15. De psychische confrontatie rond de ashoop. XI

Job 20:1-3: ‘Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zei: Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij. Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.’ Zofar sluit zich helemaal bij de andere twee vrienden aan: ik ben geraakt! Dàt is het punt. Dat wij Job psychisch zeer gekrenkt en beschuldigd hebben, is maar bijzaak. Zofar put niet uit de openbaring van God tot dan toe, maar hij gaat voort met zijn redenering.

Job 20:4-7: ‘Weet gij dit? Van altoos af, van dat [God] de mens op de wereld gezet heeft, Dat het gejuich de goddelozen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars voor een ogenblik? Wanneer zijn hoogheid tot de hemel toe opklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte; Zal hij, gelijk zijn drek, in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden, zullen zeggen: Waar is hij?’ De toespelingen op Job kunnen niet grof genoeg zijn om Job diep te kwetsen.

In de overige 22 verzen doet Zofar alle moeite, om Job zo diep mogelijk te grieven. Hoe zijn de vrienden verblind en verhard. Ja, in hun redeneringen doen ze hun uiterste best het zó voor te stellen, dat Job inderdaad toestemt en mèt hen verklaart: Zoals jullie het voorstellen, zó is het, zó heeft God geopenbaard. En, de praktijk van mijn ellende, mijn leed, ze ‘bevestigen’ die redeneringen toch? En in hun redeneringen gebruiken ze toch regelmatig Gods heilige Naam? Ben ik niet heel eigenwijs, als ik hen niét geloof en volg in al hun meeslepende redeneringen?

Job 21:1-3: ‘Maar Job antwoordde en zei: Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen. Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot [dan].’ Job heeft gehoord, Job heeft geproefd, Job heeft al deze redeneringen geplaatst en gehouden in het hele verband van begin tot nu toe, Job heeft ze te licht bevonden en verworpen. Ja, hij betuigt nadrukkelijk: Jullie hebben tot nu toe niet naar mij geluisterd; jullie hebben aan mijn dringend verzoek tot gegronde onderbouwing van jullie beschuldiging niet voldaan; jullie blijven tot nu toe alleen jullie ‘gelijk’ herhalen en jullie zijn zó ontstemd, dat ik niet toegeef, dat jullie afdwalen en op eigen naam en eer bedacht zijn. Willen jullie niet luisteren, spot dan maar verder.

Job 21:4-6: ‘Is (mij aangaande) mijn klacht tot de mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn? Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op de mond. Ja, wanneer ik [daaraan] gedenk, zo word ik beroerd, en mijn vlees heeft een gruwen gevat.’ Job vervolgt: Jullie zien en horen toch, dat ik niet een mens aanklaag? Zié mijn ellende en zwijg! Is jullie zware beschuldiging niet uitermate gezocht? Hoe zwaar moet mijn zonde wel zijn als die in verhouding komt met mijn ellende? Jullie wéten toch van mijn handel en wandel tot hier toe? Als Job denkt aan het ongehoorde beschuldigen en verdenken van zijn vrienden, dan overmant hem weer het ‘waarom’!

In Job 21:7-18 tekent Job zoals Asaf in Psalm 73 de voorspoed van de goddelozen, zoals die door alle mensen in alle tijden sinds de zondeval gezién worden. Hoe heeft dit gegeven velen misleid en gebracht tot navolging, tot achteloosheid, ofwel, de gedachte, dat God Zijn ambt als RECHTER hopeloos verwaarloost. En van achteloosheid ging het al gauw tot vergeten, en van vergeten zich volop overgeven in de zonde. In Psalm 10:11 staat van de goddeloze: ‘Hij zegt in zijn hart: God heeft het vergeten, Hij heeft Zijn aangezicht verborgen, Hij ziet niet in eeuwigheid.’ En zo zien we ook vandaag, dat veel ongelovigen zeer rijk zijn aan geld en goed.

Job 21:19, 20: ‘Dat God Zijn geweld weglegt, voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt; Dat zijn ogen zijn ondergang zien, en hij drinkt van de grimmigheid des Almachtigen!’ Opnieuw uit Job zijn niet-verstaan van al het overweldigende leed, dat hem te beurt is gevallen. De beproevingen, die uitzonderlijk zwaar zijn. Ja, Job zegt, dat God Zijn toorn en de uiting daarvan speciaal bewaart en voltrekt aan Zijn kinderen. Daar ziet Job wat bij hem voor ogen is. Zien we tegelijk de grote tegenstelling van déze verzen mèt de voornoemde verzen 7-18? Wij zijn gauw geneigd dit over te slaan en te wijzen op het laatste hoofdstuk: eind goed, al goed(als die conclusie al juist was). Maar het gelóóf, het ware gelóóf wéét en verstáát, dat – ook al is àlles wat gezien en beredeneerd kan worden daar totaal tegen! – Gòd regeert, soeverein, almachtig, alwijs. En dáárom, God zal op Zijn tijd en wijze verlossing geven, uithelpen, uitredden. Daarom moeten we volharden in het geduld, zoals Job. Vergelijk Jakobus 5:11: ‘Ziet, wij houden hen gelukzalig, die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid van Job gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien, dat de Heere zeer barmhartig is en een Ontfermer.’ Daartoe zijn we alleen in staat vanuit waar gelóóf!

In Job 21:27 en 28 spreekt Job zijn vrienden weer aan: ‘Ziet, ik weet ulieder gedachten, en de boze verdichtselen, [waarmede] gij tegen mij geweld doet. Want gij zult zeggen: Waar is het huis van de prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?’ Nee, Job is door zijn vrienden op geen enkele manier overtuigd. Ja, hij betitelt hun redeneringen als ‘boze verdichtsels’ en dat zij hem daarmee geweld doen. Dit moeten we niet aanmerken, dat het gesprek zo verlopen is, dat ze elkaar nu niet meer willen verstaan en dus langs elkaar heen praten. Nee, Job houdt vast in het geloof, vol, dat God hem zwaar beproeft; de vrienden houden in hun verleiding en verblinding vast aan de wegen van de duivel en gaan daarop voort. Ze kùnnen niet anders, ze wìllen niet anders.

In Job 21:29-33 tekent Job de zichtbare weg van alle (boze) stervelingen: ‘Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op de weg, en kent gij hun tekenen niet? Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; [dat] [zij] ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden. Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij [wat] doet, wie zal hem vergelden? Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in de aardhoop. De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.’ Inderdaad, zover gaat het natuurlijk oog. En daar de grote RECHTER heel veel oordeel uitstelt tot aan de jongste dag, lìjkt het er op, dat het oordeel nooit komt. Het geloof wéét, dat het oordeel komt, en vreest.

In Job 21:34 zegt Job tegen zijn vrienden: ‘Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl [in] uw antwoorden overtreding overig is?’ Hoe zuiver kenmerkt en karakteriseert Job de ‘vertroosting’ van zijn vrienden. Zonder waarde, omdat ze vals is.

En God zwijgt.

22 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *