2. Inleiding Jozua 7

Jozua 7

Jozua 6:18: ‘en het leger van Israël niet stelt tot een ban.’ Hoe heilig is de Heere? Hoe heilig is Zijn Woord? Hoe heilig is Zijn gebod? Eén zondigt en brengt daardoor het héle volk onder de ban. Dat moet het hele volk weten, dat moeten Jozua en de oudsten weten.
Immers:
Deut. 31:3, 7, 8: ‘De HEERE, uw God, Die zal voor uw aangezicht overgaan; Die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij hen erfelijk bezit. Jozua zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de HEERE gesproken heeft. 7. En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de ogen van gans Israel: Wees sterk en heb goeden moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven. 8. De HEERE nu is Degene, Die voor uw aangezicht gaat; Die zal met u zijn; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten; vrees niet, en ontzet u niet.’
Deut. 31:23: ‘En Hij gebood Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Zijt sterk en heb goeden moed, want gij zult de kinderen Israels inbrengen in het land, dat Ik hun gezworen heb; en Ik zal met u zijn.’
Deut. 34:9: ‘Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van den Geest der wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd; zo hoorden de kinderen Israels naar hem, en deden gelijk als de HEERE Mozes geboden had.’
Jozua 1:2-9 zegt de Heere tegen Jozua: ‘Mijn knecht Mozes is gestorven; zo maak u nu op, trek over deze Jordaan, gij en al dit volk, tot het land, dat Ik hun, den kinderen Israels, geve. 3 Alle plaats, waarop ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven, gelijk als Ik tot Mozes gesproken heb. 4 Van de woestijn en dezen Libanon af tot aan de grote rivier, de rivier Frath, het ganse land der Hethieten, en tot aan de grote zee, [tegen] den ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn. 5 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan al de dagen uws levens; gelijk als Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn; Ik zal u niet begeven, en zal u niet verlaten. 6 Wees sterk en heb goeden moed! want gij zult dit volk dat land erfelijk doen bezitten, dat Ik hun vaderen heb gezworen hun te geven. 7 Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed, dat gij waarneemt te doen naar de ganse wet, welke Mozes, Mijn knecht, u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter [hand] noch ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt alom, waar gij zult gaan; 8 Dat het boek dezer wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk handelen. 9 Heb Ik het u niet bevolen? wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet, en ontzet u niet; want de HEERE, uw God, is met u alom, waar gij heengaat.’

Hoe heeft de Heere al deze beloften wáár gemaakt en daarin bewezen volmaakt betrouwbaar te zijn in het oversteken van de Jordaan, in het veroveren van Jericho. Daarom is het gebed van Jozua zondig! Want Jozua spreekt alsof de Heere ònbetrouwbaar is door deze nederlaag. Ja, hij spreekt zoals het volk meerdere keren heeft gesproken: waren we maar in Egypte gebleven. En Jozua: waren we maar aan de overzijde van de Jordaan gebleven. En hij kijkt vooruit, vol angst over de mogelijke gevolgen. Maar uit die nederlaag moest hij direct opmerken, dat de Heere een grote oorzaak had in die nederlaag.

Hoe scherp moesten in hun herinnering staan de zeer ernstige waarschuwingen, die we zonet lazen uit Jozua 1:7 en 8 mèt daarbij in vers 9 de zegen op die gehoorzaamheid.
Jozua, de oudsten missen de diepe verootmoediging: WIJ hebben gezondigd in die ene; U bent rechtvaardig.

We moeten nog een stap verder gaan, Gen. 12:7: ‘Zo verscheen de HEERE aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den HEERE, Die hem aldaar verschenen was.’ Gen. 13:14, 15: ‘En de HEERE zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts. 15 Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.’ Gen. 17:8: ‘En Ik zal u, en uw zaad na u, het land uwer vreemdelingschappen geven, het gehele land Kanaan, tot eeuwige bezitting; en Ik zal hun tot een God zijn.’ DRIE KEER!

Wil Jozua de Heere verleiden tot het niét nakomen en vervullen van die belofte? We proeven het duivelse ongeloof in zulk bidden. Grote les voor ons: zó vast geloven op al Gods beloften, dat we elke twijfel daaraan meteen van ons werpen en het zwijgen opleggen. Maar ook als God dreigt bij ongehoorzaamheid, bij afdwalen van al Zijn goede inzettingen en geboden, als we aan Zijn Woord en geboden toedoen, afdoen, dan moeten we elke twijfel aan de kant zetten, dàt God ook straft en oordeelt naar dat Hij dreigde.

Dan lezen we in Gen. 21:1: ‘En de HEERE bezocht Sara, gelijk als Hij gezegd had; en de HEERE deed aan Sara gelijk als Hij gesproken had.’ Hoe vast moeten we ons deze tekst tussen de oren plaatsen. We zijn zo ongelooflijk afgestompt, dat we nauwelijks meer horen wat God zègt, er nauwelijks op letten wat Hij gébiedt, vèrbiedt. Deze tekst plaatst ons voor de hoogste ernst, dat God DOET! wat Hij ZEGT! Dat Zijn Woord nóóit leeg terugkeert. Daarom, laten we lezen wat er staat, en niet zelf invullen en aanvullen wat er niét staat.

Achan, de zonde van Achan: plotselinge hebzucht bij het zién van dat goud en zilver en overkleed. Het niet weerstaan van die begeerte tot het hebben. Maar vervolgens, nadat hij het genomen en verborgen had, zijn ZWIJGEN! Want zijn geweten moet hem daarna van dag tot dag hebben aangeklaagd: ik HEB Deut. 28-32 enkele maanden terug nadrukkelijk horen uitspreken: de zégen bij gehoorzaamheid; de vlóek bij ongehoorzaamheid. Ik HEB de ernstige waarschuwing en het strenge verbod van de Heere in Joz. 6:18 gehóórd! Iets daarvoor: ik BEN besneden en zo door God in Zijn Verbond ingelijfd met àl zijn beloften, ook met àl zijn eisen.

Maar Achan heeft al dat roepen in zijn geweten door òngeloof, door opzettelijk ongeloof het zwijgen opgelegd. En ook als Israël door de mannen van Ai verslagen is, dan verhardt Achan in zijn zonde. Pas, als de Heere hem door het lot aanwijst als de veroorzaker van de banvloek over héél het volk, pas dan erkent hij. Maar de Heere laat dan geen plaats voor berouw, voor inkeer.

Jozua 7:15 zegt de Heere: ‘En het zal geschieden, die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij heeft; omdat hij het verbond des HEEREN overtreden heeft, en omdat hij dwaasheid in Israel gedaan heeft.’ Wat een ontzaglijke les en waarschuwing voor het volk toen. Wat een ontzaglijke les voor alle lezers, hoorders, voor ons: De Heere heeft Zijn Verbond met Abraham en zijn zaad opgericht, Zijn Verbond met belofte en eis. We kunnen het elke dag weer lezen, want al die beloften en eisen heeft Hij ons bekend gemaakt. Er kan en mag geen enkele onduidelijkheid over bestaan. Meer vraagt de Heere niet van ons. En meer mogen wij er dan ook beslist niet van maken.

Want met deze hoogst ernstige geschiedenis toont de Heere ons de schaduw van de werkelijkheid van het Verbond in het Nieuwe Testament: de Heilige Doop, het Heilig Avondmaal; mèt al de beloften, mèt al de eisen. En dan eist de Heere van ons, dat we door waar gelóóf Zijn Verbond in acht nemen en gehoorzamen, daarvan niet afdoen, daaraan niet toedoen. Werd aan Achan en alles wat hij had het vonnis direct voltrokken ná zijn aanwijzing, in het Nieuwe Testament stelt de Heere het heel vaak uit tot het grote gericht bij de jongste dag, tot het natuurlijk sterven hier. Maar laat er geen enkele gedachte bij en in ons zijn, dat de Heere van uitstel tot afstel komt.

Ja, Achan heeft grote dwaasheid begaan in Israël. In de eerste plaats door zijn minachting van Gods uitdrukkelijk gebod. In de tweede plaats door de ijdele gedachte, dat hij die zonde ook voor God verborgen zou kunnen houden. In de derde plaats door plaats te geven en invulling te geven aan zijn begeerte voor een zeer korte tijd. Want daarin sluit hij de ogen moedwillig voor Gods dreigen in vloek en oordeel voor eeuwig.

Want het bezit voor even, HIER, NU, betekent voor de Heere het voor eeuwig ONTerfd worden. We weten, de erfenis die we als kinderen van God ontvangen met Jezus Christus. Die erfenis, die Hij voor ons heeft verworven in Zijn lijden, dood en opstanding. Voor ons, vanuit onszelf arme zondaren, gekocht en betaald door Hem, alleen uit genade.

Wij lezen dit. Tegelijk zien we de handelwijze van Ananias en Saffira in Handelingen 6. Tal van overeenkomsten. Ook die ontmaskert de Heere direct in oordeel en vloek. Dan die geweldige waarschuwing tot alle lezers en hoorders in I Corinthe 10: OPDAT WIJ GEEN LUST TOT HET KWADE ZOUDEN HEBBEN, ZOALS ZIJ! Hoe moeten ons de namen en hun zondigen ons elke dag voor ogen staan: ACHAN, ANANIAS, SAFFIRA. De Heere geeft ons in hen 3 getuigen, dat Hij niét met Zich laat spotten, door niemand. Hoe heilig is Zijn Woord, hoe heilig zijn Zijn Verbond en geboden. Tegelijk, hoe BEtrouwbaar zijn Zijn beloften.

In dat ware geloof gehoorzaamt Jozua, gehoorzamen de oudsten, het volk. Want dan zien we, dat ze het oordeel over Achan en alles wat hij bezit in vrouw, kinderen en bezittingen, direct ten uitvoer brengen. En zó doen zij het kwaad uit het midden van het volk weg. Hierin beluisteren we de voortdurende oproep in de wet: DOE HET KWAAD UIT UW MIDDEN WEG! Met als gevolg: OPDAT HET VOLK HET ZIE EN MET VREES VERVULD WORDT, ZODAT HET ZICH NIET LAAT VERLEIDEN TOT ZONDE.

De Schrift staat er vol van: het volk zondigde wéér!, en wéér!, en wéér! En ook in het Nieuwe Testament tot op de dag van vandaag doen wij het zo gemakkelijk wéér!, en wéér!, en wéér! Tegelijk moeten we met grote schaamte erkennen, dat we van het zondigen van onszelf, van anderen, van ons voorgeslacht niet willen leren. In onze geweldige hoogmoed en eigendunk beelden we onszelf en anderen in, dat WIJ echt wel beter zijn en doen dan die anderen. Tegelijk hebben we uiteraard allerlei ‘verontschuldigingen’ en ‘verzachtende omstandigheden’, waarom we gestruikeld en gevallen zijn. En we stellen onszelf zo gemakkelijk gerust, dat de Heere die zeker tot verzoening aanmerkt.

Maar zo willen we niet tot openlijke erkenning van onze totale en diepe verdorvenheid voor God komen. Want die erkenning moet ons direct uitdrijven naar Jezus Christus, Zijn offer, Zijn borgtochtelijk lijden en verzoening. Die erkenning zal ons des te ijveriger maken om Gods Verbond te kennen, Gods Verbondsgangen, daarin Gods Verbondsbeloften, daarbij Gods Verbondseisen, in zegen, in vloek. Zie Leviticus 26, Deuteronomium 28-32. We kunnen nooit zeggen, dat we er niet van afwisten, er niet van af konden weten.

Hoe moet (ook) deze geschiedenis ons ertoe brengen Gods grote daden te vertellen aan het volgende geslacht. Hoe moet daarin de grote ernst van Gods Verbond in zegen en vloek, in belofte en eis het volgende geslacht worden voorgehouden. Wat een geweldig voorrecht, dat de levende God Zijn Verbond met ons oprichtte. Met ons wel, met heel veel anderen niet. Om Hem tot een volk te zijn, om Zijn grote daden te verkondigen, om in die weg anderen tot jaloersheid te brengen, opdat zij zich ook bekeren en getrokken worden en met ons gaan.

In dat Verbond geeft de Heere ons aan elkaar als broeders en zusters. Opdat we als broeders en zusters ons aan elkaar geven in voorspoed en tegenspoed. Opdat we als broeders en zusters op elkaar toezien, elkaar aanspreken om ijverig als leden in dat Verbond voor God en elkaar te leven en zo steeds meer als Verbondsvolk kenbaar zijn. Tegelijk, dat wij het ook verdragen, dat we door anderen aangesproken worden indien we ons in leer en/of leven misgaan. Niet om ons te bemoeien met anderen waar het ons niet aangaat. Wel, omdat we geleerd zijn door de Heere Jezus, dat een weinig bederf, zuurdeeg, het hele deeg doorzuurt, het hele volk besmet en in het verderf brengt. Hoe overtuigend deze geschiedenis!

In deze geschiedenis doet de Heere ons zo duidelijk Zijn Verbondswraak zien, vers 12, tenzij er bekering komt en de ban uit het midden wordt weggedaan. Wat een geweldige les. Wat een geweldige opdracht. Want dat betekent voor ons, vandaag, hier, nu, dat we onszelf, als persoon, als volk, ernstig hebben te onderzoeken, te beproeven, òf er bij ons wegen bewandeld worden, voor het eerst, in navolging aan ons voorgeslacht, waarop Gods Verbondsvloek, Gods Verbondswraak rust. En als we die inderdaad zien, moeten zien, moeten verstaan en onderscheiden in het licht van Gods Woord: willen we ons daarvan haastig bekeren en daarmee terugkeren in de weg van de gehoorzaamheid?

En nee, we moeten niet eerst elkaar aankijken en gaan afwachten, of die ander, die anderen wel wat gaan doen. Dit is een dure opdracht naar ieder persoonlijk, naar allen samen, om daar grote ernst mee te maken, om niet te aarzelen daar uitvoering aan te geven. Daartoe gedreven door onze grote liefde tot God, tot de naaste. Tot God, dat Hij van onze kant totaal onverdiend!, ook naar ons omzag, Zich aan ons bekend maakte, ons riep, ons trok, om ons te redden uit de macht van duivel, dood en verderf, Zich ten eigendom.

Hoe laat Achan zich door de duivel verharden in zijn hoogmoed, door ook na de bekendmakingen in de verzen 13 en 14 een afwachtende houding aan te nemen. Huiveringwekkend! Welk een ernstige oproep tot ons, persoonlijk, samen, om niét te wachten totdat de Heere ons aanwijst als onbekeerlijk en ons vervolgens voor eeuwig toerekent de Verbondsvloek en de Verbondswraak. Zodat we dan en daar moeten erkennen: IK heb niet gewild! IK heb al die ernstige waarschuwingen en vermaningen in de wind geslagen. Als persoon, samen, als gemeente, als kerkverband.

Zien we die steenhoop? Zien we de oorzaak? Zien we de aanleiding in de verleiding van de duivel tot die begeerte om hier, nu, tijdelijk te hebben? Onderkennen we al die duivelse verleidingen, vaak zo sluw en geraffineerd en op het onverwachtst door voor ons de meest bekende en vertrouwde en geliefde personen? Zijn we daartegen bestand? En nee, laten we alle zelfvertrouwen meteen afleggen. Dit is alleen mogelijk in de weg van gebed, van worsteling in en door waar geloof. Te beginnen elke dag opnieuw, zolang de Heere ons hier geeft. Persoonlijk, samen, als Verbondskinderen.

—————————————————————————————————

Grote les voor vandaag: Gods beloften in Zijn Verbond zijn onwrikbaar zeker!
Beloften van de Heere bij onze doop:
1. de doop betuigt en verzegelt ons de afwassing der zonden door Jezus Christus.
2. God de Vader betuigt en verzegelt ons, dat Hij met ons een eeuwig Verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, en daarom van alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren, of ten onze beste keren wil.
3. God de Zoon betuigt en verzegelt ons de afwassing van al onze zonden in Zijn bloed. Hij lijft ons in in de gemeenschap van Zijn dood en wederopstanding, zo, dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden.
4. God de Heilige Geest verzekert ons, dat Hij bij ons wonen wil, ons tot lidmaten van Christus heiligen wil en ons toeëigent wat we in Christus hebben.

Beloften waaraan de Heere ons scherp herinnert bij het Heilig Avondmaal:
1. Ten andere, onderzoeke een ieder zijn hart, of hij ook deze gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het sterven van Jezus Christus, vergeven zijn; en de volkomen gerechtigheid van Christus hem als zijn eigen toegerekend en geschonken is, ja, zo volkomen, alsof hij zelf in eigen persoon, voor al zijn zonden betaald, en alle gerechtigheid volbracht had.

Daarbij ernstig bedenkend, dat Christus:
a. ons vlees en bloed heeft aangenomen
b. de toorn van God gedurende Zijn hele leven heeft gedragen
c. alle gehoorzaamheid en gerechtigheid der Goddelijke wet voor ons heeft vervuld
d. Hij werd gebonden, om ons te ontbinden
e. ontallijke smaadheden heeft geleden, opdat wij nooit te schande zouden worden
f. onschuldig ter dood veroordeeld is, opdat wij voor het gericht Gods vrijgesproken worden
g. Zijn gezegend lichaam aan het kruis heeft laten nagelen, opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten
h. Hij heeft de vervloeking van ons op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegening zou vervullen
i. Hij heeft Zich vernederd tot in de allerdiepste versmaadheid en angst der hel, met lichaam en ziel, aan het hout des kruises opdat wij tot God genomen zouden en nooit van Hem verlaten worden.

En zó wil Christus ieder door de viering van het Heilig Avondmaal vermanen en verzekeren van Christus hartelijke liefde en trouw jegens allen, dat hij, zij àl die beloften door waar gelóóf mag aannemen.
We lazen van al die zekere beloften van de Heere aan Jozua. Jozua gelóófde de Heere op Zijn Woord en gehoorzaamde Hem in al de gekregen opdrachten. Hoe bevèstigde de Heere Zijn beloften in de doorgang door de Jordaan en door de inneming van Jericho. Zó zéker en vàst zijn Gods beloften in Zijn Verbond met ons ook! Welke zékerheid ìn ons zelf kan daarbij ook maar in de schaduw komen? Of zijn Gods beloften ontoereikend? Kan iemand er iets vanuit zichzelf aan toedoen? Beseffen en erkennen we, dat – als we ook maar één zekerheid in ons zelf zoeken of nodig achten – we daarmee en daardoor àl Gods beloften als onvoldoende en ontoereikend beschamen? Welk een smaad doen we God daarmee en daardoor aan!!!

Daarom stelt God in Zijn opgerichte Verbond met Abraham en zijn zaad de eis tot gelóóf, tot bekéring! In dat Verbond komt God met al Zijn beloften, daarbij met al Zijn eisen van geloof, van gehoorzaamheid en gehoorzaam volgen, van vast vertrouwen. Hoe overduidelijk zijn daartoe Leviticus 26 en Deuteronomium 28-32!

Vandaar Gods Woord in Micha 6:8: Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?

Vandaar het Woord van de Heere Jezus in Matt. 22:37-40: En Jezus zeide tot hem: Gij zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand. 38 Dit is het eerste en het grote gebod. 39 En het tweede aan dit gelijk, [is:] Gij zult uw naaste liefhebben als uzelven. 40 Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten.

Zien we scherp, dat God niét met enkele personen, individuen Zijn Verbond opricht, maar met Abraham en zijn zaad? Merken we op, dat God dat in het Nieuwe Testament niét heeft veranderd, vgl. Hand. 2:38 en 39.

Verstaan we het onderscheid tussen Verbondshouders en Verbondsbrekers, tussen Verbondszegen en Verbondswraak?

Verstaan we Gods zeer grote lankmoedigheid, dat Hij Israël zó lang verdragen heeft, voordat Hij het volk in ballingschap voerde? Zien we dat evenzo in de Nieuwtestamentische kerkgeschiedenis?

Dit bericht is geplaatst in onderwerpen op verzoek, indien mogelijk. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *