14. De psychische confrontatie rond de ashoop. X

In Job 18:1-3 staat: ‘Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zei: Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken. Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?’ vers 17-19a: ‘Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk;’ vers 21: ‘Gewisselijk, zodanige zijn de woningen des verkeerden, en dit is de plaats [desgenen] [die] God niet kent.’ Bildad doet er nog een paar scheppen bovenop. Het gesprek gaat niet meer over de ‘zware zonden’ van Job, maar Bildad is geraakt door de woorden van Job. Dan plaatst Bildad zich als rechter in het grote oordeel en verklaart, dat Job nu zó zwaar zondigt, dat Job door God voor eeuwig verdoemd zal worden. Immers, Psalm 37! God heeft de aarde voor Zijn kinderen geschapen, dat zij er eeuwig wonen. Maar de goddelozen en ongelovigen worden voor eeuwig onterfd en van de aarde verdaan. Hoe zwaar en meedogenloos voor Job wordt de psychische strijd voortgezet. De duivel wéét: het is nu alles of niets.

Job 19:1-3: ‘Maar Job antwoordde en zei: Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen? Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.’ Opnieuw blìjkt, dat het ‘onschuldige’ begin: zij waren het ééns geworden, vervolgd wordt en steeds hardere uitwerking vraagt en krijgt. De vrienden denken blijkbaar niet meer aan het verzoek van Job: en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb. Het blijkt steeds weer: het verzoek gewoon negeren; er overheen praten; en worden dan zwaardere woorden (door Job) gebruikt, ja, dàn is de maat vol: dit kan niet, dit is onduldbaar, daar moeten we scherp op reageren. Zien we, dat we op deze manier van die heikele vraag af zijn? En dat we nu alle aandacht kunnen vestigen op die harde, zware woorden? Daarom, Job, ga met ons mee in deze discussie en belijdt tegenover ons, dat je ons met je verwijten en schofferingen ernstige smaad hebt aangedaan en bekeer je daarvan met haast, want dit is onvergeeflijk!!! Oké, over je ‘zware zonden’ praten we niet meer; daar zaten we ook niet echt over in.

En die duivelse kronkelingen gebruikt de duivel graag en veel, want zó is hij. En zijn volgers kopiëren gewillig.

In Job 19:6 verklaart Job opnieuw, dat hij deze beproevingen van God ontvangt: ‘Weet nu, dat God mij heeft omgekeerd, en mij [met] Zijn net omsingeld.’ En daarmee ontkènt hij opnieuw de valse beschuldiging van ‘zware zonden’.

In Job 19:7-20 tekent Job welke ingrijpende gevolgen deze beproevingen gehad hebben en hebben naar de mensen in zijn omgeving: het sociale isolement, de totale boycot. En daarin zien we niets vreemds. Op tal van plaatsen in de Bijbel zien we kinderen van de Heere verstoten worden, afgezonderd, geïsoleerd, genegeerd. Wordt door iedereen nauwkeurig onderzocht of de persoon er door woorden en daden alle aanleiding toe gegeven heeft? Trouwens, ook al zou dat zo zijn, dan geeft dat nog geen recht tot uitsluiting.

We kunnen het uitbreiden tot de jongste dag: de duivel zal àltijd ‘redenen’ aanvoeren – hoe gezocht ook – om kinderen van de Heere in het isolement te plaatsen, te negeren, te verguizen, uit te werpen. Denk aan de gróte boycot, Openbaring 13:17: ‘En dat niemand mag kopen of verkopen, dan die dat merkteken heeft, of de naam van het beest, of het getal zijns naams.’ Laten we geen enkele illusie hebben, dat wij meer zijn dan Job en dat wij er als kinderen van de Heere van vrijgesteld zijn, om welke ‘reden’ ook. Uitgeworpen, door de wereld, door de valse kerk.

We zeggen ‘valse kerk’. De Bijbel is toch heel duidelijk, dat zonde tegen God, tegen Zijn goede geboden, veel erger zijn voor God, dan het ‘overtreden’ van menselijke instellingen en regeltjes? Hoe heeft de Heere Jezus getoornd tegen de Farizeeën, Mattheüs 15:1-9!, die met eigenbedachte regeltjes trachten Gods gebod te ontkrachten. En dáár zat een brok haat, toen de Heere Jezus niét meeging in al die eigenwilligheid. Ja, dat krachtig bestreed.

We zeggen ‘valse kerk’. We gaan een kleine twee eeuwen terug. Enkele veelzeggende citaten uit ‘Een vreemdelinge in een vreemd land’ van mevr. L.R. Scholte, met inleiding van Rudolf van Reest, in vertaling. Het betreffen citaten inzake de schorsing van ds. H.P. Scholte in 1833/4.

1 – blz. 20/21: ‘Reeds op 29 october vergaderde het Klassikaal Bestuur van Heusden en schorste Scholte op grond dat hij zich “had schuldig gemaakt aan de dadelijke overtreding der kerkelijke wet, voorkomende in art. 11 van het Regl. op de vacaturen en beroepingen, verder “gezien art. 22, 51 en 58 van het Regl. op de uitoefening van kerkelijk opzicht en tucht voor de Nederlandsche Hervormde kerk, overwegende dat de misdaad, waarover de beschuldiging gaat van eenen ergerlijken aard, en tevens geruchtmakend is, en het Klassikaal Bestuur aanvankelijk gewichtige redenen vindende voor de gegrondheid der aanklacht,” gaat tot schorsing over, enz.’

2 – blz. 26: ‘Het Klassikaal Bestuur van Heusden gaat door met de procedure, gezien dat Scholte “wel verre van tot eenig nadenken over zijn ergerlijk en geruchtmakend wangedrag gekomen te zijn, (en dan volgt cursief) veelmeer tot verguizing zijner heiligste beloften, zich op eene even onwettige als oproerige wijze van zijne betrekking als Leeraar tot het Hervormd Kerkgenootschap verklaart af te scheiden.” En dan volgt de verklaring: “En in aanmerking nemende dat de gesuspendeerde Predikant H. P. Scholte, in geenen deele de bevoegdheid bezit, om zich van het Hervormd Kerkgenootschap willekeurig af te scheiden, bepaalt, dat de schorsing provisioneel zal plaatshebben met geheel verlies van zijn traktement en met overgeving der verdere behandelingen dezer procedure aan het Provinciaal kerkbestuur van Noord-Brabant.”.

3 – blz. 27, Scholte schrijft terug: ‘”Gijlieden moogt zoo boos zijn als gij wilt; door Gods genade mag ik tot dat volk behooren, beschreven in I Petr. II : 9 en omdat de hoeksteen, waarop die Gemeente gebouwd is, mij dierbaar is geloof ik ook, dat ik, als geloovende, niet beschaamd zal worden.” Hij vervolgt: “Zoudt gijlieden wel waarlijk zoo ontroerd zijn, Mijne Heeren! wanneer heilige beloften verguisd werden? Waarom werd dan die ontroering niet openbaar toen een Magnet de leer der verzoening bestreed: toen een Duessen en Brouwers de grondleer des Christendoms, de Heilige Drieeenheid, de waarachtige en eeuwige Godheid des Zoons en des Heiligen Geestes ontkenden? Waarom wordt die ijver niet zichtbaar over al die Godonteerende dingen, welke ons gedurig in die zoogenaamde “Godgeleerde Bijdragen” worden opgedischt? Waarom blijkt die belangstelling niet in het handhaven van het recht der ware Kerk van Christus, die bij de openbare vertrapping van alle eerlijkheid door een van der Linden? bij de openbare losmaking van alle banden door een Hofstede de Groot? bij de onheilige behandeling van den persoon des gezegenden Verlossers door een Benthem Reddingius? Ik gruw er van, wanneer ik alle die ijselijke dingen bedenk, welke er onder het Nederlandsch Hervormd Kerkbestuur gebeurd zijn en nog gebeuren; en wanneer ik mij over iets heb te beklagen, het zou zijn, dat ik niet meer openbaar en getrouw mijne stem had verheven…..”.’

Niet alleen Job had er mee te maken, dit komt dus in de hele geschiedenis voor. Dan hier, dan daar, dan zus, dan zo.

U begrijpt: wat doen we, als we zien, dat dat gebeurt? O, het is zo gemakkelijk het boek Job vanaf afstand te lezen en onze veroordelingen uit te spreken over die vrienden, over de omstanders die kleurloos Job de rug toekeerden. Het is zo gemakkelijk vanaf afstand de Farizeeën te beschuldigen over hun eigenwilligheid. Het is gemakkelijk vanaf afstand …

Nu ziét u dergelijke dingen, u hóórt ze, u léést ze. Wat doet u? Doet u wat? Onderzoekt u en stáát u dan voor het resultaat van dat onderzoek? Ook als ‘iedereen’ zich dan tegen u keert; ook als u onder valse voorwendsels beschuldigd en veroordeeld wordt?

Natuurlijk, we kunnen vanaf de zijlijn toekijken, onder elkaar de zaak bespreken en onze mening te beste geven. En ja, natuurlijk, betrokkenen zijn eerst verantwoordelijk. En, u weet toch ook, dat je allerlei beschuldigingen over je heen krijgt als je je met dergelijke zaken ‘bemoeit’? En dus!!!

Maar onderkent u ook, dat – als u niets doet – u voor de Heere gerekend wordt als mee schuldig en zo mededader? En nee, het helpt helemaal niets, dat heel veel anderen dat ook doen. Of passief toekijken en zo meedoen en goedpraten, òf betreffende personen op hun spreken, schrijven, doen, aanspreken en blijven aanspreken. WANT ER WORDT GEZONDIGD!

En wordt er gezondigd, dan wordt het daarmee levensgevaarlijk. Want de Heere verdraagt dit niet. Dan lezen we Openbaring 18:4: ‘En ik hoorde een andere stem uit de hemel, zeggende: Gaat uit van haar, Mijn volk, opdat gij aan haar zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van haar plagen niet ontvangt.’ Dat geldt niet alleen de eerste hoorders, nee, het geldt mij, u, ieder, die zich de naam ‘CHRISTEN’ aantrekt. Bekennen we kleur of blijven we kleurloos?

Als u meent, dat de Heere in Zijn beproevingen van Job hem onterecht beproeft, dan zult u ook direct menen, dat de Heere teveel van ons vraagt, als Hij ons oproept alle gemeenschap aan en met de zonde en haar werken, te verbreken. Radicaal! Telkens weer blìjkt, dat de Heere van ieder mens eist radicaal zijn gezindheid te tonen, in woord en daad, in leer en leven. Hebben we inderdaad de gedachte, dat we in dit leven kleurloos met alle winden kunnen meegaan en straks heel radicaal door God gescheiden worden van … ja, van de schapen, of van de bokken? Maar, wèl of niét besluitend, ook stilzwijgend kiezen we heel duidelijk, volgen we hier en nu het Lam Gods òf de duivel.

Bent u bang om te kiezen, om kleur te bekennen? Gelooft u? Stáát u, vast in het geloof? Ook de Heere weet van al onze onzekerheid, al onze lauwheid, al onze vleselijke angsten, al onze zwakheid. Job was geen man van staal, onaantastbaar, zonder gevoel. Maar hij stond vast in het geloof! Omdat de Heere ons zó kent heeft hij ons dáárin ernstig gewaarschuwd wat de gevolgen zìjn als we ons daarvan niet van harte bekeren. De Heere tekent het gevolg, het definitieve gevolg in Openbaring 21:8: ‘Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al de leugenaars, is hun deel in de poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.’ Zeker, ook deze ernstige waarschuwing kunnen we tijdelijk aan de kant leggen.

Job 19:21, 22: ‘Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt. Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vlees?’ Onderkent u in het verband het verschil? God beproeft! U, vrienden, zoekt met uw valse verdachtmakingen en beschuldigingen mijn verderf! Omdat u de vader der leugen volgt. En Job bedoelt met zijn vraag om ontferming niet een goedkope vorm van medelijden, maar een radicale terugkeer van hun wrede vervolging en niet verzadigd raken van zijn vlees.

Dat blijkt uit Job 19:25-27a: ‘Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde;’ Hoewel Job door God zó zwaar beproefd is, spreekt hij hier toch vanuit zeer vast geloof zijn vertrouwen in God uit. Job is in het geloof uit God geboren, en wij in het geloof met hem. Hieruit blijkt de kracht en waarde van echt geloof, nl. I Johannes 5:4: ‘Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, [namelijk] ons geloof.’ De wereld, door de duivel zich onrechtmatig toegeëigend. HET IS OORLOG! De duivel ìs overwonnen, de wereld ook.

Dat blijkt naar de vrienden toe uit Job 19:29: ‘Schroomt u vanwege het zwaard; want de grimmigheid is [over] de misdaden des zwaards; opdat gij weet, dat er een gericht zij.’ Job ziet àchter de zonde het gericht, het grote gericht van de levende God, voor Wie geen zonde kan bestaan en geen zondaar kan ontkomen. Heilig is de Heere. Hij wil, dat wij heilig leven.

Nú!

En God zwijgt.

21 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *