13. De psychische confrontatie rond de ashoop. IX

In Job 16:1-3 staat: ‘Maar Job antwoordde en zei: Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters. Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij [alzo] antwoordt?’ Job verstaat, dat Elifaz opnieuw verder gaat op de weg waarop hij begon en waarover de drie vrienden het eens geworden waren. Dat is telkens weer het zeer vermoeiende: telkens opnieuw antwoorden op vooringenomen standpunten, waarover men zich inhoudelijk niet laat aanspreken. En dat zeker, als men op gestelde vragen, verzoeken niet kan of wil antwoorden, maar men zich toch niet wil laten corrigeren. Er wordt wel eens geadviseerd: de minste zijn. Dat zullen we zeker regelmatig moeten doen. Alleen, in het geval er sprake is van het wèl of niét gehoorzamen aan Gods geboden, vervalt dat punt. En zo zien we in de Bijbel tal van gelovigen, die op die manier niét de minste geweest zijn en daarover door God nooit aangesproken zijn. Het bijzondere is telkens weer, dat ‘dit’ blijkbaar altijd alleen geldt voor gelovigen, nooit voor ongelovigen.

Telkens blijkt weer, dat de praktische levensles is: De rechtvaardige zet zijn gedachten en woorden en daden telkens weer onder het gezag en de klem van Gods Woord. Daarop laat hij zich ook aanspreken en daarover wil hij zich verantwoorden. Dat betekent tegelijk, dat die binding aan en onder het Woord gaat en staat bóven andere druk van buitenaf, bóven ‘vermeend’ eigenbelang, op welk gebied ook, waar ook, wanneer ook, tegenover wie ook. En zó wil Job zeker luisteren naar gezonde lering van zijn vrienden. Immers, het past de gelovige niet te doen alsof hij àlles weet en doorgrondt. Bescheidenheid wordt in acht genomen. Maar de zekerheid en vastheid van Gods betrouwbaar Woord zijn en blijven de onwrikbare waarheid.

Job 6:24 is telkens weer van toepassing: ‘Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.’

Onrechtvaardigen zullen die vraag niét stellen en geven vaak geen verantwoording. Vandaar dat mensen van nature vast houden aan ingenomen standpunten en niet willen leren. Alleen druk van buitenaf, dwang, tegemoetkoming in eigenbelang of voordeel of winst – persoonlijk, groep, zakelijk – brengen mensen (tijdelijk) tot andere standpunten. Daaruit blijkt grote onvastheid en onzekerheid in standpunten. Dat kan ook niet anders, want de ongelovige heeft geen enkele vaste basis of grondslag of waarheid onder zijn denken. Hij moet dus van ogenblik tot ogenblik, van situatie tot situatie, veranderen. En dat ondanks veel grote woorden. Hoe is de duivel zelf tegenover God in de eerste hoofdstukken van Job van standpunt veranderd: eerst bezit, toen lichaam van Job en zijn gezondheid, daarna psychische aanvallen. En zoals we kunnen lezen wenst de duivel zich niet te verantwoorden en op gestelde vragen niet of gedeeltelijk in te gaan. De HOOGMOED regeert en verdraagt geen concurrentie of deling. Hoogmoed is altijd gekoppeld aan individualisme. Samenbinding en gemeenschap zijn wezensvreemd. Blijkt dat in deze bedeling niet altijd duidelijk, met het sterven wordt het individualisme absoluut, in al haar consequenties. Zo duivel, zo volger.

De Heere stelt Zijn Woord. En zo zien we, dat de Heere niet één keer verandert, maar Zijn Woord DOET regeren en triumferen, van dag tot dag, eeuwig. En de gelovige gaat achter Hem aan en verandert daarin ook niet. En hij zal nooit beschaamd uitkomen, want God heeft dat beloofd. En Gods beloften kunnen niet verbroken worden, noch aan kracht of invloed afnemen.

Alleen, die vaste zekerheid van en in het geloof, ze zijn voor ongelovigen onverdraaglijk, onuitstaanbaar. En kunnen redelijke argumenten niet overtuigen, wel, dan is er een ander aspect: de meerderheid, de grote meerderheid. Of de wetenschap wordt te hulp geroepen. Of: dat ziet toch iedereen? Wat voor ogen is.

Het geloof ziet op Gods betrouwbaar Woord. Dat altijd en overal eerst! Daaraan zijn redelijke argumenten, meerderheid, wetenschap, wat gezien wordt, ondergeschikt. Hoe blijkt dat in de Bijbel telkens weer. Opdat we er in bevestigd worden.

In Job 16:7-9a zegt Job tegen de Heere: ‘Gewis, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest. Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. Zijn toorn verscheurt, en Hij haat mij; Hij knerst over mij met Zijn tanden;’ en in Job 16:12-14: ‘Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen, en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. Zijn schutters hebben mij omringd; Hij heeft mijn nieren doorspleten, en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige.’
Naast bevestiging van zijn uitspraken tegen zijn vrouw spreekt Job hier te grote woorden tegen God. Want mèt beproeving is er niet direct sprake van ‘toorn’ en ‘haat’. Het mag nooit onze bedoeling zijn – hier – Jobs woorden en optreden te leggen onder onze meetlat en daarna over hem ons hoofd misprijzend te schudden. Laat die hoogmoed ons niet verleiden. Maar laten we ons des te meer heel klein weten voor Gòd en laten we de vermaning voor ogen zien: wie meent te staan, zie toe dat hij niet valt. Dan mogen we zeker fouten, zonden van anderen aanwijzen en benoemen en als zonden afwijzen. Maar ziende eigen zwakheid kunnen en mogen we niet anders doen, dan de weg tot berouw en bekering mèt belofte van de Heere van vergeving en verzoening verkondigen. Job geeft ons in zijn spreken steeds meer inkijk in zijn diepe lijden.

Daarom, als de rechtvaardige Job zó zwaar beproefd wordt door de Heere, hoe groot moeten dan Zijn toorn en wraak wel zijn over hen, die ongelovig en goddeloos hun weg gegaan zijn en gaan en zich niét bekeren. Dit geldt niet alleen anderen, het geldt mijzelf: leef ik voor mensen alleen, of leef ik steeds weer eerst voor God en dan ook voor de gegeven naaste? En hier proberen we het lijden van Job enigszins te proeven en te doorgronden. In de hel is zulk zwaar lijden een heden, een zijn, en dat náást zoveel andere dingen meer, zoals totaal verlaten zijn, van God èn mensen, de eeuwige wroeging in het geweten, van het wel hebben kunnen weten, maar het in onze hoogmoed niet hebben willen luisteren.

In Job 16:9b-11 zegt Job: ‘mijn wederpartijder scherpt zijn ogen tegen mij. Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij. God heeft mij de verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen.’ Hij kenmerkt de aard van alle valse verdachtmakingen en beschuldigingen. Hoe doet de duivel zijn best, en in navolging van hem zijn drie vrienden. Ze ontzien me in geen enkel opzicht.

Job 16:15-18: ‘Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw. Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is. O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.’ Job geeft een tekening van zijn diepe smart en ellende, van het feit, dat zijn eer weg is. Vervolgens betuigt hij opnieuw zijn onschuld, waar er geen wrevel in zijn handen is en zijn gebed zuiver. Dit moeten we rustig laten staan in het licht van Job 29 en 31. En als een soort wanhoopsuitroep klinkt dan: ‘O aarde, bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.’ Hoe smacht Job naar duidelijkheid, waarom en waartoe deze zware beproevingen over hem gekomen zijn van de Heere.

Dan Job 16:19: ‘Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten.’ Ook uit deze belijdenis blijkt weer overduidelijk, dat Job de door de vrienden gelegde koppeling tussen zijn ellende èn zware zonden vèr van zich werpt. Niemand, die in zware zonde lééft en verhardt, zal zich op God beroepen, dat God zijn Getuige zou zijn. Dat bestaat niet. En dus belijdt Job hier opnieuw, dat God hem getroffen heeft met zeer zware beproevingen.

De gedurige afwisseling van onderwerp getuigt in Jobs spreken van zijn ellende, zijn ontluistering, zijn zoeken naar duidelijkheid.

In Job 17:2-5 zegt Job: ‘Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht [niet] mijn oog in hunlieder verbittering? Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde. Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen. Die met vleiing de vrienden [wat] aanzegt, ook zijner kinderen ogen zullen versmachten.’ Hoor, hoe Job zijn vrienden en hun spreken betitelt. Ook daarin bemerkt Job nu en hij spreekt het openlijk uit, dat God hun verstand verblind heeft, daar zij de duivel volgen. Hoe negatief moet daarom wel de vleiing van de vrienden tegenover hem zijn. Daar kan onmogelijk de zegen van de Heere op rusten.

Dit leert ons opnieuw, dat we ook hen, die zich in dienst stellen van de duivel voor ogen moeten brengen, dat hun dienst in woord en daad niét gezegend wordt door de Heere. Ook in die vermaning en terechtwijzing moet elke verontschuldiging voor hen weggenomen worden.

In Job 17:6 zegt Job: ‘Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor [ieders] aangezicht.’ Hier zegt Job opnieuw, dat al de ellende naar aanleiding van de beproevingen, er toe geleid hebben, dat het leedvermaak van het volk algemeen is. Leedvermaak is wel eens vergeleken met stenen, die men daarmee op betrokkene gooit. Maar de Heere háát leedvermaak zó, dat Hij die stenen op henzelf terug doet vallen, op Zijn tijd, naar Zijn rechtvaardig oordeel. Hoeveel te meer, als dat gedaan wordt tegenover Zijn kind(eren), Zijn oogappels.

In Job 17:11-16 zegt Job: ‘Mijn dagen zijn voorbijgegaan; uitgerukt zijn mijn gedachten, de bezittingen mijns harten. De nacht verstellen zij in de dag; het licht is nabij [de] [ondergang] vanwege de duisternis. Zo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? Zij zullen ondervaren [met] de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.’ Job spreekt en roept hier als mens in zijn diepe ellende. Hij spreekt hier over zijn lichaam in het graf. We zullen hier geen tegenstelling moeten lezen met zijn vertrouwen op God, zijn Getuige in de hemel. Ook daarin moeten we het spreken van Job plaatsen in het verband van Gods getuigenis, Jobs getuigenissen en zijn latere spreken. We moeten acht geven op Jobs gezindheid in zijn spreken, zonder de te ver gaande uitspraken te verzwijgen.

En God zwijgt.

20 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *