6. Over kerkelijke tucht

Over kerkelijke tucht.

Inzake kerkelijke tucht moeten we lezen wat in de Schrift daarover gezegd wordt. We noemen:
Mattheüs 18:15-18: ‘Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen. 16 Maar indien hij [u] niet hoort, zo neem nog een of twee met u; opdat in de mond van twee of drie getuigen alle woord besta. 17 En indien hij denzelven geen gehoor geeft; zo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoor geeft, zo zij hij u als de heiden en de tollenaar. 18 Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen.’

Johannes 20:23: ‘Zo gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo gij iemands [zonden] houdt, [die] zijn zij gehouden.’

Inzake openbare zonden: I Timotheüs 5:20: ‘Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreze mogen hebben.’

De Schrift getuigt op tal van plaatsen, dat er rechtvaardig recht gesproken moet worden. We noemen:
Exodus 23:1-3: ‘Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij de goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn. 2 Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om [het] [recht] te buigen. 3 Ook zult gij de geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.’ 23:6-8: ‘Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak. 7 Zijt verre van valse zaken; en de onschuldige en gerechtige zult gij niet doden; want Ik zal de goddeloze niet rechtvaardigen. 8 Ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen.’

Leviticus 18:4, 5: ‘Mijn rechten zult gij doen, en Mijn inzettingen zult gij houden, om in die te wandelen; Ik ben de HEERE, uw God! 5 Ja, Mijn inzettingen en Mijn rechten zult gij houden; welk mens dezelve zal doen, die zal door dezelve leven; Ik ben de HEERE!’

Leviticus 19:35-37: ‘Gij zult geen onrecht doen in het gericht, met de el, met het gewicht, of met de maat. 36 Gij zult een rechte wage hebben, rechte weegstenen, een rechte efa, en een rechte hin; Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit Egypteland uitgevoerd heb! 37 Daarom zult gij al Mijn inzettingen en al Mijn rechten onderhouden, en zult ze doen; Ik ben de HEERE!’

Deuteronomium 1:16-18: ‘En ik gebood uw rechters ter zelfder tijd, zeggende: Hoort [de] [verschillen] tussen uw broederen, en richt recht tussen de man en tussen zijn broeder, en tussen deszelfs vreemdeling. 17 Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult de kleine, zowel als de grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen. 18 Alzo gebood ik u te dier tijd alle zaken, die gij zoudt doen.’

Deuteronomium 16:18-20: ‘Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geven zal, onder uw stammen; dat zij het volk richten met een gericht der gerechtigheid. 19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen. 20 Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft, en erfelijk bezit het land, dat u de HEERE, uw God, geven zal.’

Deuteronomium 19:15-20: ‘Een enig getuige zal tegen niemand opstaan over enige ongerechtigheid of over enige zonde, van alle zonde, die hij zou mogen zondigen; op de mond van twee getuigen, of op de mond van drie getuigen zal de zaak bestaan. 16 Wanneer een wrevelige getuige tegen iemand zal opstaan, om een afwijking tegen hem te betuigen; 17 Zo zullen die twee mannen, welke de twist hebben, staan voor het aangezicht des HEEREN, voor het aangezicht der priesters, en der rechters, die in diezelve dagen zullen zijn. 18 En de rechters zullen wel onderzoeken; en ziet, de getuige is een vals getuige, hij heeft valsheid betuigd tegen zijn broeder; 19 Zo zult gijlieden hem doen, gelijk als hij zijn broeder dacht te doen; alzo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen; 20 Dat de overgeblevenen het horen en vrezen, en niet voortvaren meer te doen naar dit boze stuk, in het midden van u.’

II Kronieken 19:4-11: ‘Josafat nu woonde in Jeruzalem; en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-seba af tot het gebergte van Efraim toe, en deed hen wederkeren tot de HEERE, hunner vaderen God. 5 En hij stelde richters in het land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad. 6 En hij zei tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet de mens, maar de HEERE; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. 7 Nu dan, de verschrikking des HEEREN zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken. 8 Daartoe stelde Josafat ook te Jeruzalem [enige] van de Levieten, en van de priesteren, en van de hoofden der vaderen van Israel, over het gericht des HEEREN, en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren. 9 En hij gebood hun, zeggende: Doet alzo in de vreze des HEEREN, met getrouwheid en met een volkomen hart. 10 En [in] alle geschil, hetwelk van uw broederen, die in hun steden wonen, tot u zal komen, tussen bloed en bloed, tussen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan de HEERE, en een grote toornigheid over u en over uw broederen zij; doet alzo, en gij zult niet schuldig worden. 11 En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak des HEEREN; en Zebadja, de zoon van Ismael, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de HEERE zal met de goede zijn.’

In de rechtspraak onderkennen we ‘macht’ en ‘bevoegdheid’. Wat betreft ‘macht’ heeft de instantie die geroepen is tot rechtspreken de macht om bindend het recht op te leggen. Zowel de genoemde teksten uit Oude- als Nieuwe Testament zijn daarin overduidelijk.

Want een heel andere zaak is wat aan die ‘macht’ vooraf gaat, namelijk de ‘bevoegdheid’. Ook in de Bijbel lezen we diverse keren van mensen, die wèl de macht hebben om iets te doen, maar het niét doen, omdat ze onderkennen, dat ze daartoe de ‘bevoegdheid’ niét hebben. Of omgekeerd. Bijv. Saul: Hij heeft de macht om de priesterstad Nob uit te moorden vanwege vermeende hulp aan David in opstand tegen Saul, maar hij heeft de bevoegdheid daartoe niet! Dan is zijn zonde heel groot, als hij tégen zijn ‘bevoegdheid’ misbruik maakt van zijn ‘macht’ en Doëg opdraagt tot de uitvoering. Bijv. David: Hij heeft de ‘macht’ om Saul tot twee maal toe om te brengen, maar hij weigert die macht te gebruiken en te benutten, daar hij onderkent, dat hij niet de ‘bevoegdheid’ heeft om Saul eigenmachtig om te brengen.

Inzake kerkelijke tucht kunnen ambtsdragers, kunnen kerkelijke vergaderingen de ‘macht’ hebben tot het onder tucht zetten en excommuniceren van kerkleden, het schorsen en afzetten van ambtsdragers. Maar die ‘macht’ is en moet gebonden zijn aan en onder de ‘bevoegdheid’ die ze daartoe van het Hoofd der kerk, de Heere Jezus Christus, hebben ontvangen. In al die rechtsgangen is de eerste en grote eis van God, van het Hoofd: RECHTVAARDIG RECHTSPREKEN, ZONDER AANZIEN VAN PERSONEN, ZONDER WINSTOOGMERK, NA GRONDIG ONDERZOEK, NA HOOR EN WEDERHOOR.

Want die ‘bevoegdheid’ wordt en is gebonden aan tal van eisen, die door het Hoofd gesteld worden. Allereerst moet er grote voorzichtigheid en bescheidenheid zijn: Zijn er ernstige grònden, die noodzaken tot tucht, tot schorsing? Wordt nadrukkelijk onderzocht en onderscheiden, of er inderdaad sprake is van zònde!, òf moet gezien, erkend worden, dat een zelfbedachte (maat)regel of instelling of gebod niet nauwkeurig wordt nageleefd?! Ongeacht de instemming en goedkeuring van de meerderheid?! Waaraan gemakshalve dan maar één of meer geboden van de Heere worden vastgekoppeld, om naar buiten toe de indruk te wekken bezig te zijn met rechtváárdige tucht! Vgl. gehanteerde ‘tucht’ in Joh. 9:34, en hoe Jezus Zèlf in de volgende verzen die tucht ontkracht en verwerpt. Vgl. gehanteerde ‘tucht’ in Hand. 4:17-21, vervolgens Hand. 5:28, 29 èn vers 40. Hoe wordt die ‘tucht’ door Jezus Zèlf ontkracht en verworpen in het getuigenis in vers 41!

Wordt overgegaan tot het gebruik van die ‘bevoegdheid’ tot de ‘macht’ van het uitvoeren, dan moet het later toch nooit blijken, dat overhaast gehandeld is, waar blijkt, dat die ‘bevoegdheid’ en die ‘macht’ – gemakshalve! – maar door elkaar gehutseld zijn, op één hoop gegooid zijn, of waar de gebóden grenzen van die ‘bevoegdheid’ zijn overgeslagen. Ja, waar die hele ‘bevoegdheid!’ maar gepasseerd is. Hoe noodzakelijk is grote bezinning vóórdat de eerste stap gezet wordt!!!

Wat blijkt meteen uit de genoemde teksten, Matt. 18, Joh. 20, I Tim. 5? Er moet duidelijk sprake zijn van zònde! Zonde is overtreden van uitdrukkelijke geboden of verboden of inzettingen of ordes van de Heere, tegenover de Heere, tegenover de naaste. Niet meer, niet minder. Vervolgens moet daarna in vermaan blijken, dat betrokkene zich van die zònde niet wil bekeren. Dat betreft dus zònde in leer en/of leven, die, als ze niet bestreden en weggedaan wordt, gemakkelijk kan leiden tot besmetting van de gemeente, daarmee tot voortgaande ontheiliging van Gods Naam. Vgl. Openb. 2 en 3. De FEITEN moeten overduidelijk zijn! De verhàrding in zonde moet overduidelijk zijn!

Dan blijkt de genoemde ‘bevoegdheid’ nadrukkelijk verbonden te zijn tot de dure plìcht, om ná grondig en rechtvaardig onderzoek zonder aarzelen over te gaan tot de ‘macht’, de uitvoering van die gebóden tuchtmaatregel. De gemeente moet heilig gehouden worden, de Tafel des Heeren moet heilig gehouden worden. Want die maatregelen en de uitvoering ervan worden genomen en in praktijk gebracht in Naam van het Hoofd, de Heere Jezus Christus.

De Heere Jezus Christus is het Hoofd van de kerk, Zijn lichaam. Hij kocht en betaalde haar met Zijn kostbaar bloed. Daartoe vergadert, beschermt en onderhoudt Hij Zijn gemeente. Dat betekent, dat Hij volmaakt goed dié toebrengt die Hìj wil, wanneer Hìj wil, zolang Hìj wil, zolang Hìj aan die persoon leven en gaven en taken geeft. Dat eerst. Want die taak en opdracht en wil van Hem deed Hij honderd jaar geleden ook al volmaakt goed. En – als Hij dan nog niet is terug gekomen zoals Hij beloofd heeft! – over honderd jaar nog volmaakt goed doet. Hoe moet dat ieder lid tot grote voorzichtigheid en bescheidenheid brengen en daarbij houden! Want dan is tùcht, uitwerping, een heel ernstige zaak, een zaak van leven en dood! In Naam van-, in opdracht van-, in gehoorzaamheid aan het Hoofd! Herinner: u op aarde – in de hemel!

Hoe nadrukkelijk en nauwkeurig moet in het oog gehouden worden, of de ‘bevoegdheid tot’ in alle delen nageleefd is en wordt!

Met het oog op het volgende aspect noemen we Mattheüs 12:22-28: ‘Toen werd tot Hem gebracht een van de duivel bezeten, [die] blind en stom [was]; en Hij genas hem, alzo dat de blinde en stomme beide sprak en zag. 23 En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is niet Deze de Zoon van David? 24 Maar de Farizeen, [dit] gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit, dan door Beelzebul, de overste der duivelen. 25 Doch Jezus, kennende hun gedachten, zei tot hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. 26 En indien de satan de satan uitwerpt, zo is hij tegen zichzelf verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan? 27 En indien Ik door Beelzebul de duivelen uitwerp, door wie werpen ze dan uw zonen uit? Daarom zullen die uw rechters zijn. 28 Maar indien Ik door de Geest Gods de duivelen uitwerp, zo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.’ Zien we: de éénheid van het huis?!?! Spreken we over het koninkrijk van God? Spreken we er over en belijden we, dat de Heere Jezus Christus het Hoofd is van Zijn kerk? Hij alleen??? Soeverein, vanaf het begin der wereld tot de jongste dag, en daarna eeuwig in God?

Christus scherpt in het evangelie naar de beschrijving van Lucas deze verwerping van de Farizeen nog aan naar ieder toehoorder, daarmee iedere lezer, Lucas 11:23: ‘Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie met Mij niet vergadert, die verstrooit.’ We hebben toch geen enkele gedachte, dat de Heere Jezus hiermee ook maar een enkele vorm van neutraliteit toestaat? Nee, ook de meest passieve vorm van lijdelijkheid kàn en màg hier geen plaats hebben noch krijgen. Christus plaatst ieder mens ten volle voor eigen verantwoordelijkheid daarin, in de tijd en op de plaats en met de gaven en talenten hem en haar gegeven.

En zou het Hoofd Zèlf ook maar één moment toelaten, dat daarin en daarbij door wie ook een scheiding, een loskoppeling gemaakt, toegelaten wordt tussen wie Hìj vergadert, èn aan wie Hìj gaven en talenten toedeelt??? Het is: OF – OF!!! Tegelijk: EN – EN!!! Mèt Hem vergaderen ìs hem, haar, mèt de van Hèm ontvangen gaven en talenten bijeenbrengen. Òf verstrooien. Christus oordeel is rechtvaardig. De vruchten zijn duidelijk en onmiskenbaar.

Of heeft Christus toch enkele taken van Zijn Hoofd-zijn uitbesteed aan ambtsdragers, aan kerkelijke vergaderingen??? In te vullen en uit te voeren en te corrigeren naar eigen goeddunken, naar de wil van de meerderheid??? En dat met name betreft de ‘bevoegdheid’? Hoe nauwkeurig moeten we telkens weer onderscheiden: Hij, Jezus Christus is het ene Hoofd!, Hij koopt uit de poel van verderf en dood vrij tot het leven wie Hij wil, wanneer Hij wil. Herinner: uit het diensthuis van de zonde bevrijd! Gekocht en betaald! Maar nu: wij eigenen ons delen van de taken van het Hoofd eigenmachtig toe??? Alsof het Hoofd dat niet alleen kan en hulp nodig heeft. Alsof het Hoofd meedenkers nodig heeft, die Hem adviseren, als het moet ook corrigeren … en vermanen. Weten we nog: De Heere vraagt volmaakte GEHOORZAAMHEID in en tot het DIENEN, tot Zijn eer. Daarin voorbeelden voor elkaar.

Hoe wordt keer op keer die geweldige HOOGMOED in ons op de proef gesteld òf wij, ieder voor zich, samen, Christus erkennen àls Hoofd in vergaderen èn toedelen. Want dan leren we verstaan de onnavolgbare weg die Hìj daarin gaat: in het geloof aanvaarden dat Zijn weg zó is, met deze zo, met die anders, naar Zijn raad. Tegelijk, dat Hij het nooit toestaat, nodig heeft daarin door zwakke stervelingen gecontroleerd en nagerekend te worden. We leggen de hand op de mond, eerst op onze eigen. Want de weg, die de Heere met Zijn onderscheiden kinderen gaat, ìs onnavolgbaar, ìs niet na te rekenen, ìs niet te voorspellen, door niemand.

En mèt die geweldige HOOGMOED in ons moet elke GEARRIVEERDHEID in ons verpletterd en vermorzeld worden, om in die weg elke gedachte van hóger, béter, méér, dan die ander, ten onder gebracht wordt. Hoe dodelijk is alle vorm van jaloezie, afgunst, concurrentie, heerszucht. En juist het bijzonder ambt moet daarin het goede voorbeeld geven en mag tegelijk daartoe nooit aanleiding geven of dat oogluikend toestaan. Hoe gemakkelijk is de verleiding daartoe. Daarom: WEERSTAAN, vast in het geloof.

Want we zien het Hoofd Jezus Christus opnieuw terug in I Corinthiërs 12:4-11: ‘En er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest; 5 En er is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere; 6 En er is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God, Die alles in allen werkt. 7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. 8 Want dezen wordt door de Geest gegeven het woord der wijsheid, en een ander het woord der kennis, door dezelfde Geest; 9 En een ander het geloof, door dezelfde Geest; en een ander de gaven der gezondmakingen, door dezelfde Geest. 10 En een ander de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen. 11 Doch deze dingen alle werkt een en dezelfde Geest, delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.’ In opdracht van- en naar uitwerking van het Hoofd.

I Corinthiërs 12:12: ‘Want gelijk het lichaam een is, en vele leden heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele zijnde, [maar] een lichaam zijn, alzo ook Christus.’ Vs. 18-20: ‘Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van dezelve in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. 19 Waren zij alle [maar] een lid, waar [zou] het lichaam [zijn]? 20 Maar nu zijn er wel vele leden, doch [maar] een lichaam.’ Vs. 24, 25: ‘Doch onze sierlijke hebben het niet van node; maar God heeft het lichaam [alzo] samengevoegd, gevende overvloediger eer aan hetgeen gebrek [aan dezelve] heeft; 25 Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen.’ Vs. 27, 28: ‘En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in het bijzonder. 28 En God heeft er sommigen in de Gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen.’

‘Opdat geen tweedracht in het lichaam zij,’ en ‘Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad, of huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan;’ De geschiedenis leert, dat met de toepassing van de ‘tucht’ – we noemden enkele voorbeelden – dezelfde ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, de betreffende leden ook meteen onthieven van allerlei taken en rechten in de gemeente. Dan komt de grote vraag: WAS die tuchtmaatregel inderdaad in opdracht van, in gehoorzaamheid aan het Hoofd Jezus Christus? En mòchten, móesten daarmee Naar Zijn bevel de door HEM aan die leden gegéven gaven en talenten per direct uitgeschakeld en begraven worden?

Zien we, dat als mènsen, ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen, zichzelf ‘enige’ macht en recht en bevoegdheid hebben toegekend, toegeëigend, die macht en recht en bevoegdheid maar zo worden uitgebreid? Alleen op basis van: wij zijn ambtsdragers? Aangevuld met: van God gegeven? En dus: bevoegd!, gerechtigd!, verplicht! En daarom naar de leden toe: GEHOORZAAMHEID, ONDERWERPING! naar Hebr. 13:17. Niet (voldoende) gehoorzaamheid, onderwerping: ongehoorzaamheid aan Christus!

Dus Christus is gedeeld? Zijn Koninkrijk is gedeeld? Aan de ene kant vergadert Hij, deelt gaven uit, beschermt Hij, onderhoudt Hij, maar aan de andere kant kunnen, mogen Zijn slaven, die Hij aangesteld heeft om te dienen, te leiden, te regeren, andere leden dwìngen tot gehoorzaamheid aan … mensen, aan … eigenwillige regels en geboden en verordeningen? En bij ongehoorzaamheid aan hèn, aan hun eigenwillige regeltjes en gebodjes, ze de inzet van hun gaven ontnemen en ze uitwerpen? In opdracht en gehoorzaamheid aan het Hoofd, Jezus Christus? Of staat het ene gebod van het Hoofd toch tegenover het andere? Schakelt het ene gebod het andere uit? Waarbij mensen dan zèlf de (volg)orde mogen bepalen? En in praktijk brengen en uitvoeren? Hoe zou dat de gedeeldheid van het Koninkrijk van God onderstrepen!

Hoe gróót is de verantwoordelijkheid van hen, die geroepen zijn tot leiding geven en regeren, maar het DIENEN daarbij overslaan! Hoe gróót is de verantwoordelijkheid van hen, die geroepen zijn tot leiding geven en regeren, maar het nauwkeurig onderzoeken òf ze de ‘bevoegdheid’ van het Hoofd hebben tot-, daarmee de dure plicht om-!, daadwerkelijk de ‘macht’ inzetten tòt onderwerping en gehoorzaamheid, overslaan!!!

Zo leert de geschiedenis keer op keer, dat vàlse ‘tucht’ vaak gemakkelijk plaats vond en toegepast werd ‘IN CHRISTUS NAAM!’ Tegelijk, dat Christus Zich daardoor nooit laat binden, maar dat Hij dergelijke heerszuchtige praktijken per direct als krachteloos afwijst en niet van toepassing verklaart. Wee!!! de ‘dienstknecht’, geroepen tot DIENST!, die zich door die vàlse ‘tucht’ laat kènnen als HUURLING, als HUICHELAAR, ter wille van het hier en nu, terwille van èigen eer en aanzien en positie.

De Schrift geeft ons nog een voorbeeld waaruit we heel leerzame lessen moeten trekken tegen alle overhaastheid en ingebeelde eigenwijsheid in ons oordeel, in onze veroordeling.
Marcus 9:36-40: ‘En nemende een kindeke, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zei tot hen: 37 Zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Die, Die Mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt. 39 Doch Jezus zei: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastelijk van Mij zal kunnen kwalijk spreken. 40 Want wie tegen ons niet is, die is voor ons.’ Laten we daarin geen navolgers zijn van Johannes,(wij hebben het hem verboden) noch in woord, noch in praktijk.

Niet actief, niet passief. Opnieuw I Corinthiërs 12:26: ‘En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.’ Inderdaad, dan moeten we ons niet laten wegzetten met ‘niet mee bemoeien’, als we zien, dat dergelijk heerszuchtig gedrag verdragen en toegepast wordt en mondige leden daardoor uit hun ambt van alle gelovigen worden gestoten. De praktijk leert, dat wie zich bezondigt aan het ene gebod: ‘de gegeven en gekregen broeders en zusters mèt de door hen ontvangen gaven en talenten liefhebben als zichzelf!’ even later alles zal aangrijpen om elk ‘toezien op elkaar’ te verhinderen en te belemmeren.

En nee, dan wordt zulk heerszuchtig heersen, waarbij de door het Hoofd gebóden houding en verhouding door mènsen scheef getrokken wordt, op geen enkele manier voor het Hoofd goedgepraat.
– Erkenning van het Hoofd Jezus Christus betekent dan in woord en daad hèn als broeders en zusters aanvaarden, die Hij vergadert en toevoegt.
– Erkenning van het Hoofd Jezus Christus betekent dan in woord en daad de gáven en talenten ten volle in te zetten, die Hij aan de onderscheiden leden geeft en toevertrouwt.
– Erkenning van het Hoofd Jezus Christus betekent dan in woord en daad, dat we in eigenwilligheid en naar eigen goeddunken de gegéven gaven en talenten nóóit! ondergeschikt maken aan de personen aan wié het Hoofd die gaven en talenten toevertrouwt.
Moet HIJ verantwoorden aan wié HIJ gaven en talenten gaf, geeft, welke, hoe veel, hoe lang???

Hoe leert de geschiedenis, dat vooral de laatste twee punten wel met de mond beleden en erkend worden, maar met de daad, in de praktijk alleen maar nagejaagd en verwezenlijkt kunnen worden in en vanuit pure zelfverloochening. Hetzelfde zien we met Filipenzen 2:3: ‘[Doet] geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de één den ander uitnemender dan zichzelven.’ Hoe duidelijk spreken hierin de òntvàngen gaven en talenten. Tegelijk het tóezien op elkaar om elke zelfverheffing te voorkómen en tégen te gaan. Herinner: GEKREGEN!!! gaven, talenten. Tot dienstbetoon.

En de op die manier gevoerde en gepraktiseerde ‘tucht’-voering wordt helemaal een klucht, als dergelijke praktijken uitgevoerd en in stand gehouden worden met gevouwen handen!!! Alsof het ‘gebed’ om ‘bekering’, opdat de persoon zich onderwerpt aan alle eigenwilligheid en willekeur van mènsen! – ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen! – voor hetzelfde Hoofd Jezus Christus aangenaam is en welgevallig.
– Waar blijkt!, dat alle HOOGMOED, uitkomend in alle eigenwilligheid en willekeur, op de troon zit en regeert.
– Waar blijkt!, dat het Hoofd Jezus Christus hooguit nog een papieren Hoofd is, maar waar harde kritiek op Hem daarin gelegaliseerd en verdedigd en beschermd wordt, daar mènsen bepalen en beslissen òf gaven en talenten wel bij de juiste personen zijn terecht gekomen en ingezet mogen worden. En dat door ‘voorbeelden voor de kudde’ voorgeleefd en verdedigd en beschermd en in praktijk gebracht. Zìj wandelen daarin veelszins voorop, zìj zwijgen teveel.

Hoe ‘heilig’ was dan nog het vermaan, hoe ‘heilig’ is dan nog de Tafel, hoe ‘heilig’ is dan nog de excommunicatie van de persoon die weigert mènsen te gehoorzamen in het begraven en stilleggen van de door hem/haar ontvangen gaven en talenten. Dan blijkt ook stilzwijgen en toestemmen een levensgevaarlijke houding, gezindheid te zijn, voor het Hoofd Jezus Christus. Ook voor elkaar. Hier blijkt de deur wagenwijd open te staan voor liefdeloosheid en onbarmhartigheid, tegelijk ontbinding en ontwrichting, tegelijk totaal gebrek aan gemeenschap. Woorden verzekeren vaak nog zo veel, maar de praktijk, de dagelijkse praktijk.

Dit is geen zaak van een enkele ambtsdrager of gewoon gemeentelid. Dit is een zaak van iedere kerkenraad, iedere gemeente, het hele kerkverband, ook in contacten met andere kerkverbanden, ook in vormen van toenadering tot elkaar. Of is dit toch een middelmatige zaak, waar we bij meerderheid over kunnen zwijgen, ondertussen haar verwoestende invloed en uitwerking ongemoeid latend???

Tegelijk, hoe worden ook het gezag van Gods Woord in het 6e en 9e gebod aangetast: ‘De goede naam en eer van mijn naaste waar ik kan en mag bevorder.’ Maar broeders en zusters, die zich niet aan alle eigenwillige regeltjes en gebodjes van ONS onderwerpen PUBLIEK aanmerken als ‘zondaars’, afhouden, onder tucht zetten, schorsen, afzetten, excommuniceren. Omdat WIJ de door het Hoofd gebóden orde, waar Hìj het ene Hoofd is, en Hìj soeverein bepaalt wie Hij roept, en aan wie Hìj gaven en talenten geeft, welke en hoe lang, omdat WIJ die òrde verwèrpen en eerst zien op de mensen die in òns straatje passen, en daarná de inzet van ontvangen gaven en talenten aan de orde komt. Ontvàngen mèt dure plìcht van inzetten en gebruiken! En zo wordt mèt die geboden òrde ook de gehoorzaamheid aan het 6e en 9e gebod aangepast en ondergeschikt gemaakt aan ONZE gedachten en redeneringen. Dan wordt Hebreeën 13:17 veranderd tot een karikatuur, alsof deze tekst in gezag zou staan bóven het gebod: God meer gehoorzamen dan mensen. Hoe heeft het Hoofd Zelf deze karikatuur radicaal verworpen en ontkracht in de genoemde voorbeelden.

Dan wordt de Christus der Schriften tòt een karikatuur, waar Zijn Hoofd-zijn opgeknipt wordt in onderdelen, maar waar Hij náást elkaar inzake vergaderen, geëerd en geprezen wordt, maar inzake het toedelen van gaven en talenten (blijkbaar) genegeerd en bekritiseerd mag worden. Hoe openbaart Hij keer op keer, dat in héél Zijn werk àlle onderdelen in volstrekte harmonie met elkaar stáán en gehòuden moeten worden.

Hoe blijkt, dat gehoorzaamheid en onderwerping aan ambtsdragers, aan de kerkenraad in òrde nóóit op gespannen voet mag, kan staan met het vergáderend werk van het Hoofd, met het uitdelen en geven van gaven en talenten aan wie Hij wil, zolang Hij wil, wanneer Hij wil! Ook waar mensen daar heel veel fouten en gebreken in maken en vertonen mag er toch nooit een gedachte in ons opkomen, dat het Hoofd dat ook doet, tegelijk dat goedkeurt, tegelijk daar Zijn zegen over gebiedt.

Opdat Christus het Hoofd één blijkt, Zijn Koninkrijk één en ongedeeld blijkt, Zijn lichaam, de gemeente één en ongedeeld blijkt en blijft! Opdat Hij regeert in vergaderen èn toedelen van gaven en talenten aan wie Hij wil.

Hem alle lof en eer en dienst gebracht!

5 mei 2017

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *