22. De oorlogsverklaring van Genesis 3 door Gods KIND Elihu zuiver bevestigd. IV

In Job 36 bezingt Elihu de almacht en de alwijsheid van God, die door mensen niet te doorgronden zijn. De Heere ziet nauwlettend toe op de handel en wandel van de mensenkinderen. De goddelozen doet Hij op Zijn tijd vergaan. Hen, die recht handelen, en het recht van de Heere liefhebben en doen, en daarin volharden aan de ene kant. Daarnaast hen, die zich van de rechte weg afkeren en vervolgens hardnekkig weigeren zich te bekeren. De Heere ziet hen en zal hen allen rechtvaardig oordelen naar hun handel en wandel.

In Job 36:17-19 zegt Elihu – gezien het verband – tegen de drie vrienden: ‘Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden [u] vast. Omdat er grimmigheid is, [wacht] [u], dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen. Zou Hij uw rijkdom achten, [dat] [gij] niet in benauwdheid zoudt zijn; of enige versterkingen van kracht?’ Hoe waarschuwt hij hen met dreiging van God, de grote Rechter, daar Elihu hun handelwijze ten opzichte van Job aanmerkt als goddeloos.

Verder merkt Elihu op, dat hun rijkdom hen niet baten zal in het gericht bij God. Hoe moeten we telkens weer die les in acht nemen. God is onpartijdig! God is onomkoopbaar! Onze rijkdom is Zijn eigendom en Hij beschikt er over in Zijn toorn en naar Zijn welbehagen. Opdat de mens zich heel klein weet voor zijn Schepper, zich diep verootmoedigt en zich met haast van harte bekeert.

Job 36:31: ‘Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.’ In de voorgaande verzen beschrijft Elihu Gods vorming van wolken en regen, voor de mens onnavolgbaar. Het tweede: voedsel in overvloed. Twee getuigen, die ieder mens van dag tot dag ziét, moet zien. Die twee getuigen moeten ieder mens overtuigen, dat God regeert. Geen mens kan nog zeggen: God bestaat niet. En die twee getuigen zullen ieder mens, die niet gelooft, in het ongelijk stellen en veroordelen.

In Job 37:1-13 omschrijft Elihu enkele onderdelen van Gods grootheid, Gods almacht, Gods majesteit, Gods wijsheid daarin. Merkt u, merken wij, hoe gebrekkig elk menselijk woord is om die grootheid, die almacht, die majesteit, die wijsheid, zó te benoemen, zó te omschrijven, dat we daarmee volledig rècht doen aan al die deugden? Opdat de mens voor God vréést, als begin van menselijke wijsheid. Want die wijsheid keert àlle eigenwijsheid van en in de zondeval de rug toe, en onderwerpt zich met haast aan de Wijsheid van God en wil in en door het geloof weer graag en van harte door God geleerd worden.

Job 37:14: ‘Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.’ Elihu vermaant Job! daarmee, zijn vriend. Hoe schittert de oprechtheid van Elihu hierin. Het is zó verleidelijk, zó aantrekkelijk, zó gemakkelijk, om partijdig te zijn. Maar bedenk, dat partijdigheid LIEFDELOOS is. En NOOIT mag recht en gerechtigheid losgekoppeld worden van liefde, liefhebben. Dit moet ons altijd scherp voor ogen staan, met betrekking tot de zònde! Hebben wij God lief, dan móeten we de zonde háten, veràfschuwen en de zondáár – vriend of vijand – in liefde waarschuwen. Hebben wij God niét lief – daarmee SLAAF van de KNECHT!, art. 18 – dan volgt daaruit, dat we partijdig zìjn en móeten zijn. De gevolgen zijn verschrikkelijk: van een ‘foutje’ wordt een doodzonde gemaakt, van een zónde een vergissing; een vijand wordt diep de hel ingetrapt, van een vriend wordt de ergste zonde met een glimlach vergeven.

Elihu heeft naar Gods openbaring gewèigerd partijdig of omkoopbaar te zijn. Hij bestraft de drie vrienden met harde woorden, hij vermaant Job onomwonden.

Elihu stelt Job enkele vragen – vs. 15-18, 20a – om Job tot bezinning te brengen. Dan zegt Elihu, Job 37:19: ‘Onderricht ons, wat wij Hem zeggen zullen; [want] wij zullen niets ordentelijk voorstellen kunnen vanwege de duisternis.’ Wat een liefdevolle terechtwijzing! Dat kan Elihu alleen doen, als hij eerst zichzèlf diep vernederd heeft onder Gods majesteit. Maar zich zó vernederd hebbend, staat Elihu dan ook beslist op en vermaant zijn broeder Job. Ieder mens ziet meteen, dat partijdigheid en omkoopbaarheid hierbij totaal wezensvreemd zijn. Ze verdrágen elkaar nooit!

Elihu besluit met Job 37:23, 24: ‘De Almachtige, Die kunnen wij niet uitvinden; Hij is groot van kracht; doch [door] gericht en grote gerechtigheid verdrukt Hij niet. Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van hart aan.’ Hoe treffend sluit Elihu zijn redevoeringen af. Hij heeft scherp onderscheiden, dat God waarachtig rechtvaardig en dùs onpartijdig en onomkoopbaar is. En zó heeft ook Elihu getracht èn de vrienden, èn Job, recht te doen en hen onpartijdig ernstig aan te spreken en te vermanen, zonder aanzien van persoon.

Enkele te trekken lessen uit het Bijbelboek Job:
recht, oprecht, rechtvaardig, gerechtigheid
onrecht, onrechtvaardig, onrechtvaardigheid, ongerechtigheid

God is recht, volmaakt recht in al Zijn spreken, in al Zijn handelen. Alles wat van God uit gaat is recht, oprecht. God is Bron en Oorsprong van recht en gerechtigheid. Zó Gods recht en gerechtigheid omschrijvend in het kort naar Gods Eigen Woord, móet God àlles wat daarvan afwijkt, àlles wat daarmee strijdt, door Hem hartgrondig geháát en veràfschuwd worden. Wie kan bestaan voor dié God! Daarom móeten al Zijn oordelen, al Zijn ordes, al Zijn wetten, al Zijn Woorden, al Zijn veroordelingen, enz. ze móeten volmaakt rechtvaardig zijn, naar Zijn rechtvaardig oordeel.

We gaan even verder: als àl de zonde, àl het onrecht, àl de onrechtvaardigheid, àl de ongerechtigheid, door Gòds volmaakt recht geoordeeld en veroordeeld worden, hoe gróót moet dan Gods wráák wel zijn over àl het gedachte, gesproken, geschreven en gedane ònrecht. Gods wraak in haar oordeel, in haar veroordeling, in haar uitvoering, eeuwig! Die wraak kàn en móet zó totaal, zó volledig, zó intens, zó Goddelijk heilig en rechtvaardig zijn, dat elke beschrijving ernstig tekort schiet.

De mens oordeelt ná de zondeval, vanuit de mens, niet onderscheidend. De bekeerde mens ziet eerst op God, Zijn Woord, erkent Gods recht en gerechtigheid en zet zich die voor ogen op alle terreinen van het leven. Dan ziet die bekeerde mens, verlicht door de Heilige Geest, dat het ònrecht heerst op aarde, in de mens, de mens, die leeft naar wat voor ogen is, wat met het verstand beredeneerd kan worden. Hij ziet ook, dat Gods recht en gerechtigheid met voeten getreden worden en dat eigenwilligheid en willekeur regeren. Dan onderscheidt hij in het geloof hóe groot de blindheid van de mens is sinds de zondeval. En des te meer probeert hij scherp te onderscheiden en al onderscheidend anderen op te roepen tot geloof en bekering, wijzend en onderbouwend op het ene Woord van de levende God, Die regeert!

Waartoe deze brede beschrijving van dit Bijbelboek Job? Dat wij de duivel in zijn verleiding kènnen en niet onderschatten. Dat we de doelstelling van de duivel kènnen. Dat we wéten, dat de duivel niets en niemand ontziet om dat doel te bereiken. Opdat we weten, dat alle lauwheid en laksheid en gezapigheid en oppervlakkigheid zeer verleidelijke instrumenten van de duivel zijn om ons in de doodsslaap te houden. We mogen ná het Bijbelboek Job nooit meer kunnen zeggen: ‘ik wist het niet!’ Zó is de duivel en hij spaart niemand! Dìt zijn zijn praktijken, zó is zijn geraffineerdheid en geslepenheid.

Laat dit Bijbelboek ons als gelovigen des te meer aansporen om waakzaam te zijn, om Gods Woord ernstig te bestuderen. Dat we Gòds recht en gerechtigheid en rechtvaardigheid weer recht leren kènnen en èrkennen, dat we door onze zonden elke dag weer ernstig tekort schieten in het leven daarnaar. Dat de Heere ons ook door dit Bijbelboek wil bevestigen in het ene ware geloof. Tot eer van God, tot eigen behoud, tot heil van onze naaste. Hoe tóónt en bewìjst God Zich de Almachtige, opdat wij overtuigd zijn van de kracht van het ware geloof, héérsend over al die verleidingen, die er zijn, die komen. Dat we ons als KINDEREN ontworstelen aan de heerschappij en overheersing van de KNECHT en weer leven tot eer van God.

Job en Elihu hebben niét plaatsvervangend geworsteld, gestreden en overwonnen in en door het geloof. Dit geldt iedere gelovige. Maar in dit Bijbelboek wil de Heere duidelijk openbaren voor alle mensen, dat het leven hier en nu bepálend is voor alle eeuwigheden, eeuwig wèl òf eeuwig wéé. Niemand kan zich meer verontschuldigen. Hoe gróót is ieders verantwoordelijkheid!!! Ook als de Heere zegt, dat Hij Zijn volk draagt als een arend, dan is dat helemaal waar. Echter, de arend doet zijn jong uit het nest vallen, van zijn rug vallen, OPDAT het leert te vliegen, OPDAT het leert zichzelf te redden. En dàt element gebruikt de Heere ook, als Hij zwìjgt, als Zijn kind beproefd wordt. Maar als de mens zijn geloof niét vastmaakt, hoe zal die mens één ogenblik weerstand kunnen bieden in de beproeving???

Als de Heere ons (zwaar) beproeft, laten we letten op de zware beproevingen die Job en Elihu in waar geloof doorstonden. Niet om af te meten. Wel om bereid te zijn de beproevingen waarmee de Heere ons beproeft, in vast geloof te dragen. Des te meer: de Heere wijst ons op onze verantwoordelijkheid, dat wij die strijd volhardend móeten voeren, vast in het geloof. Als we dat weten, dan bereiden we ons daarop zoveel mogelijk voor, om – als beproevingen komen – staande te blijven in het geloof. Niet in eigen kracht, niet in eigen wijsheid, alleen in van God ontvangen en gewerkt waar geloof!

Grote troost voor elke gelovige, de Heere beproeft niet boven ieders vermogen, I Corinthe 10:13: ‘Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.’ Hoe heeft de Heere deze tekst bevestigd in de beproevingen van Job en Elihu, opdat we daaruit telkens nieuwe moed putten.

Lijdelijkheid als afwachten, als werkloos afwachten, is uit de duivel. Wie durft afwachten, waar we door de Schrift zo vaak gewezen worden op onze verantwoordelijkheid, op de strijd die we te strijden hebben, op de wedloop die we te lopen hebben, op de Schriften Die we ijverig moeten bestuderen om Ze te kènnen om staande te blijven??? Als we lijdelijkheid bepleiten, wáártoe heeft de Heere Efeze 6 ons dan gegeven? Niet vrijblijvend, nee, als òpdracht, levenslang!

Lijdelijkheid in de zin van: God moet het geloof geven, dus eerst maar afwachten of het voor mij bestemd is of niet. Het is uit de duivel! De Heere GEBIEDT aan ieder mens: GELOOF!!! Zou lijdelijkheid van de Heere toegestaan zijn om te geloven, dan móeten we ook in alle lijdelijkheid in Adam en Eva gezòndigd hebben. NEE!, we hebben willens en wetens actief bewust ons als KINDEREN van de Heere gestèld onder de slavernij en heerschappij van de KNECHT, de duivel. Lijdelijkheid betekent dan, dat we dat rustig blijven, totdat … Dat zou betekenen, dat de Heere ons puur passief geschapen heeft. Ondenkbaar! Nee, we móeten actief geloven en vervolgens móeten we door waar geloof actief vruchten dragen die aan het geloof beantwoorden.

Wordt ons geleerd, voorgehouden, dat we een ‘goede band’ met Jezus, met God moeten hebben, dat dàt hèt kenmerk van waar geloof is? Hoe wòrden we door anderen, hoe hòuden we onszelf hopeloos voor de gek. Deze gedachte en haar uitwerking is pure misleiding van de duivel. Als dàt de zuivere leer naar de geopenbaarde Schriften is, leg me dan het Bijbelboek Job uit. Want die ‘goede band’ móet het waar geloof èn de daaraan vast gekoppelde strijd verdringen. Dan zou Elihu dus eigenlijk kunnen volstaan met de opmerking: ‘Ach Job, het geeft niet, je hebt toch een goede band met God? Dan is toch alles goed? Trek het je niet aan.’ Als de mens inderdaad een ‘goede band’ met God heeft, kan en wil die mens accepteren en verdragen, dat diezelfde God hem, haar zó zwaar beproeft?

Zoeken we enige (geloofs)zekerheid in ons zèlf? Nou, dan kunnen we in dit Bijbelboek terecht. Wijs maar aan waar Job en Elihu ook maar ièts in zichzelf gezocht hebben of van zichzelf verwacht hebben. Hoe hebben ze zich in wáár gelóóf verláten op Gods Woord (toen nog niet op schrift), op Zijn openbaringen. En ze zijn niét beschaamd geworden! Willen wij het nu wéér beter weten? Het is een duivelse verleiding! Bouw en vertrouw op het ene volstrekt betrouwbare Woord van de levende God!

29 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *