1 De vrouw in het bijzondere ambt

De vrouw in het bijzondere ambt.

God heeft de orde gesteld!

Exodus 28:1: ‘Daarna zult gij uw broeder Aaron, en zijn zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om Mij het priesterambt te bedienen: namelijk Aaron, Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar, de zonen van Aaron.’ Exodus 28:41, 43: ‘En gij zult die uw broeder Aaron en ook zijn zonen aantrekken; en gij zult hen zalven, en hun hand vullen, en hen heiligen, dat zij Mij het priesterambt bedienen. Aaron nu en zijn zonen zullen die aanhebben, als zij in de tent der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. [Dit] zal een eeuwige inzetting zijn, voor hem, en zijn zaad na hem.’

Numeri 1:48-53: ‘Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende: 49 Alleen de stam van Levi zult gij niet tellen, noch hun som opnemen, onder de zonen van Israel. 50 Maar gij, stel de Levieten over den tabernakel der getuigenis, en over al zijn gereedschap, en over alles, wat daartoe behoort; zij zullen den tabernakel dragen, en al zijn gereedschap; en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den tabernakel legeren. 51 En als de tabernakel zal optrekken, de Levieten zullen denzelven afnemen; en wanneer de tabernakel zich legeren zal, zullen de Levieten denzelven oprichten; en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden. 52 En de kinderen Israels zullen zich legeren, een iegelijk bij zijn leger, en een iegelijk bij zijn banier, naar hun heiren. 53 Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israels zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen.’

Numeri 8:18-20: ‘En Ik heb de Levieten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels. 19 En Ik heb de Levieten aan Aaron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israels, om den dienst van de kinderen Israels in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israels verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden. 20 En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.’

Numeri 1:51b: ‘en de vreemde, die daarbij komt, zal gedood worden.’

Hoe nauwkeurig worden allerlei voorschriften gegeven voor de priesters, Leviticus 21, 22.

Numeri 4:3, 23, 35, 39, 43, 47: de priesters: van dertig tot vijftig jaar oud.
Numeri 8:24, 25: ‘Dit is het, wat de Levieten aangaat: van vijf en twintig jaren oud en daarboven, zullen zij inkomen, om den strijd te strijden, in den dienst van de tent der samenkomst. 25 Maar van dat hij vijftig jaren oud is, zal hij van den strijd van dezen dienst afgaan, en hij zal niet meer dienen.’

Nadab en Abihu
Leviticus 10:1: ‘En de zonen van Aaron, Nadab en Abihu, namen een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en legden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des HEEREN, hetwelk hij hen niet geboden had.’ Dan, vers 2: ‘Toen ging een vuur uit van het aangezicht des HEEREN, en verteerde hen; en zij stierven voor het aangezicht des HEEREN.’ En om elk misverstand uit te sluiten, vers 3a: ‘En Mozes zeide tot Aaron: Dat is het, wat de HEERE gesproken heeft, zeggende: In degenen, die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal Ik verheerlijkt worden.’ Inhoudelijke willekeur is levensgevaarlijk!

Korach, Dathan en Abiram
Ook in Israël was verzet tegen de door de Heere gestèlde en gebóden orde, Numeri 16:1-3: ‘Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben. 2 En zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israels, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam. 3 En zij vergaderden zich tegen Mozes, en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u, want deze ganse vergadering, zij allen, zijn heilig, en de HEERE is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des HEEREN?’ De ingestelde orde wordt ‘vertaald’ naar een menselijke instelling en daarom aangevochten.

De Heere straft dit heel hard, heel openlijk, af, Numeri 16:30: ‘Maar indien de HEERE wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijn mond zal opendoen, en verslinden hen met alles wat hunner is, en zij levend ter helle zullen nedervaren; alsdan zult gij bekennen, dat deze mannen de HEERE getergd hebben.’ en Numeri 16:35: ‘Daartoe ging een vuur uit van den HEERE, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk offerden.’ Is Israël, zijn wij verpletterd door deze schrikwekkende gebeurtenissen en láten ze zich-, we ons gezeggen? Immers: ‘dat deze mannen de HEERE getergd hebben.’ Dàt is het dus inderdaad: de Heere tergen. En de Heere bevèstigt dat in het oordeel en de uitvoering ervan. God duldt géén inbreuk op-, géén afbraak van Zijn gestelde orde. Numeri 16:41: ‘Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!’ ZO GROOT IS DE NATUURLIJKE HOOGMOED VAN DE MENS!!! De Heere toornt met een grote plaag, Numeri 16:49: ‘Die nu aan die plaag gestorven zijn, waren veertien duizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.’ Opnieuw, de Heere bevèstigt Zijn gestelde orde. HOE HARDLEERS IS DE MENS!

De Heere bevèstigt Zijn gestelde orde heel nadrukkelijk nog eens, Numeri 17:8-11: ‘Het geschiedde nu des anderen daags, dat Mozes in de tent der getuigenis inging; en ziet, Aarons staf, voor het huis van Levi, bloeide; want hij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem, en droeg amandelen. 9 Toen bracht Mozes al deze staven uit, van voor het aangezicht des HEEREN, tot al de kinderen Israels; en zij zagen het, en namen elk zijn staf. 10 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Breng de staf van Aaron weder voor de getuigenis, in bewaring, tot een teken voor de wederspannige kinderen; alzo zult gij een einde maken van hun murmureringen tegen Mij, dat zij niet sterven. 11 En Mozes deed het; gelijk als de HEERE hem geboden had, alzo deed hij.’ Hoe uitgebreid beschreven. Opdat niemand kan zeggen: ik kon het niet weten.

Saul
I Samuël 13:8: ‘En hij vertoefde zeven dagen, tot den tijd, dien Samuel bestemd had. Als Samuel te Gilgal niet opkwam, zo verstrooide het volk van hem.’

I Samuël 13:9 en 10a: ‘Toen zeide Saul: Brengt tot mij herwaarts een brandoffer, en dankofferen; en hij offerde brandoffer. 10 En het geschiedde, toen hij geeindigd had het brandoffer te offeren,’

I Samuël 13:13 en 14: ‘Toen zeide Samuel tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan; gij hebt het gebod van den HEERE, uw God, niet gehouden, dat Hij u geboden heeft; want de HEERE zou nu uw rijk over Israel bevestigd hebben tot in eeuwigheid. 14 Maar nu zal uw rijk niet bestaan. De HEERE heeft Zich een man gezocht naar Zijn hart, en de HEERE heeft hem geboden een voorganger te zijn over Zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt, wat u de HEERE geboden had.’ Hoe waakt de Heere over Zijn gestelde en geboden orde.

Jerobeam
I Koningen 12:26 en 27: ‘En Jerobeam zeide in zijn hart: Nu zal het koninkrijk weder tot het huis van David keren. 27 Zo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het huis des HEEREN te Jeruzalem, zo zal het hart dezes volks tot hun heer, tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren; ja, zij zullen mij doden, en tot Rehabeam, den koning van Juda, wederkeren.’

I Koningen 12:31: ‘Hij (Jerobeam) maakte ook een huis der hoogten; en maakte priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi.’

I Koningen 12:33: ‘En hij (Jerobeam) offerde op het altaar, dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand, dewelke hij uit zijn hart verdacht had; zo maakte hij den kinderen Israels een feest, en offerde op dat altaar, rokende.’ Jerobeam verzwaart zijn zonde, daar hij kòn weten van het oordeel over Saul, die de geboden orde ook omvergeworpen en geminacht had.

I Koningen 14:10: ‘Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien, wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israel; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.’

I Koningen 14:16: ‘En Hij zal Israel overgeven, om Jerobeams zonden wil, die gezondigd heeft, en die Israel heeft doen zondigen.’

I Koningen 15:30: ‘Om de zonden van Jerobeam, die zondigde, en die Israel zondigen deed, [en] om zijn terging, waarmede hij den HEERE, den God Israels, getergd had.’

Het refrein:
In de zonden van Jerobeam, die Israël deed zondigen. Zie: I Koningen 15:34; 16:2, 19, 26, 31; 21:22, 53; II Koningen 3:3; 10:29, 31; 13:2, 6, 11; 14:24; 15:9, 18, 24, 28; 17:21, 22; 23:15; Hoe moet het alle volgende geslachten ernstig waarschuwen: DIE ISRAËL DEED ZONDIGEN!!! Pas op, pas op, hoe gemakkelijk wordt het volk verleid, er toe aangezet, gedwongen (zie hierna) leiders in hun afval te volgen. Tegelijk: wie u ook bent, u bènt ernstig gewaarschuwd! Jerobeam dééd het! Zijn geslacht wordt van de aarde uitgeroeid, het mag van de Heere géén plaats meer hebben op de aarde (vergelijk Sodom en Gomorra). Tot een eeuwig getuigenis! Maar het volk gaat beslist niét vrij uit: het volk vòlgt in de zonde, passief, aktief. Voor God geldt hier geen enkele verontschuldiging. Zie hierboven I Koningen 14:16.

Zie I Koningen 12:31. Het heeft noodzakelijk gevolg, II Kronieken 11:14: ‘Want de Levieten verlieten hun voorsteden en hun bezitting, en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijn zonen hadden hen verstoten, van het priesterdom des HEEREN te mogen bedienen.’ Vergelijk Amos 7:12, 13: ‘Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener! ga weg, vlied in het land van Juda, en eet aldaar brood, en profeteer aldaar. 13 Maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteren; want dat is des konings heiligdom, en dat is het huis des koninkrijks.’ Telkens weer: ware profetie wordt de mond gesnoerd, uitgebannen. De ware profeet laat zich er niet door afschrikken, Amos 7:14, 15: ‘Toen antwoordde Amos, en zeide tot Amazia: Ik was geen profeet, en ik was geen profetenzoon; maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af. 15 Maar de HEERE nam mij van achter de kudde; en de HEERE zeide tot mij: Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israel.’ DOOR GOD GEROEPEN EN GEZONDEN: PROFETEER! Alleen Oudtestamentisch? Nee, Openbaring 11:3,7: ‘En Ik zal Mijn twee getuigen [macht] geven, en zij zullen profeteren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed. 7 En als zij hun getuigenis zullen geeindigd hebben, zal het beest, dat uit den afgrond opkomt, hun krijg aandoen, en het zal hen overwinnen, en zal hen doden.’ De profetie tòch overwonnen? Nee! Openbaring 11:11, 12: ‘En na die drie dagen en een halven, is een geest des levens uit God in hen gegaan; en zij stonden op hun voeten; en er is grote vrees gevallen op degenen, die hen aanschouwden. 12 En zij hoorden een grote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk; en hun vijanden aanschouwden hen.’ De Heere overwint, ook al worden Zijn profeten gedood, ook al wordt de door Hem geboden orde steeds weer omvergeworpen.

Uzzia
II Kronieken 26:16: ‘Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn hart tot verdervens toe, en hij overtrad tegen den HEERE, zijn God; want hij ging in den tempel des HEEREN, om te roken op het reukaltaar.’ Opnieuw, de hoogmoed doet Uzzia grijpen naar omverwerping van de door de Heere gestelde orde. II Kronieken 26:17, 18: ‘Doch Azaria, de priester, ging hem na, en met hem des HEEREN priesters, tachtig kloeke mannen. 18 En zij wederstonden den koning Uzzia, en zeiden tot hem: Het komt u niet toe, Uzzia, den HEERE te roken, maar den priesteren, Aarons zonen, die geheiligd zijn, om te roken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eer zijn van den HEERE God.’ Telkens weer blijkt, dat de mens, een vorst, niet te doorgronden is, als hij openlijk tegengestaan wordt in zijn streven. Alleen heilige vrees voor de Heere vanuit een vroom geloof doet telkens weer krachtig weerstand bieden tegen alle aanvallen van de duivel. Want, II Kronieken 26:19a: ‘Toen werd Uzzia toornig,’ De Heere redt direct uit en bevestigt daarin het krachtig weerstaan van Uzzia, II Kronieken 26:19b-21: ‘en het reukwerk was in zijn hand, om te roken; als hij nu toornig werd tegen de priesteren, rees de melaatsheid op aan zijn voorhoofd, voor het aangezicht der priesteren in het huis des HEEREN, van boven het reukaltaar. 20 Alstoen zag de hoofdpriester Azaria op hem, en al de priesteren en ziet, hij was melaats aan zijn voorhoofd, en zij stieten hem met der haast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de HEERE hem geplaagd had. 21 Alzo was de koning Uzzia melaats tot aan den dag zijns doods; en melaats zijnde, woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het huis des HEEREN afgesneden; Jotham nu, zijn zoon, was over het huis des konings, richtende het volk des lands.’ Zelfs ná zijn dood werd het hem nog nagedragen, vers 23midden: ‘in het veld van de begrafenis, die van de koningen was; want zij zeiden: hij is melaats;’ Hoe heilig is de Heere! Hoe wáákt de Heere over de betrouwbaarheid van Zijn Woord, Zijn verordeningen.

Wat is telkens weer het kenmerkende? De mens onttrekt zich aan de gestèlde en gebóden orde van de Heere en daarmee vervalt hij noodzakelijk in eigenwillige willekeur. En de mens voert steeds weer zeer ‘gegronde’ ‘redenen’ en ‘motieven’ aan, waarom hij zó doet. Daarvan zal iedereen toch meteen volledig overtuigd zijn? En dus … God ook? De Schrift leert duidelijk, dat God nooit, nergens toestaat, dat Zijn Woord, Zijn gebod aan kracht en zeggenschap verliest door menselijke fantasieën. Nee, ook de door Hem gestelde ordes niet.

U zegt: ja, maar dat is allemaal Oude Testament en de hele ceremoniële wetgeving en offerdienst is met Christus komst en offer vervallen. Juist, maar daarmee is nog niet aangetoond, dat de daarin door God gestelde òrde ook vervalt. Maar laten we eerst het vervolg zien in het Nieuwe Testament.

Mattheüs 10:1-5a: ‘En Zijn twaalf discipelen tot Zich geroepen hebbende, heeft Hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwaal te genezen. 2 De namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de eerste, Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder; Jakobus, de [zoon] van Zebedeus, en Johannes, zijn broeder; 3 Filippus en Bartholomeus; Thomas en Mattheus, de tollenaar; Jakobus, de [zoon] van Alfeus, en Lebbeus, toegenaamd Thaddeus; 4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft. 5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel gegeven,’ Ook de Heere Jezus benoemt twaalf mannen. JEZUS roept HEN, HEN geeft Hij macht over, om. HEN zendt Jezus uit, HEN geeft Hij bevel, elke twijfel vervalt, elke onzekerheid wordt weggenomen. Eén ding valt op: hier wordt niet meer verwezen naar alleen de stam Levi, het huis van Aäron. Ook Paulus getuigt, dat hij uit de stam Benjamin is. Elk onderscheid vervalt daarmee. Hoe licht hierin Pinksteren al op: alle volken. Jezus wéét: Ik heb deze macht, deze bevoegdheid, om zo te handelen, want de overwinning staat onwrikbaar vàst!

I Timotheüs 2:11-14: ‘Een vrouw late zich leren in stilheid, in alle onderdanigheid. 12 Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over den man heerse, maar [wil], dat zij in stilheid zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. 14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.’ Dit leidt ons terug naar Genesis 3:1: ‘De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook, dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?’ Nu gaan we even terug, want we weten, dat met de slang de duivel bedoeld wordt, die door de slang spreekt. We gaan terug naar een andere orde die God gesteld heeft: de duivel is door God goed geschapen als één van de meest vooraanstaande engelen in orde. Maar, de duivel is engel, dienstknecht. Dan schept God de mens, als Zijn kind. Maar de duivel ziet meteen, dat de mens gebonden is aan de aarde, dat de mens spijsvertering kent, bloedsomloop, kortom, mens van vlees en bloed. Maar hij – de duivel – is geest, en dus, dus. Het vervolg is duidelijk: de duivel is niet tevreden met de door God in alle vrijheid gestelde ORDE. De door God gestelde ORDE wordt door de duivel aangevochten, verworpen, geminacht en dùs komt de duivel in opstand tegen Gòd, Die dié orde in vrijheid stèlde. En dùs is het vanzelfsprekend, dat hij in Genesis 3:1 spreekt tot de vròuw, terwijl haar man bij haar was. Ook de orde, dat de man het hoofd van de vrouw is moet direct omvergeworpen worden. En de vrouw onderkent de geraffineerde verleiding niét en pláátst zich vóór de man en verwèrpt de door God gestelde orde en vóert het gesprek. God had het gebod gegeven: van die boom niét eten. We zien, waar de door God gestelde orde verworpen wordt, daar zijn ook Gods geboden niet veilig. En zó komt de mens tot eigen beoordeling, los van en onafhankelijk van God, van Zijn Woord, van Zijn gestelde orde, van Zijn geboden, ja, betoont zich uitgesproken vijand van God.

I Timotheüs 2:13 ‘Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva.’ Nu lees ik Genesis 2:18-23: ‘Ook had de HEERE God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, [die] als tegen hem over zij. 19 Want als de HEERE God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zoals Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn. 20 Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds; maar voor de mens vond hij geen hulpe, [die] als tegen hem over ware. 21 Toen deed de HEERE God een diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe [met] vlees. 22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. 23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit den man genomen is.’ Vanwaar die uitgebreide beschrijving? En, had God niet Adam en Eva tegelijk kunnen formeren en dan eerst de levensgeest in Adam blazen? Dan was het toch ook duidelijk geweest? De mens moet na de zondeval zich er telkens weer op betrappen, dat hij veel te gehaast is. De hoogmoed slaat maar zo weer op hol: IK WEET HET WEL! God weet het ook, en Hij verlaagt Zich in Zijn tempo naar het niveau van de mens, opdat de mens geen enkele verontschuldiging heeft. Dáárom heeft het God goedgedacht het zó te doen en het zó uitgebreid te beschrijven, opdat de mens alle hoogmoed àflegt en zich zèt tot luisteren en onderwerpen aan de door God gestelde orde en aan de door God gegeven geboden.

Dan zien we meteen, dat in al de andere teksten in het Nieuwe Testament waar gesproken is van diakenen, oudsten, ouderlingen, gesproken wordt van mànnen. Evenzo in de teksten waarin gesproken wordt van de vereisten voor het bijzonder ambt in de gemeente/kerk. Ze sluiten in dit opzicht naadloos aan bij de aanstelling van de twaalf apostelen door de Heere Jezus Christus. Dat, in het verlengde van de aanstelling van de stam Levi, moet ons voldoende zijn: de door God gestelde orde wordt gehandhaafd. Maar nee, het heeft de Heilige Geest goedgedacht door Paulus aan Timotheüs heel uitgebreid de lijn te laten zien wat de basis, de norm, de orde is die God gesteld heeft in de schepping. En welke uitleg, welke hermeneutiek door mènsen – hoe geleerd ook, hoe massaal ook – toegepast en verdedigd en voorgesteld wordt, ze lopen te pletter tegen de door God gestelde ORDE.

Is er dan geen plaats, geen taak meer voor de vrouw? Zeker wel!
We lezen in Genesis 21:9-12: ‘En Sara zag den zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende. 10 En zij zeide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haar zoon uit; want de zoon dezer dienstmaagd zal met mijn zoon, met Izak, niet erven. 11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams ogen, ter oorzake van zijn zoon. 12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uw ogen, over den jongen, en over uw dienstmaagd; al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar haar stem; want in Izak zal uw zaad genoemd worden.’ Wat zien we? God bevèstigt de gééstelijke beoordeling van Sara boven de vléselijke van Abraham. Vecht Sara de door God gestelde orde aan? Nee, ze blijft hem heer noemen en hem zo erkennen naar de door God gestelde orde.
Hanna wijst Elkana de weg, ze zingt haar lofzang. Dan staat er in I Samuël 2:19midden: ‘als zij opkwam met haar man,’ Daarin erkent ze Elkana als haar man en bewaart getrouw de door God gestelde orde. Daarom, ze kwam met haar man.
Maria zingt haar lied, maar als Jozef haar en het Kind neemt om naar Egypte te vluchten, dan onderwerpt ze zich aan hem en bevestigt daarin de door God gestelde orde. En God gebiedt het aan Jozef, als hoofd, niet aan Maria.
Wat blijkt hieruit? Hieruit blijkt, dat God vrij is om mannen èn vrouwen gaven te geven naar Zijn welbehagen. Ja, dan kan God aan bepaalde vrouwen méér, àndere gaven geven dan aan haar man, dan kunnen vrouwen in de gemeente rijke gaven van kennis en onderscheid en zoveel meer en andere ontvangen, maar ze mogen, moeten ze inzetten op de door haar ontvangen plaats in de door God gegeven orde. Hier is geen plaats voor krampachtigheid, maar voor rijke en blijde inzet van àlle gaven die God gaf en geeft, naar Zijn orde. Hierbij ingesloten het omzien naar elkaar en het toezien op elkaar, in liefde.

Dan zien we, dat de zonde alleen WANorde heeft veroorzaakt en veroorzaakt, onafzienbare en onherstelbare WANorde. Hier en nu door God in toom gehouden of de vrije loop gelaten, naar Zijn rechtvaardig oordeel, terwille van Zijn volk. Vanaf de jongste dag worden de duivelen en de mens der wetteloosheid daar naar hun begeren aan over gegeven. Waar de door God gestelde orde losgelaten wordt vervalt de mens vanzelf in eigenwillige willekeur en wanorde.

Onze Heere Jezus Christus heeft door Zijn offer de weg naar de nieuwe hemel/aarde voor Zijn kinderen geopend in de weg van de gehoorzaamheid. Ook in gehoorzaamheid aan de door God gestelde orde. Vandaar de roeping, de benoeming van twaalf mannen tot apostelen.

Inderdaad, God roept tot het bijzondere ambt, wie Hij wil, zolang Hij wil. Hij schakelt daarbij de gemeente in, hij roept de gemeente daartoe aktief op, Handelingen 6:3: ‘Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die [goede] getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.’ Zó moeten die mannen bekend staan. Zó moeten die mannen hun bijzondere ambt uitoefenen. Dan zien we in het Oude Testament Hofni en Pinehas, zonen van Eli, en zoveel andere priesters en levieten, die afdwalen, die misleiden en verleiden. Dan zien we in het Nieuwe Testament Judas Iskariot, we lezen ernstige waarschuwingen voor vàlse herders, vàlse leraars, die zullen misleiden en verleiden en tot afval brengen. Inderdaad, God róept tot het bijzonder ambt! Maar Gods roeping is nóóit een vrijbrief voor eigenwilligheid; Gods roeping mag nóóit leiden tot een talstelling waarvoor alleen mannen in aanmerking (kunnen) komen, die ‘passen’ in de groep, vgl. Jerobeam; Gods roeping mag nóóit de enige reden zijn om een gemeentelid te dwingen tot gehoorzame onderwerping en eerbetoon. Hoe vaak zijn Gods kinderen daardoor op een dwaalspoor gebracht en hebben Gods kinderen die roeping verheven bóven de inhoud van het ambtelijk werk. Daarom, als een gezonden ambtsdrager afdoet van- of toevoegt aan de leer van zijn Zender, Jezus Christus, als een ambtsdrager een weg wijst die afwijkt van Gods Woord, Gods geboden, Gods gestelde orde, dan móet het kind van God die aangewezen en bepleite weg radicaal afwijzen, weerstaan, en daarmee die ambtsdrager, want die misbruikt zijn ambt in eigenwillige willekeur tot valse leer en verderfelijk handelen. Weersta hen, vast in het geloof!

Het valt op, dat dwaalleraars – OT en NT – vaak zo gemakkelijk en lichtvaardig nagevolgd worden. Zij bewandelen de – voor het natuurlijke vlees – aangename wegen. En veelszins weten ze hun dwalingen en afwijkingen zó aannemelijk en aanlokkelijk te brengen, of met beroep op macht en geld en geweld, dat weerstand gauw gebroken wordt. Er staat nog een roeping van de Heere in de Bijbel: Jeremia. Jeremia 1:7, 8: ‘Maar de HEERE zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal, waarhenen Ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles, wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken. 8 Vrees niet voor hun aangezicht, want Ik ben met u, om u te redden, spreekt de HEERE.’ Dat houdt voor nu in: het Woord van God, onverkort, niet afdoend, niet toedoend. De Heere onderkent de tegenstand, de haat, de vijandschap, de weerzin tegen het Woord, scherp als een tweesnijdend scherp zwaard, en daarom vers 8, tot bemoediging, tot volharding, tot versterking van geloof en vertrouwen, ziende eigen zwakheid en wankelmoedigheid en beperktheid. Bijv. Jeremia 20. Hoe wreekt zich telkens weer het gebrek aan kennis en daarom aan liefde en geloof, bij ambtsdragers, bij gemeenteleden. Inderdaad, de weg van het geloof is uitermate smal en vol zelfverloochening. Maar houdt goede moed, Christus hééft overwonnen.

I Corinthiërs 14:33: ‘Want God is geen [God] van verwarring, maar van vrede, gelijk in al de Gemeenten der heiligen.’ en 40: ‘Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.’ Geachte mens, u wilt tornen aan Gods gestelde orde? U hebt God lief? Hoe kunt u God liefhebben en Zijn gestelde orde háten? Verwacht u inderdaad, dat u de door God gestelde orde op de nieuwe hemel/aarde wèl mag veranderen en aanvechten? Daarom, wie hier en nu de door God gestelde orde niét liefheeft en van harte bewaart, die kàn en wìl niet buigen onder de orde van God op de nieuwe hemel/aarde.

Of heeft God al die afwijkingen in het Oude Testament – zoals hierboven genoemd – tevergeefs voor ons doen optekenen? Voor ons tot ernstige waarschuwing, opdat wij geen lust tot afwijking zouden hebben! Laten ze niet eens tegen ons getuigen.

Des te meer zullen we ons heel klein moeten weten voor de almachtige God, Die in Zijn oneindige wijsheid zó Zijn ordes heeft bepaald en bekend gemaakt. Nee, ons beperkte verduisterde verstand verstaat die niet, kàn die niet verstaan. Laten we opmerken, erkennen, dat we kleine, nietige schepselen zijn, om ons zó in aanbidding voor Hèm neer te werpen. Alle lof en eer en aanbidding voor Zijn almacht, Zijn wijsheid, Zijn ontferming in Christus.

24 september 2013

Op bovenstaand artikel ontving ik een vriendelijke reactie. Wellicht kan ik met het inhoudelijke antwoord ook anderen van dienst zijn.

Inderdaad, ik zwijg over zwijgteksten, over Debora, Hulda, Ester, Phoebe, Euodia, Syntyche, enz. Ik zwijg over Galaten 3:28.

De reden is, dat ik geprobeerd heb niet méér aan te halen dan wat de Bijbel zegt over het kèrkelijk ambt, OT en NT. Kèrkelijk, niet daarbij de publieke ambten. Want dan is Debora als richteres duidelijk inhoudelijk een publiek ambt. Hulda is profetes, een afgebakende taak, opdracht, die als zodanig een duidelijk andere publieke invulling is dan priester, leviet, in de kèrk. En zo zijn er ook profeten geweest van buiten de stam Levi. Ester treedt als koningin – in de samenstelling van toen – publiek op. Mèt de verschillen tussen toen en nu moeten we constateren, dat in het Nieuwe Testament Phoebe, Euodia, Syntyche en anderen niét bekleed zijn met het leerambt en/of opzienersambt in de kèrk. En als de Heere Jezus de koningin van Scheba aanhaalt, Mattheüs 12:42, Lukas 11:31, dan is er geen verkeerd woord bij over haar publiék ambt.

Galaten 3:28: ‘Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus’. In heel Galaten 3 wordt helemaal niets gesproken over het leerambt, het opzienersambt in de kèrk.

Dat bevestigt mij er des te meer in, dat we voor alles heel duidelijk moeten onderscheiden èn scheiden: welke teksten – OT en NT – hebben duidelijk betrekking op het kèrkelijk ambt, welke niet. WAT IS DE HOOFDLIJN IN DE SCHRIFT? Ook in gesprekken, discussies, besluiten. Dat noodzaakt meteen om teksten die er niet direct over handelen meteen buiten te sluiten, zodat zo zuiver mogelijk blijft en wordt, wat daarin de geopenbaarde wil van de Heere is. Zo mogelijk moeten we elke mogelijke ruis voorkómen. We zien vaak, dat juist de ruis alle tijd en ruimte in de gesprekken, discussies beheerst.

Die HOOFDLIJN moeten we vasthouden, die moet zuiver en duidelijk zijn. Zijn al die andere teksten dan onbelangrijk? Nee, maar ze moeten gevoegd worden náár de hoofdlijn. Ze kunnen de HOOFDLIJN inhoudelijk niet beïnvloeden of wijzigen. Zo gemakkelijk kunnen er teksten bij gezocht worden, die mogelijk ook van invloed zijn. De praktijk leert, dat dan niet meer die andere teksten van invloed zijn, maar (onbedoeld) de interpretatie, de uitleg, ervan.

12 oktober 2013

Er wordt gewezen op culturele ontwikkelingen gaandeweg de geschiedenis. Die zijn er zeker geweest. Maar betekent dat, dat culturele ontwikkelingen bij de mensheid – NA DE ZONDEVAL! – Gods orde – op welk terrein ook – van vóór de schepping bepalen? Dat God ná de zondeval Zijn gestelde orde aanpast, aan laat passen door mensen, ook in 2013? Hoe duidelijk toont de Bijbel, dat de ZONDE de culturele ontwikkelingen heeft beïnvloed, besmet, ontwricht!

Een treffend voorbeeld toont de Heere Jezus m.b.t. het huwelijk, de scheidbrief. Mattheüs 19:3-9: ‘En de Farizeen kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak? 4 Doch Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van de beginne [de mens] gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? 5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; 6 Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. 7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? 8 Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van de beginne is het alzo niet geweest. 9 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, [die] doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet [ook] overspel.’
Dan zien we heel duidelijk, dat de Heere Jezus begint met de door de HEERE gestelde ORDE van vóór de zondeval. De Farizeeën wijzen Hem op de veranderingen n.a.v. culturele ontwikkelingen ná de zondeval – in de OT kerk! -. De Heere Jezus ontkent die niet, maar wijst wel meteen weer terug naar het begin, vóór de zondeval. En Hij bevestigt en herhaalt in vers 9 opnieuw nadrukkelijk de ORDE zoals die door God gesteld is en dat ná de zondeval alléén hoererij de wettige weg tot echtscheiding is.

Dan zal vanuit het Woord duidelijk aangetoond moeten worden, dat culturele ontwikkelingen na de zondeval er toe geleid hebben, dat de HEERE het nu toestaat, dat de vrouw in het leerambt en opzienersambt in de kerk mag dienen.

15 oktober 2013

N.a.v. opmerkingen dat vrouwen geen publiek ambt mogen uitoefenen op grond van de door God gestelde orde in de schepping, wil ik graag de volgende vragen/opmerkingen plaatsen:

1. Mirjam, profetes. Terwijl Mozes en Aäron ook aanwezig waren, en nog meer vromen.
2. Debora, huisvrouw van Lappidoth, richteres. Hoe heeft ze ook in haar lied ervan gewaagd, dat de Heere verloste, ja, ook door haar hand en plicht en uitvoering ervan. En, de Heilige Geest dreef haar tot haar lied. Zeker, mannen viel het niet nemen van initiatief te verwijten.
3. Hulda, vrouw van Sallum, profetes. Terwijl Jesaja tegelijk profeet was. Toch stuurde koning Hiskia boden naar de profetes Hulda en luisterde hij naar haar profetie. II Koningen 22, II Kronieken 34.

Als ik dan zie hoe de Heere afwijkingen in de ambtsdienst in de kèrk – OT – veroordeeld en gestraft heeft (zie de gegeven citaten in artikel) en daarnaast geen enkele veroordeling en bestraffing n.a.v. hun publiék optreden lees van genoemde en niet-genoemde vrouwen in publieke taken, ambten, dan moet ik heel voorzichtig en terughoudend zijn in het zo absoluut verbieden van vrouwen nú in publieke taken, ambten. Dan kan en mag ik niet zo uitdrukkelijk de lijnen doortrekken naar vandaag en absolute verboden verkondigen en afdwingen. En al helemaal niet met beroep op Gods Woord. Dan zullen toch eerst de heel duidelijke verschillen – zoals genoemd, kerkelijk, publiek – onder ogen gezien moeten worden en afgevraagd worden: binden wij nú méér dan dat de Schrift, de Heere – OT – bindt? Of zeggen de genoemde en door de Heere zo duidelijk bevestigde verschillen in scheiding en onderscheiding tussen kèrkelijk en publiék in het OT ons niets voor vandaag?

Wel zou ik enkele criteria willen noemen:

a. De volgorde die in acht genomen moet worden: eerst het huwelijk, dan in het huwelijk de kinderen, pas dan eventuele taken, ambten buiten huwelijk, gezin. Het is niet juist, dat het huwelijk, het gezin, zich in allerlei kronkels en bochten moet wringen vanwege publieke taken, ambten. Daar moeten betrokkenen zelf voor waken, daar moeten ook anderen voor waken. Nee, ook noodoplossingen mogen niet als oplossing aangedragen of aanvaard worden. Nog veel minder financiële aspecten. De Schriftuurlijke roeping voor vrouwen is ook die volgorde: huwen (als de Heere het geeft), kinderen krijgen (als de Heere ze geeft), daarna andere taken, ambten.

b. Voor ongehuwden, jonge weduwen zonder kinderen, liggen de zaken anders. Zeker zal de andere geaardheid van vrouwen daarin een rol spelen en de orde die God gezet heeft. Maar in die orde liggen ook de verschillen – OT – kerkelijk, publiek.

c. Het heeft weinig zin allerlei noodsituaties te bespreken, gevolgd met allerlei noodoplossingen. Ook dan zal zoveel mogelijk de aangegeven scheppingsorde in acht genomen moeten worden, op dat moment, in die situatie, met de overgebleven mogelijkheden.

16 oktober 2013

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *