20. De oorlogsverklaring van Genesis 3 door Gods KIND Elihu zuiver bevestigd. II

Job 33:1: ‘En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.’ 7-12: ‘Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn. Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord; Ik ben rein, zonder overtreding; ik ben zuiver, en heb geen misdaad. Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand. Hij legt mijn voeten in de stok; Hij neemt al mijn paden waar. Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.’

Hier spreekt Elihu Job aan en vermaant hem over de uitspraken, die hij deed. Hij onderbouwt met bewijzen, hij spreekt zijn oordeel uit èn hij wijst Job zijn plaats aan tegenover God! Dat kan Elihu alleen maar doen waar hij scherp en duidelijk onderscheidt in het licht van Gods openbaring. Daarmee is de vermaning uitgeheven boven een persoonlijke gedachte of mening of indruk van een mens. En dàt moet in vermaning en tucht steeds héél scherp voor ogen staan: En de onderbouwing, èn het oordeel, èn het oordeel van de Heere daarin op grond van Zijn Woord, ontbreekt één of ander: stòp!

Job láát zich vermanen. Dat is beslist niet vanzelfsprekend. Hoe gemakkelijk worden non-argumenten bedacht, aangevoerd, op grond waarvan besloten wordt vermaan van dié of dié niét toe te staan. Maar iedereen moet eerst bedenken: Gòd bewerkte die persoon om naar mij toe te gaan om mij aan te spreken op dat punt, om die oorzaak. En gaandeweg de vermaning zal blijken of zijn vermaning aan de juiste criteria voldoen. Die criteria zijn bij iedereen bekend en daarop mogen en kunnen en moeten we elkaar aanspreken en daar hebben alle betrokken partijen rècht op. En dan komen we al gauw bij hoor en wederhoor, onderzoek, grondig onafhankelijk, onpartijdig, rechtvaardig, recht voor de Heere.

In elke rechtsgang, in elke rechtspraak hebben we daarmee te maken en hebben we aan die hoge rechtseis te voldoen, niemand uitgezonderd. Want zó heeft de Heere gebóden! En ná afloop van elke rechtsgang zullen àlle betrokken partijen móeten erkennen, dat de gepasseerde rechtsgang daaraan voldeed. Later zal dit opnieuw blijken.

Job 33:13: ‘Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.’ Dat is een scherpe vermaning: twisten met God! En Elihu constateert, dat Job dat gedaan heeft. Elihu heeft in en door het geloof scherp gezien, dat temidden van alle WANorde die voor ogen is, de mens in het geloof vast moet houden aan de zekerheid: hoe groot ook de WANorde die voor ogen is, God regéért! en: God geeft geen rekenschap! En twisten is dan ook het uit onvrede met Gods wegen met mij, mij in mijn woorden en uitlatingen te buiten gaan tegenover Hem. Daaruit spreekt ongenoegen over Gods regering, tegelijk het roepen om verantwoording. Welk een strijd om het geduld te bewaren, in woord, in uiting, elke dag.

In Job 33:14-22 beschrijft Elihu hoe God de mens wel onderwijst, maar dat de mens vaak niet luistert. Vervolgens tekent hij Gods barmhartigheid en lankmoedigheid met de mens, ook Gods geduld met die mens, door hem tijd en gelegenheid te geven tot inkeer. Wat geeft ons dat een diepe inkijk in Gods geduld met mensen, tegelijk moet het ons heel beschaamd maken, waar ons ongeduld en onze ongedurigheid telkens weer de zaken hopeloos scheef trekken. Immers, naar de gedachten van de mens moet God direct helpen uit alle nood en moeite en ziekte en ellende en tegenslag; tegelijk, – als wij niét naar Hem luisteren – dan moet God eindeloos geduld met ons hebben, alles verdragen en alles vergeten en nooit rekenschap vragen. En, als God dat niét doet, niet zó doet als wij wensen, wel, dan is het heel duidelijk, dan is God onrechtvaardig, oneerlijk, dan is het Gods schuld. Egoïsme ten voeten uit!

Job 33:23-26a: ‘Is er dan bij Hem een Gezant, een Uitlegger, een uit duizend, om de mens zijn rechte plicht te verkondigen; Zo zal Hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid weerkeren. Hij zal tot God ernstig bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien;’ In dit gedeelte spreekt Elihu over God Die iemand stuurt om een mens te vermanen. Neemt de mens die vermaning aan, luistert hij, bekeert hij zich, God zal genadig zijn, God zal herstel geven en op het gebed genadig vergeven. Zó is God, genadig, barmhartig, vol liefde en ontferming, om te vergeven. Ja, God is snel om te vergeven, langzaam tot toorn. Hoe moet de mens telkens weer tot de ontdekking komen, dat de mens met die wetenschap zoveel gruwelijk misbruik maakt en Gods geduld en ontferming zo vaak achteloos minacht en belacht en uitdaagt. En bàrst Gods toorn dan daadwerkelijk los, dàn is God onrechtvaardig, dàn roepen we heuvels en bergen (afgoden) te hulp om ons te bedekken. Zien we ook onze hemelhoge schùld, dat we God zó lang tevergeefs hebben horen en laten roepen en waarschuwen en vermanen???

Job 33:26b-30: ‘want Hij zal de mens zijn gerechtigheid weergeven. Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd, en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; [Maar] [God] heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. Zie, dit alles werkt God tweemaal [of] driemaal met een man; Opdat hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.’ Hoe wordt in deze verzen de voorgaande inhoud herhaald! God doet er echt àlles aan, om de mens maar te waarschuwen, terug te brengen, te behouden. Hoe breed en omstandig wordt dit op tal van plaatsen in de Bijbel getekend, opdat de mens het weet en ziet en er uit leert. De Heere doet alles om de mens elke verontschuldiging te ontnemen, indien de mens verloren gaat.

Job 33:31-33: ‘Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.’ Elihu dringt er bij Job en de vrienden op aan aandachtig naar hem te luisteren. Hoe zorgvuldig spreekt hij Jobs recht uit zich te verdedigen. Tegelijk het doel: Job, ik wil je graag rechtvaardigen. Maar Job zwijgt en aanvaardt daarmee de geuite vermaningen. Maar Elihu is nog niet klaar met zijn spreken en maant Job aan, om dan te zwijgen en toe te horen.

En God zwijgt nog.

27 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *