21. De oorlogsverklaring van Genesis 3 door Gods KIND Elihu zuiver bevestigd. III

Job 34:1-9: ‘Verder antwoordde Elihu, en zei: Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij. Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt. Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is. Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen. Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding. Wat man is er, gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water; En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden. Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet, als hij welbehagen heeft aan God.’

Elihu heeft heel aandachtig geluisterd. Hij heeft de worsteling opgemerkt bij en in Job: ik versta dit niet, ik begrijp deze weg van de Heere met mij niet, en ik zie geen enkele uitweg, en de Heere zwijgt. Maar de door de vrienden gelegde kòppeling verwerp ik hartgrondig! De Heere beproeft mij, alleen, ik weet niet waarom, waartoe.

Elihu verstaat Job, omdat hij dezelfde worsteling had te strijden, zij het vanuit andere positie. Nergens is een worsteling bij beproeving hetzelfde. Telkens zijn er kanten die anderen niet verstaan, moeilijk kunnen verstaan. Hoe doet de Heere Zijn kinderen daarin proeven aan eigen verantwoordelijkheid, eigen plaats, eigen taak. Ieder in eigen situatie en gesteldheid.

We noemen de volgende voorbeelden uit de Bijbel:
– Noach: 120 jaar beproefd in het geloof. 120 jaar gepredikt: de afval neemt toe; de spot neemt toe. 120 jaar gebouwd aan de ark. Volhard, vast in het geloof.
– David: jaren achtervolgd en ten dode vervolgd door Saul en anderen. Volhard, vast in het geloof.
– Jeremia en andere profeten: veel jaren hard vervolgd door overheden, kerkelijke leiders, volksgenoten. Nergens veilig. Volhard, vast in het geloof.
– Daniël: heel jong in ballingschap gevoerd. Veel jaren in heidense ballingschap. Standvastig temidden van veel verleiding, veel willekeur, vervolging van vorsten. Volhard, vast in het geloof.

Wat valt op? Dit, de Heere beproeft Zijn ene kind zó, Zijn andere anders, de ene zo lang, de andere zo kort. Al naar het goeddunken van de Heere is. Het doel van de Heere is steeds weer Zijn kind te beproeven om te zien wat in zijn hart is. De mens moet door beproeving tot inkeer komen, zien en erkennen zijn totale zwakheid en onwetendheid, en dan, dàn, van dááruit uitgedreven worden tot Gòd, vast in het geloof! Onze hulp is in Uw Naam, U Die hemel en aarde gemaakt hebt!

In Job 34:10-37 lezen we , dat Elihu steeds weer afwisselt van onderwerp en doel. Voorop staat: God is rechtvaardig; God geeft geen rekenschap; God doet al wat Hem behaagt, naar Zijn vrijmachtig welbehagen. Elke schijn van onrecht of partijschap bij God moet direct radicaal afgewezen worden.

Job 34:23: ‘Gewisselijk, Hij legt de mens niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zou mogen treden.’ Nooit kan een mens God enig verwijt maken, dat God van Zijn schepsel – de mens – méér vraagt dan wat God de mens geeft. De mens zegt zo gemakkelijk: dat – wat die ander moet dragen – zou ik nooit kunnen. Maar zie nauwkeurig: Ook bij het toenemen van beproevingen, ook in zwaarte, ontvangt en ervaart de gelovige telkens weer, dat de Héére hem daarin vóórblijft met het geven en vermeerderen van geloof, kracht, bemoediging, troost, liefde. En zó kan de gelovige in beproevingen geen enkele uitweg meer zien of opmerken, ja, dat hij helemaal ingesloten is door de vijanden; hij buigt zich ootmoedig voor Zijn God: Heere, help mij; waar ik geen enkele uitkomst meer zie, mijn ogen zijn op U, U alléén; help mij, red mij, verlos mij. En zeg nou zèlf: Hééft de Heere èn Noach, èn David, èn Jeremia, èn Daniël, èn Job, èn Elihu, èn zoveel andere gelovigen niet uitgered??? En nú is God niet bij machte ú, mìj, uit te redden??? Welke weg de Heere ons in waar geloof ook doet gaan? Alléén in waar ontvangen geloof!

Job 34:27: ‘Daarom dat zij van achter Hem afgeweken zijn, en geen Zijner wegen verstaan hebben;’ Hoe nauwkeurig benoemt Elihu hier de juiste volgorde: ZIJ ZIJN ACHTER HEM AFGEWEKEN! Actief, moedwillig, willens en wetens. Hoe nadrukkelijk wordt de mens hier met de neus op de fèiten gedrukt, elk misverstand en uitvlucht afgesneden: de mens is afgeweken op eigen initiatief! Op dat moedwillig afwijken móet volgen: geen van Zijn wegen hebben zij verstaan. De mens was geestelijk dóód en verstond niet, kòn niet verstaan want wìlde niet verstaan. Geen mens uitgezonderd. Alle mensen midden in de dood. Hoe noodzakelijk moet hieruit blijken, dat het geloof een gáve van God is, nooit anders.

Job 34:36: ‘Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om [zijner] antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.’ Vlijmscherp onderscheidt Elihu hier in waar geloof. Hij bidt God om beëindiging van de beproevingen, daar Job in zijn antwoorden aan de drie vrienden standvastig gebleven is in het geloof en God niét gevloekt heeft, zoals de duivel wilde. Letten we er des te scherper op, dat door waar geloof de gelovige onderscheidt tussen goed en kwaad, tussen recht en onrecht, tussen licht en donker, tussen wáár geloof en schijngeloof. Dan kunnen er zo gemakkelijk nieuwe beproevingen komen: wie heeft u tot rechter aangesteld; hoe zou de Geest des Heeren van mij geweken zijn; weet u het beter dan (zoveel) anderen; en vele andere aantijgingen en verdachtmakingen en beschuldigingen meer. Dan kàn de gelovige zich nooit beroepen op iets uit of in zich zelf. Hij beroept zich op God, op Zijn Woord, op Zijn Verbond, op Zijn belofte, niets meer, niets minder. De ander moet zich laten gezeggen door het zuivere Woord van God! Daaraan onderkent de gelovige ook elke aanvechting: is die aanvechting gefundeerd op het zuivere Woord van God? Dat moet gecontroleerd kunnen worden, getoetst kunnen worden. Van hoe noodzakelijk belang is duidelijke Schriftuurlijke onderbouwing! In elke rechtsgang.

Job 34:37: ‘Want tot zijn zonde zou hij nog overtreding bijvoegen; hij zou onder ons in de handen klappen, en hij zou zijn redenen vermenigvuldigen tegen God.’ Elihu heeft scherp geobserveerd. Hij ziet, dat Job helemaal op is en hij spreekt hier de stellige verwachting uit, dat Job zich – mogelijk – misgaat tegenover God in zijn woorden en redeneringen, indien God, zo bidt Elihu in voorgaand vers, niet snel een einde maakt aan de beproeving van Job. En opnieuw moet ons scherp voor ogen staan, dat God héél ver kan gaan in beproevingen. Opdat we geen enkel vertrouwen hebben op iets in of aan of van onszelf. Hoe worden wij ook daarin sterk herinnerd aan onze zondeval, opdat we volharden.

Job 35 is een schoon hoofdstuk. Elihu borduurt verder op hoofdstuk 34 en spreekt Job en zijn vrienden opnieuw aan. Blijkbaar is er een rustperiode geweest, waarin de drie vrienden en Job konden reageren. Maar toen dat niet gebeurde, hernam Elihu het woord. Hij spreekt Job opnieuw aan in het ‘te grote woorden tegen God’ spreken. En hij vermaant hem daarin, dat niet te doen, daaraan niet toe te geven.

En dan wijst Elihu op Gods grootheid, Gods heerlijkheid. Hoe onderscheiden is God van Zijn schepselen. Zij kunnen door toedoen van anderen toenemen in macht en heerlijkheid. Zij kunnen door afnemen door anderen interen in macht en heerlijkheid. Maar Gods macht en grootheid en majesteit en heerlijkheid enz., er kan door geen schepsel, of allemaal samen, iets aan die volmaakte volheid toegedaan of daarvan afgedaan worden. Op geen enkele manier, in geen enkel opzicht. Dat is voor de mens onbegrijpelijk, onverstaanbaar. Hierin gaat God elk schepsel oneindig te boven. Opdat Zijn schepsel nog veel meer met grote eerbied en bewondering en ontzag vervuld wordt. Nee, ook alle zonde, alle valsheid, alle venijn, in welk opzicht ook, ze kunnen daar helemaal niets van af doen.

Job 35:14: ‘Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is [nochtans] gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.’ Wat een troost voor alle gelovigen, wat een bemoediging, temidden van zóveel valsheid en bedrog: wacht op Gods tijd. God spreekt rechtvaardig recht over alle schepselen op de tijd en plaats, die Hem goed dunkt. Daarom de opwekking tot alle gelovigen: wàcht in groot geduld gelovig op Zijn tijd. Twijfel moet direct als ongeloof verwijderd worden. Tegelijk: volhardt standvastig in het ware geloof.

Dat blijft voor iedere gelovige een vast aandachtspunt in elke beproeving: zie af van alles en iedereen, richt de aandacht en het vertrouwen op God alleen. Brengt God dan mensen op onze weg, om ons te steunen, te bemoedigen, ook, om te vermanen – zie Elihu – dan mogen we die gunstbewijzen dankbaar aanvaarden. Maar God is geheel vrij om te bepalen wanneer, en hoe, of door wie, hij Zijn beproefde kind wil uitredden.

En God zwijgt nog.

28 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *