Inleiding IIb

In Exodus 9:13-17 lezen we: ‘Toen zei de HEERE tot Mozes: Maak u morgen vroeg op, en stel u voor Farao’s aangezicht, en zeg tot hem: Zo zegt de HEERE, de God der Hebreen: Laat Mijn volk trekken, dat zij Mij dienen. Want ditmaal zal Ik al Mijn plagen in uw hart zenden, en over uw knechten, en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk Ik, op de ganse aarde. Want nu heb Ik Mijn hand uitgestrekt, opdat Ik u en uw volk met de pestilentie zou slaan, en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden. Maar waarlijk, daarom heb Ik u verwekt, opdat Ik Mijn kracht [aan] u betoonde, en opdat men Mijn Naam vertelle op de ganse aarde. Verheft gij uzelven nog tegen Mijn volk, dat gij het niet wilt laten trekken?’
We leggen de hand op de mond. Is de Heere zó machtig, dat Hij soeverein beschikt over alles, over iedereen? Tegelijk, is de Heere zó barmhartig, dat Hij zó omstandig Zijn raadsplannen ontvouwt en bekend maakt aan de mens? Hoe ernstig en volhardend en aanhoudend zóekt de Heere het behoud van de verloren mens, Zijn schepsel. En dat ondanks alle hoon en spot en minachting. Zie Exodus 5:2.
We leggen de hand weer op de mond. Is de mens(heid) zó verdorven, dat hij uit volle overtuiging bewust het kwade zoekt en begeert en werkt? We vinden niets, helemaal niets in onszelf, waaruit niet overtuigend blijkt: JA! zó zijn we, zó ben ik, zó totaal verdorven, zó dodelijk vijandig tegenover God, tegenover mijn naaste. Daarom, ik moet mij zelf voor God totaal veroordelen als des doods schuldig. Dàn, groot wonder, dàn zegt God: mens, kom in dié gezindheid naar Mij toe en Ik zal u nooit afwijzen. Gelóóf en dóe de werken van het geloof en lééf, eeuwig! Het offer van Jezus Christus heeft àl uw zonden uitgewist, alsof u het zelf gedaan had. Leef uit die genade.
Exodus 12:30-33: ‘En Farao stond op bij nacht, hij en al zijn knechten, en al de Egyptenaars; en er was een groot geschrei in Egypte; want er was geen huis, waarin niet een dode was. Toen riep hij Mozes en Aaron in de nacht, en zei: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zo gijlieden als de kinderen van Israel; en gaat heen, dient de HEERE, gelijk gijlieden gesproken hebt. Neemt ook met u uw schapen en uw runderen, zoals gijlieden gesproken hebt, en gaat heen, en zegent mij ook. En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende, om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood!’ De Heere dwingt hen tot het uitvoeren van Zijn raadsplan en ze DRIJVEN de Israëlieten uit het land. Maar hebben ze ervan geléérd en hebben ze zich met haast bekéérd, met hart en ziel? Nee!
Herinnert u zich nog de koeien en varkens die vetgemest werden voor de slachtbank? Hier zien we hoe de Heere dat bewaarheidt tegenover de Farao, tegenover de Egyptenaren. Exodus 14:3-9: ‘Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land; die woestijn heeft hen besloten. En Ik zal Farao’s hart verstokken, dat hij hen najage; en Ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzo dat de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben. En zij deden alzo. Toen nu de koning van Egypte werd geboodschapt, dat het volk vluchtte, zo is het hart van Farao en van zijn knechten veranderd tegen het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israel hebben laten trekken, dat zij ons niet dienden? En hij spande zijn wagen aan, en nam zijn volk met zich. En hij nam zeshonderd uitgelezen wagens, ja, al de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen. Want de HEERE verstokte het hart van Farao, de koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najaagde; doch de kinderen Israels waren door een hoge hand uitgegaan. En de Egyptenaars jaagden hen na, en achterhaalden hen, daar zij zich gelegerd hadden aan de zee; al de paarden, de wagens van Farao en zijn ruiters, en zijn heir; nevens Pi-Hachiroth, voor Baal-Zefon.’
De Israëlieten hebben de Egyptenaren beroofd en ze zijn uitgetrokken, ongehinderd. Wat een vreugde, wat een blijdschap, wat een dankbaarheid, toch? Nu móeten ze toch royaal erkennen, dat het Woord van de Heere waarheid is en dat de Heere trouw is aan Zijn gesproken woord en beloften en verbond? En, hebben ze al die plagen gezien waarmee en waarin de Heere Zich de Almachtige betoonde, hebben ze die wonderbaarlijke verlossing en uitredding gezien, en ze zien nú de Egyptenaren achter zich aankomen, dan zijn ze er toch van overtùigd, dat de HEERE hen ook nú zal verlossen?
Exodus 14:10-12: ‘Als Farao nabij gekomen was, zo hieven de kinderen Israels hun ogen op, en ziet, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE. En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte gevoerd hebt? Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.’
Ziet u dat: ze riepen tot de HEERE. Alleen, hun woorden daarop tegenover Mozes getuigden helemaal niet van geloof, vertrouwen, dat de Heere hen opnieuw zou uitredden. Ze vielen zo weer terug in hun oude ongeloof toen ze de Egyptenaren zágen en ze reageren zich af tegenover Mozes. Maar hier zien we duidelijk, dat hun reactie naar Mozes feitelijk ongeloof openbaarde tegenover de Heere.
En zó moet de mens heel scherp voor ogen staan, dat elke reactie van een mens feitelijk een reactie is op de situatie zoals die plaats vindt, op de situatie zoals die tot stand gekomen is. Alleen moet de mens dan steeds weer tot àchter de ‘veroorzaker’ zien: God, Die het zó leidde, God, Die het zó bestuurde, naar Zijn raad, naar Zijn voorzienig bestel. Nee, we weten van te voren niét hóe Gods raad is op dat punt, in dat geval, in die situatie. Wel openbaart de Heere, dat Hij mensen op hun dwaalwegen laat voortgaan. Wel openbaart de Heere, dat Hij mensen op jonge leeftijd tot waarachtig geloof brengt en daarin doet volharden.
Wel openbaart de Heere, dat mensen tot geloof komen, maar dat ze zich gaandeweg door allerlei oorzaken van het geloof afkeren, dat het geloof dichtslibt door allerlei voorspoed, dat het geloof afslijt door velerlei tegenspoed, door … de mens zelf, die niet volhardt in het standvastig vertrouwen op de Heere alleen in alle omstandigheden. Want de gelovige erkènt Gods soevereine vrijheid de levensweg zó te doen gaan naar Zijn raadsbesluit en geeft zich vol vertrouwen aan Hèm over, vast gelovend, dat God àlles doet meewerken ten goede, op Zijn tijd, op Zijn wijze.
Dan zien we Mozes – weet u nog: Exodus 7:6! – volhardend, Exodus 14:13 en 14: ‘Doch Mozes zei tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal, want de Egyptenaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.’ Dit is puur geloof, want de Heere geeft daarna aan Moze te kennen hóe Hij Israël gaat verlossen, Exodus 14:15-18: ‘Toen zei de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg de kinderen Israels, dat zij voorttrekken. En gij, hef uw staf op, en strek uw hand uit over de zee, en klief dezelve, dat de kinderen Israels door het midden der zee gaan op het droge. En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren. En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagenen en aan zijn ruiteren.’
Het is gelóóf, tussen twee muren van water over de bodem van de zee te wandelen naar de overkant, vertrouwend, dat God die muren tot aan de oversteek in stand zal houden. Tegelijk, de Heere plaveit daarmee voor de Egyptenaren de weg naar de slachtbank. De Heere doet maar één ding om het de Egyptenaren onmogelijk te maken de Israëlieten te benaderen, Exodus 14:19 en 20: ‘En de Engel Gods, Die voor het heir van Israel ging, vertrok, en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht, en stond achter hen. En zij kwamen tussen het leger der Egyptenaren, en tussen het leger van Israel; en de wolk was te gelijk duisternis en verlichtte de nacht; zodat de een tot de ander niet naderde de ganse nacht.’
We lezen er zo gemakkelijk overheen, maar we moeten des te scherper zien, dat de Heere hier zó uitdrukkelijk het ene wonder stapelt op het andere en daarin soeverein Zijn almacht en beschikking toont en bewijst, naar Zijn raadsbesluit, tot redding van Zijn volk, tot ondergang van Zijn vijanden, opdat wij NIET vergeten.
Alleen, de hoogmoedige mens ziet dat niet, wil dat niet zien. Hier de Egyptenaren. Ze denken maar zo, dat de Heere hen vergeet en de geplaveide weg ook voor hen wel in stand zal houden tot zij de overkant veilig bereikt hebben. En verblind, Exodus 14:23: ‘En de Egyptenaars vervolgden hen, en gingen in, achter hen, al de paarden van Farao, zijn wagenen en zijn ruiteren, in het midden van de zee.’ volgen zij.
Maar dan, als zij argeloos tot midden in de zee zijn gekomen, dan volgt Exodus 14:24-28: ‘En het geschiedde in dezelfde morgenwake, dat de HEERE, in de kolom des vuurs en der wolk, zag op het leger der Egyptenaren; en Hij verschrikte het leger der Egyptenaren. En Hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed ze zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht van Israel, want de HEERE strijdt voor hen tegen de Egyptenaars. En de HEERE zei tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weder, tegen het naken van de morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee. Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet een van hen over.’
Toen, toen het te laat was, toen beseften en erkenden ze dat de HEERE streed. En zó moesten de Egyptenaren toen en sindsdien velen ná hen, tot vandaag toe, met het schaamrood op de kaken erkennen: de HEERE hééft ons zó vaak, zó ernstig gewaarschuwd – denk aan de 10 plagen in Egypte! – NU IS HET TE LAAT! Inderdaad, niemand bleef over. De Heere werkt nooit slordig. Als we dan vers 29 lezen: ‘Maar de kinderen Israels gingen op het droge, in het midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter [hand] en aan hun linkerhand.’, dan moeten we daarin zien, dat de Heere Zijn wonderen vermenigvuldigt en de zee doet terugkeren waar Israël is gepasseerd. Dan is de Heere in de wolkkolom en vuurkolom als de achtermuur totdat Israël het droge bereikt had.
Maar dit moet ons ook, ieder persoonlijk en samen, scherp voor ogen staan: WE ZIJN EN WORDEN GEWAARSCHUWD! Met de hoogste ernst, om ons levens wil. Want als we weigeren ons te laten waarschuwen, hier en nu, en beseffen dat waarschuwingstijd genadetijd is, dan blijft er alleen maar de plaats van de wroeging over: zó ernstig gewaarschuwd, hoe ben ik als de Egyptenaren zó dwaas geweest en heb niet geluisterd, hoe heb ik Gods geduld zó kunnen minachten en bespotten.
Hebben de Israëlieten ervan geleerd? Exodus 14:30 en 31: ‘Alzo verloste de HEERE Israel aan die dag uit de hand der Egyptenaren; en Israel zag de Egyptenaren dood aan de oever der zee. Ook zag Israel de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde de HEERE, en geloofde in de HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.’
Exodus 15 begint met het loflied van Mozes en heel Israël op de machtige verlossing door de Heere. Dan staat er in Exodus 15:22-24: ‘Hierna deed Mozes de Israelieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara. Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?’ Na 3 dagen … toen murmureerde het volk. Het ongeloof staat opnieuw op. Ze vergaten! Hoe is het mogelijk!
Nee, laten we niet kleinerend op hen neerzien om onze eigen standvastigheid te beroemen, maar laten we diep beseffen en erkennen onze grote dwaasheid, kortzichtigheid, eigenwijsheid, hoogmoed en eigendunk, zodat we ons voor de Heere neerwerpen en erkennen en belijden: Heere, zo U, U alleen, ons niet van ogenblik tot ogenblik vasthoudt en opricht en voort doet gaan, Heere, we zouden vallen en blijven liggen en nooit weer opstaan. Op U zijn onze ogen gericht, wéér van ons alle kleingeloof en doe ons stáán en voortgaan in het ware geloof in U, de levende God! Ontferm U over ons om Jezus Christus wil en vervul ons met Uw Heilige Geest. Onderwijs ons van dag tot dag uit Uw heilig Woord, opdat wij wijs mogen worden in U. Dan kunnen we van dag tot dag opstaan tot de strijd van het geloof, vast vertrouwend, dat God ons altijd en overal kan en wil en zal helpen en doorhelpen en uithelpen. Hem alle eer!
Lezen we verder, dan zien we, dat Israël steeds weer vervalt in mopperen, klagen, ongeloof, en hoe. Zozeer, dat de Heilige Geest Paulus ertoe aanzet de Corinthiërs ernstig te herinneren aan het daarin geopenbaarde òngeloof en verharding daarin. Ook in de straffen, oordelen, waarmee de Heere hen daarop bezocht. Zie I Corinthiërs 10. De Heere waarschuwde de Corinthiërs, ook ons, opdat wij hen niet navolgen in al dat mopperen, klagen, ongeloof.
Laat ons onszelf ernstig onderzoeken òf we van harte bereid zijn àlles wat de Heere ons toeschikt te aanvaarden uit Zijn Vaderhand. Want de Heere bepróeft Zijn volk, Zijn kinderen, òf ze staan in het geloof of niet. Laat uit onze mond nooit meer om het minste of geringste klinken: ‘balen!’, ‘shit!’, of nog erger. Dergelijke woorden tonen één stuk ondankbaarheid.
Laten we eerst maar eens àl de weldaden één voor één benoemen en opschrijven waarmee de Heere ons vandaag, afgelopen week, maand, van ogenblik tot ogenblik heeft overladen, te beginnen met: leven. En daarna tellen hoe vaak we de Heere daar voor gedànkt hebben, één voor één. En zie, dat het aantal beproevingen het aantal zegeningen nooit evenaart.

0 – 0 – 0

We kunnen nog verhalen hoe God in de geschiedenis op talloze manieren Zijn volk, Zijn kinderen uithelpt, Zijn vijanden vernedert en verplettert. Hij doet de zon en de maan stilstaan, daarmee heel het raderwerk van de kosmos, zolang het Hem goeddunkt. Hij ontneemt Nebukadnezar, de grote koning en machthebber, het verstand, zodat hij een tijd lang gras eet als een ezel. De Heere geeft hem het verstand terug en herstelt hem in zijn koninklijke macht en waardigheid. Maar de inleiding zou veel te lang worden.

Hoe wordt telkens weer door de mens de tijdsfactor ondergewaardeerd. Vóór de zondvloed, in Sodom en Gomorra, door de Farao, de Egyptenaren. De mens houdt er niét tot nauwelijks rekening mee, uit hoogmoedige overmoed en zelfoverschatting: dat doe ik later wel, dat kan nog wel, dat hoeft nog niet, dat is nu nog niet nodig, ook: ik kan het nog wel herstellen, ik kan het nog wel weer goedmaken, ik kan, zal, ga, wil, doe … Ja? Mozes heeft door de Heilige Geest geleid – Psalm 90 – gezegd, vers 9-12: ‘Want al onze dagen gaan heen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte. Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt? Leer [ons] alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.’ Opdat we onze beperktheid, zwakheid, kleinheid, broosheid zien en erkennen, en zó leven bij elke dag die God gééft, Christus dagelijks verwachtend.

Voor de ongelovige geldt: zie al die voorbeelden en leg de hand op de mond en erken dat àlle inspanning – individueel, collectief – uiteindelijk niets uitrichten, wat mensen ook beloven, wat leiders ook toezeggen, wat verzekeringen ook garanderen. Kom tot inkeer en buig u nederig onder het gezag van de grote Koning der koningen: Jezus Christus. Zijn Woord is de Waarheid, Zijn belofte verliest nooit aan kracht of invloed, Zijn verbond staat voor eeuwig vast, Zijn offer is de enige slijtvaste garantie.

Maar we zien ook de hardnekkige onveranderlijkheid van de mens: hij bekeert zich niét, ondanks alle onweerlegbare feiten. Ja, meteen ná de zondeval moest de mens zijn hulpeloosheid en reddeloosheid erkennen. Maar nee, hij deed het niet; hij nam zijn toevlucht tot leugen en bedrog, tot moord en doodslag, en dat in navolging van de grote verleider en leugenaar en moorder, de duivel. En daarvan week hij niet af, en daarvan wijkt hij niet af, tot aan Christus wederkomst.

Dan blijkt opnieuw de waarheid van Gods Woord. God zei: Ik zèt vijandschap tussen vrouwenzaad en slangenzaad, geloof en ongeloof. De mens ziet overal op de wereld die dodelijke vijandschap, die moordende onverdraagzaamheid, die telkens weer tot uitbarsting komt, vaak in het geniep, geraffineerd, onder valse voorwendsels. Als er één vuile oorlog is, dan die wel. Dat kan ook niet anders, want de aanvoerder, de leider is de duivel, die niet anders kan, die niet anders wil, voor wie àlles toegestaan is om het doel te bereiken: Gods doel met de schepping van de mens tot Zijn eer, voorkómen, afbreken, vertragen.

Maar hij wéét: Christus hééft overwonnen, op Golgotha. God de Heilige Geest werkt geloof in wie Hij wil, wanneer Hij wil, soeverein. En Hij wijst op Golgotha: Christus hééft overwonnen. Hij wijst op Pasen: Christus ìs opgestaan! Wàt een troost, wàt een bemoediging. En Christus Zelf heeft beloofd: Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld. De duivel wéét: ook al volgt bijna de hele wereldbevolking mij, ook al zijn er nauwelijks nog gelovigen te vinden, tòch heb ik verloren, tòch blijken zij de overwinnaars te zijn, door en in Christus!

18 september 2013

Dit bericht is geplaatst in Politiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *