw knecht Uw sterkte, en verlos de zoon Uwer dienstmaagd.
17. Doe aan mij een teken ten goede, opdat het mijn haters zien, en beschaamd worden, als Gij, HEERE! mij geholpen, en mij getroost zult hebben.

Psalm 88:
1 Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor de opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, de Ezrahiet. 2 O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U. 3 Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei. 4 Want mijn ziel is der tegenheden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf. 5 Ik ben gerekend met degenen, die in de kuil nederdalen; ik ben geworden als een man, die krachteloos is; 6 Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand. 7 Gij hebt mij in de onderste kuil gelegd, in duisternissen, in diepten. 8 Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt [mij] nedergedrukt met al Uw baren. Sela. 9 Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een grote gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen. 10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; HEERE! ik roep tot U de ganse dag; ik strek mijn handen uit tot U. 11 Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Sela. 12 Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? 13 Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid? 14 Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in de morgenstond. 15 HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, [en] verbergt Uw aanschijn voor mij? 16 Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig. 17 Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan. 18 De ganse dag omringen zij mij als water; te zamen omgeven zij mij. 19 Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan; mijn bekenden zijn [in] duisternis.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *