1a. Gods scheppingsorde man/vrouw

Gods scheppingsorde man/vrouw

II Tim. 3:16: ‘Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is;’
Joh. 16:13: ‘Maar wanneer Die zal gekomen zijn, [namelijk] de Geest der waarheid, Hij zal u in al de waarheid leiden; want Hij zal van Zichzelven niet spreken, maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij spreken, en de toekomende dingen zal Hij u verkondigen.’
II Petr. 1:20, 21: ‘Dit eerst wetende, dat geen profetie der Schrift is van eigen uitlegging; 21 Want de profetie is voortijds niet voortgebracht door de wil eens mensen, maar de heilige mensen Gods van de Heilige Geest gedreven zijnde, hebben [ze] gesproken.’
Dit belijden we in NGB art. 3

In NGB art. 5 belijden we: Het gezag van de Heilige Schrift. Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek, om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten. Dit doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn. Het bewijs daarvan ligt bovendien in de boeken zelf. Want zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren.

Bovenstaande moet ons heel scherp voor ogen staan, telkens weer wanneer we het Woord openen.

We lezen in het Woord van God:
Matt. 19:3-6: ‘En de Farizeen kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak? 4 Doch Hij, antwoordende, zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van de beginne [de mens] gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? 5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; 6 Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.’
I Cor. 11:3-15: ‘Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus. 4 Een iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende [iets] op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd; 5 Maar een iegelijke vrouw, die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is een en hetzelfde, alsof [haar] het haar afgesneden ware. 6 Want indien een vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het lelijk is voor een vrouw geschoren te zijn, of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke. 7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans. 8 Want de man is uit de vrouw niet, maar de vrouw is uit de man. 9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben, om der engelen wil. 11 Nochtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder de man, in de Heere. 12 Want gelijkerwijs de vrouw uit de man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen [zijn] uit God. 13 Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk, dat de vrouw ongedekt God bidde? 14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zo een man lang haar draagt, het hem een oneer is? 15 Maar zo een vrouw lang haar draagt, dat het haar een eer is; omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?
I Tim. 2:12-14: ‘Doch ik laat de vrouw niet toe, dat zij lere, noch over de man heerse, maar [wil], dat zij in stilheid zij. 13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva. 14 En Adam is niet verleid geworden; maar de vrouw, verleid zijnde, is in overtreding geweest.’

We zien in bovenstaande Schriftgedeelten tot drie keer toe een terug verwijzen naar de beginne, de schepping van man en vrouw. De Heere Jezus met betrekking tot het huwelijk en de ingetreden echtscheidingspraktijken, de apostel Paulus met betrekking tot het bedekken van het hoofd door de vrouw en vervolgens met betrekking tot het regeerambt in de gemeente. Met grote nadruk wijzen ze terug op de door God gezètte orde bij de schepping!

In Gen. 1:27 lezen we: ‘En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij ze.’
Vervolgens lezen we in Gen. 2:20b-23: ‘maar voor de mens vond hij geen hulpe, [die] als tegen hem over ware. 21 Toen deed de HEERE God een diepe slaap op Adam vallen, en hij sliep; en Hij nam een van zijn ribben, en sloot derzelver plaats toe [met] vlees. 22 En de HEERE God bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot Adam. 23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn benen, en vlees van mijn vlees! Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is.’

Hoe noodzakelijk blijkt de brede uiteenzetting in Gen. 2. De Heere wéét van onze natuurlijke blindheid, onze hang om te overwegen en uit te leggen, dat de Schrift onduidelijk is, onze hunkering om bepaalde instellingen als eigentijds en/of cultuurgebonden voor vandaag niet meer van toepassing te verklaren. Elke verontschuldiging van onwetendheid slaat Hij ons hiermee uit handen. Tegelijk, drie getuigenissen van de feitelijkheid van de schepping.

Hoe noodzakelijk blijkt onze belijdenis, dat ook Paulus gedreven werd door de Heilige Geest, toen hij in deze zaken zo nadrukkelijk terugwees op het begin, de schepping, Gods gezette orde. Of mogen, moeten we het beroep van de Heere Jezus daarop van meer, hoger gezag, gewicht achten dan het beroep van Paulus erop? Wie wil zo vermetel zijn voor te stellen, te bepalen, te leren, dat het beroep van de Heere Jezus op die gezètte orde vandaag nog geldt, maar dat hetzelfde beroep op diezelfde orde door Paulus van elke kracht beroofd is?

Doorzien we daarin niet meteen de herhaling van Gen. 3; het oprekken, het ter discussie stellen, het in twijfel trekken van Gods gebod, hier van Gods gezètte orde? De duivel verandert niet!!! Want de duivel wéét, dat, als er toegestemd wordt met de ontkrachting van Gods gezètte ordes, het een kwestie van tijd is, dat ook Gods geboden en verboden daarin volgen. Hoe leert de Schrift! Hoe bewijst de geschiedenis! Hoe openbaart dat ons arglistig en dwaalziek hart daarin! Tegelijk, hoe inhoudloos blijkt dan elk beroep op het gezag van Gods Woord, het gezag van God Zelf! Hooguit een theoretische verklaring.

Of is het gezag van Gods Woord in die gezètte orde van de beginne afhankelijk van het onderwerp, de zaak, die het betreft? Geeft de Schrift daar ook maar één aanleiding toe? Is God toch veranderlijk? Kan en mag Gods Woord toch tegengesteld uitgelegd en toegepast worden, naar het goeddunken van de mèns!?!? Van de leiding, van de meerderheid, van de besluiten daarin genomen?

Opnieuw blijkt overduidelijk: Die dat doen, die daarin volgen, hen staat de heilige vrees voor God, voor Zijn Woord, voor Zijn geboden en verboden, voor Zijn verordeningen en ordes niét voor ogen. Nee, ook niet nadat ze hebben (kunnen) (ge)zien, dat de Heere in Zijn grondeloze barmhartigheid en liefde en genade heeft omgezien naar verloren zondaren, om hen te redden en verlossen uit de poel van de eeuwige dood en ondergang. Argeloos keert de mens terug in de voetstappen van onze eerste voorouders en beproeft de eigenwilligheid opnieuw.

Maar Gal. 3:26-28 dan: ‘Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus. 27 Want zovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan. 28 Daarin is noch Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is geen man en vrouw; want gij allen zijt één in Christus Jezus.’ Spreekt Paulus, de Heilige Geest, Zichzelf niet tegen? Nee. Op geen enkele manier ontkracht de Heilige Geest hier de door God gezètte orde bij de schepping. Maar mèt die orde mag en kan er voor man noch vrouw onduidelijkheid zijn, dat tussen man èn vrouw ìn en vóór Christus dóór het geloof geen onderscheid is. In het geloof staan ze gelijk voor Hem. Immers, Hij werkt door diezelfde Geest het geloof in zowel man àls vrouw, naar Zijn welbehagen.

Wat een ontzaglijk voorrecht, dat de Schrift zó eenvoudig en eenduidig is gegeven, dat er voor geen enkel mens een verontschuldiging te bedenken is voor onschuldige onwetendheid. Zeker, een mens kan een leven lang studeren en toch tot de conclusie komen, dat hij slechts de eerste beginselen heeft leren kennen. Hoe benadrukt dat de blijvende opdracht tot bescheidenheid. Wat een ontzaglijk voorrecht, dat de mens dan telkens weer mag belijden – afziende van zichzelf en anderen – : zo spreekt de Heere, de levende God, in Zijn geopenbaarde Woord.

Dan zullen we ons telkens weer moeten bezinnen: met betrekking tot deze door God gezètte orde, onderwerpen we ons nog steeds aan die orde, in leer, in leven?

– Hoe heeft in het huwelijksleven de verwoesting en ontbinding toegeslagen en doorgewerkt en ontwricht. Hoe snel leidt dit tot gewenning en navolging. De begeerten van het vlees, de lust van onze ogen, ze zijn springlevend.

– Hoe heeft in de geestelijke regering in de gemeente die verwoesting en ontbinding evenzeer toegeslagen in het openstellen van de ambten voor man en vrouw. In het openstellen, in het gedogen, in het er in meegaan, eerst voorzichtig met allerlei bezwaar, daarna openlijk. De mens wil niet zien, dat er bij de duivel en zijn volgers nóóit stilstand is, maar altijd doorwerken en doorwerken en doorwerken. En is men in dit geslacht nog terughoudend, het volgende staat er al veel minder gereserveerd tegenover.

– Hoe véél moet ons dan wel zeggen de brede beschrijving van de hoofdbedekking in I Cor. 11. Laten we ons niet van de wijs brengen, als betrof het hier een plaatselijke aangelegendheid. Want even later wordt het door de mens als cultuurbepaald en cultuurgebonden voorgesteld en van tafel geveegd.

Maar geldt dat voorschrift vandaag de dag dan nog wel? Velen zijn er niet mee opgegroeid, hebben hooguit nog meegemaakt, dat het in enkele decennia werd afgebouwd. Op z’n hoogst nog bij bepaalde gelegenheden, maar daarna? En zeker, het werd aan tafel nog gelezen. Daarna een onwennig gevoel, een onzekere gedachte. Maar volgende hoofdstukken trokken al gauw de aandacht en leiden af. En we zagen nog nauwelijks iemand die het wel deed. O ja, uit die hoek!

Hoe gemakkelijk en suggestief en denigrerend werd onze reactie. We gaan nog even terug naar het huwelijk. Welk een impact hebben echtscheidingen, overspel, vreemdgaan, ontrouw, voor betrokkenen, voor omgeving, familie, kinderen. Sluipende gewenning. En even later moet het kerkelijk bevestigd kunnen worden. De Heere verbiedt het duidelijk in Zijn Woord, maar even later ‘gééft’ de Heere over de praktijk Zijn zegen??? Pure ontwrichting!

Met betrekking tot het openstellen van kerkelijke ambten ligt de klemtoon op een ander aspect: als de door God gezètte orde daar niet van toepassing is, dan is het aan de voorstanders om uit te leggen, dat die orde met betrekking tot het huwelijk nog wel geldt. Vervolgens de kracht en het gezag van Gods Woord inzake Gods geboden en verboden. Hoe leert de praktijk, dat voorstanders niet ophouden te wijzen op de oprekking, verruiming op andere vlakken. De onderbouwde weerstand verdwijnt meestal snel.

We proeven meteen, dat er een deur wordt opengezet naar de invulling en uitleg en toepassing van een ‘omgaan’ met Gods geboden naar het goeddunken van de mens. Hooguit kan er nog een aanbeveling zijn, een dringende wens. Maar van een zich zètten en stèllen ònder het gezag van Gods Woord en wet in gehoorzaamheid en onderworpenheid, daarvan willen we niet meer weten, laat staan horen. En opnieuw: het is een illusie te denken dat die deur weer dichtgaat. Tenzij er een hartelijke en daadwerkelijke wederkeer plaatsvindt.

Met betrekking tot de hoofdbedekking voor de vrouw zien we weinig van een geweldige ontwrichting, net zo min als een gevaarlijke ‘open deur’ naar ontkrachting van Gods Woord en geboden. Maar we zien wel wat anders: het subtiele, het sluipende, het geraffineerde in de actie om in die zaak Gods gezètte orde toch maar te ontbinden. Daarbij: het stilzwijgend toegeven aan allerlei gedachten naar aanleiding van opmerkingen, naar aanleiding van reacties, naar aanleiding van gebaren, gezichtsuitdrukkingen. Van familie, bekenden, omgeving. En opnieuw, vaak o zo subtiel, geraffineerd, bedekt. Maar de impact kan o zo grievend en kwetsend zijn.

O, dat sociale aspect. Die sociale verhoudingen. Dichtbij, in ruimer kring. Het erbij willen horen. Het erbij moeten horen. Want anders… Dat suggestieve… Maar hoe gemakkelijk werkt het dóór!, heeft het zijn invloed!, breekt het het onderbouwde verzet af! Want zeg nou zelf: Hoe moet je verder, indien iedereen (IEDEREEN!!!) je isoleert, doodzwijgt, negeert! En dan die blikken, die gebaren, dat geklets, die roddel, maar rechtstreeks bolstaan van vriendelijkheid en ‘meeleven’. Die schijn!

Hoe leert de geschiedenis, dat het sociale aspect zo snel op de eerste plaats komt te staan, terwijl de gebóden gehoorzaamheid aan Gods Woord en geboden en verordeningen maar zo op een volgende plaats komen. Maar onderken!, doorzie!, onderscheid!, dat even later de sociale verhoudingen bepálen in hoeverre wij die gehoorzaamheid najagen. Of de gehoorzaamheid wordt enkel theorie, terwijl de praktijk ermee vloekt! Hoe gemakkelijk worden ook kinderen daartoe ingezet en opgezet. Denk er aan, het doel!

Nee, we zullen de zaak radicaal om moeten keren: Openlijk daarmee te kennen moeten geven en uit moeten leggen (ongeacht de reacties) dat we daarmee Gods gezètte orde in acht willen nemen en eerbiedigen, ja, ook op dit punt. Opdat anderen daardoor tot nadenken gebracht worden. ‘Stille’ evangelisatie! We hebben toch geen enkele gedachte dat de Heilige Geest ook maar iets terugkomt op Zijn daar en toen Paulus aanzetten en inspireren tot het zó breedvoerig onderbouwd opschrijven van dit gedeelte in I Cor. 11???

Of gaan we onze belijdenis van NGB art. 5 nu toch snel voorzien van een bijlage, waarin we omstandig uiteenzetten, dat van ‘”al” deze boeken’ toch wel behoorlijk wat afvalt, aan toegevoegd of afgedaan kan en mag worden naar eigen goeddunken???

Wat zegt u: ‘VOORTSCHRIJDEND INZICHT’??? Wil ieder, die dat ‘argument’ aanvoert, pas weer wat zeggen, schrijven, op het moment dat hij/zij klaar is met de voltooiing ervan? Onderken, dat dit ‘argument’ slechts dient en leidt tot volledige afbraak en ondermijning van het gezag van God en Zijn Woord, tot pure eigenwilligheid en invulling van alle eerzucht en hoogmoed. Tegelijk een openlijk erkennen en voorgeven, dat hiermee naar zìjn, háár oordeel Gods Woord en geboden slechts onsamenhangend broddelwerk is, waarin de ‘geleerde’ mens ordening en structuur moet aanbrengen. ‘Wat een voorrecht dat er nog zulke mensen zijn!!!’

NEE!!!, wij belijden! in alle eenvoud, naar uitwijzen van Gods geopenbaarde Woord. En vanuit onze totale blindheid en verdorvenheid door MIJN, ONZE zonde!, willen we aan dat Woord niet toedoen, Er ook niet van afdoen. Tot Gods eer, tot heil van onze naaste, tot ons behoud. Dóór Jezus Christus, Zijn ene offer.

We noemen nog Hebr. 1:13 en 14: ‘En tot welken der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zit aan Mijn rechter [hand], totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten? 14 Zijn zij niet allen gedienstige geesten, die tot dienst uitgezonden worden, om dergenen wil, die de zaligheid beerven zullen?’ Het gaat hier over de getrouwe engelen, die Gods gezètte orde in gehoorzaamheid en onderworpenheid zijn gevolgd: de mensen geschapen als KINDEREN, de engelen als KNECHTEN.

De duivel en alle ontrouwe engelen hebben die òrde verworpen in hun revolutie tegen God. In die revolutie hebben ze de mensen verleid tot het ook verwerpen van die gezètte orde. Daarmee werden de mensen SLAVEN van de KNECHT. Zien we opnieuw Gods grote barmhartigheid en liefde en genade, dat Hij trouwe engelen uitstuurt om gevallen kinderen te dienen tot hùn herstel in het kindschap? Zij bleven trouw aan Gods gezètte orde. Moeten diezelfde engelen nu opmerken en zien, dat Gods kinderen er zich voor schamen zich te onderwerpen aan de door Hem gezètte orde van de beginne: de vrouw in òrde ná de man als hulp tegenover het hoofd. Toch in Christus door waar geloof evenzeer uitverkoren.

En als bewijs daarvan, als instemming daarmee, bedekt de vrouw haar hoofd, daarmee tonend uitwendige eerbaarheid en welvoegelijkheid, tonend de voorgeschreven òrde in de gemeente. Sober, ingetogen. Vanuit levend en waar geloof! Daarom geen dwang, maar gedegen onderwijs. Ieder moet door het toenemen in de zekerheid van het geloof zèlf tot die daad komen.

Tegelijk wordt daarmee openlijk erkend en beleden, dat we in en door het geloof de Heere Jezus Christus erkennen in de gemeente als het ene HOOFD van het lichaam, de gemeente. Vervolgens de man erkennend als hoofd boven de vrouw. Uitkomend in uiterlijk wel of niet bedekken van het hoofd. Daarmee erkennend het ambt, de positie, de taak, van Christus, de man, de vrouw.

Zeker, dit gaat tegen alle streven naar wereldse! gelijkheid en gelijkwaardigheid en streven naar gelijke rechten in! Daarmee een mikpunt van alle laster en hoon. Subtiel, openlijk. Zie, hoe deze door God gezètte orde door de wereld vertaald wordt en toegepast en uitgevoerd op de ‘hoedenparade’ op prinsjesdag in Den Haag. Om zèlf op te vallen, om zèlf naam te maken, dáár, dàn! Onderken, tegelijk deze door God gezètte orde belachelijk makend.

Hoe groot is de les van Gen. 3: de vrouw, die de man opzij schuift en zich als hoofd opstelt tegenover de duivel; de man – bij haar! – die dat stilzwijgend toestaat en haar volgt. Hoe hebben ze beide daarmee en daarin de door God gezètte orde – Gen. 2! – omvergeworpen! Wij zijn hùn kinderen en nageslacht, ook daarin. Hoe klemt het daarmee des te meer er naar te jagen ons in gehoorzaamheid opnieuw te stellen onder de door de Heere gezètte ordes. In woord, in daad, openlijk Hem belijdend!

Tot Gods eer!

23 september 2017

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *