6a. Over kerkelijke tucht, oorzaken, aanleidingen

6a. De kerkelijke tucht, oorzaken, aanleidingen

Als we overwegen wat (mogelijk) oorzaken, aanleidingen zijn van allerlei kerkelijke twist en ontsporing en verdeeldheid, van het ontstaan en bestaan en toestaan van zonden, het daardoor overhaast toepassen van schorsing en afhouding, dan zien we:

1. de kerk van Jezus Christus naar de Schriften heeft haar unieke status veelzins verloren
2. de kerk van Jezus Christus is en wordt diep verduisterd door het invoeren en toelaten van elementen, praktijken, die strijden met die unieke status
3. het geheel wordt nog meer verduisterd door de constante voorstelling, dat die elementen en praktijken helemaal legaal en in overeenstemming met en gehoorzaamheid aan het Woord zijn

1. de kerk van Jezus Christus naar de Schriften heeft haar unieke status verloren

We belijden, dat Jezus Christus Zijn kerk vergadert door Zijn Geest en Woord, in eenheid van het ware geloof. Niet meer, niet minder. Vervolgens zien we, dat die belijdenis wel beleden, maar in de praktijk te weinig geloofd en nagejaagd wordt. Vervolgens zien we, dat die belijdenis in eenzaamheid verdwijnt, daar ze in de praktijk overwoekerd wordt met vreemde elementen en toelatingen en ontwikkelingen. Actief, passief.

De Schrift is heel duidelijk in Haar getuigenis van Christus Hoofd-zijn. Namelijk, het Hoofd-zijn, het Alleen Hoofd-zijn van Jezus Christus, in vergaderen èn in gaven geven. Efeze 1:22: ‘En heeft alle dingen Zijn voeten onderworpen, en heeft Hem der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen;’ Efeze 5:23: ‘Want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het Hoofd der Gemeente is; en Hij is de Behouder des lichaams.’ Colossenzen 1:18: ‘En Hij is het Hoofd des lichaams, [namelijk] der Gemeente, Hij, Die het Begin is, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij in allen de Eerste zou zijn.’

2. de kerk van Jezus Christus is en wordt diep verduisterd door het invoeren en toelaten van elementen, praktijken, die strijden met die unieke status

Wat zien we telkens weer gebeuren? Dit, dat er in de kerk door mensen opgetreden en gehandeld en vervolgens afgedwongen wordt alsof de KERK een vereniging is. Tegelijk, dat (veel) leden daar in mee gaan, zich daar te weinig tegen verzetten, dat oogluikend toestaan. Tegelijk, dat mensen gedwongen worden daar in mee te gaan, door velerlei oorzaak. Hoe verwoestend en ontwrichtend en ontbindend blijkt telkens weer het werken en drijven van de duivel, zijn volgers.

Vereniging
Een vereniging is een groep van mensen, die werkt aan het verwezenlijken van bepaalde doelstellingen. Dat kan richting studie zijn, dat kan zijn tot het samen verder komen in het verdiepen en verbreden van interesses, hobby’s, kunst, dat kan zijn in het samenwerken tot het behartigen van gemeenschappelijke belangen, van groepsbelangen, dat kan met sportief oogmerk zijn. Het kan een vereniging zijn van particulieren, van zakelijk karakter, van overheidsbelang, enz. Het lid zijn, actief zijn, heeft een beperkte tijdsduur.

De meeste verenigingen hebben een open toelatingsbeleid voor leden. Andere verenigingen stellen daarvoor bepaalde voorwaarden, leeftijd, m/v, afkomst. Aan de andere kant kan er geen verplichting zijn tot lid worden. Hetzelfde geldt voor het bedanken en verlaten van een vereniging. Er kunnen omstandigheden, oorzaken zijn waarom een vereniging het nodig acht een lid te verzoeken te bedanken of zelf te royeren.

Een vereniging heeft een bestuur wat als taak heeft de belangen van de vereniging te behartigen, te coördineren, te beschermen, te versterken. Dit doet zij in opdracht van-, op last van de leden van de vereniging. Zij kan bij de uitoefening ervan bepaalde volmachten krijgen. Ze krijgt door contributies tot het uitoefenen van haar onderscheiden bestuurstaken de beschikking over voldoende middelen. Daarnaast is ze tegenover de leden van de vereniging verantwoording schuldig over haar handelen en functioneren. Er kunnen omstandigheden, oorzaken zijn waarom een bestuurslid geadviseerd wordt, gedwongen wordt af te treden.

Het komt voor, dat een bestuur – leden van een bestuur – zichzelf taken, bevoegdheden, rechten, macht, zeggenschap gaat toekennen. Tegelijk wil ze daarna graag zelf bepalen in hoeverre ze nog verantwoording aflegt aan de leden. In voorkomende vacatures heeft het bestuur (vaak) een doorslaggevende invloed. Dat kan er gemakkelijk toe leiden, dat een bestuur de vereniging in belangrijke mate afhankelijk maakt van het functioneren en optreden van het bestuur. Belangenbehartiging van een groep(je) in de vereniging, in het bestuur treedt maar zo op.

De praktijk leert, dat er vaak weinig tegen te doen is. Òf georganiseerd, òf massaal bedanken, òf zelf een greep doen naar de macht. Allerlei manieren en methoden en middelen worden van beide zijden aangewend en beproefd. Dan laten we allerlei subtiele methoden, invloeden achterwege, bijv. waarom het spreken van een bestuurslid vaak veel meer zeggenschap heeft als dat van een gewoon lid. Waarbij de inhoud achter de persoon verdwijnt. Suggestieve, subjectieve, aanmatigende, arrogante vormen worden gehanteerd en getolereerd en verdragen.

Het dóel van de vereniging bepaalt veelal de omgang met elkaar, het elkaar aanspreken op zaken. Een vereniging beoogt een deel, een beperkt deel van het brede leven te behartigen, te versterken. Veelal staan privé en andere zaken daar totaal los van. Gedeeltelijk op elkaar betrokken, het andere deel individueel.

In tegenstelling met een vereniging is de kerk van de Heere Jezus Christus. Want niemand anders dan Hij vergadert, beschermt, verzorgt en onderhoudt haar, deelt gaven en talenten uit aan haar leden naar Zijn welbehagen, zolang Hij wil. Daarin zijn de leden volledig afhankelijk van Hem, het Hoofd van Zijn kerk. Hij doet dat soeverein en staat het aan niémand toe Hèm in die hoedanigheid en veelzijdigheid te vervangen, te corrigeren, er aan toe te doen of er vanaf te doen. Hij was het ene Hoofd, Hij is het, Hij blijft het.

Vervolgens bewerkt, behartigt de kerk niet een (beperkt) deel van het brede leven, maar het hele leven in al haar onderdelen en bewegingen. Jezus Christus is het soevereine Hoofd en regeert door Zijn Geest en Woord over àl Zijn onderdanen, over héél hun leven. Hij is hun Schepper, hun Verlosser, hun Redder, door Zijn eigen bloed!

Wat zien we gebeuren sinds de zondeval? Dit, dat mènsen elementen van veréniging invoeren, toepassen in de kèrk, eigenmachtig, willekeurig, naar de wens van andere leden. Wordt dat met één element gedaan, dan volgen er al snel meer: mènsen bepalen, mènsen beslissen, mènsen voeren in en passen toe, mènsen besluiten òf er teruggekeerd wordt naar de Schrift, òf dat gegroeide scheefgroei gehandhaafd wordt, mènsen blijven passief aan de kant staan.

Dit is uiteraard de kant van de mens, of hij zich in zijn verantwoordelijkheid wèl of niét in gehoorzaamheid buigt onder het soevereine gezàg van Gods heilig Woord en gebod en orde. Bij afwijken kàn de Heere bekering bewerken wanneer Hij wil, bij wie Hij wil; Hij kan ook rechtvaardig in eigenwilligheid en afwijking doen volharden en verharden.

We noemen een aantal voorbeelden van het soeverein vergaderen door het Hoofd:

– Deuteronomium 4:37: ‘En omdat Hij uw vaderen liefhad, en hun zaad na hen verkoren had, zo heeft Hij u voor Zijn aangezicht door Zijn grote kracht uit Egypte uitgevoerd;’ 7:8: ‘Maar omdat de HEERE ulieden liefhad, en opdat Hij hield de eed, die Hij uw vaderen gezworen had, heeft u de HEERE met een sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit het diensthuis, uit de hand van Farao, koning van Egypte.’ Hoe leert de geschiedenis, dat het initiatief tot het vergaderen altijd uitgaat en uitgevoerd wordt door het ene Hoofd! In deze teksten openbaart de Heere Zijn verkiezende liefde daartoe. In niets daartoe voor de Heere verplicht, geen mens kan ook maar één recht stellen. Integendeel!

– Handelingen 2:47b: ‘En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.’ Opnieuw, initiatief en uitwerking zijn helemaal het werk van het Hoofd, Jezus Christus, door Zijn Woord, door Zijn Geest. Hij gebruikt ‘mensenwerk’ als middel daartoe, nooit als onmisbare noodzaak. Opdat elke menselijke HOOGMOED daarin onderdrukt wordt.

– In het toevoegen van Saulus, Handelingen 9:15, 16: ‘Maar de Heere zei tot hem: Ga heen; want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israels. 16 Want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet om Mijn Naam.’ Het is en blijft dat onnavolgbare in het werken en vergaderen van en door het Hoofd Jezus Christus. Toen bij veel gelovigen, getuige de reacties daarop, nu nog steeds. Of weten we het nu zo goed, dat het enorme wonder ervan totaal afgevlakt en afgestompd is? Als dat zo ìs, dan heeft het in ons leven als gelovige elke dag zijn invloed en doorwerking. Als het wonder wegvalt geeft dat vervolgens ruimte voor èigen invulling.

– Handelingen 6:5a: ‘En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkoren Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes,’ 5:8-10: ‘En Stefanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. 9 En er stonden op sommigen, die waren van de synagoge, genaamd der Libertijnen, en der Cyreneers, en der Alexandrijnen, en dergenen, die van Cilicie en Azie waren, en twistten met Stefanus. 10 En zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak.’ Wié vervult met gaven, Wié vervult met de Heilige Geest? Soeverein, naar Zijn voornemen en welbehagen.

– Galaten 2:11-14: ‘En toen Petrus te Antiochie gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was. 12 Want eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij [zich] en scheidde zichzelven af, vrezende degenen, die uit de besnijdenis waren. 13 En ook de andere Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun veinzing. 14 Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar de waarheid van het Evangelie, zei ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodse wijze te leven?’

Zien we, dat Paulus het Wóórd, het geopenbaarde Wóórd als beslissende Norm stelt en zet en hanteert om Petrus en anderen van dwaalwegen in woord, in daad, terug te brengen? Ziende op het Hoofd, terugbrengend onder het gezàg van het Woord van het Hoofd, gewerkt en bewerkt door de Geest van het Hoofd. Altijd tot eer en lof en dienst aan het Hoofd, het Woord, de Heilige Geest.

– II Petrus 3:15, 16: ‘En acht de lankmoedigheid onzes Heeren voor zaligheid; gelijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid, die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft; 16 Gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste [mensen] verdraaien, gelijk ook de andere Schriften, tot hun eigen verderf.’

Hoe getuigt Petrus, geleid door de Heilige Geest van dat dienstwerk van vermaan door Paulus, door hier zonder enige bijsmaak of bijgedachte te getuigen van de door Paulus ontvangen en ingezette gaven en talenten in zijn schrijven, zijn ambtswerk. Het één met vreugde aanvaardend, het ander met geduld verdragend.

Hoe nadrukkelijk blijkt, dat er grote verscheidenheid was tussen personen, tussen karakters, tussen gaven en talenten. Hoe nadrukkelijk wordt hier de wijsheid van God stilzwijgend geprezen, daar er geen sprake is van afgunst, jaloezie, wrok, maar een nadrukkelijk vermelden van de gave van het Woord, de gave van het onderscheid, de gave van het vermaan èn het verdragen ervan èn het zich erdoor laten gezeggen. Tegelijk het geduldig wachten op de door de Heere bepaalde tijd. Zo vertonend het samen één lichaam zijn in Christus en Christus als Hoofd. HIJ vergadert, HIJ geeft gaven, soeverein.

We noemen een aantal voorbeelden van het ontsporen van geroepen kinderen, waarin elementen van KERK-ZIJN verwaarloosd worden, tegelijk elementen van een vereniging gemakkelijk aan te wijzen zijn:

– Richteren, refrein: ‘ieder deed wat goed was in eigen ogen.’ Hoe onttrekt het volk zich aan het gezàg van het Woord, aan het gezàg van het Hoofd, naar eigen goeddunken. Tegelijk zien we de hang naar een leider, een bestuur, dat voorop gaat, dat hen in geen geval in die zelf verkozen weg in de weg staat. Hoe gemakkelijk gaan ze achter richters aan, die eigenwilligheid invoeren en toestaan.

Wat zien we van de uitdrukkelijke opdrachten aan priesters en levieten om het volk te leren, om rechtvaardige rechtspraak te handhaven en op te leggen? Er was over het algemeen sprake van algehele verslapping. Het gevolg was: individualisme, ontbinding, ontwrichting, normloosheid.

– Richteren 5:15b-17: ‘In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot. 16 Waarom bleeft gij zitten tussen de stallingen, om te horen het geblaat der kudden? De gedeelten van Ruben hadden grote onderzoekingen des harten. 17 Gilead bleef aan gene zijde der Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen! Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijn gescheurde plaatsen.’ 5:23: ‘Vloekt Meroz, zegt de Engel des HEEREN, vloekt haar inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulp des HEEREN, tot de hulp des HEEREN, met de helden.’

Wat bevestigen deze teksten de enorme lauwheid en laksheid en afwachtendheid van hele stammen, inwoners van een plaats dichtbij. Hoe ontluisterend de ontbinding in het ene lichaam van de OT-ische kerk. Tegelijk, hoe bevestigt de uitspraak van de Engel des HEEREN, dat zulk gedrag nóóit vrijblijvend is, nóóit onschuldig. Ofwel, het Hoofd verdraagt zulk gedrag van de léden van het lichaam niét! In het overige prijst Debora de door de Heere bewerkte ijver tòt gehoorzaam opstaan en handelen van hen, die wèl hun taak en plaats kennen en vertrouwend op de Heere de ‘overmachtige’ vijand verpletteren. Ook daarin genoemde zwakheden.

– Richteren 10:10-14: ‘Toen riepen de kinderen Israels tot de HEERE, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onze God hebben verlaten, als dat wij de Baals gediend hebben. 11 Maar de HEERE zei tot de kinderen Israels: Heb Ik u niet van de Egyptenaren, en van de Amorieten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, 12 En de Sidoniers, en Amalekieten, en Maonieten, [die] u onderdrukten, toen gij tot Mij riept, alsdan uit hun hand verlost? 13 Nochtans hebt gij Mij verlaten, en andere goden gediend; daarom zal Ik u niet meer verlossen. 14 Gaat henen, roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laten die u verlossen, ter tijd uwer benauwdheid.’

Hier lezen we de klèm van de Heere in het Oude Testament. De klèm, dat Hij kàn verlossen, dat Hij wìl verlossen, maar dat Hij nooit toelaat dat daarmee een spel gespeeld wordt. We kunnen die lijn doortrekken naar het Nieuwe Testament, de NT-ische kerk: IS Jezus Christus het ene Hóófd van Zijn Kerk, ja of nee?!?! En als blijkt, dat de kerk zich keer op keer haast om eigenwilligheid en willekeur naar eigen goeddunken in te voeren en te laten heersen, zal het ene Hóófd dan bovenstaande tekst niet opnieuw de mens voorhouden?!?!

‘Laten die zelf-verkozen leiders en bestuurders u maar verlossen. Laten de door hen bedachte en voorgestelde manieren en middelen en methodes u maar verlossen. U hebt hen toch zèlf begeerd, toegelaten, verdragen, in plaats van Mij? U hebt hun zelfgekozen manieren, middelen, methodes toch gewild en begeerd? U vergaapt u toch aan het indrukwekkende bouwwerk, wat zìj hebben opgericht en in stand houden?’

– Tienstammenrijk, refrein: ‘Hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebath, die Israël dééd zondigen.’ Het ongeloof deed Jerobeam struikelen en vallen tot het invoeren van eigenwilligheid en willekeur in afgodendienst. ‘Ik weet het zèlf; ik kan het zèlf; ik doe het zèlf; ik eigen mij zèlf dat recht toe. En om dat in te voeren en te handhaven pas ik allerlei verleidelijke regeltjes in, die mensen verleiden tot meegaan en navolgen daarin. Dit kan toch best náást de ware dienst aan God staan, bestaan!?!?’

Hoe moet dit refrein elk kind van God ernstig waarschuwen: ‘IK ben niet beter; IK heb geen streepje voor bij God; naar mijn oude natuur ben IK net zo volgzaam in het kwade als de koningen van Israël, het volk toen.’ Daarbij de pràktijk: Wie niét meegaat, meedoet, is hier overbodig en kan vertrekken; even later: wie niét meegaat, meedoet, dwìngen we daartoe of verwijderen we hardhandig. Zijn dit praktijken van vereniging, of van het ene lichaam???

Dat telkens weer onderkennen van de geweldige zuigkracht vàn-, en verleiding tòt zonde. Daarbij het èrkennen van èigen zwakheid en toegeeflijkheid en onverstand daarin. Daarbij het zién en èrkennen van èigen kleingeloof in het niét zó op de Heere, Zijn Woord, Zijn beloften, Zijn verbond, vertrouwen, in waar geloof, dat ik inderdaad àfzie van elk vertrouwen in mijzelf, in anderen, wie ook, hoeveel ook. Tegelijk het er naar jagen scherp te onderscheiden náár het geopenbaarde Woord, in gehoorzaamheid áán het ene Hoofd, Jezus Christus.

Hoe verleidelijk telkens weer met afstand te kijken naar die zo nadrukkelijk opgetekende ernstige waarschuwingen in het Oude Testament. Daarbij: hoe heeft de Heere die zònden bestraft en weggedaan uit het goede land in de ballingschap. Toch, hoe gemakkelijk sluipt de zelfingenomenheid bij ons naar binnen en neemt plaats en regeert ons in hoogmoedige gearriveerdheid: ‘DAT ZAL MIJ NIET OVERKOMEN!’ Voor we het weten zijn we verkocht en slapen in. O, dat zèlfvertrouwen, dat tot op de bodem moet worden afgebroken en plaats moet maken voor vast geloof en vertrouwen in God, Zijn Woord.

– Profeten: oproepen tot bekering, berouw, terugkeer, het wegdoen van het kwaad, het breken met de zonde; tegelijk het aankondigen van zegen, bescherming, vrede, rust bij en na daadwerkelijke en blijvende bekering. Hoe getuigen de profeten ervan, dat God er àlles aan gedaan heeft – NIET VERPLICHT!!! – uit liefde en ontferming het volk telkens weer in waar geloof tot één lichaam te vormen. Dat ziende, proberend dat te bevatten en te doorgronden, het móet onze eigengereidheid en hoogmoed tot de grond toe afbranden: ‘Is de mens, ben ik zó??? Naar mijn oude natuur, waarin ik ontvangen en geboren ben? JA!’

Ja, die andere mensen ook, maar vóór allen: ‘IK BEN ZO!!! Voor God.’ Toch wil Hij mij trekken en roepen en aannemen en gebruiken, in Zijn dienst, in Zijn lichaam, als levend lid, met de gaven die Hij toedeelt, zolang Hij wil. Daarin eist Hij trouw, gehoorzaamheid, aan Hem, Zijn Woord, vanuit grote dankbaarheid voor die onverdiende eer aan mij bewezen. Daartoe vraagt Hij zelfverloochenende liefde en barmhartigheid en ontferming tot de naaste, om niet op te houden met goeddoen, trekken, aanspreken, vermanen, troosten, bemoedigen.

Steeds voor ogen houdend, dat we niét te maken hebben met een vereniging, vol vrijblijvendheid en individualisme, waarin enkele zaken belangrijk zijn en behartigd moeten worden, door enkelen na te jagen en af te dwingen, maar met het lichaam van Jezus Christus, waarin het héle leven in al haar delen ònder het Hóófd moet buigen en zich dóór het Hóófd moet laten regeren!

– Discipelen, apostelen, tijdens de omwandeling van de Heere Jezus op aarde: het met regelmaat terugkeren van de vraag, wié van hen toch wel de belangrijkste, de eerste is. De Heere Jezus roept hen daarvan telkens terug en stelt daar tegenover: Wie van u dienaar is, wie dient, die is de eerste. Opnieuw de zich opdringende hoogmoed, zich zo gemakkelijk in een vereniging plaats makend: wié heeft het uiteindelijk hier voor het zeggen?

De nederigheid in het lichaam: elk lid in het lichaam met eigen taak en verantwoordelijkheid. Alle leden ònder het ene Hóófd: Jezus Christus. Alle leden áán elkaar gegeven door het ene Hoofd. Alle àndere leden vàn het ene Hoofd ontvangen. Ieder met de door Hèm gegéven gaven en talenten. Naar Zìjn goeddunken, naar Zìjn raadsplan, naar Zìjn wil, naar Zìjn welbehagen. Als ieder lid dat zó ziet, dat zó aanvaardt, zichzelf daarin zó toebedeeld weet met eigen plaats en taak, waar haalt dat lid de tijd vandaan om met andere leden te strijden, om elkaar te bevechten inzake plaats, positie, eer, roem, aanzien, zeggenschap, heerschappij?

Want telkens moeten we weer terug naar: IK ARME ZONDAAR, LIGGEND MIDDEN IN DE DOOD DOOR MIJN ZONDE!!! De Heere doet mij geen enkel onrecht, als Hij mij daarin laat, als Hij mij passeert en anderen verkiest. Die onuitsprekelijke verwondering, dat Hij mìj verkoos, mìj trok, mìj liefhad, en anderen passeert. Dàt moet ons elke dag heel scherp voor ogen staan. Want Hìj plaatst ons daarmee in Zìjn lichaam, Zìjn gemeente. Die geweldig grote eer, om in het hier en nu te dienen als aller voetveeg. In gehoorzame navolging van het Hóófd!

Die vraag van de discipelen zien we met regelmaat terug komen. Omdat onze HOOGMOED zo geweldig groot en weerbarstig is en zo moeilijk en blijvend is te bestrijden. Want daarin voelen we ons zo geweldig THUIS, die is ons zo intiem EIGEN, die drijft ons als vanzelf aan en daar hoeven we geen enkele moeite voor te doen. Die beheerst en vervult ons van huis uit. En die bevalt ons ook nog eens uitstekend naar onze oude natuur. Onze oude natuur als slaaf van de zonde, als slaaf van de KNECHT, de duivel. Zie Bijbelboek Job.

Maar in de weg van het dienen moeten we door het geloof de duivel overwinnen om in de weg van wedergeboorte weer KIND van God te worden en te zijn. Inderdaad, die weg van God gaat ons verstand ver te boven. Kon dat niet anders, kon dat niet gemakkelijker, kon dat niet eenvoudiger? NEE! Naar Gods raad en voorzienigheid gaf Hij dié weg, wees Hij dié weg. Op en in die weg voorgegaan door onze Heere Jezus Christus, het ene Hóófd.

En waar wij er elke dag naar moeten jagen Hèm te volgen en na te volgen, daar mogen en moeten we zien op dié weg van vernedering tot en met Golgotha, om ons in volmaakte gehoorzaamheid Gods wil en weg tot ònze verlossing te openbaren. Daarom, zo Hoofd, zo kind. Daarom, inbrengen en toepassen en toelaten van allerlei elementen vereniging, betekent verloochening van het lichaam, tegelijk, verloochening van het Hóófd van het lichaam, Jezus Christus. Hij vergadert, Hij deelt gaven uit, soeverein. Zijn lichaam, Zijn leden.

– Handelingen 5:1-11: de geschiedenis van Ananias en Saffira. Zie: de twee getuigen, 11a, 11b
Hier zien we een zeer sluwe manier van de duivel, om een element van een vereniging in het lichaam in te brengen. Het element van eigen methode, eigen toepassing, eigen vinding. Immers, ook op een vereniging kan het bestuur niet altijd de diepste drijfveren van ieder lid doorgronden waarom en waartoe hij met die gedachte, die inbreng komt.

En als we – hier Ananias en Saffira – de kerk als vereniging gaan zien en benaderen, dan kan Petrus als ‘kerkenraad’ toch nooit doorgronden die zorgvuldig opgezette en voorbereide vuilheid, die hier geprobeerd wordt ingebracht en bevestigd te worden? Zie de dùivel, die er àlles aan doet om de unieke status van KERK VAN JEZUS CHRISTUS onderuit te halen en die daarmee en daardoor wil tonen, dat de KERK weinig anders is dan een menselijke aangelegenheid waarin menselijke elementen vrijblijvend hun plaats kunnen en mogen innemen. En zijn slaven Ananias en Saffira werken daarin van harte mee.

Het Hóófd regeert door Zijn Geest en Woord, in eenheid van het ware geloof. De Géést onderkent die duivelse sluwheid en ontmaskert haar zonder enige aarzeling. Ja, deze geschiedenis openbaart des te meer die unieke status van KERK VAN JEZUS CHRISTUS: Mens, heb of accepteer nóóit de gedachte, dat alle eigenwilligheid en willekeur – die haar bron heeft in alle HOOGMOED! – een legale plaats kan of mag hebben en krijgen in de KERK VAN JEZUS CHRISTUS! In het Oude Testament niet, in het Nieuwe Testament niet!

– I Corinthiërs 1:9-13: ‘God is getrouw, door Welke gij geroepen zijt tot de gemeenschap van Zijn Zoon Jezus Christus, onze Heere. 10 Maar ik bid u, broeders, door de Naam van onze Heere Jezus Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt, en [dat] onder u geen scheuringen zijn, maar [dat] gij samengevoegd zijt in een zelfde zin, en in een zelfde gevoelen. 11 Want mij is van u bekend gemaakt, mijn broeders, door die van [het huisgezin] van Chloe [zijn], dat er twisten onder u zijn. 12 En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. 13 Is Christus gedeeld? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in Paulus’ naam gedoopt?’

Opnieuw zo’n overbekend element van vereniging: partijschap, groepsvorming, met als uiteindelijk doel: macht, invloed, zeggenschap, heerschappij.

Het komt vaak zo sluipend binnen en het lijkt meestal zo puur onschuldig en in onze HOOGMOED denken we zo gemakkelijk, dat de gevolgen wel meevallen. En in een vereniging geldt toch de norm en het recht en de wil van de meerderheid? In hoeveel kerken is dat al ingeburgerd geraakt? Maar in de unieke Kerk van Jezus Christus regeert Hìj door Zijn Geest en Woord. Daar regeert de Norm, ongeacht de mening van mensen, hoeveel ook!

Onderken daarin dat de Norm zo gemakkelijk ondergraven en vervangen wordt door de leiding, de meerderheid. Uiteraard ontkennen we dat bij hoog en bij laag, ja, zijn hoogst verbaasd, zijn zeer gegriefd en verbolgen, dat iemand ons daarvan verdenkt, ons daarvan beschuldigt. Dan blijkt verbaal vertoon de ander te moeten overtuigen, hoe verschrikkelijk gemeen die verdachtmaking is. Nee, onderbouwd bewijs ontbreekt en komt dan en daarna ook niet boven tafel. Terwijl elk onderbouwd bewijs elk verbaal vertoon kon en moest ontkrachten. Hier blijkt de voosheid.

– III Johannes :9-11: ‘Ik heb aan de Gemeente geschreven; maar Diotrefes, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan. 10 Daarom, indien ik kom, zo zal ik in gedachtenis brengen zijn werken, die hij doet, met boze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zo ontvangt hij zelf de broeders niet, en verhindert degenen, die het willen [doen], en werpt ze uit de Gemeente. 11 Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.’

Hoe belangrijk blijkt het telkens weer, dat gelovigen pàl staan tegenover hen, die in de kerk elementen inbrengen en doorvoeren die openlijk strijden tégen de Kerk van Jezus Christus! Of we sluiten de ogen, verdragen de ontbinding en ontwrichting die die elementen veroorzaken, òf we strijden tégen die zonden en hen die ze bedrijven.

Johannes tekent in deze verzen iemand, die met woord en daad verwoestend werkt en Jezus Christus niét als enig Hoofd erkent en volgt en gehoorzaamt. Hij weet het beter, hij kan het beter, en hij stapelt in zijn onheilig ijveren de ene op de andere zonde. Maar zie ook, dat hij uitwerpt uit de gemeente. Hij voert valse tucht en afsnijding in en voert haar vervolgens uit.

Hoe worden hier tal van elementen uit de vereniging ingevoerd en doorgevoerd en uitgevoerd door iemand, die in de kerk, de gemeente, optreedt en handelt alsof het zìjn vereniging is.

– a. Hij wil de eerste zijn. Loochenend Christus plaats als Hoofd, eigent hij zichzelf die plaats toe met alle rechten en aanmatigingen die bestuursleden zichzelf vanuit machtspositie toe (kunnen) kennen.
– b. Hij neemt ons niet aan. Loochenend Christus plaats als Hoofd Die vergadert, selecteert hij onder de leden wie wèl mogen blijven en wie niét.
– c. Hij snatert met boze woorden tegen ons. Wel of niet aanwezig, hij deinst er niet voor terug ons in naam en persoon en integriteit verdacht te maken en te beschadigen. Zonde tegen het 9e en 6e gebod. Maar blijkbaar is zijn invloed zó groot, zijn gezag zó indrukwekkend, dat velen dat omwille van de ‘vrede’ verdragen en er in mee gaan. Zie, dat het Hoofd daardoor aan de kant geschoven wordt als gezàghebbend Hóófd. Gezàg door het Wóórd! Hoe wankel is die ‘vrede’. Want binnen de kortste keren blijkt het, dat de willekeur als een dolle om zich heen slaat, vandaag over dat onderwerp, morgen over die persoon.
– d. Hij ontvangt zelf de broeders niet. Inderdaad, als het Hoofd vergadert, maar één of meer leden verzetten zich tegen dat vergaderen of tegen hen die Hij vergadert en toevoegt, dan blijft niets anders over dan een eigenwillige vereniging.
– e. Hij verhindert hen, die ze wel willen ontvangen. Het gaat heel snel van kwaad tot erger. Hoe uniek is Christus vergaderend werk! Wie Hij wil, wanneer Hij wil. Hoe snel verduistert het wònder van het zèlf vergaderd wòrden, als we de kerk als vereniging (laten) gaan behandelen; als we de leden als leden van een vereniging kunnen en mogen toelaten of verwijderen, naar eigen goeddunken en willekeur. De macht van het bestuur, een bestuurslid. Daar scherp tegenover: Als we Christus als Hóófd zien en erkennen, ja, dan accepteren we direct hen, die Hij vergadert. Gaan we twijfelen, of Hij het goed (genoeg) doet??? Geven we toch plaats aan onze bedenkingen, onze critiek, onze afkeur? Hoe kunnen we in het geloof daardoor op de proef gesteld worden!
– f. Hij werpt ze uit de Gemeente. Inderdaad, dan is Christus kerk verworden tot de vereniging van Diotrefes en zijn maten. Hìj regeert, hìj bepaalt, hìj kan, hìj mag, hìj doet, naar pure willekeur. Verwoesting, ontbinding, ontwrichting, chaos zijn het gevolg, gemeenschap der heiligen is verworden tot oppervlakkig individualisme.

Dan het gebod: ‘Geliefde, volgt het kwade niet na, maar het goede.’ Apostolisch vermaan. Tegelijk: onderken òf dit goed is, òf kwaad; onderscheidt naar het geopenbaarde Wóórd van het Hóófd. Dat Wóórd is de Norm; wat mensen zeggen of er van maken, dat is bijzaak. En ‘volgt’ is uitdrukkelijk gebòd. Uit de beschrijving blijkt overduidelijk waarbij de wegen en praktijken van Diotrefes en zijn maten behoren.

Maar om elke gedachte te voorkómen, dat het toch nog wel wat meevalt, en daarmee, dat de Heere toch veel door de vingers ziet en veel vergeeft, voegt Johannes er aan toe, geleid door de Heilige Geest: ‘Die goed doet, is uit God; maar die kwaad doet, heeft God niet gezien.’ O, die gewoonte, die gewenning, die traditie, die maar zo mee verandert.

-a. Die goed doet, is uit God. Dat zijn zij, die Christus als Hóófd wèl volgen, in Zijn vergaderen, in Zijn bijeenbrengen. Dat zijn zij, die de broeders wèl ontvangen, òmdàt ze door Christus zijn vergaderd. Inderdaad, dan laat hij zich daarvan niet afbrengen door veel geschreeuw, door veel (machts)vertoon, door scherpe ‘tucht’maatregelen en ‘uitsluitingen’.
– b. Maar die kwaad doet, heeft God niet gezien. Hoe scherp en zuiver typeert Johannes de werken van Diotrefes en zijn metgezellen. Daarbij tegelijk de dringende oproep tot inkeer en wederkeer. Hier in dit tijdelijk leven, eeuwig. Tegelijk de ernstige waarschuwing tegenover hen die wankelen, twijfelen, in tweestrijd zijn, wie te volgen. Hoe noodzakelijk het indringende zelfonderzoek naar de gezindheid van het hart voor God. Maar dan in waar geloof ook geen enkele aarzeling in het volgen van en gehoorzamen aan het Hóófd.

– Openbaring 2 en 3
– a. gemeente te Efeze. Openbaring 2:2, 3: ‘Ik weet uw werken, en uw arbeid, en uw lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt dragen; en [dat] gij beproefd hebt degenen, die uitgeven, dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet; en hebt ze leugenaars bevonden; 3 En gij hebt verdragen, en hebt geduld; en gij hebt om Mijns Naams wil gearbeid, en zijt niet moede geworden.’

Hoe worden hier tal van kenmerken genoemd, die zo eigen zijn in het geloof, in het leven van de gelovige. Tegelijk, dat onderzocht en onderkend wordt of geesten, die zich aanmelden wèl of niét in de Waarheid zijn. Inderdaad, hierin toont zich de kerk, de kerk van het Hoofd, de kerk, onderworpen aan de Norm van het Woord. Rechtvaardig oordeel, zonder aanzien van. Om kèrk te blijven, om niet af te glijden naar vereniging.

Openbaring 2:4, 5: ‘Maar Ik heb tegen u, dat gij uw eerste liefde hebt verlaten. 5 Gedenk dan, waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u haastelijk [bij] komen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert.’ Dit is een heel scherp vermaan: uw eerste liefde verlaten. Tegelijk de dringende oproep tot bekering. Daarbij de ernstige waarschuwing bij het zich niét bekeren: Ik zal uw kandelaar van zijn plaats weren. Hebben we nog scherper vermaan nodig om de kerk heilig te houden???

Leunen we nog rustig achterover als we (kunnen) zien, dat de kerk vergiftigd is en wordt door het toestaan en verdragen van allerlei praktijken die toegepast worden op verenigingen? Want hier spreekt het Hoofd Zèlf! Zijn volmaakt zuivere oordelen en waarderingen. En ze gelden vandaag nog even sterk als toen. Ja, ook, als velen er eigenwillige invulling en uitleg en toepassing aan geven. Is deze Christus het ene Hóófd van Zijn kerk??? Hier??? Nu???

Openbaring 2:6: ‘Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nikolaieten haat, welke Ik ook haat.’ Nee, er moet geen enkele gedachte bij ons opkomen, dat Christus met dit oordeel de voorgaande vermaningen afzwakt. Integendeel, Hij bevestigt die en onderstreept des te meer, dat de kerk heel vastberaden en volhardend moet onderscheiden en onderkennen en strijden, elke dag weer. Jezus Christus als het ene Hóófd voor ogen houdend, Zijn Woord als enige Norm, niet afwijkend, rechts noch links.

– b. gemeente te Smyrna. Openbaring 2:9, 10: ‘Ik weet uw werken, en verdrukking, en armoede (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar zijn een synagoge des satans. 10 Vrees geen der dingen, die gij lijden zult. Ziet, de duivel zal [enigen] van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot de dood, en Ik zal u geven de kroon des levens.’

Zien we, dat Christus hier in enkele zinnen aanwijst, dat de haat en laster en hoon en smaad van de wereld, de valse kerk, niet uitzonderlijk zijn, maar haast vaste ingrediënten! Tegelijk, hoe staan die pal tegenóver al onze vezels naar onze oude natuur. Telkens weer die psychische ingrediënten waarmee die geestelijke strijd van en in het geloof doorweven is. Er zijn steeds verschillen, zeker. Maar de tactiek en werkwijze van de duivel en zijn volgers blijven dezelfde. Vergelijk Bijbelboek Job.

En nee, ook de geweldige opdringerigheid van hen, die met de mond, op papier, telkens weer met klem betuigen hóe zij de Heere willen dienen en volgen en gehoorzamen naar Zijn Woord, het moet en mag er bij ons geen moment toe leiden, dat we die eerste les en opdracht nauwkeurig voor ogen blìjven houden: Onderzoek, beproef, toets, zonder aanzien van persoon, in het licht van het Woord.

Wees daarin volhardend, standvastig in het geloof. Hoe blijkt telkens weer, hoe de geschiedenis zich sinds de zondeval herhaalt. Toch, hoe moeizaam dringt het tot ons door, totdat het onszelf overkomt, totdat we zelf met die beproeving te maken krijgen. De Heere openbaart ons keer op keer, dat Hij ons beproeft om te zien wat er in ons hart is, wat de gezindheid ervan is voor Hem. En elk geslacht moet die lessen leren, elk lid van dat geslacht.

– c. gemeente te Pergamus. Openbaring 2:12-16: ‘Dit zegt Hij, Die het tweesnijdend scherp zwaard heeft: 13 Ik weet uw werken, en waar gij woont; [namelijk] daar de troon des satans is, en gij houdt Mijn Naam, en hebt Mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas, Mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden, daar de satan woont. 14 Maar Ik heb [enige] weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lering van Balaam houden, die Balak leerde de kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat zij zouden afgodenoffer eten en hoereren. 15 Alzo hebt ook gij, die de lering der Nikolaieten houden; hetwelk Ik haat. 16 Bekeer u; en zo niet, Ik zal u haastelijk [bij] komen, en zal tegen hen krijg voeren met het zwaard Mijns monds.’

Opnieuw, zware verdrukking en vervolging. Maar ondanks dat vermaant Christus hen, die de lering van Bileam houden. Het toelaten van de vermenging, het toelaten van zonde, het toelaten van het dienen van twee goden. De Heere verwerpt dat hartgrondig. En nee, laten we niet denken, dat wij er vrij van zijn. Hoe ligt die zonde bij en in ons elke dag aan de deur, om ons over te halen, om ons daartoe te verleiden. Dat onderkennend en beseffend zullen we ons moeten inhouden in scherpe veroordeling. Toch tegelijk weer zelf die zonde elke dag meer leren haten en ontvluchten.

De Heere roept krachtig op tot bekering. Maar als er door hen geweigerd wordt zich te bekeren, dan zal de Heere met haast oorlog voeren met het zwaard Zijns monds: het Woord! Is er een krachtiger zwaard mogelijk? Dat is tegelijk het zwaard van iedere ambtsdrager: ter bemoediging en vertroosting, tot lering en vermaan, ja, in elke situatie. Hoe is het dan mogelijk, dat ambtsdragers elementen van vereniging verdragen, toestaan, toelaten, invoeren in de kerk??? Is het niet uit ongeloof en bijgeloof, uit het meer bevreesd zijn voor mensen, dan voor God???

Maar wàt in de Schrift doet ook maar één keer zien, dat het Woord zwakker en ontoereikender en minder bekwaam is? Overtuigt alleen de hierboven genoemde geschiedenis van Ananias en Saffira niet met grote kracht en stelligheid? Toch, onze zwakheid, ons kleingeloof, onze twijfel, onze onzekerheid. Maar ze zijn nooit tot verontschuldiging.

– d. gemeente te Thyatire. Openbaring 2:19-25: ‘Ik weet uw werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uw lijdzaamheid, en uw werken, en [dat] de laatste meer [zijn] dan de eerste. 20 Maar Ik heb [enige] weinige dingen tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zichzelve zegt een profetes te zijn, laat leren, en Mijn dienstknechten verleiden, dat zij hoereren en afgodenoffer eten. 21 En Ik heb haar tijd gegeven, opdat zij zich zou bekeren van haar hoererij, en zij heeft zich niet bekeerd. 22 Zie, Ik werp haar te bed, en die met haar overspel bedrijven, in grote verdrukking, zo zij zich niet bekeren van hun werken. 23 En haar kinderen zal Ik door de dood ombrengen; en al de Gemeenten zullen weten, dat Ik het ben, Die nieren en harten onderzoek. En Ik zal ulieden geven een iegelijk naar uw werken. 24 Doch Ik zeg ulieden, en tot de anderen, die te Thyatire zijn, zovelen, als er deze leer niet hebben, en die de diepten des satans niet gekend hebben, gelijk zij zeggen: Ik zal u geen anderen last opleggen; 25 Maar hetgeen gij hebt, houdt dat, totdat Ik zal komen.’

Opnieuw noemt Christus breed de gezindheid van velen in de gemeente, uitkomend in hun werken. Toch zijn ze zwak in het onderscheiden en het krachtig weerstaan van de vrouw Jezabel en haar praktijken. Hoe blijkt telkens weer, dat als zonde gedoogd wordt en niet bestreden, ieder die die houding aanneemt en volhoudt als mee-schuldig aan diezelfde zonde door Christus gehouden wordt.

Hoe moet uit de vruchten van haar werken blìjken, dat Jezabel géén profetes is, maar een verleidster tot zonde. Nog heeft de Heere geduld met haar gehad, opdat ze zich zou bekeren, maar ze bekeerde zich niet! Dan komt de Heere met krachtige straffen en oordelen, nu al aangekondigd, opdat zal blijken, dat Gods Woord nooit krachteloos is en leeg terugkeert. Opnieuw, de Heere onderzoekt en doorgrondt zelfs de meest innerlijke drijfveren en beweegredenen van ieder mens.

En ieder mens moet dat weten en daar ernstig mee rekenen om zichzelf telkens weer te beproeven en te toetsen en zich dagelijks te bekeren. Uit genade wil God dat ware geloof en de daaruit voortkomende vruchten belonen, niet uit verdienste, opdat niemand in zichzelf roemt, maar in God alleen! Rijker belonen dan een mens zich hier en nu kan voorstellen.

Maar als Christus als Hoofd dat zo nadrukkelijk noemt en beklemtoont, hoe bestaat het dan, dat mensen, ambtsdragers, toch nog weer telkens opnieuw dat doorgronden van Christus als achteloos aan de kant schuiven, en voorop lopen of gemakkelijk meegaan en meedoen om zichzelf met alle willekeur op de troon te zetten? In het verdragen en invoeren en opleggen van allerlei eigenwillige manieren en middelen en methodes?

Door de unieke status van kerk, met Christus als enig Hoofd gemakkelijk in te ruilen voor pure eigenwilligheid, partijschap, heerszucht, die hen er toe brengen Zijn vergaderen naar eigen goeddunken te wijzigen. Die even gemakkelijk de door Hem aan onderscheiden leden gegeven gaven en talenten naar eigen goeddunken het zwijgen opleggen, verbieden in te zetten. We noemen het kerk, maar we gedragen ons slechts als vereniging. We zeggen dat Christus Hoofd is, maar Zijn stoel staat bij de uitgang en Hìj moet zwijgen.

Hoe hebben we elke dag weer te strijden tegen de duivel, ons eigen vlees en al haar lusten, de wereld en al haar begeren, om niet spoedig daarin onder te gaan. Strijden, totdat Hij komt! Vasthouden in grote standvastigheid, staande in waar geloof, door God Zelf gewerkt en bevestigd. Telkens weer: Hem komt alle lof en eer en aanbidding toe.

– e. gemeente te Sardis. Openbaring 3:1-5: ‘Dit zegt, Die de zeven geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uw werken, dat gij de naam hebt, dat gij leeft, en gij zijt dood. 2 Zijt wakende, en versterk het overige, dat sterven zou; want Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. 3 Gedenk dan, hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zo zal Ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten, op wat ure Ik over u komen zal. 4 Doch gij hebt [enige] weinige namen ook te Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met Mij wandelen in witte [klederen], overmits zij het waardig zijn. 5 Die overwint, die zal bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen.’

De Heere weet hun werken. Hij weet ook het oordeel van mensen over hen: zij leven! Dan spreekt Hij Zijn eigen oordeel uit: U bent dood! In de weg van zelfbeproeving en zelftoetsing moet in het licht van Gods Woord, de enige Norm, gekomen worden tot diepe zelfkennis en zelfverloochening, tot berouw en bekering, tot weer opstaan tot de nieuwe gehoorzaamheid, die God vraagt. Dan komen er tegelijk ook de werken, die daaraan beantwoorden, de vruchten van het geloof. Dan groeien hartelijke liefde tot God, Zijn Woord, Zijn verbond, ook tot onze naaste, dichtbij, veraf.

Christus roept met grote kracht op tot waarachtig geloof, tot daadwerkelijk wakker zijn, tot het versterken van dat wat op het punt staat te sterven. Zijn oordeel: Ik heb uw werken niet vol gevonden voor God. Geloven we nog steeds, dat Hij ònze vereniging en háár praktijken als Zijn kerk aanneemt en er Zijn zegen over gebiedt? Blijkt Hij in de praktijk toch te slapen en alles maar over Zijn kant te laten gaan? Of is ònze doodsslaap zo geweldig intens?

Nee, u hebt geen excuus als u vergeet hoe u het ontvangen hebt. Nee, u hebt geen excuus als u vergeet hoe u het gehoord hebt. En met het vergeten het bewaren ook maar wegdoet. Sta op!!! Nu!!! Zo niet – want IK wáák!!! – dan kom Ik op het meest onverwachts. En wee hem, haar, die dan slaapt in onbekeerlijkheid.

Toch ziet het Hoofd nog enkelen, die wel gewaakt hebben, die niet meegezogen zijn, die inderdaad de naam hebben en houden, dat zij léven. Naar Zijn rechtvaardig oordeel! Zie, met welke uitgebreide garantie de Heere tekent hóe Hij hen zal vasthouden, en bekleden, en niet uit het boek des levens doen, en hun naam zal belijden voor Zijn Vader en Zijn engelen. Zij zijn dat waardig! Om niet! Naar het oordeel van het Hoofd Zelf! Wat een vorstelijke beloning!

– f. gemeente te Filadelfia. Openbaring 3:8-11: ‘Ik weet uw werken; zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend. 9 Zie, Ik geef [u enigen] uit de synagoge des satans, dergenen, die zeggen, dat zij Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, Ik zal maken, dat zij zullen komen, en aanbidden voor uw voeten, en bekennen, dat Ik u liefheb. 10 Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen. 11 Zie, Ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme.’

Wàt een getuigenis! van het Hoofd Jezus Christus: ‘Ik weet uw werken;’ Dat zijn dus werken ùit en dóór gelóóf! Gekrégen geloof! Want het vervolg van Christus getuigenis toont Zijn goedkeuring en instemming over die werken. Voorop: ‘zie, Ik heb een geopende deur voor u gegeven, en niemand kan die sluiten;’ Dat zegt het Hóófd, soeverein.

Dan volgt naar menselijk inzicht een enorme tegenstelling: ‘want gij hebt kleine kracht, en gij hebt Mijn woord bewaard, en hebt Mijn Naam niet verloochend.’ Is dat àlles?!?! Dit is puur het tegenover gestelde van alles wat in een vereniging van belang is, wat in een vereniging geldt en telt. Dat betekent afzien van zichzelf, afzien van èigen inzicht en kunnen en doen en taktiek en methode en inzet en inbeelding.

Christus Naam niet verloochend, nòch in Hoofd zijn in vergaderen, beschermen en onderhouden, nòch in Hoofd zijn in uitdelen en toedelen van gaven. Daarbij: vast vertrouwd op de vastheid en betrouwbaarheid van het Woord. Daarin en daarbij onderkennend: naar menselijke beoordeling: kleine kracht, waarop niemand acht slaat, waar niemand iets indrukwekkends van verwacht. Inderdaad, dat is alles.

En nee, hen wordt de smaad van ‘Joden’ niet bespaard. Tegelijk het oordeel van Christus over hen. Tegelijk het onverwachte werk van Christus tot erkenning en belijdenis van diezelfde ‘Joden’. Daarbij het herhaalde getuigenis van Christus: ‘dat Ik u liefheb.’ Telkens weer: eerst geven, eerst werken, eerst vergaderen; dan, nadat het zó in dié weg in geloof ontvangen en aanvaard is, òp die weg blijven, ongeacht het getuigenis van mensen. Alles in Hèm, het Hoofd, ontvangen en hebben en bewaren en van daaruit wèrken, en dan van het Hoofd Zèlf te horen krijgen: ‘dat Ik u liefheb.’

Zien we, hoe geweldig diép we vallen, als we meer bedacht zijn op het getuigenis van mènsen, het aanzien en de waardering van mènsen, hier, nu, tijdelijk? Hoe leert de geschiedenis, dat dàt getuigenis, dié waardering, dàt aanzien er vandaag is, maar morgen met hetzelfde gemak bij het vuil gezet wordt, uitgeworpen wordt. Ja, en door diezelfde mènsen.

Wees niet jaloers op die mensen. De Heere ziet hen, doorgrondt hen. Hij zal op Zijn tijd hen oordelen. De Schrift getuigt op tal van plaatsen, dat dàt oordeel het tegenovergestelde is van bovenvermeld oordeel. Hij kan dat oordeel vandaag tot uitvoering brengen, als zij zelf uitgeworpen worden; Hij kan hen ook in die positie doen voortgaan en verharden. Maar wees niét jaloers, want het is zo kort, zo tijdelijk, zo broos. Het Hoofd komt als Redder voor Zijn kinderen, tegelijk als Rechter voor alle vreemden, huichelaars, huurlingen, verenigingsmensen.

Want zie: ‘Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken, die op de aarde wonen.’ Het woord Mijner lijdzaamheid. Dat is de èrkenning van Jezus Christus als Hóófd, als enig Hóófd, Die èn vergadert, èn gaven uitdeelt en toedeelt. Inderdaad, dat vráágt lijdzaamheid, als we keer op keer zien, moeten zien, dat Hij totaal ànders werkt en toedeelt dan naar het oordeel van mènsen. Dat vraagt lijdzaamheid, dat vraagt geloof, dat vraagt vast vertrouwen, dàt we Hem dáárin zònder commentaar volgen, gehoorzaam, lijdzaam.

Die ure der verzoeking zàl over de hele wereld komen. En wat hebben we dan en daarin nodig? Wat zoeken we? Waarin vinden we hulp en kracht en bescherming en bewaring? Want we zijn en blijven mènsen! En voor we het weten vallen we terug op de ingrediënten van een vereniging: een sterke leider; een sterk bestuur; leiders, die weten welke middelen en manieren en methodes wèrken en tot de juiste uitkomst en overleving kunnen leiden, hier, nu. En zeker, dan moeten er geen leden, bestuursleden zijn, die daarin tegenwerken, die daarin dwarsliggen, die ons daarin belemmeren. Lijdzaam??? Wat is dat???

Maar er moet toch iemand besturen, regeren, leiden? Hebr. 13:17! Want dan is het toch belangrijk, dat er krachtige bestuurders zijn? Zie naar Filadelfia, de gemeente daar, toen! Zie naar het getuigenis van het ene Hoofd daarover! Maar geachte lezer, wijs aan, waarin de gemeente (ernstig) te kort schoot, te kort kwam. Inderdaad, voor de wereld onaanzienlijk, totaal niet in tel, in geen enkel opzicht. Maar staat Hebr. 13:17 dan tegenóver deze brief, haar inhoud? Is Christus dus toch gedeeld? Geldt de ene keer dit, de andere keer dat? NEE!

Maar èn Hebr. 13:17 èn Openb. 3:8-11 moeten in volstrekte harmonie met elkaar staan en gehouden worden. Dan blijkt des te meer, dat er in Hebr. 13:17 op geen enkele manier sprake kan zijn van gehoorzaamheid en onderwerping aan mènsen, ook niet aan ambtsdragers, maar dat dit de gehoorzaamheid en onderwerping aan het Hóófd, aan het Wóórd en de Géést van het Hoofd bevestigen. Hoezeer hebben ambtsdragers er dan scherp op toe te zien, ervoor te wáken!!!, dat dat afgeleide gezag van het Hóófd nóóit een doel kan en mag zijn voor de ambtsdragers zèlf!

Dat betekent dus strijd!!! Strijd tegen alle hoogmoed, in zichzelf, in elkaar, om het Woord in Hebr. 13:17 niet te versmallen tot gehoorzaamheid en onderwerping aan mènsen, wie ook, hoeveel ook. Met als noodzakelijk resultaat pure willekeur en eigenwilligheid, heerszucht en arrogantie. Met als noodzakelijk gevolg eerroof, waar het Hóófd nog als vlag aanwezig mag zijn, Zijn Woord als ‘ook een mening’, en Zijn Geest mag fungeren als dekmantel voor èigen eer en aanzien en roem. Want alle lijdzaamheid in onderwerping is dàn en dáár àfwezig!

Hoe onderstreept en bevestigt deze brief de unieke status van de kerk van Jezus Christus. Tegelijk, hoe ontmaskert deze brief alle ingrediënten van een vereniging, die sinds de zondeval telkens weer in de ‘kerk’ werden ingedragen en toegestaan en vervolgens bleken te leiden tot pure liefdeloosheid en onbarmhartigheid.

– g. gemeente te Laodicea. Openbaring 3:15-20: ‘Ik weet uw werken, dat gij noch koud zijt, noch heet; och, of gij koud waart, of heet! 16 Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, Ik zal u uit Mijn mond spuwen. 17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. 18 Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt. 19 Zo wie Ik liefheb, die bestraf en kastijd Ik; wees dan ijverig, en bekeer u. 20 Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij.’

De werken zijn afgezwakt tot een automatisme. Ziende op alles wat we ons op materieel gebied verworven hebben, is de zelfvoldaanheid verworden tot een geweldig slaapmiddel. En onze welstand bepaalt even later of we nog komen tot het doen van goede werken. Maar die mogen de bereikte welstand uiteraard niet in gevaar brengen. Het is dié lauwheid, die een dodelijk gevaar is, kan zijn, voor het geloofsleven, voor de gezindheid van het hart, voor het doen van goede werken.

Want het getuigenis van het geloof in de levende God, het getuigenis van het gekocht en betaald zijn uit de macht van zonde en dood door het ene offer van onze Heere Jezus Christus, het is van de eerste plaats verdrongen door het getuigenis van het bereikte bezit. En het tijdelijke bezit hier en nu, komt in de plaats van de schat in de hemel. De geschiedenis leert, dat de besmetting ervan geweldig groot is.

Maar zien we ook, dat die materiële zelfvoldaanheid zelden op gespannen voet staat met de ingrediënten van vereniging? En dat de lauwheid er ook maar zo bij staat en haar invloed doet gelden? Dat het ijveren dan zelden een heilig ijveren is, maar bedekt of openlijk een jagen naar (meer) eer en aanzien en roem van mènsen is, hier en nu? Hoe overgevoelig zijn we daarvoor naar onze òude natuur!

Zien we ook, dat die materiële zelfvoldaanheid en die lauwheid en die eerzucht een geweldige strijd voeren met alle gebóden lijdzaamheid en dienstbaarheid in het geloof?

Christus benoemt die gezindheid, die gezindheid van het hart als een totale doofheid en blindheid en onwetendheid van de wèrkelijke geestelijke situatie voor Hèm: ‘dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt.’ Christus spaart niet met het royaal benoemen van hun ellendige situatie, waarvoor ze zó blind geworden zijn door het toestaan en verdragen van zoveel lauwheid. Die geweldige besmetting, die we zo vaak zo gemakkelijk van ons afschuiven, alsof die op ons geen enkele invloed zou hebben of (kunnen) krijgen.

Christus roept met kracht op tot daadwerkelijke bekering en reikt daartoe de ingrediënten aan, die verlossen van al die ellenden, die Hij zojuist noemde. Want via die weg van hartelijke en directe bekering is een zondaar weer zó ontwaakt, dat hij het kloppen van de Heere hoort en er naar luistert en gehoorzaam opent en de Heere binnen laat. Toch is er telkens weer die erkenning: Heere, zo U niet eerst mij wakker schudde, mij uit die diepe slaap wekte, waarin ik door eigen lauwheid en slapheid was, ik was nooit wakker geworden.

Ná die bekering is er weer de gemeenschap met Christus, het met Hem avondmaal houden. Hoe zouden we dàn weer terug keren naar de vereniging, waar geldt: gebod op gebod, regel op regel, vandaag zó, morgen ànders, de willekeur zit op de troon, de partijdigheid er vlak naast. Het raffinement heerst, de meerderheid beslist … en Gods Woord zwijgt.

Hoe zorgt de door Christus gewerkte lijdzaamheid er telkens weer voor, dat we al die valkuilen van vereniging zien en er gepaste afstand van houden, ja, ze mijden en ontvluchten als de meest besmettelijke ziekte. Zeker, dan zijn we in de ogen van velen dwaas, kortzichtig, ontoerekeningsvatbaar. Want we zién toch…! Inderdaad, we zien de valkuil van de berekening, de berekening naar èigen verstand, de berekening naar èigen inzicht, de berekening naar het hier en nu.

Want laten we nog even verder kijken in de geschiedenis. Wat een enorme voorbeelden, tot vandaag toe. Tal van ‘kerk’genootschappen, tal van sectes, hoe vertonen ze van dag tot dag het niét uitkomen boven het niveau van een vereniging.

We noemen de Roomse kerk. De structuur is die van een vereniging, haar werkwijze niet anders, de uitkomst ‘schittert’ in macht en aanzien en aanmatiging. Hoe ze dat zelf benoemen is bijzaak. Vragen we aan Jezus Christus ook om nauwkeurig uit te leggen, dat Zijn kerk uniek is in vorm, in samenstelling, in structuur???

We noemen de Hervormde kerk. Hoe hebben zelfbedachte regels en wetten en reglementen onderdrukkend en uitwerpend gewerkt en doorgewerkt.

We noemen tal van andere kerken, waar ambtsdragers heersen, waar vergaderingen het laatste woord heeft, waar synodes beslissen, waar professoren de wijsheid in pacht hebben, waar boven-Schriftuurlijk gebonden wordt bij meerderheid.

We noemen sectes, waar één leider, een leiderschap van enkelen, de koers bepaalt, de route uitstippelt, het leven van de volgelingen vaststelt en regelt en voorschrijft en afdwingt. Het zijn de kenmerken van vereniging, die bepalen.

Het lijkt ons niet nodig alle, allerlei uitwassen breedvoerig te benoemen en te omschrijven, die met bloed geschreven zijn om èigen mening, èigen gezag met geweld af te dwingen, met geweld op te leggen. Telkens weer bleek en blijkt, dat het gezàg van het Woord van de levende God wel met de mond beleden werd en wordt, maar dat de praktijk van de dag uiteindelijk bepaalde, bepaalt. Kritiek was en is ontoelaatbaar en onbestaanbaar.

Hoe heeft de vormendienst huisgehouden, de traditie. Hoe werd en wordt alles ingezet om maar te overtuigen. En lukt het niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Hoe werd en wordt geweld ingezet en toegepast om tot volstrekte gehoorzaamheid en onderwerping te brengen. Hoe werden en worden de sacramenten daartoe ingezet als dwang- en slagmiddel om òns doel te bereiken en veilig te stellen.

Dat de Schrift Zèlf daartoe op geen enkele bladzijde oproept in het Nieuwe Testament, het dringt blijkbaar niet door. In het Oude Testament wel, omdat de Heere daarin toonde, dat Zijn oordelen over ongehoorzaamheid beslist rechtvaardig waren. Dat betekent beslist niet, dat de oordelen in het Nieuwe Testament er niet zijn, niet komen. Alleen, de Heere stelt veel van die oordelen uit tot de jongste dag. Maar nergens vinden we in het Nieuwe Testament de oproep tot Gods volk met geweld, gewapenderhand, tegen ongelovigen op te staan en hen daardoor te dwingen tot bekering. Hoe naadloos sluit dat aan bij de geboden lijdzaamheid.

Maar als de Schrift er zo vol van staat, als de geschiedenis dat telkens weer leert, hoe komt het dan toch, dat mensen telkens (blijkbaar zo gemakkelijk) weer terugvallen in het er toe komen om die ingrediënten van vereniging in te zetten en toe te passen? Dat komt door de geweldige HOOGMOED in de mens. Natuurlijk gelooft hij daarin de geschiedenis, natuurlijk leest hij al de geschiedenissen daarover in de Bijbel, – vgl. de refreinen uit Richteren, uit Koningen – en natuurlijk ziet hij, dat het daarop volgende geslacht dat toch weer doet. Natuurlijk!!!

Het is zijn HOOGMOED, zijn EIGENDUNK, tegelijk zijn ONGELOOF, die hem even later op diezelfde wegen doet gaan. Want het dringt niet tot ons door, hóe diep en totaal verdorven wij sinds de zondeval in onszelf voor God zijn. En omdat dat niét tot ons doordringt, omdat ons dat elke dag weer van alle kanten wordt voorgehouden en aangepraat – die innerlijke overtuiging bevestigend! – daarom móeten we wel tégen onze oude natuur ìn! vóór alles God geloven op Zijn Woord, dàt we zo totaal verdorven zijn. God Zelf moet ons daarin overtuigen.

Want als wij dat inderdaad geloven en belijden, dan ontmoeten we van de medemens daarin geen begrip, maar een verzèt, een vìjandschap, zo geweldig groot en diep, alsof we met de grootste dwaasheid vergiftigd en bezeten zijn. Daarbij, elk geslacht, elk persoon in elk nieuw geslacht zal dat in het geloof moeten leren.

Laat bovenstaande des te meer leiden tot vòlhàrding, voor hen, die er àlles aan doen àl die elementen van vereniging buiten te houden en buiten te sluiten in de kerk van de Heere Jezus Christus. Om in die wèg zó kerk van Hèm te zijn en te blijven. Het is waar, in die weg vallen we in de wereld niet op, temidden van valse kerken en sectes ook niet. Hooguit wordt daar van ons bestaan met grote meewarigheid kennis genomen. Maar laat ons zien op Jezus Christus, het ene Hoofd, op Zijn waarachtig oordeel, naar Zijn waarachtig getuigenis. En laat ons Hem zó vastberaden en volhardend volgen en navolgen.

Hopelijk leidt bovenstaande ook tot waarachtige wederkeer bij hen, die moeten constateren en onderscheiden in het licht van het Woord, dat zij veel kenmerken van vereniging in hun ‘kerk’-zijn toelaten en verdragen. Daartoe het kleed van de lijdzaamheid aandoen en drágen!

3. het geheel wordt nog meer verduisterd door de constante voorstelling, dat die elementen en praktijken helemaal legaal en in overeenstemming met en gehoorzaamheid aan het Woord zijn

Over dit laatste punt kunnen we kort zijn. De duivel laat zich kennen als een geest, die nooit toegeeft, de leugen lief heeft en doet, geen enkele barmhartigheid kent. Hij heeft zijn doelen gesteld en de mens is in en door de zonde zijn natuurlijke volger geworden. En vervolgens, ziende en wetend dàt hij verloren heeft en het grote oordeel wacht, kan en wil hij niet anders dan àlles in stelling brengen om dat zo lang mogelijk uit te stellen.

En daartoe zet hij opnieuw de leugen in, zeer geraffineerd. II Corinthiërs 11:13-15: ‘Want zulke valse apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in apostelen van Christus. 14 En het is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in een engel des lichts. 15 Zo is het dan niets groots, indien ook zijn dienaars zich veranderen, als [waren zij] dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hun werken.’

Zo duivel, zo volgers. Daarom zullen voorgangers blijven roepen: ‘GELIEFDE GEMEENTE VAN ONZE HEERE JEZUS CHRISTUS.’ Terwijl ze tegelijkertijd hun vereniging met al haar praktijken rustig op de troon laten zitten en laten regeren. Daarmee en daarin de gemeenten, de gemeenteleden misleidend en ten onrechte de schijn hooghouden dàt Jezus Christus in die gemeente inderdaad het ene Hóófd is en dat Hìj daar alleen regeert door Zijn Geest en Woord en geëerd wordt in vergaderen en uitdelen van gaven.

Jezus heeft daar Zelf al scherp voor gewaarschuwd, Mattheüs 24:24: ‘Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan, en zullen grote tekenen en wonderheden doen, alzo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.’ Hoe heeft de Heere Jezus er àlles aan gedaan om Zijn kinderen toen en daarna ernstig te waarschuwen te waken, te toetsen, te beproeven òf een leer, een praktijk uit Christus is of niet.

Elke mogelijke verontschuldiging vervalt daarmee. En zo is er ook geen enkele verontschuldiging meer voor de praktijken van vereniging, die in Christus ‘kerk’ ingedragen, geleerd en gepraktiseerd worden, alsof ze naar uitwijzen van Gods Woord en in gehoorzaamheid aan Christus zijn. Ze zullen onderkend en afgewezen en bestreden moeten worden, volhardend, standvastig, vast in het geloof, tot Gods eer.

Laten we ten slotte een zeer scherpe les uit het Oude Testament verlengen naar het Nieuwe Testament.

We lezen in I Samuël 8:5: ‘En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken [hebben].’
I Samuël 8:7, 8: ‘Doch de HEERE zeide tot Samuel: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. 8 Naar de werken, die zij gedaan hebben, van dien dag af, toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op dezen dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; alzo doen zij u ook.’

Zal zó het Hoofd, onze Heere Jezus Christus, niet oordelen over alle valsheid van alle praktizeren en voorhouden van de ingrediënten van vereniging, die telkens weer ingebracht, verkondigd en verdedigd worden? Daarin: zij hebben niet u – trouwe dienstknechten – verworpen, maar Mij, dat Ik geen Hoofd van het lichaam, de gemeente, haar leden, zou zijn.

Daarmee is het niet alleen een zeer ernstige zaak van ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, maar evenzeer van gemeenteleden, die dergelijke praktijken verdragen, toestaan, toejuichen, bedekt, openlijk. Eén ding is zeker: Hij wil als Hoofd alle lof en dank en aanbidding ontvangen, nu, en tot in alle eeuwigheid!

26 mei 2017

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *