7. De wacht houden

De wacht houden.

We kennen het allemaal: de wacht houden. Het is de algemene verwachting:
– we verwachten, dat ouders goed voor hun kinderen zorgen, over hen waken als er gevaar dreigt, hen daarvoor waarschuwen, dat gevaar zo mogelijk voorkómen, wegnemen.
– we verwachten, dat onderwijsgevend personeel ervoor waakt, dat kinderen in een beschermde omgeving goed onderwijs ontvangen en dat personeel en bestuur zorgvuldig en integer met kinderen en hun ouders, verzorgers omgaan.
– we verwachten, dat politie, justitie, defensie waken over onze veiligheid.
– we verwachten, dat iedere verkeersdeelnemer zich houdt aan alle verkeersregels.
– we verwachten, dat de medische wereld waakt over onze gezondheid.
– we verwachten in de sport, dat scheidsrechters waken over eerlijk spel, door het geven van neutrale en onafhankelijke en deskundige leiding.
– we verwachten, dat allerlei instanties ervoor waken, dat oneerlijke handel, oneerlijke praktijken door middel van ongeoorloofde prijsafspraken, kartelvorming, voorkómen worden.
– we verwachten, dat er instanties zijn, die ervoor waken, dat verwaarlozing, mishandeling van kinderen, mensen, dieren, tegengestaan en zo mogelijk voorkómen worden.
– we verwachten, dat overheden ervoor waken dat er daartoe juiste wetgeving is en komt om dat te bewerken; tegelijk, dat ze de middelen daartoe verstrekken en erop toezien, dat die middelen effectief die doelen najagen en in praktijk uitvoeren.
– we verwachten van al die instanties en de mensen die daarin en daarvoor werken, dat zij zelf daarin het goede voorbeeld geven en laten zien.

Zomaar enkele voorbeelden uit het leven gegrepen. Hoe snel worden ontdekte corruptie en misbruik van middelen en mogelijkheden breed uitgemeten en veroordeeld, tegengestaan en bestreden. Het wordt al moeilijker, als dergelijke corruptie en misbruik onder druk, onder heimelijk toestaan, onder omkoperij en zwijgplicht, onder chantage en intimidatie en groepsdwang worden gepleegd. En klokkenluiders zijn zelden welkom, hoewel ze vaak openlijk aangemoedigd worden om te mèlden!

Nee, we mogen het recht niet in eigen hand nemen maar dat leggen in de handen van bevoegde personen en instanties. Maar als we vervolgens zien, dat het recht met regelmaat gebogen wordt, dat recht gepraat wordt wat krom is, en krom, wat recht is, dan is er opspraak, verzet, protest. En àls er misstanden, misbruik gemeld wordt, en we zien dat het vervolgens in de doofpot verdwijnt of doodgezwegen wordt of goedgepraat, dan… Je weet wel, de omstandigheden…

Het gebeurt in het klein, in het groot, nationaal, internationaal.

Want niét vermeld wordt, dat het om mìjn, òns BELANG gaat, hier, nu, vandaag, morgen. En als dat BELANG!!! gevaar loopt, schade en schande HAAR bedreigen, dan liggen de zaken toch wel even iets anders. Vervolgens, betreft het andermans BELANG, RECHT, òns meeleven en òns meedenken en ònze inzet om DIE na te jagen en te herstellen, op mìj, op òns kun je rekenen, mìj, òns kun je vertrouwen, dat ìk, wìj, er àlles aan zullen doen om dat te verwezenlijken.

De illusie is enorm als telkens weer blìjkt!!!, dat het vaak weinig meer is dan verbaal vertoon, ijdele prietpraat, inhoudloze verzekering. Want ná de stellige verzekering komt de tijd van overwegen, van beoordelen òf en hóe en wannéér dat is in te vullen en uit te werken en òf het mìjn, òns BELANG dient, bevoordeelt, bevordert. En als blìjkt, dat DIE daarmee in het geding komen, dat DIE daarmee schade, ernstige schade kunnen oplopen, ja, dan is het toch logisch, dat DIE gediend en beschermd en verdedigd moeten worden.

En mèt mìjn, òns BELANG hangt nauw samen mìjn, ònze EER, PLAATS, POSITIE, AANZIEN!, bij mènsen. Maar dan praten we over mìjn, ònze DOELSTELLING, hier, nu. Want gaat iemand wèl door met die strijd om onrecht tegen te staan, de bijval in woord en daad droogt heel snel op. En nee, we herinneren ons niets meer van onze ‘steun’.

Daarom: bemoei je er niet mee! Praat mee met de massa, de meerderheid, vandaag zó, morgen tegenovergesteld. En ‘geruststellend!’: iedereen doet het. Niets mis mee, toch?

Maar ach, laten we er met elkaar over gaan praten om zó tot een oplossing, een compromis te komen… Wellicht is er dan en daarmee iets te regelen…, tenminste als alle partijen willen meewerken. En zo niet, toch blijven praten…

DE WACHT HOUDEN!

In het geloof moeten we een grote stap verder gaan, want we moeten veel verder kijken dan òf en hóe de wacht gehouden wordt in de wereld met al haar BELANGEN en DOELSTELLINGEN.

Want dan is er het uitdrukkelijk GEBOD!!! van de levende God: WAAKT!, ZIE TOE!
Marcus 13:29-37: ‘Alzo ook gij, wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zo weet, dat [het] nabij, voor de deur is. 30 Voorwaar, Ik zeg u, dat dit geslacht niet zal voorbijgaan, totdat al deze dingen zullen geschied zijn. 31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan; maar Mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan. 32 Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader. 33 Ziet toe, waakt en bidt; want gij weet niet, wanneer de tijd is. 34 Gelijk een mens, buitenslands reizende, zijn huis verliet, en zijn dienstknechten macht gaf, en elk zijn werk, en de deurwachter gebood, dat hij zou waken; 35 Zo waakt dan (want gij weet niet, wanneer de heer des huizes komen zal, [des avonds] laat, of ter middernacht, of met het hanengekraai, of in de morgenstond); 36 Opdat hij niet onvoorziens kome, en u slapende vindt. 37 En hetgeen Ik u zeg, [dat] zeg Ik allen: Waakt.’

Jesaja 55:11: ‘Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, [ook] zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn [in] hetgeen, waartoe Ik het zend.’
Alleen dit Woord van de Heere kan door geen enkel mens ontkend worden. Integendeel, van àlles wat we zien en waarnemen en opmerken geldt: GOD SPRAK EN HET WAS ER, HIJ GEBOOD EN HET STOND ER!

Ja, we kijken om ons heen, thuis, elders, onderweg, op vakantie. ALLES wat we zien is door God geschapen, uit dat geschapene gemaakt, ontwikkeld, voortgebracht, doet God groeien. Het is ALLES Zijn eigendom, Zijn bezit. Hij geeft het de mens als rentmeester, beheerder.

Hoe groot is de dankbaarheid van de mens tegenover de EIGENAAR over die toevertrouwde verantwoordelijkheid! Over die (bijna) onuitputtelijke aarde! Of toch niet? Nee, door mìjn, ònze zondeval ben ìk, zijn wìj dieven en rovers geworden, die alleen bedacht zijn op ikke, ikke, ikke, en hebben, hebben, hebben. En daarbij gaat de mens over lìjken, als het, mìjn! BELANG, de, mìjn! DOELSTELLING in het geding zijn. HIER, NU!!!

Gods rechtvaardige eis tot leven voor Zijn aangezicht in volmaakte gehoorzaamheid tot Zijn lof en eer en dank uit volmaakte liefde tot Hèm en de naaste, om Zijn schepping te ontwikkelen, daar wil de mens niet van weten. God wordt doodgezwegen, genegeerd, weggehoond. Mìjn, òns belang, dié staan voorop, hier, nu, vandaag. En Hìj moet mìj daarin en daartoe alles geven wat mìjn hartje begeert.

En ZIJN WOORD, ach, dat geldt op zijn hoogst nog als een mening, een gedachte, die we in alle ‘vrijheid’ naast ons neer mogen en kunnen leggen. En zo wordt dat ALMACHTIGE en GEZAGHEBBENDE Woord van God geminacht en genegeerd en verworpen. Terwijl we het BEWIJS van die almacht en dat gezag in heel de schepping, haar bestaan en onderhouding kùnnen en móeten zien.

Datzelfde kunnen we ook zien in de zondvloed, die naar Gods Woord plaatsvond. Datzelfde kunnen we ook zien in de ballingschap waarin Israël en Juda gevoerd werden vanwege hun ongeloof en onbekeerlijkheid. Datzelfde kunnen we vandaag zien in allerlei rampen, oorlogen, geweld en ontzaglijk veel leed wat mensen veroorzaken en bewerken. Datzelfde kunnen we zien in het sterven van elk mens, náár Gods Woord.

Inderdaad, God kondigde ze aan, dat Hij ze zou doen komen, indien de mens verhardde in al haar ongeloof en onbekeerlijkheid. Het kwam, Hij bewerkte het, Hij striemde de aarde, de mensheid ermee, om de mens tot inkeer en berouw te brengen. De mensheid lacht erom, de mens zoekt naar middelen en mogelijkheden en manieren om de gevolgen zo veel mogelijk te beperken, hier, nu. Opnieuw, mìjn, òns BELANG!

In het gelóóf vertrouwt de mens op datzelfde volmaakt betrouwbare Woord van God en waarschuwt, vermaant, wijzend op Gods eis, op Gods dreigingen bij blijvende onbekeerlijkheid. Het Woord staat er vol van, dat God telkens weer mensen zond, opdat de mensen die toen leefden zich van harte zouden bekeren en leven. Hoe is de mensheid er telkens weer met klem op gewezen, door Jezus Christus Zelf, Zijn profeten, Zijn discipelen. De één werd gedood, de ander weggejaagd, een derde vervolgd, gemarteld, uitgeworpen. Inderdaad, naar datzelfde Wóórd!

Het is door Gods barmhartige goedheid opgetekend, opdat ook de volgende geslachten het zouden kunnen lezen, er lering uit kunnen trekken en zó, ernstig gewaarschuwd!, zelf géén lust tot het kwade zouden hebben, zoals zij hadden. Vergelijk I Corinthe 10!

Toch blijft de opdracht: WAAKT, ZIE TOE! De Heere stelt daartoe aan tot wachter, bijv. Ezechiël (Ezechiël 3, 33). Hoe staat het Nieuwe Testament er vol van, om de geesten te beproeven, om scherp te onderscheiden, om daardoor niet meegesleurd te worden, tegelijk, om anderen ernstig te waarschuwen om niet meegezogen te worden.

A. Die opdracht geldt àlle gelovigen, in het bijzonder ambt of als gewoon gemeentelid, het geldt man en vrouw. Niemand kan en mag zich aan die opdracht onttrekken. Hoe verschrikkelijk is het als ambtsdragers, van wie geschreven staat, dat zij (moeten) waken over de zielen van de aan hen toevertrouwde schapen, hun ambt verschrikkelijk misbruiken door het najagen van èigen EER en AANZIEN en POSITIE en PLAATS. Zichzelf dienen, zichzelf weiden en naar hun schapen niet of nauwelijks omzien.

Want als zij inderdaad herders zìjn, dan zien ze op de grote Herder der schapen, Jezus Christus, en zién!, en zién!, dat Hij kwam om te diénen en Zijn leven te geven voor Zijn schapen. Tegelijk, hoe heeft Hij bij Zijn discipelen alle heerszucht en eigenwaan scherp veroordeeld en gewezen op het krùis, dat ze Hem blijmoedig na moeten dragen, dragend en verdragend in alle lijdzaamheid soortgelijke verachting en smaad en laster en hoon en spot.

Inderdaad, Christus heeft Zijn oordeel over hen, die zichzelf weiden en dienen, en uit zijn op èigen EER en ROEM en POSITIE en AANZIEN, hier en nu, uitgesproken: ZIJ HEBBEN HUN LOON REEDS! Het leidt nauwelijks tot inkeer. Immers, (bijna) iedereen doet het, keurt het goed, zwijgt er over.

Hoe geweldig groot en intens is de blindheid van de kortzichtigheid, dat de mens hier en nu méér bedacht is op de EER en AANZIEN en POSITIE en PLAATS van mènsen, hiér!, nú!, dan op de geboden gehoorzaamheid, die God vraagt en eist. Want deze blindheid leidt binnen de kortste keren tot blindheid op meerdere vlakken en terreinen, in meer opzichten.

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

B. Dan zien we een andere geweldige blindheid, die mensen gevangen houdt. Ze vergéten! Daarbij, ze hópen dat mensen óók vergeten. Vervolgens, nog veel erger, in navolging van heel veel anderen prenten ze zichzelf tussen de oren: God vergéét óók! Hij komt er nóóit op terug! Dat, terwijl de Schrift er vol van staat, dat God niét vergeet! Zeker, God stelt Zijn oordelen regelmatig uit, heel lang, dikwijls tot aan het sterven. Geen mens kan God beschuldigen van onbarmhartigheid. Alleen maar, God beschikt soeverein over de wijze en het tijdstip om Zijn oordelen ten uitvoer te brengen. De ene keer direct, een andere keer eeuwen later.

We kunnen dat lezen. We zien de invulling, de uitwerking. De mens léért niet!, hij wìl blind blijven!, en vergéét! De mens ziet, dat God Zijn oordelen uitstelt, nog meer uitstelt. De mens ziet dat en dènkt in het volgend ogenblik, dat dat uitstel àfstel betekent, inhoudt. Hier is het begin van de eeuwige wroeging, als de mens gewaar wordt, dat hij daarin tevergeefs op mènsen vertrouwde en daarmee Gòds betrouwbare Woord als ònbetrouwbaar terzijde legde. Dat hij vergàt, terwijl het Woord tot beschamens toe waarschuwt en vermaant en aanspoort, om te lùisteren!, te herìnneren!, en zich te bekéren! Hier, nu!

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

C. Daar komt nog een geweldige blindheid bij, namelijk, dat de mens zichzelf voorhoudt, dat hij gerust de door God geëiste gehoorzaamheid naar eigen goeddunken kan invullen en uitwerken. En dat zeker, als hij van dag tot dag heel veel andere mensen, ook ambtsdragers, ook vooraanstaande theologen zo ziet doen en leren en voorhouden en daarmee aandringen hen daarin na te volgen.

Hoe geeft de Schrift tal van voorbeelden, dat mensen in eigenwilligheid spraken, handelden. Daarna, hoe God dat bestrafte, direct, later. Enkele voorbeelden:
– Mozes, slaande op de rots, terwijl hij moest spreken. Numeri 20.
– Nadab en Abihu, die vreemd vuur voor de Heere brachten. Leviticus 10.
– Saul, die eigenmachtig offerde. I Samuël 13.
– Saul, die weigerde de ban te voltrekken aan Amalek. I Samuël 15.
– de mensen van Beth Semes, die de ark bekeken. I Samuël 5.
– Uzza, die eigenmachtig de ark aanraakte. II Samuël 6.
– Jerobeam, de zoon van Nebat, die eigenwillige godsdienst invoerde. I Koningen 12.
– Ananias en Saffira, die meenden de Heere welgevallig te zijn met een gedeeltelijk offer. Handelingen 5.

Dit, waar de Heere telkens weer nadrukkelijk gebiedt: DOE VAN MIJN WOORD NIET AF!; DOE AAN MIJN WOORD NIET TOE! Zeker, we belijden met grote schaamte, dat wij nauwelijks een begin maken met die volmaakte gehoorzaamheid; dat we telkens weer vallen en struikelen; dat al ons werk bevlekt is met zonde en zwakheid. Zeker! Dat moet ons bewaren voor alle hoogmoed en eigendunk en gearriveerdheid en zelfverheffing, en ons des te meer brengen tot diénst!, in nederigheid en ootmoed. Maar de praktijk van elke dag; wat een strijd, wat een zelfverloochening.

Want het loon van mènsen daarover is vaak totaal onbegrip, hoon, smaad, laster, spot. We lezen, we lezen, we schudden ons hoofd over al die eigenwilligheid. Maar ja, we draaien ons om, we gaan over tot de orde van de dag, en – al te gemakkelijk – we vergéten!

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

D. Vervolgens moeten we nog een geweldige blindheid noemen: we waken niét, niet voldoende, als er andere invulling, uitleg, uitwerking, toepassing aan het Woord van God gegeven wordt. Zeker, er wordt wel over gepraat en we trachten elkaar wel te overtuigen, maar ja, als die ander vasthoudt aan zijn uitleg en uitwerking en toepassing en invulling, ja, dan verdragen we dat. We willen geen ruzie, geen heibel, geen oorlog, geen breken. Vergelijk Eli. Hoe veelvuldig zijn zijn gedrag en handelwijze nagevolgd, enkel, massaal, vervolgens toegestaan, toegedekt, goedgepraat, ja, daartoe aangemoedigd!

Zien we, dat de duivel in Genesis 3 in het paradijs dezelfde lijn volgde? Het gebod van God was: Van die boom mag u niet eten. De duivel draait alles om en verkondigt, dat dat gebod van God helemaal niet zo streng aangehoord en uitgevoerd hoeft te worden. Mèns, je hoeft Gods Woord, Gods gebod niet letterlijk te nemen en te verstaan! Integendeel zelfs, mens, je hebt er alle vrijheid toe. Ja – suggestief! – als je van die boom wèl eet, zullen je ogen geopend worden en je zult als God wezen.

De mens at.

Uit het oordeel van God blìjkt!, dat God alle eigenwilligheid scherp veroordeelt. En laten we niet de gedachte op laten komen, dat het Woord zo verschrikkelijk moeilijk te verstaan is. Nee, dat gebod van God toen ook niet. En de gelovige mag weten, dat Gods Woord overduidelijk is en dat de Heilige Geest hem van dag tot dag Daarin wil onderwijzen en verlichten. Hoe komt Hij daarin al ons onverstand en kortzichtigheid afbreken. Hoe opent Hij daardoor en daarvoor ons verstand en hart en wil om te lezen wat er stáát! Niet meer, niet minder, opdat we onze eigenwijsheid en toegeeflijkheid daarin afleggen.

Daaruit blijkt, dat Gods zegen niét rust op òns verdragen en toestaan en goedpraten van allerlei richtingen en vleugels en stromingen in kerkgenootschappen. Ook niet als voorgeslachten daarin wel nalatig waren en ons zo verkeerd voorgingen. Hij gebiedt, dat we rechte lijnen trekken, het Woord recht naspreken en gehoorzamen. Ja, dat we daarbij en daarin waakzaam zijn, niet zwijgen, niet toegeven.

Maar iedereen kijkt er verschillend tegen aan en iedereen legt het verschillend uit. Nemen we dat aan, leggen we ons daarbij neer, weet u wat het gevolg daarvan is? Dit, dat we óók gaan denken, dat het Woord op tal van wijzen kàn en màg worden uitgelegd en toegepast. En even later daar ook hard aan meedoen. En even later het ook niét verdragen, dat mensen zich beroepen op het Woord Alléén!

Want daarmee wordt het gezàg van Gods Woord overboord gezet en van kracht beroofd. Daarmee wordt het gebòd! om te waken en toe te zien ontbonden. Daarmee wordt de levende God van Zijn eer beroofd, dat Zijn Woord inderdaad met gezàg is, met Goddelijk gezàg. Herinner Genesis 1.

Maar als we daarmee tòch akkoord gaan, met welk gezag gelden Zijn beloften dan nog? Bijvoorbeeld die bij de heilige Doop? Leidt dit binnen de kortste keren niet tot volledige leervrijheid??? Hoe willen we onze kinderen nog onderwijzen?, anderen aanspreken om zich te bekeren?, terwijl we erbij moeten zeggen, dat het Woord van God naar èigen inzicht kan en mag worden uitgelegd en toegepast?

Zeggen we het niet hardop, in onze daden en gedrag vertoont zich toch wel hetzelfde?

En feitelijk: stellen we de duivel in zijn optreden in het paradijs daarmee niet in het grootste gelijk???, en volgen hèm daarin na??? Waaruit blìjkt dan, dat we vijanden van de duivel en zijn praktijken – juist déze!!! – zijn, door wáár, kìnderlijk geloof?

Maar komen we zo niet terecht bij een uitermate starre leefwijze en leer? Nee, integendeel, we mogen dàn en zó weer staan in de blijde ruimte van het KINDSCHAP, in (herstelde) gehoorzaamheid aan het Woord van de levende God. Hier en nu in onvolmaaktheid, met veel duister vanwege ons onverstand, vanwege onze kortzichtigheid, maar des te meer uitziend naar de volmaaktheid die wacht en werkelijkheid wordt en die aanstaande is.

Bij ons sterven, in de jongste dag, wanneer ons biddend hopen en wachten en verwachten overgaan in een zién!, in het ontvàngen van de erfenis van het eeuwige leven op deze door vuur gezuiverde aarde. Want God heeft de aarde de mens tot woonplaats gegeven. Dat zàl dan werkelijkheid worden voor allen die God hier en nu geloofden en geloven op Zijn Woord.

Wie dat niet deden, niet doen, zij worden voor eeuwig ònterfd. Hun deel is de poel van het verderf, het eeuwig verlaten zijn van God en mensen. Waar zij hier en nu God beroofden van Zijn eer en goedheid en barmhartigheid door èigen belang na te jagen, èigen naam hoog te houden voor mènsen!, daar berooft God hen dàn voor eeuwig vàn die erfenis en doet hen delen ìn de erfenis van de duivel: het eeuwige vuur. Naar Zijn rechtvaardig oordeel!

Hoe vaak lezen we in de Schrift, dat juist zìj, die daarin voorop moeten gaan en als voorbeeld voor de kudde moeten gelden, deserteerden, zichzelf dienden en weidden. Hoe vaak lezen we in de Schrift, dat het Woord naar eigen tijd en omstandigheid werd aangepast, er aan toe werd gevoegd, ervan af werd gedaan, eigenwillig werd ingevuld, uitgelegd, toegepast.

Even daarna: anderen werden daartoe gedwongen, verleid daarin mee te gaan, te volgen. Hoe vaak werd eigen positie daartoe in stelling gebracht òm de ander daartoe te verleiden. En vervolgens, welk een invloed heeft de macht, het aantal, de suggestie, òm maar te verleiden.

Ja, dat ging en gaat over andere mensen, die we persoonlijk niet gekend hebben. Alleen kennen vanuit de summiere gegevens, die de Schrift, de geschiedenis geeft. Maar vandaag hebben we te maken met mensen, die we kennen, van wie we soms heel veel weten, hun karakters kennen, hun persoon zien in al zijn uitingen, positief, negatief. Van wie we verwachtingen hebben, of niet.

Alleen, de geschiedenis sinds Christus hemelvaart leert ons overduidelijk, dat de mensheid niéts veranderd is. Opnieuw zijn er valse herders, dwaalgeesten, mensen die onder het mom van herder en leraar en dienstknecht te zìjn, zichzèlf weiden, uit zijn op èigen eer en lof en aanzien en positie.

Wat zien we? Dit, dat er géén geloof is in het Woord. Want als een mens gelóóft in God, in Jezus Christus, die mens zou zich ook in waar geloof verlaten òp het Wóórd van God, het Wóórd van Jezus Christus. En die mens zou zich ernstig láten waarschuwen voor de véle boze geesten die uitgegaan zijn om de mens te verleiden tot zonde en afval. Niet alleen die boze geesten, maar ook alle mensen, die in leer en leven laten blijken, dat ze niet God dienen, maar slaven zijn en blijven en wìllen blijven vàn de knècht, de duivel. Zie Bijbelboek Job.

In leven, in sterven; in tijd, in eeuwigheid! Maar o!, die geweldige blindheid van de kortzichtigheid, die ons zo verleidelijk gevangen houdt! HIER, NU!

En ja, dan zien we des te scherper, dat we zonder aanzien van persoon náár uitwijzen van Gods Woord hebben te onderscheiden en te oordelen of het gesproken en gebrachte woord wèl of niét in gehoorzaamheid aan het Woord van God is. En als dat gebracht wordt door een zeer geliefd persoon, misschien een bemind familielid of gezinslid, we zullen in en door het geloof dat scherp moeten afwijzen! We moeten wáken, tóezien, dat we daarmee niet besmet worden, meegezogen, geïnfecteerd.

Denk aan Christus ernstige waarschuwing voor (de doorwerking van!) het zuurdeeg van de leer van de Farizeeën en Sadduceeën en schriftgeleerden. Hoe licht, hoe gemakkelijk worden we geïnfecteerd, besmet, meegezogen.

Gedachtig aan het Woord van de Heere Jezus Zelf: IK KOM HAASTIG! Wat zegt u: 2000 jaar geleden? Wat is 2000 jaar op de eeuwigheid??? En weet u zeker, dat u dat vanavond nog kunt zeggen? Zie, dat hele geslachten dat woord ook verwierpen, voor kennisgeving terzijde legden, en stierven. Toen sprak God dat andere Woord opnieuw, definitief: IK heb u nooit gekend, gaat weg van Mij, vervloekten.

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

E. We moeten nog een geweldige blindheid noemen, het ‘onschuldige’ zwijgen. Wat is de blindheid daarvan geweldig groot en intens en slaap verwekkend. Want het is de weg van het gemak, van het uitstel, van het afstel. We zíen, we hóren, we lézen, we erkènnen, we onderschèiden, we verstáán. Toch, we zwìjgen! Nee, nu nog niet, nog even wachten. Wellicht, dat die ander(en) reage(ert)ren. En dàn!, dàn! zal ìk, zullen wìj óók!

Het gebeurt veel te vaak: die ander(en) handel(t)en en reage(ert)ren precies net zo: even afwachten, even laten bezinken, even over nadenken. De tijd gaat voorbij. Waarom opnieuw oprakelen? En natúúrlijk: wij waren het er beslist niet mee eens! Maar ja…, dat publiek bekend maken, daarin een vaste stelling innemen, daarin pal staan, daarin en daartoe de WACHT betrekken, dat is een andere zaak.

Hoe vaak speelt daarin ook onwetendheid, onzekerheid haar rol. Zeker. Maar tegelijk: heb ik er àlles aan gedaan, doe ik er àlles aan, om die onwetendheid te vullen met waarachtige kènnis van het Woord van God, om zo tegelijk die onzekerheid daarmee weg te nemen? Daarmee, met hartelijk, waarachtig geloof. En begin ik daar vandáág al mee? Of toch nog maar even uitstellen? Even zien hoe die ander het doet?

En dat niet om vanuit èigen zekerheid en weten op tijd te kunnen reageren, te kunnen antwoorden. Nee, die èigen zekerheid moet radicaal weggezet worden; nee, géén bouwen op onszèlf. Maar de zékerheid van het geloof, daarmee de zékerheid van het Woord van God, de zékerheid, de betròuwbaarheid, de vàste onwrìkbare betròuwbaarheid van de levende Gòd van het Woord, dié moet ons leiden, daarop moeten we ons richten, daarop moeten we ons verlaten, in vàst vertrouwen, door wáár geloof.

En wijs nu maar aan in de Schrift: wie is van daaruit, daarmee ooit beschaamd uitgekomen? wie is daarmee ooit bedrogen uitgekomen?

Daarom: de WACHT betrekken, WAKEN, hier, nu, om ons levens wil en dat van onze naaste.

Waarom staat u wèl meteen op de stoep van de leverancier van het brandalarm, het inbraakalarm, als die pas een uur ná het ontstaan van de brand, ná het plegen van de inbraak, afgaat? Waarom wèl direct aan de bel trekken, als blijkt dat een nieuw gekocht product defect is, er diverse onderdelen aan ontbreken? Hoe komen we erbij, dat de Heere ook maar ergens zegt, dat we wèl mogen uitstellen om de WACHT te betrekken, om te WAKEN, totdat Hij komt? Of stellen we òns WAKEN uit in afwachting of ànderen, voorgangers, het wèl of niét doen? En hóe?

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

F. Er is nog een nog een enorme blindheid, heel geraffineerd, de kerkorde. (verderop als KO aangegeven) Om elk misverstand meteen weg te nemen: niet de kerkorde als zodanig! naar haar inhoud! naar haar doelstelling! Maar wèl in die zin, hóe ze gehanteerd en uitgewerkt en opgelegd en afgeëist wordt. Door mènsen! En meteen dàt móet haar inhoud bepalen!

Toch zullen we de KO niet hoger mogen en moeten waarderen, dan als een hulpmiddel tot orde. Niet méér! En dan nog zeer beperkt. Vóór alles moet ons scherp voor ogen staan: Schiet het Wóórd van God in iets tekort, waardoor wìj door middel van ònze KO iets mógen en móeten toevoegen?

Want de geschiedenis heeft telkens weer geleerd, dat geschillen, oorlogen, uitgevochten werden op het gezàg van de KO. Maar zié!, dat ze eerst ontstonden, ontstaan, vanùit, dóór de KO.

Hoe is de KO, daarbij nauw aansluitend de traditie, de gewoonte, telkens weer de insteek geweest tot geschillen, tot oorlog en breken. Maar dan blijken niet de KO, de gewoonte, de traditie te leiden tot geschillen en breuken, maar de mènsen, die door middel vàn de KO, de traditie, de gewoonte, hun èigen inzicht voorop stellen, hun èigen doelstellingen willen verwerkelijken, hun èigen gezag willen laten gelden en heersen. Alleen, iedereen wil niet altijd direct daaraan meewerken. Integendeel zelfs.

Want voorop moet telkens weer staan het grote gebod van de Heere: God liefhebben boven alles, en de naaste liefhebben als onszelf.

We reageren: ja, natuurlijk, maar dat ontkent (toch) niemand! Inderdaad, daar is weinig verschil over. Tenminste, met de mònd!

Maar als er afspraken gemaakt worden in de KO, die we bevestigen, waaraan we ons binden, waaraan we ons onderwerpen, ja, dan moeten we die afspraken nákomen, ons daaraan hòuden. Worden daarin afspraken opgenomen, die ons minder aanspreken, die ons kunnen belemmeren, die ons kunnen verplichten in een bepaalde richting, die er ons toe kunnen brengen dingen toe te laten, die tégen de Schrift ingaan, dàn kunnen we in gewetensnood komen.

Maar de méérderheid heeft zo besloten!!!

We zwijgen nog over alle verschillen in uitleg en toepassing van de onderscheiden artikelen in de KO, de samenhang, de orde daarin, de mogelijkheden van het er ‘ontheven’ van zijn in bepaalde omstandigheden, situaties, gevallen. Vervolgens, wié daarin het laatste woord hebben.

Voor dat we verder gaan willen we hier een gedeelte uit de Bijbel aanhalen, Mattheüs 15:1-14: ‘Toen kwamen tot Jezus [enige] Schriftgeleerden en Farizeen, die van Jeruzalem [waren], zeggende: 2 Waarom overtreden Uw discipelen de inzetting der ouden? Want zij wassen hun handen niet, wanneer zij brood zullen eten. 3 Maar Hij, antwoordende, zei tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods, door uw inzetting? 4 Want God heeft geboden, zeggende: Eert uw vader en moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal de dood sterven. 5 Maar gij zegt: Zo wie tot vader of moeder zal zeggen: [Het is] een gave, zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen; en zijn vader of zijn moeder geenszins zal eren, [die voldoet]. 6 En gij hebt [alzo] Gods gebod krachteloos gemaakt door uw inzetting. 7 Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: 8 Dit volk genaakt Mij met hun mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij; 9 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, [die] geboden van mensen [zijn]. 10 En als Hij de schare tot Zich geroepen had, zei Hij tot hen: Hoort en verstaat. 11 Hetgeen de mond ingaat, ontreinigt de mens niet; maar hetgeen de mond uitgaat, dat ontreinigt de mens 12 Toen kwamen Zijn discipelen tot Hem, en zeiden tot Hem: Weet Gij [wel], dat de Farizeen deze rede horende, geergerd zijn geweest? 13 Maar Hij, antwoordende zei: Alle plant, die Mijn hemelse Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden. 14 Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden. Indien nu de blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen.’

Ook Mattheüs 19:3-9: ‘En de Farizeen kwamen tot Hem, verzoekende Hem, en zeggende tot Hem: Is het een mens geoorloofd zijn vrouw te verlaten, om allerlei oorzaak? 4 Doch Hij, antwoordende, zei tot hen: Hebt gij niet gelezen, Die van de beginne [de mens] gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw? 5 En gezegd heeft: Daarom zal een mens vader en moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot een vlees zijn; 6 Alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet. 7 Zij zeiden tot hem: Waarom heeft dan Mozes geboden een scheidbrief te geven en haar te verlaten? 8 Hij zei tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uw vrouwen te verlaten; maar van de beginne is het alzo niet geweest. 9 Maar Ik zeg u, dat zo wie zijn vrouw verlaat, anders dan om hoererij, en een andere trouwt, [die] doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet [ook] overspel.’

De Farizeeën benaderen de Heere Jezus met hùn traditie, hùn KO, hùn instellingen, hùn bepalingen en inzettingen, vervolgens met wat zij, hun voorgeslacht (de ouden) hebben ‘bereikt’ door hùn verharding, hùn onbekeerlijkheid. Wat is dan het ontstellende? Dit, dat ze hùn traditie, KO, inzettingen en geboden in òrde stellen bóven, vóór Gòds gebod en orde en inzetting.

En vervolgens is het niet alleen het omdraaien van die òrde, maar het met dwang, geweld, opleggen en afdwingen van het nauwgezet onderhouden en in acht nemen van hùn traditie, KO, inzetting, gebod, bepaling. Vervolgens naar hùn mogelijkheid om te veranderen, aan te passen, uit te breiden, uit te leggen, toe te passen en in te vullen.

De praktijk is dus al heel oud, ofwel, de duivel had en heeft sinds de zondeval heel veel volgers gehad, met name onder ambtsdragers, voorgangers. Tegelijk, hoe heeft (de meerderheid van) het volk ambtsdragers ertoe aangezet. Hoe pal stonden toen ambtsdragers? Hoe pal stond het volk? Is het vandaag anders? Was het gisteren anders?

Hoe heeft de Heere Jezus hùn doen en optreden en afdwingen aangewezen, benoemd, ontmaskerd, daarna àfgewezen en als mènselijke instelling veroordeeld. Omdat de door God gezètte òrde werd omgedraaid. Hoe jùist, hoe òrdelijk waren de door God Zèlf ingestelde òrdes met betrekking tot de priesters, de levieten, de koningen, de rechters. Het waren die òrdes niet, die tot misstanden leiden, maar de mènsen, die van hun ontvangen plaats ìn die ordes schandelijk misbruik maakten voor eigen eer en gewin, met beroep op hun plaats en positie. Zie koning Achab en Naboth.

Hoe heeft de Heere Jezus gewezen op de door Gòd gebóden weg en orde, door God Zelf, door de Heere Jezus zo overtuigend en nadrukkelijk in praktijk gebracht en geleerd in
Mattheüs 9:11-13: ‘En de Farizeen, [dat] ziende, zeiden tot Zijn discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en de zondaren? 12 Maar Jezus, [zulks] horende, zei tot hen: Die gezond zijn hebben de medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. 13 Doch gaat heen en leert, wat het zij: Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.’

Want de praktijk van het in acht nemen van de traditie, KO, èigen inzettingen en bepalingen en ordes, en vervolgens het opleggen en afdwingen ervan kènmèrkt zich telkens weer door dat ene: HET ONTBREKEN VAN ALLE GEBODEN BARMHARTIGHEID EN HET ONTBREKEN VAN ALLE VERPLICHTE BROEDERLIEFDE! En wat dan overblijft is een meedogenloos wetticisme: wet op wet, gebod op gebod, regel op regel; vandaag zó, morgen ànders.

En het noodzakelijk gevolg: ONDERWERPEN, GEHOORZAMEN! Zelfs de minste critiek daarop wordt als ONGEHOORZAAMHEID aangemerkt en opgevat. Daarom dan: ZWIJGEN, anders: VERTREK! Zie Johannes 9, hoe de blindgeborene op staande voet geëxcommuniceerd werd. Niets nieuws onder de zon.

En hoewel de Schrift in Oude als Nieuwe Testament er vol van staat, zodat het ieder mens scherp voor ogen moet staan, en dat ieder mens meteen moet onderscheiden en beseffen, dat dat wetticisme vòl héérszucht zit, vòl willekeur, vòl geraffineerd venijn, leert de mens er niet van. Ja, wìl ze niet zien, niet onderscheiden, er niet mee breken. De mens léést, en vergéét! Hier openbaart zich nog een ander vergéten!

Het vergéten van hùn èigen staat als zòndáár voor God! En daarbij Hebreeën 5:1-3: ‘Want alle hogepriester, uit de mensen genomen, wordt gesteld voor de mensen in de zaken, die bij God [te doen zijn], opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden; 2 Die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is; 3 En om derzelver [zwakheid] wil moet hij gelijk voor het volk, alzo ook voor zichzelven, offeren voor de zonden.’ De hoogste ambtsdrager in het Oude Testament móet hèt voorbeeld geven in het betonen van barmhartigheid en broederliefde, naar Gòds orde en bevel, zìende op èigen zwakheid en tekortkoming.

Zoals we in de Schrift kunnen opmerken, zo in de geschiedenis: binnen de kortste keren herhaalt zich de grofste willekeur in toepassing en afpersing, terwijl het zèlf niet aanraken van al hùn geboden en inzettingen met één van hun vingers breed voorbij gezien wordt, goedgepraat, toegedekt en doodgezwegen wordt. ‘We moeten het immers zo smal mogelijk houden???’

Hoe scherp is daarom het oordeel van de hoogste Profeer en Leraar en Hogepriester, Jezus Christus: Het zijn BLINDEN (die voorgangers, die wetticisten, die wáken! over èigen plaats en eer en aanzien en positie!), die BLINDEN (die volgers, die weigeren te WAKEN!) leiden. Voorgangers wìllen niet WAKEN, volgers mógen niet WAKEN! En doen ze dat toch, dan worden ze uitgeworpen. WAKEN in de gebóden antithese.

Hoe dringend noodzakelijk is het daarom telkens weer bij onenigheid, twist, onduidelijkheid, verdeeldheid, het inbrengen van veranderingen in uitleg en toepassing telkens weer scherp voor ogen te krijgen: BIJ WIE IS ER DE VERPLICHTE BARMHARTIGHEID EN BIJ WIE IS ER DE GEBODEN BROEDERLIEFDE? In woord, in daad? Blijvend?

Want telkens weer blìjkt!!!: Wie afdoet of toedoet in eigenwilligheid aan Gods Woord, Zijn goede geboden, die begìnt met het uitroeien van alle VERPLICHTE BARMHARTIGHEID en het afzweren van alle GEBODEN BROEDERLIEFDE! In woord, in daad, ondanks alle woordelijke ontkenning.

Het Wóórd wordt het zwijgen opgelegd, de structúúr van de ‘ordelijke’ opbouw moet stipt gehandhaafd en nageleefd worden.

Dat zien we in de Bijbel ook telkens weer: het zich onttrekken aan de PLICHT om naar elkaar om te zien, om (mee) te WAKEN over en voor elkaar. Hoe ontdekkend is de geschiedenis van het volk Israël, zoals beschreven.

Hoe heeft de Heere getóórnd over die geweldige nalatigheid. Zie bijvoorbeeld Richteren 5, het lied van Debora. Toen het èigen belang betrof, tóen was er inzet, door het geloof. Maar stammen, die verder weg lagen keken de andere kant opaan. Zelfs direct betrokkenen en getroffenen probeerden zich afzijdig te houden. Zie vers 23: ‘Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.’

Het is die geweldige lafheid en ongehoorzaamheid, die telkens weer te zien is. Niet willen optreden, niet willen handelen, ondanks dringende oproepen. Zie Jefta, zie Gideon. Zie hoe na overwinning grove verwijten gemaakt worden dat ze niet mee mochten doen. Maar toen ze geroepen werden, nee, toen weigerden ze. Zie Benjamin met betrekking tot de misdaad te Gibea. Ja, dan zien we het in bescherming nemen van hen die in ongeloof nalatig bleven en zelfs voorop liepen in het zondigen. Hoe liepen valse profeten en priesters daarin later vóóròp!

Zie hoe veel koningen daarna het Woord verlieten, méér bedacht waren op het hier en nu, het tijdelijk gewin van het ogenblik, terwijl de gebóden gehoorzaamheid aan Gods Woord en gebod overgeslagen werd, genegeerd werd.

We zien het vandaag opnieuw, waar de structúúr van de KO, de gewoonte, de traditie regéért, héérst: u moet de kerkelijke weg gaan; anderen mogen zich daarmee niet bemoeien. De betreffende instanties zullen daar over oordelen.

Vindt u het ook niet vreemd, dat juist ZIJ!!! daar telkens weer op wijzen, dat juist ZIJ!!! die structuur daarmee telkens weer beschermen en verdedigen en voorstaan, in de uitwerking en toepassing en uitleg, die ieder lid juist bindt en afhankelijk maakt van de uitwerking en uitleg zoals ZIJ!!! er aan geven?

Maar vindt u het niet even vreemd, dat ZIJ!!! de door God gebóden BARMHARTIGHEID en BROEDERLIEFDE structureel mijden en negeren en elk beroep daarop en daartoe veelal zwijgend afwijzen? Laten we eerst zien op wat we in de KO met elkaar hebben afgesproken. Of dàt is nu, in dit geval niet aan de orde. (en wìj bepalen!)

Vindt u het niet heel vreemd, dat juist ZIJ!!!, die wáken over stipte naleving van gemaakte afspraken blijkbaar geen enkele moeite hebben met de voortgaande wijziging van de inhoud, uitleg en toepassing, van de inhoud en invulling van het JA-woord, gedaan bij Geloofsbelijdenis, bij de bevestiging in het bijzonder ambt, bij de Doopvont? Dat ze dàn zwijgen en zwijgen en zwijgen en heel verwonderd reageren als ze daar op aangesproken worden? Want de structúúr van de KO is norm en wet en evangelie!

Vindt u het niet vreemd, dat u opgeroepen wordt om royaal (financieel) bij te dragen ten behoeve van de hulpbehoevende gelovige naaste, ver weg, maar even later door dezelfde ambtsdragers, instanties er indringend toe opgeroepen wordt om u toch te houden aan de structúúr van de kerkelijke weg, indien iets verder weg het grofste kerkelijk onrecht plaatsvindt, de meest geslepen dwaalleer stilzwijgend toegestaan wordt??? Dat is de taak van die kerkenraad, die classis, die PS. En als die daarin nalatig zijn en blijven? Maar ú mag zich daarmee niet bemoeien!

Vindt u het niet heel vreemd, dat met bovenstaande door middel van al die gemaakte afspraken in KO, gewoonte, traditie, de reikwijdte van de Goddelijke OPDRACHT om te WAKEN! in feite ingeperkt wordt tot de ruimte en de mogelijkheden, die de KO toestaat? Hoe wordt de aansporing tot het gaan van de ‘kerkelijke weg’ daarmee tot een buigen, een binden ònder een smalle en knellende dwangbuis, waarbuiten we dus blijkbaar stilzwijgend moeten toezien en aanzien en toelaten en toestaan. Wàt er wáár ook gebeurt!!!

Maar zó en dàt hebben we immers met elkaar afgesproken? En dááráán hebben we ons toch te houden? En als we dat niet doen, dan is het hek van de dam, dan ontstaat er één grote chaos, dan bemoeit iedereen zich met alles en iedereen.

Ziet u, dat die ingevoerde structúren er toe leiden, dat het gebòd om te WAKEN! steeds verder versmald en verkleind en uitgekleed wordt in haar practische uitwerking en uitvoering? Verder, dat ènkelen zich bevoegd achten en verklaren daarop toe te zien en daartoe eventueel hard op te treden tegen ‘overtreders’, als ze zich niet bìnden áán en ònder die binding? En via die aangebrachte structuren van vergaderingen, meerdere vergaderingen, deputaatschappen, enz. enz. werkt het toch uitstekend?

En zó wordt het WAKEN gebònden ìn en dóór onze afspraken. Dat de gevolgen vàn die binding ons even later wèl opgedrongen en van ons afgeëist worden, daarover zwijgen we in alle toonaarden. Dan moet u de kerkelijke weg maar gaan, ofwel de weg die we door onze praktijken en regels al onbegaanbaar gemaakt hebben.

Wat zegt u: gemeenschap der heiligen, omzien naar elkaar? Zeker, maar wel met het in standhouden van de ingestelde en heersende structúúr. Daarin begrepen àl de beperkingen, die wìj!!! juist en nodig en belangrijk vinden.

Hoe zijn en worden Gods Woord en geboden krachteloos en nietszeggend gemaakt door het héérsen van die structuur, en de mènsen, die daarmee hùn NAAM en EER en AANZIEN en INVLOED en MACHT voor en bij en van mènsen bevorderen en vergroten. HIER, NU!!!

In alle kortzichtigheid!

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

G. Want er is nog een verblindend iets: de leugen!!! De Schrift staat er vol van, dat het niét wandelen in de Waarheid van het Woord keer op keer wordt verdragen, goedgekeurd, aangemoedigd, met grote geslepenheid wordt toegepast. En vaak zo suggestief mogelijk. Om elke schijn en verdenking maar te voorkómen. Ja, iedereen moet er tot en met van overtuigd zijn, dat we zeer integer bezig zijn en handelen en bedoelen.

Herinner de blijvende en ernstige waarschuwing, II Corinthiërs 11:14: ‘En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts.’ En zo de duivel, zo zijn volgers. Hoe leert de Schrift, hoe leert de geschiedenis, dat die ernstige waarschuwing veronachtzaamd werd, weggelachen en terzijde gelegd werd. ‘Nee, nee, heb maar geen zorgen! IK pas, WIJ passen goed op, dat dàt niet gebeurt!!!’ Telkens weer bleek en blijkt, dat velen zich daardoor lieten en laten meeslepen en verleiden … en zwegen en zwijgen.

Totdat, totdat even later bleek, blijkt, dat de volle waarheid werd verzwegen, de beeldvorming met opzet werd vertekend, er een schijnbeeld werd vertoond, om maar gerust te stellen. En als het dan toch uitkomt, ja, dan is er de onomkeerbare werkelijkheid: er zijn afspraken gemaakt, er zijn besluiten genomen, we kunnen nu niet zomaar ineens weer terug; en moet je eens zien, hoe we met allerlei ‘waarborgen’ voorkómen!!!, dat er toch verder afgedwaald en afgezwakt kàn worden. Nee, het is op en top gewaarborgd.

En blijkt niet veel later, dat die waarborgen weinig meer betekenen dan loze, lege beloften, ja, dan moeten we maar bezwaarschriften indienen. Maar die moeten wel aan àl onze voorwaarden voldoen, wat betreft opstelling, tijdstip, adressering, en of het voortraject wel zorgvuldig bewandeld is. En, ‘uiteraard’!, dat wordt beoordeeld en eventueel vastgesteld door hen, die daartoe aangesteld en bevoegd zijn. Zeker, dat zijn (vaak) personen, die voorop liepen als voorstanders van die voorgestelde en ingevoerde veranderingen.

Maar, geachte indiener, vertrouw er nu maar op, dat zìj integer en onafhankelijk met uw bezwaarschrift zullen omgaan… en het eventueel in behandeling zullen nemen.

En opnieuw blijkt, dat het Woord, Gods geboden, in orde niét! op de eerste plaats staan en in acht genomen en gehoorzaamd worden en moeten worden, maar ‘ònze afspraken, ònze besluiten, ònze doelstellingen, ònze zorgvuldig opgebouwde STRUCTUUR.’ Maar, u bent er als lid uiteraard wèl aan gebonden!!!, en elke eigenwillige uitleg en toepassing en uitwerking moeten we met klem en kracht tegenstaan en voorkómen, en eventueel het zwijgen opleggen en verwijderen.

Hoe blìjkt daarna, dat elk beroep op Gods Woord, op Zijn gebóden BARMHARTIGHEID en Zijn verplìchte BROEDERLIEFDE als nietszeggend aan de kant worden gezet en genegeerd. Maar de door ons gemaakte afspraken, die moeten nauwkeurig nagekomen worden. De leugen van eigenwilligheid zit op de troon en regeert. De willekeur zit er pal naast. De WAARHEID wordt het zwijgen opgelegd of gedwongen te vertrekken.

Johannes 14:6: ‘Jezus zei tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.’ Johannes 17:17: ‘Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.’ I Johannes 1:6: ‘Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zo liegen wij, en doen de waarheid niet.’ I Johannes 2:4: ‘Die daar zegt: Ik ken Hem, en Zijn geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in die is de waarheid niet;’ III Johannes: 3 en 4: ‘Want ik ben zeer verblijd geweest, als de broeders kwamen, en getuigden van uw waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt. 4. Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor, dat mijn kinderen in de waarheid wandelen.’

Hoe duidelijk, hoe zuiver het getuigenis in de Schriften. Tegelijk, hoe duidelijk blijkt telkens weer, dat het liefhebben en wandelen in de waarheid onmogelijk verenigbaar is met zelfhandhaving, hoe ‘structureel’ ook opgebouwd. Hoe duidelijk blijkt het in de geweldige háát van het wetticisme en die haar beoefenen en najagen, dat zij deze waarheid onmogelijk kùnnen en daarom ook niet wìllen verdragen en dulden. De kruisiging van Jezus als uiterste bewìjs! Opnieuw de bevestiging ervan, dat de duivel geen enkele barmhartigheid kènt. Hij, noch zijn volgers. Hoe gruwt de duivel van het getuigenis van Johannes!

Daarom, luister niet alleen naar woorden, geschreven, gesproken, door wie ook, door hoevelen ook, maar let op het vervolg in de praktijk van het leven, of de bewijzen van BARMHARTIGHEID en BROEDERLIEFDE blìjken!!! Immers, aan de vrucht van ieders leven kènt men de boom! Ook de vrucht aan de boom STRUCTUUR!

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

H. Er is nog een grote blindheid: passiviteit, ongeloof, dat ‘het’ toch niet helpt. Hoe geweldig veel slachtoffers zijn daardoor gevallen en meegezogen.

Ik gelóóf! Wij gelóven! Zeker! Maar als de tegenstand geweldig groot is, machtig, massaal, invloedrijk, vol mogelijkheden om met list en geweld af te dwingen, of onder grote schijn van recht zich beróept op verworven status? En kijk eens naar al die officieel genomen besluiten, door al die geleerde afgevaardigden, die dat bij grote meerderheid of zelfs unaniem goedkeurden. En luister eens naar de grote deskundigheid waarmee die voorstellen bepleit en verdedigd werden en met welke overtuiging!

En luister eens hoe ernstig en innemend en indringend gebeden is. Maar als er voorstellen op tafel liggen, die inhoudelijk duidelijk op zeer gespannen voet staan met het geópenbaarde Wóórd van God, en er wordt gebeden om Gods zegen over de te nemen besluiten, dan is er de vraag: Is dit gebed het gebed naar Christus Woord in Johannes 4:23?
‘Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem [alzo] aanbidden.’

Inderdaad, dan zal iedereen (afgevaardigden en niet-afgevaardigden!) in de inhoud en bedoelen van alle voorstellen alleen maar volledige overeenstemming en onderwerping aan het Woord móeten kunnen opmaken. Opnieuw: tóetsen, tóetsen, bepróeven, bepróeven, in het licht van het Woord, de Waarheid. Wèg alle oppervlakkigheid, wèg alle gehaastheid, om er maar zo snel mogelijk vanaf te zijn.

WIE KAN DAAR NOG TEGENOP??? Wie durft het te bestaan dáár nog bezwaar tegen te hebben? En helemaal, wie is zo dwaas te denken, dat gegrond bezwaar ook maar enige schijn van kans maakt gehoord te worden, laat staan dat er naar geluisterd wordt? En ‘iederéén’ verklaart je toch voor dwaas, als je daarin volhoudt en voortgaat? Dan ben je toch door niemand meer serieus te nemen en te houden?

Onder F. citeerden we gedeelten uit Mattheüs 15 en 19. Vanuit precies dezelfde intenties redeneerden de Farizeeën, de schriftgeleerden, de Sadduceeën, de overpriesters en hun volgers. Vanuit precies dezelfde intenties hebben zeer veel dwaalleraars geredeneerd en begeerd dat hun leringen en praktijken ingang vonden. Niets nieuws. Hoe duidelijk: ònze STRUCTUUR!!!

Wáár gelóóf ziet op Jezus, Die vàst gelóófde, zéker wìst, dat ook die overweldigende meerderheid en deskundigheid en haat en vijandschap Hem onmogelijk de grote eindoverwinning zouden kùnnen ontroven. Daarom getuigt Johannes ook, I Johannes 5:4 en 5: ‘Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning, die de wereld overwint, [namelijk] ons geloof. 5. Wie is het, die de wereld overwint, dan die gelooft, dat Jezus is de Zoon van God?’ Hoe bevestigt dit getuigenis het Bijbelboek Job! En in dat wáár geloof mogen we mede-erfgenaam met Christus, van het eeuwige leven zijn.

Hoezo: ‘het’ helpt toch niet? Ook daarin moeten we Christus navolgen, in waar geloof. Niet twijfelend, of Christus Zelf zal ons daarin en daartoe doen volharden. Want we strijden niét in eigen kracht, maar door waar geloof. We strijden niét om eigen gelijk, maar in onderworpenheid en gehoorzaamheid aan het volmaakt betrouwbare Woord. We strijden niét voor eigen eer, aanzien, plaats, positie, of wat dan ook, maar ìn de weg van de gehoorzaamheid eren we God, Jezus Christus, de Heilige Geest, het Woord. We strijden niét, om door mènsen gezien en geprezen te worden, maar we zijn ernstig bedacht op de blijvende vréde met God in de weg van gehoorzaamheid en zelfverloochening.

Is er in deze bedeling, waarin we in onszelf geen enkele vastheid of zekerheid kunnen vinden, iets rijkers en heerlijkers dan te zien op Jezus Christus, de Gekruisigde, de Opgestane, de Vorst der vorsten, de Heere der heren? En te delen in Zijn overwinning? Daarom, strijden, waken, de wacht betrekken, hier, nu, met het oog op de levende God, met het oog op de eeuwigheid, eeuwig volmaakt hersteld in het KINDschap, om God eeuwig te loven en te prijzen en te danken en te aanbidden!

En ja, in navolging van Jezus Christus zullen we ook alle ontsporingen van ONZE STRUCTUUR hebben te doorgronden en te ontmaskeren en te bestrijden, daar we zién op de door Christus gezette òrde, o.a. in Mattheüs 15. De gezètte, daarmee de gehàndhaafde, daarmee de herstèlde orde, dat het ònmogelijk en òntoelaatbaar is voor God, dat er een STRUCTUUR bestaat en toegestaan wordt, die de WAARHEID van het WOORD van de levende GOD zou ontkrachten en ontbinden, of zelfs maar inperken.

En daarin accepteren we in wáár geloof, dàt onze voorstellen, bezwaren, weggehoond worden. We zien voorbij aan al die ‘nederlagen’, die we keer op keer moeten incasseren. We letten immers eerst op de ìnhoud en niet op het zichtbare ‘resultaat’, waar de mèns op let en naar waardeert. Wáár heeft de Heere vóór alles eerst gevraagd naar resultaat??? De Heere Jezus heeft gediénd, om niet, Hij heeft Zijn leven gegéven voor zondaren, Hij heeft géén eer bij mensen gezocht, maar ernaar gejaagd Zijn Vader in alles te gehoorzamen.

Want dié eer en dàt loon van de levende God is eeuwig. We zullen telkens weer voorbij moeten zien aan alle kortzichtigheid van het HIER en NU en in geloof moeten zien op de eeuwigheid, die wacht. Want het gericht kòmt, onweerstaanbaar. En waar mènsen vandaag vol van zijn, waar mènsen in alle kortzichtigheid naar jagen, in de wereld, in de ‘kerk’, het gaat voorbij, het heeft voor God geen enkele waarde, als het niét uit waar geloof gedaan wordt. En alle bedachte en ingevoerde structuren, die het Woord van God terzijde stelden, ze zullen blijken voor God geen enkele waarde te hebben.

Dan zal blijken, dat wat hier in het geloof gewerkt is voor God waardevol is, ook waar alle mensen hun oordeel hadden: ‘het’ heeft geen enkele zin, geen enkele waarde, geen enkel nut, want niémand luistert, niémand geeft er aandacht aan, het is hopeloos achterhaald en verwerpelijk.

Vóór we naar een volgend aandachtspunt gaan willen we twee ingrijpende geschiedenissen uit het Woord van God nader bezien:

De profeet Jona. Hij krijgt van God de opdracht de WACHT te betrekken over de inwoners van Ninevé, hun geestelijk wel of wee, ze op te roepen tot bekering, onder dreiging van het aanstaande oordeel. Zo te zien een ‘onmogelijke’ opdracht. Een puur heidense stad. Als het volk Israël al zo slecht luistert, hoe zullen heidenen luisteren? Jona weigert!, en vlucht weg.

Hoe duidelijk moet uit deze geschiedenis opniéuw!!! blijken, dat het enkel menselijke dwaasheid en kortzichtigheid is, indien de mèns bij Gods opdracht, Gods bevel, Gods Woord en gebod, zìjn oordeel plaatst: onmogelijk, puur tevergeefs, pure verspilling van tijd en energie.

God brengt Jona terug en herhaalt Zijn opdracht: Ga naar Ninevé en predik, betrek de WACHT. Jona gaat en predikt. God wèrkt bekering, naar het Woord. God Zèlf verleent kracht aan het Woord, dat Hij doet uitgaan. Tot bekering, tot verharding. Alleen, de mens heeft niet van te voren te overwegen of in te schatten, of die opdracht wel of niet tot het beoogde ‘resultaat’ leidt, maar in gehoorzaamheid aan zijn Zender gáán en spréken en getùigen en wáken, zonder af te doen of toe te doen.

Dan is daar die tekst, Mattheüs 12:41, Lucas 11:32: ‘De mannen van Nineve zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jonas; en ziet, meer dan Jonas is hier!’ Jezus Christus spreekt hier van de door God gewerkte vrucht op de prediking van Jona. Hij noemt het belangrijkste: de prédiking. Maar de prediking is nóóit vrijblijvend. Integendeel, ze gaat àltijd gepaard met de oproep tot bekering, tot geloof. Toch: ‘zij hebben zich bekeerd’, hoewel door God gewerkt.

Ja, daar is ook die andere geschiedenis, te lezen in Lucas 3:19, 20: ‘Maar als Herodes, de viervorst van hem (Johannes de Doper) bestraft werd, om Herodias’ wil, de vrouw van Filippus, zijn broeder, en over alle boze [stukken], die Herodes deed, 20 Zo heeft hij ook dit nog boven alles daar toegedaan, dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft.’ In andere evangeliën wordt vermeld, dat Johannes de Doper tijdens het verjaardagsfeest van Herodes onthoofd is.

Johannes de Doper heeft gewáákt, ook over Herodes. Hij heeft vermaand, terecht gewezen, bestraft. En nee, dat werd hem door Herodes niet in dank afgenomen. Nèrgens heeft de Heere Jezus hem daarover bekritiseerd of vermaand. Daarmee heeft Hij de mensen die toen leefden en dat hoorden, daarna de lezers van die geschiedenis, een inkijk gegeven in Gods soevereine almacht en regering.

Want hieruit blijkt, dat de voornaamste taak van Johannes de Doper volbracht was: voorloper, heraut van Jezus Christus. Prediker tot bekering. En zó werd Johannes de Doper er toe gebracht Herodes ook aan te spreken op zijn daden, opdat allen die er van zouden horen ontzag zouden hebben voor dat Woord en geen lust tot dergelijke daden.

Nee, Herodes is op geen enkele manier te verontschuldigen, nòch voor zijn daden, nòch voor zijn onbekeerlijkheid, nòch voor zijn belofte aan de dochter van Herodias, nòch voor zijn overmoedige eden daarbij, nòch voor zijn opdracht tòt onthoofden. Hij zal voor God volledig rekenschap daarover hebben af te leggen.

Zeker, de vragen kunnen zich ophopen: kon God Johannes de Doper als Petrus, als Johannes, als Paulus, niet bevrijden en verlossen? Kon Jezus hem niet uit de doden opwekken? We zullen de hand op de mond moeten leggen, want we zien hier evenals in die bevrijdingen, Gods soeverein handelen naar Zijn soeverein welbehagen en wil. En nee, God is niét verantwoordelijk te stellen als de bewèrker van die onthoofding.

We zien hier de herhaling van het getuigenis van de drie vrienden van Daniël in Daniël 3:16-18: ‘Sadrach, Mesach en Abed-nego antwoordden en zeiden tot de koning Nebukadnezar: Wij hebben niet nodig u op deze zaak te antwoorden. 17 Zal het zo zijn, onze God, Die wij eren, is machtig ons te verlossen uit de oven des brandenden vuurs, en Hij zal [ons] uit uw hand, o koning! verlossen. 18 Maar zo niet, u zij bekend, o koning! dat wij uw goden niet zullen eren, noch het gouden beeld, dat gij hebt opgericht, zullen aanbidden.’

En nee, God geeft aan de mens géén rekenschap. Nòch over de bekering van de Ninevieten, nòch over de ònbekeerlijkheid van Herodes. Wel zien we veel kleingeloof en ongeloof, als velen daarna weigerden te wáken, waar God riep en roept tòt waken. En als we wel in waar geloof waarschuwen, vermanen, bestraffen, naar aanleiding van zonde en afdwalen en het bedrijven van ongerechtigheid en valsheid en het leren van valse leer, we hebben niet te letten op de gevolgen.

In hetzelfde vaste vertrouwen en geloof als Johannes de Doper en vele anderen, geloven en vertrouwen wìj ook, dat God bekéring kan geven, terugkeer kan bewerken op zuiver getuigenis en vermaan. Evenzo kan Hij ons bewaren bij leven en gezondheid hier en nu. Zéker! Maar als Zijn wegen ànders zijn, ook dàn mogen we ons volkomen veilig weten in Zijn Vaderhand. In leven, in sterven, eeuwig.

Maar de opdracht òm te waken, òm de wacht te betrekken, blijft. In de kerk, in de wereld. Zònder aanzien van persoon, enkel ziende op Hèm, Die zèndt en òproept tòt WAKEN, de WACHT houden, totdat Hij kòmt!

‘Heere, vervul ons met Uw Heilige Geest en doe ons telkens wéér opstaan vanuit ons ongeloof en kleingeloof om Uw gebod om te WAKEN in al ònze zwakheid, maar in Ùw kracht in woord en daad te doen. Tot Uw eer, tot heil van onze naaste.’

Laten we opstaan tot die gehoorzaamheid. Vandaag. In waar geloof. De verleiding is geweldig groot weer terug te zakken in alle gemoedelijkheid en gezapigheid, uit te stellen, wat vaak leidt tot afstel.

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

I. Er is nog een enorme drempel om te WAKEN: we vergelijken met elkaar. Als we op dat element gaan letten, in de wereld, in de kerk, dan móet het opvallen, dat we dat zo graag en zo vaak doen: het met elkaar vergelijken. Te pas en te onpas! Tegelijk, wàt wordt met elkaar vergeleken? Waarméé vergelijken we het ene, in dat geval, in die situatie of omstandigheid? Waartóe vergelijken we met elkaar? Tegenover wié komen we met onze vergelijkingen? Wat is ons dóel van onze vergelijkingen?

Het moet duidelijk zijn, dat òns vergelijken van totaal àndere orde is, dan Christus vergelijken van het Koninkrijk van God in gelijkenissen.

De praktijk van het leven leert, dat we graag en gemakkelijk vergelijkingen inbrengen om òf daarmee te doen uitkomen hóe góed we op dat punt wel zijn tegenover die ànder, òf dat we daarmee willen aantonen, dat die ànder op dat punt toch duidelijk slechter, minder is. (veel meer te veroordelen) Hoe wordt prestige bewierookt! We horen tot de beste drie! We staan in de top tien, de top honderd. Daarbij de suggestie, dat er nog velen achter ons aankomen. Of: we zijn opgeklommen naar dié plaats in de top …

Hoe is de sportwereld ermee vergéven! Even gemakkelijk zetten we de ene persoon in vergelijking tegenover de andere vanwege de meerdere prestaties van die ene op dat punt, op dat terrein, in die functie, in dat ambt. Gemakshalve verzwijgen we veelal, dat die persoon daartoe en daarvoor van Gòd eerst vervuld was en bleef met die gaven, met die talenten, met die gezondheid en krachten. En als er van te voren ook nog met gekleurde, eenzijdige voorkeur voor dié persoon gehandeld is, ja, dan krijgt de vergelijking wel helemaal een scheve beeldvorming mee.

Hoe gemakkelijk wordt dat telkens weer goedgepraat, glad gestreken. Bezwaar ertegen als dat opgemerkt wordt, wordt vaak met groot vertoon van ontstemming en verontwaardiging van de hand gewezen. Hoe durft iemand ook maar te twijfelen aan onze integriteit en zorgvuldigheid hierin… en dat hardop uit te spreken. Dat is pure afbraak en zaaien van wantrouwen. Nee, we moeten elkaar vertrouwen op het woord. Wie dat niet doet, niet wil, die kan beter direct opstappen. Contrôle, waken??? Dat is toch volstrekt overbodig? Dat opent de deur toch wijd voor achterdocht?

En daarom: we blijven telkens weer vergelijken, in aantal, in invloed, in macht, in tijd, in eer, in aanzien, in prestige. En als die vergelijkingen dan ook nog eens wetenschappelijk onderbouwd en vastgesteld en aangetoond zijn, door zeer vooraanstaande wetenschappers op dat gebied naar voren gebracht of door denktanks in die specialiteit gepubliceerd zijn, dan dienen die alleen het dóel: de vàstheid en stèlligheid en betròuwbaarheid en ìntegriteit van die vergelijking voor iedereen vrij stellen boven alle verdenking.

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

J. de radicaliteit van het Woord. Hoe is de menselijke geest ermee doordrenkt, erdoor vergiftigd, dat èlk woord voor meerder uitleg en invulling vatbaar is, nóóit zó consequent wordt uitgelegd en uitgewerkt, als gesproken, geschreven. En daarmee – suggestief – ook Gòds Woord!

We lezen opnieuw Genesis 1. Waaruit blijkt ook maar de geringste afwijking of tekortkoming in de uitwerking en uitvoering van Gods scheppende Woorden? Zo radicaal en consequent als die gebiedende woorden door God gesproken werden, werden ze in het volgende ogenblik tot werkelijkheid, ZOALS HIJ WILDE!

Hoe is de mens er ooit toe gekomen om aan de betrouwbaarheid van Gods Woord ook maar iets te twijfelen! En toch, de mens dééd het, op ingeven van de duivel. En het is waar, alleen God kan de mens – ook de mens van de 21e eeuw – tot radicaal geloof in Zijn Woord brengen. Alleen, God behandelt de mens niet als een stok of blok. De mens is en blijft zèlf ten volle verantwoordelijk.

En toch belijdt de gelovige, dat, als God Zelf hem/haar niét tot geloof had gebracht en dat van ogenblik tot ogenblik in stand houdt, hij/zij reddeloos verloren zou zijn. Toch zegt diezelfde mens even later: ik gelóóf! Maar bij aanvraag belijdt diezelfde mens zijn afhankelijkheid van Hèm, Die het geloof werkte en werkt.

Daarom móet het Woord wat we citeerden uit Jesaja 55:11: ‘Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, [ook] zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn [in] hetgeen, waartoe Ik het zend.’ ook heel vast geloofd worden. En daarom zìjn een Schriftuurlijk onderbouwd bezwaarschrift of een indringende oproep tot waarachtige bekering of een scherpe aanmoediging tot hartelijk bréken met de zonde nóóit krachteloos.

Er volgt òf bekering òf verharding. Maar welke reactie er ook komt van mensen, die reactie vermag dat Woord nóóit van kracht te beroven. Zo ook Christus woorden. Als Hij de zonden vergeeft, dan zìjn die op dat moment vergéven, dan komt God daarop nooit terug, tenzij er terugkeer in de zonde volgt. Als Hij geneest, dan ìs die persoon van die ziekte genezen. Ja, als Hij aan een menigte boze geesten beveelt uit de bezetene uit te varen, dan kunnen ze niet anders, dan dat bevel direct op te volgen. Hoezo onzeker, twijfelachtig???

Hoe kunnen we ooit zó bedwelmd, beneveld zijn en blijven met de gedàchte!, dat het Wóórd van de levende, almachtige Gòd van veel lágere orde en zeggenschap en gezag zou (kunnen) zijn, dan de God Die sprak, Die spreekt? Toch, zó geweldig blind zijn we en willen we zijn en blijven dóór en ìn onze zondestaat. In onze eerste voorouders zien we hóe ze daartoe zijn verleid en hóe ze zich daartoe liéten verleiden. En dat pal ná Genesis 1!

Merken we, dat we als mensen zó geweldig afgestompt zijn door ònze natuurlijke blindheid vanwege onze zonde? Tegelijk, dat we zó geweldig murw geslagen zijn en worden door de leugen, die alles en iedereen doortrekt en benevelt? En als we dan de Waarheid van Gods Woord horen, ja, dan kunnen we onze oren niet geloven. In onze blindheid schuiven we ook dat Woord als onbetrouwbaar en weinigzeggend en voorbijgaand aan de kant.

God Zèlf moet onze oren doorboren, onze ogen openen, onze harten openbreken en daarin woning maken òm ons tot geloof te brengen. Hebben we die rijkdom leren zien, hebben we haar waarde leren waarderen naar eeuwigheidswaarde, we willen niet terug! Wàt ons ook voorgehouden wordt, wàt ons ook beloofd of toegezegd wordt. Want we gaan alles leggen onder het oordeel van Gods betrouwbaar Woord, Zijn Norm, Zijn geboden, Die onmogelijk liegen kunnen. Dan leggen we alle aangeboren kortzichtigheid af van het HIER en NU, en zien we op Christus, Zijn volkomen offer en erkennen en belijden, dat we in leven en sterven Zijn eigendom zijn. Dan vertrouwen we ons aan Hèm toe, in tijd en eeuwigheid.

Tegelijk leggen we alle aangeboren twijfel en onzekerheid inzake de vastheid en betrouwbaarheid van Zijn Woord, àf. We klemmen ons aan dat Woord vast, ons telkens herinnerend, tegelijk van dag tot dag opmerkend, dat er geen enkel Woord van God is aan te wijzen, dat op Gods tijd niet in vervulling ging, zal gaan. In vast vertrouwen!

Bij dit Woord van God hoort ook de indringende oproep om de WACHT te betrekken, om te WAKEN! Nergens in de Schrift is er ook maar enige twijfel over. Nergens wordt ons vermeld, dat die oproep geldt voor een bepaalde tijd, tot een bepaald ogenblik. En ook het verzet daartegen van bijna alle mensen moet er ons niet van weerhouden opnieuw op te staan en onze taak daarin te verstaan en er invulling en uitvoering aan te geven.

Of we leggen ons neer bij de mening van bijna alle mensen, en zwijgen, zwijgen.

En de oproep tot WAKEN! verdwijnt maar zo naar een achterste plaats.

J. De plaats van het Hoofd, Jezus Christus!!! Hoe is het mogelijk, dat ieder gelovige belijdt, dat Jezus Christus het ene Hoofd van Zijn christelijke kerk is, terwijl in tal van sectes en kerkgenootschappen de KO, de traditie, de gewoonte in gezag en zeggenschap op de eerste plaats staan. En wordt dat ten stelligste ontkend, hoe leert de praktijk in tal van gevallen het tegenovergestelde. En dat niet alleen, maar protest tegen deze gang van zaken – in woord, in daad – blijkt vaak een protest voor dovemansoren.

Laat ieder zichzelf onderzoeken, in persoon, in plaats in genootschap, òf deze tekening inderdaad juist is of ten stelligste ontkend moet worden. En als er toegestemd moet worden, òf er dan een hartelijke begeerte is van die weg met haast terug te keren en ermee te breken. Opdat Jezus Christus, Zijn Geest, Zijn Woord, inderdaad weer àlle gezag heeft en vindt in alle geboden BROEDERLIEFDE en BARMHARTIGHEID.

En dat niet alleen maar met de mond zeggen, maar duidelijk en overtuigend zichtbaar en aanwijsbaar, in woord èn in daad.

Herinner het Woord van het Hoofd: God liefhebben boven alles en de naaste als onszelf. WAKEN, de WACHT houden, wordt gedaan en moet gedaan worden uit LIEFDE, dié LIEFDE! Hoe is Gods liefde, Christus liefde veracht en afgewezen – zie opnieuw de genoemde citaten uit Mattheüs! – als de Heere Jezus hen indringend vermaande over hun handelwijze gedurende eeuwen!

Gods liefde tot de mensheid, verloren door haar zondeval, en daardoor liggend middenin de dood, heeft Hij betoond en bewezen in het voortdurend oproepen tot bekering, in het voortdurend oproepen om met de zonde te breken. Want God wilde en wil niet de dood van de zondaar, maar zijn hartelijke bekering, Zijn terugkeer daarmee tot het leven. Want daartóe had God de mens geschapen.

Hoe is die liefde van God, Zijn Zoon, Zijn profeten, Zijn discipelen, Zijn kinderen, vanaf de zondeval tot en met verworpen, zijn die oproepen tot wederkeer, tot het leven, in de grootste haat afgeschilderd en benoemd en verguisd als háát, als vìjandschap, als gebònden worden, waar we nú in alle VRIJHEID ‘leven’ en mogen doen naar eigen begeren. Zié!, hoe het slááf-zijn van de knecht, de duivel, gepredikt wordt als vrijheid. Zié!, hoe de vrijheid van het KINDschap van God naar Zijn gestelde òrde! gepredikt wordt als verachtelijke en mensonwaardige slavernij.

Jezus Christus is het ene Hoofd van Zijn christelijke kerk. Hij regeert haar door Zijn Geest en Woord. En laat het voor iedereen overduidelijk zijn, dat Jezus Christus het nóóit en nèrgens toestaat, dat mènsen, dat mènselijke instellingen of structuren haar èigen inbreng daar aan toe kunnen of mogen voegen. De Bijbel staat er vol van, dat mensen dat deden, dat probeerden, dat aan andere mensen opdrongen en oplegden.

Het blijkt telkens weer de vrucht te zijn van het werk van de duivel in het paradijs: Gods Woord, Gods gebod voorzien van eigenwillige uitleg en toepassing en uitwerking. Suggestief: Gods Woord en Gods gebod zijn zó onduidelijk, dat het nodig, noodzakelijk is, dat er door de mèns – in navolging van de duivel! – nader onderwijs en uitleg mogelijk, ja nodig is. En – uiteraard! – kan en mag dat door de mèns (de duivel) zèlf bepaald worden òf en wannéér en in welke máte dat nodig is.

En de mèns heeft daartoe alle vrijheid! En even later kan en mag de mens dan ook bepalen of Gods Woord en Gods gebod nog wel van kracht zijn. Even later komen er zèlfbedachte structuren, die – als de gelegenheid daar is – in praktijk gebracht worden. We zien het in het aanstellen van koningen, ook in Israël. De Heere zegt daarover in I Samuël 8:7: ‘Doch de HEERE zei tot Samuel: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn.’

Jezus Christus het ene Hoofd van Zijn christelijke kerk? Hij regeert door Zijn Geest en Woord? Hoe is het dan mogelijk, dat het Woord van God telkens weer aan de kant werd geschoven ten gunste van zèlfbedachte structuren en constructies? Tal van koningen in twee- en tienstammenrijk hebben ze toegestaan, bedacht, alle ruimte gegeven. Tal van priesters en levieten hebben er van harte aan meegewerkt. En zond God profeten om hen ervan te doen terugkeren, riepen ze op om daarmee te breken, hoe werden velen van hen vervolgd en opgejaagd en verbannen.

In Mattheüs 15 en 19 lezen we opnieuw van zelfbedachte structuren en constructies, die de heerschappij aan zich trokken en heersten. En wéér werd de Heilige Geest het zwijgen opgelegd, het Woord van alle kracht beroofd, en die zich daarop beriepen, uitgeworpen. En in de eeuwen van onze jaartelling werd het telkens weer herhaald. De geestelijkheid trok alle macht en zeggenschap aan zich, reglementen moesten stipt worden nageleefd, de heerszucht van ambtsdragers en kerkelijke vergaderingen kende nauwelijks grenzen. En met de ‘kerk’ breken was – uiteraard! – doodzonde!

Beroep op Gods Woord werd terzijde gelegd. GEHOORZAAMHEID en ONDERWERPEN waren de betoverende woorden om de leden ten onder te houden. En wie dàn niet luisterde viel onder de ‘kerkelijke’ tucht. Meedogenloos, onbarmhartig, liefdeloos. Schorsing, afzetting, afhouding, excommunicatie, het kon en kan allemaal. Gronden waren niet nodig, verantwoording tegenover de gemeente hoefde niet. Er mochten eens vragen over gesteld of opmerkingen over gemaakt worden. Dus: zwijgen! En ‘bemoeien’ kan niet, mag niet, is ontoelaatbaar. Wij waken ervoor, dat dàt direct het zwijgen wordt opgelegd.

En zij, die via talstelling en verkiezing in het bijzonder ambt gesteld werden, wel, zij hadden als eerste (niet uitgesproken, niet opgeschreven) taak: de structuur, de constructie zoals die bestaat en gehanteerd werd en wordt in het kerkverband, toestaan, er in meegaan en meedoen en goedkeuren. Ook als gewéten wordt van het grofste onrecht, de meest valse tuchtmaatregelen in het verleden, daarover zwìjgen. Bedenk: WELK EEN GEWELDIGE EER, DAT U OP TAL GEZET WERD EN VERKOZEN EN BENOEMD! Dat wilt u toch niet op het spel zetten door oude zaken alsnog op te rakelen??? EN BIJ DE BEVESTIGING HEBT U TOCH BELOOFD ZICH AAN DE KERKELIJKE TUCHT TE ZULLEN ONDERWERPEN??? Stilzwijgend: zoals die in de bestaande structuur en constructie gehanteerd en toegepast werd en wordt.

Daarbij komt: dat vond plaats in een andere gemeente. En we hebben toch de zelfstandigheid van iedere plaatselijke kerk hoog te houden? En we moeten er toch vanuit gaan, dat kerkenraden en haar leden in volkomen trouw en oprechtheid handelen en informeren? Dan kàn tegenovergestelde informatie van gemeenteleden toch nooit betrouwbaar zijn? Hoezo bewijzen, hoezo onderbouwing. We moeten elkaar als ambtsdragers vertrouwen op het woord!!!

Natúúrlijk belijden we, dat Jezus Christus het ene Hoofd van Zijn christelijke kerk is. Natúúrlijk belijden we, dat Hij Zijn kerk regeert door Zijn Geest en Woord. En dat zullen we tot in de treure blijven herhalen! En vragen bij de praktijken van en in de structuur, de constructie? U moet zich ONDERWERPEN! U moet GEHOORZAMEN! Denkt u werkelijk, dat de kerkenraad, de ambtsdragers er niet zorgvuldig en integer over wáken, dat ze in al hun ambtelijk werk de kerkelijke vrede en eenheid met alle kracht en inzet bevorderen en bewerken?

Zien we, dat we de ontstane, de ingestelde, de opgezette, de georganiseerde STRUCTUUR en CONSTRUCTIE zorgvuldig afschermen voor alle critiek, voor alle op- en aanmerking? Tegelijk, dat we daarmee òns handelen als ambtsdragers, als kerkelijke vergaderingen weer verstoppen àchter diezelfde STRUCTUUR en CONSTRUCTIE? En elke op- of aanmerking is en wordt eerst nader bekeken in het licht van die structuur en constructie. Opnieuw, onderworpen aan onze zorgvuldig opgezette structuur met al haar regels en al haar bepalingen en al haar voorschriften en al haar beperkingen.

Het schepsel, de duivel, de mens, die het bestaan heeft, bestaat, zijn Schepper die soevereine heerschappij en daarmee Zijn soevereine ambt als Schepper en HEERE te betwisten. De kerkmens, die buigt onder alle menselijke structuur en constructie èn tegelijk wil belijden, dat Jezus Christus als ene Hoofd Zijn kerk regeert door Zijn Geest en Woord.

We zagen, dat Jezus Christus Zich daartegen heeft verzet, daartegen de strijd heeft aangebonden. Hoe? Met geweld, met oorlog, gewapenderhand? Nee! Door Zijn Geest, met Zijn Woord. HIJ wist van de Goddelijke kracht en macht en heerschappij en gezag van dat Woord. Immers, door dat Woord werd de aarde geschapen, de zon, de maan, de sterren en alles wat bestaat. Door Zijn almachtig Woord. En dat Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond. Maar de wereld heeft dat Woord gehaat en uitgeworpen.

En opnieuw heeft de mèns de toevlucht genomen tot zèlfbedachte STRUCTUREN en CONSTRUCTIES en bìndt ze daarmee en daaronder gelovigen, kinderen van God. Maar die STRUCTUREN en CONSTRUCTIES en al haar instellingen en bepalingen zijn heilig, onaantastbaar. Zij, en wie gaan over haar toepassing en uitleg en veranderlijkheid.

Tegelijk zègt ze daarmee stilzwijgend, dat Gods Geest en Woord hopeloos tekortschieten òm inderdaad het kerkvergaderend werk in goede en geordende banen te leiden en te houden. Tegelijk zègt ze daarmee stilzwijgend, dat het noodzakelijk bestaan en hanteren van die zèlfbedachte STRUCTUREN en CONSTRUCTIES ònmìsbáár zìjn!!!

Zien we, dat Gods regering, Christus bestuur en leiding door de mèns daarmee en daardoor begrensd worden naar háár kortzichtigheid van het HIER en NU??? En dat diezèlfde mèns daarmee aangeeft en voorhoudt, dat hij van dié zèlfgekozen weg in puur ongeloof en kleingeloof niét!!! wìl afwijken? Gisteren niet, vandaag niet, morgen niet?

Zo zien we, dat velen Jezus Christus niét navolgen, door in de kracht van Zijn Geest en Woord te strijden, in die kracht alléén!, maar de praktijken van de duivel, zijn volgers, inbrengen, in stelling brengen, hanteren, voorstaan, aanprijzen, dulden. Tegelijk kàn het niet anders, dan dat daarmee tegelijk openlijk te kennen gegeven wordt, dat het alléén strijden in de kracht van Gods Geest en Woord gekenmerkt móet worden als hopeloos achterhaald, volstrekt ontoereikend, volledig tekortschietend.

Dat kan ook gemakkelijk opgemerkt worden in woord en daad van elke ambtsdienst. Elke ambtsdienst, die getuigt van waarachtige BROEDERLIEFDE en oprechte BARMHARTIGHEID kàn en wìl zich telkens weer binden aan en onder de kracht van Christus Geest en Woord. Daarbij heeft ze een hartgrondige àfkeer van èlke èigenwillige inbreng en toelating en toestaan – openlijk, heimelijk – van manieren en methodes en middelen uit de gereedschapskist van de duivel, die vóór alles doordrenkt en besmet en geïnfecteerd zijn met LEUGEN!, met BEDROG!, met LIST!, met VALSHEID!, met GEWELD!, met ZELFHANDHAVING!

Want elke oprechte ambtsdrager zal Jezus Christus voor ogen houden en Hèm navolgen. Zich herinnerend hoe Jezus Christus Zèlf de duivel voorhield, Mattheüs 4:4: ‘Doch Hij, antwoordende, zei: Er is geschreven: De mens zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord, dat door de mond Gods uitgaat.’ Is Christus met die weerlegging van de duivel bij Zijn Vader ooit beschaamd uitgekomen? En zou datzelfde Woord voor Zijn kinderen ontoereikend en onbetekenend zijn? Ook in 2017?

Nee, dan letten we niet op de reacties van mènsen, instemmend of afkerend. Telkens weer geven we ons in waar geloof, in vast vertrouwen over aan die levende God en Heiland, Jezus Christus, Die ons kocht en betaalde met Zijn kostbaar bloed, Zich ten eigendom, om Zijn grote daden te verkondigen. Omdat we Hem vertrouwen op Zijn Woord. Ja, ook op Zijn indringend waarschuwend Woord: WAAKT!, ZIE TOE!, HOUDT DE WACHT!, totdat Ik kom!

Wee ons, als Hij ons bij Zijn komst slapende aantreft!

Want Hij komt spoedig en Zijn loon is bij Hem om een ieder te vergelden naardat zijn loon is, het zij goed, het zij kwaad.

19 december 2017

N.a.v. een reactie de volgende aanvulling:
Waken is niet het doel. Ouders waken over hun kinderen. Vanuit hun levenservaring, hun achtergrond, beoordelen ze zelf wat veilig is voor hun kinderen, die dat inzicht zèlf op die leeftijd missen of vaak te snel impulsief reageren. We laten een kind van 2, 3 jaar niet alleen een drukke verkeersweg oversteken, alleen spelen bij diep water, eten, drinken wat nog veel te heet is, enz.

Dan is waken niet het doel, maar vanuit ouderlijke liefde een continue aanwezige en alerte tweede natuur, die continue waakzaam is en als het moet, ingrijpt. Dat vinden we heel vanzelfsprekend. Dat verschuift bij het ouder worden van de kinderen in het overdragen van die verantwoordelijkheid, maar we blijven ouders. Tegelijk verfijnt die waakzaamheid door het kennen en reageren van de kinderen in alle verscheidenheid in karakter en aanleg en mogelijkheden, tegelijk met eigen beperkingen.

En een kind van 2, 3 jaar zàl protesteren en volhouden, dat hij wel goed uitkijkt, oppast. En toch houden we als ouders hun hand goed vast, wetend. Tegelijk, we waren zelf ook 2, 3 jaar oud. Onze kinderen reageren niet anders dan we zelf deden. Nu beseffen we de zorgzame waakzaamheid van onze ouders, als het goed is. En we waarderen met dankbaarheid.

Hebben we God lief, Zijn Woord en geboden liefgekregen door waar geloof, dan moet er ook een tweede natuur in ons wakker worden en leven, die het niet verdraagt, dat Gods Woord en geboden geminacht worden, in woord, in daad. Ook daar die verfijning, ook daar die onderscheiding, die steeds sneller de geesten proeft en onderscheidt in welke richting bepaalde gedachten, daden, uitdrukkingen leiden, moeten, kunnen leiden. Ook als anderen wellicht nog niet onderscheiden. Inderdaad, met veel vallen en opstaan.

Toch, die voortgang vinden we toch ‘vanzelfsprekend’? Of wèl in de opvoeding, het waken over de kinderen, maar in het geloofsleven willen we op het niveau van melk blijven en vast voedsel willen we niet (kunnen) verdragen? En even later nemen we het anderen kwalijk als dié die verantwoordelijkheid wèl dragen en verstaan en van daaruit waarschuwen, waken?

En net als bij de opvoeding we die opvoeding niet laten bepalen, afstemmen, op de mening en gedachte en praktijk van anderen, moeten we in het geloofsleven zèlf strijden, zèlf tot onderscheiding komen en afwegen en beoordelen in het licht van Gods Woord en waakzaam zijn en blijven en er in toenemen. Hoe diep zit in ons de gedachte, dat we te verontschuldigen zijn achter het denken en doen van anderen, heel veel anderen, voorgangers, leiders, hun besluiten.

En dat waken, toezien, niet alleen, maar samen, indien mogelijk.

Maar het uitdrukkelijke gebod om te WAKEN blijft en verzwakt, vervalt niet als het ons ongelegen komt.

30 december 2017

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *