4.9. Verleiden en verleid worden.

O, dat menselijk redeneren en fantaseren, die steeds weer om geloof en navolging vragen van medemensen. En telkens weer moet de mens er met grote nadruk op gewezen worden: het is nóóit vrijblijvend. Want zó is de duivel niet, vgl. Job. En daarom kùnnen zijn volgers zo ook niet zijn. Hoe vriendelijk, hoe meeslepend, hoe suggestief, hoe overtuigend iets ook gebracht wordt, het Woord zegt: VERTROUW HEM NIET! Onderzoek, LEES, LUISTER, beproef, onderscheid, doe er grote moeite voor, wees niet zo goedgelovig: is dit, deze gedachte uit de Geest van God òf uit de geest van de duivel? Niets is neutraal. Moet de verleiding en misleiding van de duivel zèlf – Genesis 3 – ons niet elke dag voor de ogen brànden???

In Deuteronomium 13:6 staat: ‘Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uw dochter, of de vrouw van uw schoot, of uw vriend, die als uw ziel is, u zal aanporren in het heimelijke, zeggende: Laat ons gaan, en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt, gij noch uw vaderen;’ De duivel weet heel goed, dat naaste bekenden, familieleden, veel sneller (kunnen) verleiden, dan vreemden. We kènnen de persoon immers, tot en met ‘betrouwbaar’. En dié verleidt! Hoe staat het Oude Testament vol van verleidingen, misleidingen, vaak o zo sluipend, o zo geraffineerd. Maar hoe vaak dienen verleidingen, misleidingen zich aan als totaal ‘onschuldig’, alleen deze keer, in deze omstandigheden. Kunnen die andere goden misschien toch beter verlossen?

Probeer altijd weer de uiteindelijke dóelstelling van de verleiding en misleiding bloot te leggen. Vòlgt ze in alle trouw en gehoorzaamheid Gods Woord, of niét? Want telkens weer wordt getracht het zó aan te kleden, het zó voor te stellen, dat die aankleding, die voorstelling, zó prachtig, zó aantrekkelijk, zó vanzelfsprekend, zó verleidelijk is, dat niet meer opgemerkt wordt, dat de aankleding, de voorstelling, de dóelstelling verblindt en àlle aandacht krijgt en uiteindelijk de doorslag geeft, plus de persoon die het zó brengt. Maar dan wordt de uiteindelijke dóelstelling – zó aangekleed, zó voorgesteld – niet meer gezien, niet meer onderkend.

Wordt die later wel openbaar, dan kost het ons grote moeite te erkennen, dat we ons hebben laten verleiden, èn om alsnog terug te keren. Hoe gemakkelijk is onze HOOGMOED dan een enorm struikelblok. Maar bedenk: we moeten voor Gòd staan! We moeten voor Hèm verantwoording afleggen! Ja, ook voor mensen. En de geschiedenis leert, dat mensen dàn beslist niet barmhartig en lankmoedig zijn, vol begrip. Integendeel, hoon en smaad en spot en laster en verguizing zijn dan veelal ons deel. Daarom, leer jong, onderzoek, luister, onderscheid, houd vast. Voorkómen in geloof is beter dan genezen. Ook daarin mogen de Emmaüsgangers ons voorgaan.

Heeft de mens van al die geschiedenissen geleerd? Wìl ze er van leren? Telkens weer blijkt, dat de HOOGMOED en EIGENDUNK van de mens zó groot zijn, zó overlopen van zèlfvertrouwen, dat ze verleid, misleid zijn vóór ze het zelf beseffen. En worden er wel (kritische) vraagtekens geplaatst, dan is het niet van de lucht: wat ben jìj wantrouwend. Suggestief gevolgd met: íedereen, de meerderheid, de leiders. Merk op, dat het accent verlegd is, wordt: suggestieve redenering neemt plaats over van Schriftuurlijke onderbouwing. Het vàst staan in het Woord – onderbouwing – wordt vervangen door vertrouwen op mènsen, vooral die naasten. Je moet er toch niet aan denken, dat dié en dié niet te vertrouwen (zouden) zijn.

Dan is er de hopeloze vergeetachtigheid: al die voorbeelden in de geschiedenis; de gedachte (hoogmoed!): dat zal mij niet overkomen; het vergeten van vroegere bezwaren; het te horen krijgen, dat dié bezwaren nú niet meer ter sprake kunnen komen: we zijn dat station voorbij.
Hoewel de geschiedenis vol staat met Gods toorn en straffen en oordelen over het ‘zich laten verleiden, misleiden’, wil de mens er niet aan herinnerd worden. Dat was tóen, dáár, in dié omstandigheid. Nee, we zijn er nu zèlf bij, dat zal òns niet gebeuren. Al die beschreven voorbeelden heeft de Heere toch niet voor niets doen optekenen? Hoe kan het dan, dat de mens die vergeet? Door de stompzinnige kortzichtigheid en blindheid van de oude mens in ons.

Want in haar kortzichtigheid en blindheid kijkt de mens niet verder dan nú, dan hiér. Het Woord geeft het Zelf aan, Prediker 8:11-13: ‘Omdat niet haastelijk het oordeel [over] de boze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der mensen in hen vol om kwaad te doen. Hoewel een zondaar honderd [maal] kwaad doet, en [God] hem [de] [dagen] verlengt; zo weet ik toch, dat het die zal welgaan, die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen. Maar de goddeloze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk een schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest.’ Hoe heeft de geschiedenis dit bevestigd! ‘kwaad te doen.’ En vallen verleiding en misleiding daarbuiten? Was dat niet de eerste en grootste truc van de duivel?

Ja, deze les moet elk geslacht opnieuw leren, geleerd worden. Maar als het vorige geslacht dat niét doet, niét gedaan heeft, hoe zou het volgende geslacht het wèl doen? Hoe gróót is hiér de klèm: HOE LEZEN WE DE BIJBEL? Als het volkomen betrouwbare Woord van God, of als een Boek waaruit lessen te trekken zijn, die we vandaag eigentijds kunnen en mogen toepassen naar ONS goeddunken, in onze situatie? Onderken: de HOOGMOED regeert, de EIGENDUNK is geweldig groot, onze BLINDHEID is enorm. Want we zijn onze oorsprong vergeten: DOOD in zonde en vloek door ONZE, MIJN zondeval, daartoe verleid, misleid door de duivel.

Die kennis, erkenning van mijn oorsprong moet MIJN HOOGMOED totaal afbreken, verpletteren, ten onder brengen. Dat betekent: lezen, luisteren, aandachtig in mij opnemen, in het geloof aanvaarden en mijn vertrouwen op God, Zijn Woord steeds weer en steeds meer in mij laten heersen en zó mijn hoogmoed en eigendunk overwinnen en erkennen: IK ben van mijzelf hopeloos BLIND in al mijn HOOGMOED!

Dan het vertrouwelijk gebed: Heere, onderwijs mij, leer mij, open mijn oren dat ik LUISTER, mijn ogen dat ik ZIE, mijn verstand, mijn hart, en werk en woon erin, maak het toegankelijk voor U, Uw Woord, overwin mijn hoogmoed en eigendunk. Maak mij bereidwillig, leer mij gehoorzaamheid, onderwerp mij aan U. Gedenk mijn zonden en hoogmoed – waarin ik geboren ben – niet. Bekeer mij en zie mij aan in Jezus Christus, Uw Zoon.

De Heere Jezus heeft heel ernstig gewaarschuwd voor het misleiden en verleiden door andere mensen, van de kleinen, de gelovigen. Want telkens weer blijkt de geraffineerheid en slechtheid van de mens: het misbruik maken van het méér; het méér weten, het béter kunnen, het méér hebben, en dat op allerlei vlak, in alle mogelijke situaties.

En het is waar: de situaties, de mogelijkheden liggen voor het oprapen, elke dag weer. En er zijn heel veel slachtoffers, velen laten zich gemakkelijk ompraten, verleiden, misleiden. Velen willen zich niet laten waarschuwen. En als ze het ontdekken, zijn de gevolgen vaak al niet meer te herstellen. Of ze worden vervolgens zó geïntimideerd, gechanteerd, dat ze er het zwijgen toe doen. Of ze blijven verleid en praten anderen altijd achterna, zonder ooit zelf tot de ware kennis te komen. Ze willen niet en doen er ook geen tot nauwelijks moeite voor. De weg van het gemak. Denk aan de dwaze meisjes! Hoe dódelijk is die gemakzucht van uitstel, later, daarbij het zich spiegelen aan al die anderen, die het ook (nog) niet doen.

Bangmakerij? Als de geschiedenis niet één grote leerschool was van alle lauwheid en traagheid en luiheid in het ernst maken met het onderzoeken en beproeven en toetsen en vaststaan in het geloof, ja. Maar laten we niet de vervolgstap maken (in gedachten): ons geruststellen en onszelf in slaap wiegen door ons te spiegelen aan al die anderen, die het ook niet doen, deden. Hoe groot is die verleiding! Nee, laten we ons steeds weer laten wakker schudden door al die aansporingen, al die vermaningen, om daarin actief te zijn, ons niet mee te laten sleuren in die grote stroom van lauwen en laksen en meelopers en hen die goedkoop commentaar leveren. Zeker, het is een zeer vermoeiende worsteling, tegen alle vlees en bloed in. En zo de Heere ons niet staande deed blijven, we werden meegesleurd. Maar Hij doet staande blijven en Hij spoort ons aan daarin standvastig te blijven tot het einde toe.

De Heere Jezus zegt, Mattheüs 18: 6, 10, 14: ‘Maar zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem nutter, dat een molensteen aan zijn hals gehangen, en dat hij verzonken ware in de diepte der zee. Ziet toe, dat gij niet een van deze kleinen veracht. Want Ik zeg ulieden, dat hun engelen, in de hemelen, altijd zien het aangezicht Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Alzo is de wil niet uws Vaders, Die in de hemelen is, dat een van deze kleinen verloren ga.’ Hier legt de Heere Jezus àlle verantwoordelijkheid bij de leiders, de voorgangers, de ambtsdragers, die geroepen zijn de kudde, de schapen te weiden in de grazige weiden van Gods Woord! Alleen daarin. Nooit in eigen redeneringen of fantasieën. Toch staan er in de Bijbel zóveel geschiedenissen van valse leraars, valse profeten, valse leiders, dat we haast ontsteld zijn: wisten zij bovenstaande niet??? Vertelt de Heere Jezus hier wat nieuws???

Maar betreft het alleen de leiders, de voorgangers? Welnee, ook de ‘gewone’ gemeenteleden moeten er op toezien, dat dit niet gebeurt, dat dit niet toegelaten wordt. Zij zijn evenzeer mee-verantwoordelijk. Of was het Pinksterfeit – uitstorting van de Heilige Geest op àlle vlees – toch eigenlijk alleen bedoeld voor de leiders, de vooraanstaanden, de knappe theologen, de hoogbegaafde welsprekende en meeslepende redenaars? Hoe verleidelijk deze gedachte. Hoe is dezelfde gedachte keer op keer – stilzwijgend!!! – in praktijk gebracht, ja, tot wet verheven, tot bindende wet en regel, waaraan het gewone volk zich had te binden èn te gehoorzamen, in blinde volgzaamheid. Het werd ingevoerd, het werd traditie, en …, het werd door de goegemeente geloofd en gevolgd. Ook daarin opent Johannes 9 de deuren wijd, voor de gedachte, voor de praktijk, ook voor de gevolgen.

Johannes 7:47-49: ‘De Farizeen dan antwoordden hun: Zijt ook gijlieden verleid? Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeen? Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.’ Hieruit blijkt de enorme HOOGMOED en WERKWIJZE van deze Farizeeën en overpriesters. Die vinden we steeds weer: minachting van de ‘gewone’ man, vrouw, kerkganger. Hoe vaak zien we dit in de Schrift … en daarbuiten. De leiders, de geestelijke leiders, ze geven aan de verleiding toe, ze wijken af van de geboden weg, om in alle ootmoed te wandelen voor hun God, in woord en daad, in leer en leven, als voorbeelden voor de kudde, standvastig, vasthoudend, in vrees.

Tegelijk: ze wanen zich onbespied en durven de schare – niet aanwezig, zich niet kunnend verdedigen, 9e gebod! – te vervloeken. Wee de verrader, die klapt. Daarnaast: de enorme kromheid van hun vloek: immers, zij moesten het volk toch voorgaan, het volk leren, het volk onderwijzen? En nu zèggen ze, verwìjten ze: deze schare, die de wet niet wéét. Ofwel, WIJ hebben hen niet, nauwelijks daarin onderwezen. Gevolg: zij kennen de wet niet.

Onderken: ook dàt is een werk van de duivel: het ‘gewone’ volk onwetend laten èn dom hòuden! Want wéten is gecontroleerd worden, en dat willen we niet. Blijft over: naar de mond praten, vandaag zo, morgen anders. Maar nu die scharen deze valse leiders, verleiders, dwaalleraars niét blijven volgen, maar geloof aan Jezus en Zijn Woord geven, nu ontbrandt hun toorn geweldig en schèlden hen weg. Terwijl ze even later alle mogelijke moeite doen, om hen te overreden om hèn weer te volgen…

Bijvoorbeeld:
– Markus 14:1: ‘En het pascha, en [het feest] der ongehevelde [broden] was na twee dagen. En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem met listigheid vangen en doden zouden.’ Dit is hun WERKWIJZE! Geniepig, sluw, schijn, achterbaks, geheim, tegelijk met veel leugen en bedrog. Hoe wordt de werkwijze van de duivel! – zie Job – steeds weer herhaald, herhaald, herhaald, door zijn volgers. Hoe helder en ontmaskerend: Aan hun daden zullen zij gekend worden. Onderken de grote moeite om de schijn op te houden.
– Johannes 11:47-51: ‘De overpriesters dan en de Farizeen vergaderden de raad, en zeiden: Wat zullen wij doen? want deze Mens doet vele tekenen. Indien wij Hem alzo laten [geworden], zij zullen allen in Hem geloven, en de Romeinen zullen komen, en wegnemen beide onze plaats en volk. En een uit hen, [namelijk] Kajafas, die deszelven jaars hogepriester was, zei tot hen: Gij verstaat niets; En gij overlegt niet, dat het ons nut is, dat een mens sterve voor het volk, en het gehele volk niet verloren ga. En dit zei hij niet uit zichzelven; maar, zijnde hogepriester deszelven jaars, profeteerde hij, dat Jezus sterven zou voor het volk;’ Hoe duidelijk tekenen zij hierin hun werkelijke bedoelingen. De dienst aan God, de waarachtige dienst, is bijzaak. De leer, de kerk, is kapstok. Want het gaat om ònze plááts en òns volk, wat ons hierin volgt, hier en nu. Onze inkomsten lopen gevaar. Het gebeurt in vergadering, in comité. Geen pottenkijkers, geen bemoeials! En de hogepriester gaat daarin voorop. Niet: zoals geschreven staat. maar, al suggestief redenerend.
– Lukas 23:4, 5: ‘En Pilatus zei tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in deze Mens. En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.’ Nu durven ze openlijk. Waarom? Omdat ze ervan overtuigd zijn, dat ze met Jezus – gebonden! – kunnen doen naar hun begeren. En wié in de scharen durft hier – waar de driften hoog oplaaien – Jezus openlijk te verdedigen? Het betekent immers zijn dood! Leest u goed: Hij beroert het volk! Waarom hebben ze Hem dan niet vanuit de Schriften overtuigend weerlegd? Mogelijkheden te over. Hier heerst de ONWIL: wij konden Hem niet weerleggen, maar wij willen ons ook niet bekeren en ons laten gezeggen. Daarom nu: alleen valse, ongegronde verdachtmaking en beschuldiging. Tegelijk: hoe dodelijk slaapverwekkend en geruststellend zijn al die pluimstrijkerijen van leiders, voorgangers. Maar prik er doorheen: even later deinzen ze er niet voor terug u net zo hard te vervloeken en uit te werpen. Het is een spèl, een duivels spèl! Het gaat om het hier en nu.
– Mattheüs 27:20: ‘Maar de overpriesters en de ouderlingen hebben de schare aangeraden, dat zij zouden Bar-abbas begeren, en Jezus doden.’ Hoe snel werken laster en verdachtmaking bij onwetenden, hoe snel werken laster en verdachtmaking van voorgangers, leiders, machthebbers, ‘voorbeelden’. Tegelijk: het volk dòm hóuden. Niet alleen àchterom kijkend constateren, nee, juist vóóruit kijkend tactisch dat beleid volgen en in praktijk brengen. En wordt het toch ontdekt, dan wordt de grootste onschuld tentoongespreid.
– Mattheüs 28:11-15: ‘En als zij heengingen, ziet, enigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten de overpriesters al de dingen, die geschied waren. En zij vergaderd zijnde met de ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij de krijgsknechten veel gelds, En zeiden: Zegt: Zijn discipelen zijn des nachts gekomen, en hebben Hem gestolen, als wij sliepen. En indien zulks komt gehoord te worden van de stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen, en maken, dat gij zonder zorg zijt. En zij, het geld genomen hebbende, deden, gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op de huidige dag.’ En dit gebeurt door de voorgangers, voorbeelden voor de kudde, met het offergeld van de onwetende schare. Weer: achter gesloten deuren. Dan kan de gedachte al gauw zijn: maar dit is toch onwaarschijnlijk! dit is toch één schijnvertoning, één grote klucht? dit gelooft toch niemand? We zien, met geld zijn veel gewetens om te kopen. Maar dit alles druipt van vuilheid en valsheid, van geraffineerdheid en geslepenheid, van omkoperij en bedrog, kortom: echt dùivels!, hoe vroom ook gebracht en volgehouden. Wat is de oorzaak? Betreft overpriesters: God gaf hen over aan hun duivelse ongerechtigheid en verblindde en verhardde hen daarin; daardoor móesten ze de duivel – de knecht! – wel slaafs volgen in hun duivelse plannen en bedrog. Betreft Joden: gebrek aan kennis, daardoor gebrek aan geloof, vertrouwen, daardoor gebrek aan onderscheiden. Méér vertrouwen in mensen, ook leiders, voorgangers, hun woorden, dan in het volkomen betrouwbare Woord van God, God Zelf! Opdat wij gewaarschuwd zijn en het – opnieuw! – slaaf-zijn van de knecht niét verkiezen boven het kind-zijn. Denk aan het Pinkster-feit.

Nee, de Heere Jezus vertelt hier – Mattheüs 18:6, 10, 14 – niets nieuws. Maar hieruit blijkt de totale verdorvenheid van de mèns, zijn leugenachtigheid en valsheid, zijn onbarmhartigheid en meedogenloosheid, zijn individualisme en eigengereidheid en egoïsme: IKKE, IKKE, IKKE. Maar dat wil niemand horen en daarom wordt het omzien naar elkaar, het meeleven met elkaar en het scherp afwijzen van alle zinloos geweld sterk benadrukt en gepropageerd, met woorden.

Ook met daden, tenminste voor zover het geliefden betreft, bekenden, goede buren en collega’s, partijgenoten, mensen waarvan we mogelijk nog voordeel verkrijgen of van wie we afhankelijk zijn …, ja, wie nog meer? Want als het dié betreft, en dié, en dié, nee, dan blijken ze al gauw totaal àfwezig en maar zo om te slaan in pure haat en afkeer. Want iédereen vindt dat toch een afschuwelijk iemand? Wie kan met zo iemand nog medelijden hebben! Hoe subjectief en selectief blijken naastenliefde en meelevingsgezindheid vaak aanwezig òf afwezig èn tijdelijk.

Hoe blijken ze duidelijk aanwijsbaar in het verschillend optreden van overpriesters en Farizeeën, zie hierboven. Christus dreigt hèn, om hen tot inkeer te brengen, hen elke verontschuldiging te ontnemen. We weten, we zien: het wordt weggehoond. Hoe gróót is de verleiding, om dan maar mee te doen in dat spèl, dat spel van schijn en huichelarij en intimidatie en bedrog en valsheid, en dat onder de méést vrome betuigingen en voorwendselen. Zie hierboven Lukas 23:4, 5.

Hoe gróót is dan de verleiding, om alle druk en dreiging van mènsen! – zich uitend in allerlei vorm en wijze – van gróter gewicht en zeggingskracht te achten en te houden, dan deze ernstige waarschuwing en dreiging van Christus. Hier opnieuw: HOE LEZEN EN VERSTAAN WE DE SCHRIFT, DE HELE SCHRIFT?!?! Bedenk: als we déze ernstige waarschuwing en dreiging feitelijk als nietszeggend, onbetekenend, zonder gewicht achten, hoe zullen we ons laten gezeggen door andere waarschuwingen? En als waarschuwingen niets meer betekenen, ja, dan moeten ook de grootste en felste oordelen als nietszeggend en zonder betekenis aan de kant gelegd worden.

Echter, ook de glans en rijkdom van beloften en vergeving van zonden om niet, ze verdwijnen maar zo; dat is toch vanzelfsprekend? God is toch liefde? Als je maar gelooft. Hoe? Zoals ieder goed vindt in eigen ogen en geef dáárin elkaar de ruimte. Maar dan kan ook het genoemde spèl toch gewoon voortgezet worden? En komt dan nog iemand met bovenstaande of andere, sterkere waarschuwingen ons vermanen, we lachen en honen hem toch vierkant in het gezicht uit en weg, of gewoon stiekum, geniepig, om het spèl ‘serieus’ te houden?

De Heere Jezus zegt: ‘die in Mij geloven.’ Ziet u, zonder onderscheid inzake wèl of niét mogen, wèl of niét aardig, wèl of niét handelbaar, wèl of niét gezeggelijk. Geloven, met woord èn daad. Kleinen. Kleinen verwachten en hebben en kunnen en weten van zichzelf niets, weinig. Ze gaan er niet prat op, ze pochen er niet op, integendeel, ze weten zich afhankelijk van anderen. In het geloof helemaal afhankelijk van God, ziende, herinnerend hun liggen in de dood; tegelijk: God werkte, gaf het geloof om niet, onverdiend. Het is een gave èn opgave.

Sinds de zondeval maken mensen, die méér weten, méér kunnen, méér hebben gemakkelijk misbruik vàn hun méér … En vaak gaat het van kwaad tot erger, gewetenloos. Hoe vaak blijken woorden en daden daarin met elkaar te botsen. Het is de enorme hoogmoed en eigendunk en zelfingenomenheid, tegelijk de duivelse sluwheid en geslepenheid en geraffineerdheid, waaraan de mens zich overgeeft, er zich in uitleeft. IK HEB DE KANS, WIE ZAL MIJ WAT MAKEN??? Denk aan de beruchte Lamech, Genesis 4:19-24.

Wil onze HOOGMOED ons graag onze zondeval en ons liggen midden in de dood doen vergeten, onze schùld!, tegelijk willen we er niet aan herinnerd worden, dat we ons door de duivel lieten en laten verleiden en misleiden. Onze HOOGMOED en EIGENDUNK en ZELFINGENOMENHEID zijn zo geweldig groot, dat we toch niet kunnen geloven, dat WIJ (gemakkelijk) verleid en misleid worden? Toch klinkt het elke dag door in: waarom pakken ze (de rechtsinstanties) dié en dié niet aan, die dàt gedaan heeft, die dàt geflikt heeft (allerlei plegers van corruptie en geweld, alle graaiers en alle uitstrooiers van algemene middelen, enz.). Hoe gemakkelijk onderschàt de mens de verleiding en misleiding, als men in die situatie, positie komt en er voor geplaatst wordt: méédóen òf wegwezen! Het is geen liefde, verdraagzaamheid, dat men elkaar op die plaats, positie, met dat inkomen, duldt, nee, het is kille berekening vol met jaloezie en achterdocht en afgunst, wachtend op- en werkend aan het tijdstip, de gelegenheid van overnemen. MACHT, INVLOED, EER, ROEM, GELD, dat zijn de trefwoorden en doelstellingen. En ze gaan daartoe over lijken! Het nú is bepalend, het hiér is overtuigend! Prediker 8 is vergeten…

Dat – Mattheüs 18:6, 10, 14 – zegt het Hóófd van de kerk, Jezus Christus. Hij is het, Die hen vergadert, beschermt en onderhoudt. Ja, ook die, en ook die, maar die niet, en die ook niet, naar Zijn verkiezend welbehagen, naar Zijn rechtvaardig oordeel. En ìn de kerk wordt er voortdurend onderscheid gemaakt, worden soortgelijke praktijken als in de wereld (oogluikend) toegelaten en bevorderd en aangemoedigd? Al naar gelang ‘men’ iemand wel of niet mag, al naar gelang iemands aanzien, karakter, uitstraling, ligging, uiterlijk, innemendheid? En leiders, voorgangers, gaan daarin voorop? En ondertussen toch volhouden, dat Jezus Christus het Hoofd is? Hoe heeft datzelfde Hoofd – op deze aarde rondgaande – Zijn discipelen keer op keer tot de orde geroepen, hen indringend vermaand: ZO ZAL HET ONDER U NIET ZIJN, U BENT BROEDERS!

Maar ja, als waarschuwingen al in de wind geslagen worden als weinigzeggend, als (dreigende) oordelen achteloos voorbij gegaan worden, wie zal dan nog onder de indruk zijn van déze vermaning! We leven vandaag, en vandaag bepalen WIJ pragmatisch, subjectief, òf, en in hoevèr, en vóór zover, we er wèl of niét rekening mee (moeten) houden. Het SPEL bepaalt! Onze POSITIE, PLAATS, EER, is bepalend! Hier en nu!

Maar nu kunnen diezelfde praktijken telkens maar zo weer ingevoerd en in stand gehouden worden, ja, bindend opgelegd en afgedwongen? En u accepteert dat, en zwijgt??? Want dit staat niet los van al het andere, nee, dit is een ander onderdeel van het SPEL! waarover we zojuist spraken. Zijn Christus waarschuwingen en dreigingen, ook Zijn: zoals geschreven staat!, de Schriften, Gods oordelen, zònder betekenis, hoe moeten we dan aannemen, dat Christus kerkvergadering – ja, óók die! en die!, maar dié niet! – serieus en ernstig genomen wordt? Ja, dat we in het geloof ons daaraan gebonden en onderworpen weten en dùs, daarnaar in het geloof handelen? Is het niet veeleer: ONS ‘kerkje’, waarboven WIJ ‘Christus vlagje’ proberen te houden, naar ONS goeddunken? Vroeger waren er verleidingen, maar nu??? Ieder voor zich op eigen manier naar ieders goeddunken. Zo bewaren we de vrede en eenheid.

Willekeur breekt baan, eigenwilligheid zit op de troon, partijdigheid en vriendjespolitiek regeren. Maar het wordt toch met een krachtig ‘ja’ bevestigd, dat u gelóóft!, dat u door God Zelf geroepen bent tot? En hetzelfde ‘ja’ klinkt toch op bij de geloofsbelijdenis, bij het doopvont? Natúúrlijk, natúúrlijk, naar gewoonte, naar traditie. Telkens weer blijkt: als er vanaf geweken wordt, als die wegen verlaten worden, dan moeten we alle verdraagzaamheid en vriendelijkheid en geduld in acht nemen.

Onderbouwd waarschuwen, ernstig waarschuwen, die waarschuwingen herhalen, daaraan vasthouden, vanuit het Woord dreigen met Gods oordelen over Schriftverlating in woord en daad? Nee, zó gaan we niet met elkaar om, dit pàst niet … vindt de leiding, de meerderheid. En daarom: stòppen! of: wègwézen! in elk geval: zwìjgen!

Ernstig waarschuwen voor verleidingen, misleidingen EN HAAR NOODZAKELIJKE GEVOLGEN!, nou, vooruit, we horen het aan. Maar daarop terugkomen, telkens weer, steeds nadrukkelijker, aanwijzend en vooruitwijzend op de gevolgen, ziende de geschiedenis, nee, DAT MAG NIET, DAT IS ONVERDRAGELIJK, DAT IS ONTOELAATBAAR!

De Heilige Geest heeft de apostel Petrus er toe aangezet ook te herinneren aan de zo vaak gedane waarschuwingen en vermaningen. Waarom? Wel, omdat de Heere Zijn geduld daarin toont en bewijst en wéét van onze vergeetachtigheid. Waartoe? Opdat wij niet vergeten. Opdat wij erkennen, dat we dat zo nodig hebben. Opdat er bij ons géén verontschuldiging meer kan bestaan voor onwetendheid. II Petrus 1:12-15: ‘Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te vermanen, hoewel gij het weet, en in de tegenwoordige waarheid versterkt zijt. En ik acht het recht te zijn, zolang ik in deze tabernakel ben, dat ik u opwekke door vermaning; Alzo ik weet, dat de aflegging mijns tabernakels haast zijn zal, gelijkerwijs ook onze Heere Jezus Christus mij heeft geopenbaard. Doch ik zal ook naarstigheid doen bij alle gelegenheid, dat gij na mijn uitgang van deze dingen gedachtenis moogt hebben.’ Tegelijk blìjkt, dat de mens, de HOOGMOEDIGE mens, deze vermaningen geïrriteerd van zich werpt: hoe kan iemand denken, dat hij het niet wéét!!!

Wat blijkt? Verleidingen en misleidingen zijn helemaal niet onschuldig, vrijblijvend. Integendeel, hoewel ze zich zo keer op keer presenteren – zie Genesis 3 de duivel zèlf! – blìjkt telkens weer, dat er mee en er door GEBONDEN wordt. Ja, aan die BINDING màg en kàn niemand zich onttrekken. Doet iemand dat toch, dan volgt: ban, excommunicatie, vogelvrij. En de leiding deinst er niet voor terug zo iemand zó af te schilderen en zó te kenmerken, dat niémand er over denkt hem daarin na te volgen. Opnieuw: waarom wàntrouwt de gelovige de duivel zo weinig, zo slecht, zo lauw, daarmee zijn volgers? Het bevestigt opnieuw de staat van onze oude natuur.

Alle vriendelijkheid, alle vredelievende bedoelingen, alle meeslependheid, alle beloften vooraf, alle aantrekkelijkheid, waarmee verleidingen en misleidingen gepresenteerd en gebracht worden, worden ze krachtig en vasthoudend weerstáán, onderbouwd vanuit het Woord van God, het blìjkt binnen de kortste keren, dat de maskers worden afgeworpen. Dan openbaart zich meedogeloze onbarmhartigheid, uitwerping, spot en smaad en laster en hoon. Ja, ook alle vrome woorden ten spijt. Hoe bevestigen de Evangeliën deze noodzakelijke werkwijze en voortgang van verleiding en misleiding ten opzichte van de Heere Jezus Christus. En voor Zijn gekochten al de eeuwen door.

We lezen in Johannes 5:47: ‘Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?’ Hoe nauw, hoe onlosmakelijk dàt verband, met gevolg!
In Johannes 6:63: ‘De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.’ ALLES uit God de Heilige Geest, NIETS uit de mens.
In Johannes 8:47: ‘Die uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gijlieden niet, omdat gij uit God niet zijt.’ Het àllesbepalende: wèl of niét uit God zijn, door de Geest wedergeboren.
In Johannes 12:48: ‘Die Mij verwerpt, en Mijn woorden niet ontvangt, heeft, die hem oordeelt; het woord, dat Ik gesproken heb, dat zal hem oordelen ten laatsten dage.’ Dus óók die ernstige waarschuwing tegen verleiders en misleiders; óók dat gebod: u bent bróeders!
In johannes 14:23, 24: ‘Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.’ De onlosmakelijke band tussen Vader, Zoon en Woord. Zie later.
In Johannes 15:20: ‘Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.’

‘Indien zij Mijn woord bewaard hebben’, dat zijn zonder uitzondering àlle woorden van belofte en liefde en geduld en barmhartigheid en vrede en zachtmoedigheid en vriendelijkheid, maar evenzeer àlle woorden van dreiging, van waarschuwing, van oordeel, van vloek en verdoemenis, ook àlle woorden van MIJN, ONZE zondeval, ONS liggen in de dood en vloek, ONZE totale verdorvenheid en blindheid en onwetendheid in onszelf, ONS totale gebrek om vanuit onszelf iets goeds te doen.

De Heere Jezus zèt ze en hòudt ze náást elkaar; nergens zegt Hij: nu Ik dit zeg, vervalt dat ermee, is dat (tijdelijk) niet van toepassing. En Hij verbindt daaraan: ‘zij zullen ook het uwe bewaren, in woord èn daad.’ Het woord van Zijn volgelingen, Zijn kinderen, dan en daar, waar zij Hem daarin getrouw volgen. Waar ziet u onderscheid? Waar zegt de Heere Jezus: wees vriendelijk en verzwijg maar elk vermaan en elke bestraffing en oordeel? Waar vindt u die tegenstelling? Wie kan er ons toe verleiden, dat we Gods Woord in éénheid splitsen, ontbinden, breken?

We beseffen, erkennen, als Christus vermaan achteloos aan de kant gelegd wordt – voor kennisgeving, nietszeggend – , dan zijn ook bovengenoemde Schriftplaatsen zonder inhoud, zonder betekenis, zonder waarde. Dan mogen we daaraan naar behoefte toedoen of afdoen, al naar het òns uitkomt en de omstandigheden er naar zijn. En wordt dit met Gods Woord gedaan, het moet ons niet verbazen, als onze woorden net zo hard verworpen worden. Tenminste, als ze zoveel als mogelijk Gods Woord getrouw naspreken.

Zien we nauw daaraan vast: Hoe hebben de mensen tóen, de leiders voorop!, hun uiterste best gedaan, om Jezus te betrappen op een tégenstelling tussen Zijn woorden èn Zijn daden. Dat is het hypocriete van de duivel!, ook van zijn volgers! Want hùn woorden en daden strijden ALTIJD met elkaar, in alle duivelse bedoelingen en uitwerkingen. Zie Genesis 3. Konden de mensen toen in niets een tegenstelling ontdekken in het spreken en doen van Jezus, de laster en verdachtmaking helpen wel een handje. Vergelijk wat later volgt: Mattheüs 12. Terwijl met hetzelfde gemak alle hypocrisie van de duivel en zijn volgers wordt gladgestreken en als ‘onschuldig’ wordt goedgepraat en weggeredeneerd.

En zó gebeurt het ook bij de kinderen van God, al de eeuwen door. En als mensen met het één zijn in leer en leven géén ernst maken en vroom praten en tegelijk allerlei onrecht vrij baan geven, stilzwijgend toestaan, ook alle verleiding en misleiding, en ze worden daarop aangesproken, ja, dàn is het hek van de dam, dàt kan niet, dàt mag niet. Hoe kan iemand dàt van hen denken, dat zij zó zouden doen. Laten we ons herinneren: de duivel doet zich graag voor als een engel van het licht, om mensen maar te verleiden. En zouden zijn volgelingen ‘vies’ zijn van die taktiek??? Heeft het Bijbelboek Job ons niet genoeg geleerd?

Hoe heeft de Heere Jezus die hypocrisie van de duivel ontmaskerd en openlijk veroordeeld en verworpen, zie de verzoekingen in de woestijn. Hoe heeft de Heere Jezus die hypocrisie van zijn volgelingen – farizeeën en wetgeleerden en overpriesters enz. – ontmaskerd en openlijk veroordeeld en verworpen, zie Mattheüs 23. De Heere Jezus getuigt, Johannes 18:19-21: ‘De hogepriester dan vraagde Jezus van Zijn discipelen, en van Zijn leer. Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd in de synagoge en in de tempel, waar de Joden van alle plaatsen samenkomen; en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Wat ondervraagt gij Mij? Ondervraag degenen, die het gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.’

Ziet u het verschil? De duivel, zijn volgers werken en handelen en besluiten vaak en graag in het geniep, in het verborgen, achter gesloten deuren. Ook in het openbaar, publiek, als het hun doel dient en bevordert en er geen ‘gevaar’ is. De Heere Jezus noemt ze ‘werken der duisternis’, ‘werkers der wetteloosheid’. Hoe groot de tegenstelling: de Heere Jezus zegt: ‘Ik ben het Licht der wereld’. Hij verborg niets, maar sprak vrijuit; iedere aanwezige kon het horen.

Dan klemt het voor ieder mens: hóe leef ik, hóe leef ik voor God, ook voor mijn naaste, in woord, in daad? Als kind van het licht, zodat ik er mij niet voor schaam openlijk te getuigen van al mijn hoop en geloof in Jezus Christus als mijn volkomen Verlosser en Zaligmaker, zodat ik mij ook niet schaam voor Zijn Woord, en Hem daarin volkomen betrouwbaar acht en houd? Of als slaaf van de duisternis en bemin ik al die valsheid en bedrog en leugen en vuilheid en ongerechtigheid en sluwheid, en schuw en mijd ik alle openlijkheid en openbaarheid en rechtheid en waarheid.

En als ik in het licht van Gods Woord opmerk, dat hypocrisie, huichelarij, de kop opsteekt, regeert, dan houd ik mij maar stil, dan loop ik wel zwijgend mee, dan stem ik wel zwijgend toe en WEIGER die te ontmaskeren en openlijk aan te wijzen en te benoemen? Of nemen we genoegen met een afwachtende houding? Maar onderken: afwachten is de eerste stap naar gedogen, toelaten. En achteraf weten en beseffen wat er gebeurde, gedaan werd, het gebeurt. Het leven is een leerproces, elke dag weer. Maar als we niet willen leren en alles goedvinden, dan erkennen en willen we ook geen enkele Norm in ons leven. Dan leven we met de massa mee van dag tot dag en worden nergens koud noch warm van. Kleurloos, smaakloos, zoutloos, laf. Maar dan zijn we geen lichtend licht en geen zoutend zout in deze donkere en smaakloze wereld.

Bedenk: Als de geschiedenis volop getoond en geleerd had, dàt de mens alle verleiding en misleiding gemeden en bestreden had als het meest kwade en sluwe gif, als de meest dodelijke ziekte, zou de Heere Jezus deze ernstige waarschuwing mèt oordeel! uitgesproken hebben? Maar als we zien, dat de mens steeds weer doet zien, dàt het alle verleiding en misleiding kleineert en minimaliseert en gemakkelijk overneemt en navolgt en zó toont die waarschuwing overbodig te achten, dàn ligt er op deze verzen – Mattheüs 18:6, 10, 14 – een geweldige spanning!

De mens heeft in de diepste minachting Gods waarschuwingen, al de eeuwen door, voor verleiding en misleiding afgedaan als overbodig. Nu voegt de Heere Jezus daaraan toe: het ware voor die verleider, misleider nutter, dat hij een molensteen om de hals gehangen ware en hij in de zee verzonken was. Ziet u, dat verleiding en misleiding heel vaak vertaald en afgedaan wordt als totaal ònschuldig, van weinig betekenis? Hoe vaak wordt de boodschap gekoppeld en vereenzelvigd met de brenger, en omgekeerd. Met alle schadelijke gevolgen, ook voor volgende geslachten. En hoe gemakkelijk laat de mens zich daartoe verleiden. En de praktijk heeft het tot en met bevestigd! Laten mensen zich daardoor ernstig waarschuwen? Leren ze ervan en schrikken ze ervoor terug? Ook daarin, hoe gemakkelijk lopen mensen achter andere mensen aan, in het ‘volste vertrouwen’.

De Heere Jezus brengt de ernst ervan opnieuw onder de aandacht, ja, voert de spanning hoog op: Zó ernstig neemt God verleiding en misleiding op, dat de mens, die dat dóet, het ware nutter, dat een molensteen om zijn hals gehangen ware en hij in de diepte der zee verzonken was. We gaan nog een stap verder: Kunnen we ná deze ernstige toevoeging enige ‘verbetering’ opmerken? In de tijd van het Nieuwe Testament, in de kerkgeschiedenis, vandaag? We moeten constateren: NIETS! Tenminste, generaliserend gesproken.

Dat moeten we diep tot ons laten doordringen: Christus ernstige waarschuwing inzake verleiders en misleiders wordt nauwelijks serieus genomen. Als wij – op eigen plaats, in eigen situatie – ernstig waarschuwen in verband met (dreigende) verleiding, misleiding, we moeten niet verbaasd zijn, dat we nauwelijks serieus genomen worden. Hoe wordt het vaak weggehoond: maak je niet zo dik; zou dié dat doen??; hij ziet allemaal leeuwen en beren op de weg (die er ons inziens!! niet zijn); hij wil zijn gelijk halen.

Hoe noodzakelijk blijkt het nauwkeurig te onderscheiden in het licht van Gods Woord. Dat moeten we telkens weer los zien en houden van ‘eigen gelijk’. Dan blijft het dóel zuiver: getuigen tot overtuigen. Dat getuigenis moet duidelijk en onderbouwd zijn. Gaat het om ‘ons gelijk’, we zullen gemakkelijk boos worden als ‘ze’ ons niet serieus nemen. Gaat het om getuigenis, Gòd is Getuige, hen tot een getuigenis. Vergelijk de drie vrienden van Job en Gods getuigenis over hen.

U vraagt zich misschien af, wat dit alles met het genoemde onderwerp te maken heeft. Alles! Want het eerbiedig lezen van- en luisteren naar het heilig Woord van God houdt meteen onlosmakelijk in: GELOOF! Geloof in God, in Zijn Woord, dàt God doen zal wat Hij belooft, ook, dàt God Zijn oordelen zal uitvoeren waarmee Hij dreigt. Dan betekent geloof niet, dat we in grote angst leven, wel, dat we voor Zijn heilige Naam en voor Zijn heilig Woord met diep ontzag en vrees vervuld zijn en telkens weer trachten Zijn wil te verstaan, die Hij in Zijn Woord geopenbaard heeft. Béven we voor Zijn Woord? Verdrágen we het, als het ene woord van God wèl serieus genomen wordt, maar het andere niét? Wié deelt er dan, wié oordeelt er dan?

En als we zien, dat verleiding en misleiding vanaf de zondeval telkens weer hun verwoestende en vernietigende werking en uitwerking hadden; als we zien, dat de mens die werking en uitwerking telkens weer als onbetekenend met grote minachting de rug heeft toegekeerd, dat ook deze ernstige toevoeging van de Heere Jezus – ogenschijnlijk – nauwelijks geland is, dan moeten we nog een stap verder.

We moeten wéér terug naar het begin: Genesis 2, 3. Ondanks Gods ernstige waarschuwing te blijven bij het lichte verbod, van die ene boom niet te eten, mèt de zwáre straf: u zult de dood sterven, moeten we God niet onrechtvaardig achten. Integendeel, zó zwáár neemt God zonde, zondigen, op, en oordeelt Hij zonde, zondigen rechtvaardig. Dat moet ons heel scherp voor ogen staan. En dùs ook verleiding en misleiding. Lees, wat de Schrift allemaal zegt over het oordeel, wat de satan, de duivel voor eeuwig zal treffen. Ook zijn volgers.

Onze doodsslaap is zó diep, zó totaal, onze blindheid zó intens, dat we op hetzelfde moment ons laten waarschuwen en diezelfde waarschuwing meteen bagatelliseren. Hoe nadrukkelijk moet de mens zich telkens weer laten waarschuwen door Prediker 8, zie boven. En zeg niet, bewijs. De Bijbel geeft tal van geschiedenissen, voorzeggingen, dat het (vele) eeuwen duurt, voordat God Zijn rechtvaardige straffen ten uitvoer brengt. En als dat gebeurt, dan treurt en huilt de mens en roept alle aardse machten te hulp om hem te verbergen voor Gods toorn.

Even later schijnt de zon, alsof er niets gebeurd is, ja, ook over die enorme slagvelden, die geweldige en meedogenloze slachtpartijen. Maar de mensen, die dit zien en die dat overleven, bekeren ze zich met haast? Zien we niet met grote regelmaat, dat ze zich háásten om af te wijken en in eigenwilligheid eigen bedachte goden zo slaafs mogelijk achterna te lopen? Zien we niet met grote schrik, dat de mens alle verleiding en misleiding kenmerkt en waardeert als: het gebeurt, maar de gevolgen ervan, ach, wie bekommert zich er om? Nee, ook de zondvloed, ook Sodom en Gomorra, ook Prediker 8, ze overtuigen de mens niét! Nee, DE MENS WIL ZICH NIET LATEN GEZEGGEN EN OVERTUIGEN!

Dat alles ziende, sinds de zondeval, ligt er opnieuw de brandende vraag: Hoe kan, durft enig mens nog te zeggen, te denken, dat hij zèlf de stap op de weg van het geloof heeft gezet, dat hij zèlf in totale vrijheid voor Jezus gekozen heeft? Dit zeggen, dit denken, ontkent en miskent toch Gods Woord, dat we God niét geloven op Zijn Woord, dat de mens van zichzelf in de zonde MIDDEN IN DE DOOD LIGT! Of die HOOGMOEDIGE mens moet ook geloven en voor waar houden, dat een gestorven iemand nog best in staat is iets te doen, te kunnen, te willen, te weten.

Hoe totaal moet de mens zich omkeren: erkennen, belijden: IK weet niets, IK kan niets, IK doe niets, IK wil niets, voor Gòd, in mijn ZONDE. Vergelijk het paradijs, de nieuwe hemel/aarde. Wie wil beweren, dat Adam en Eva mèt hun schepping ook maar iéts vanuit zichzelf wisten, konden, deden, wilden? Leefden ze niet in zeer grote verwondering God navolgend, Zijn wil getrouw volbrengend, zoals Gòd in hen gelegd had? Zie hierna de praktijk van de Heere Jezus. Maar ook het vervolg: ziende, dat Adam en Eva zondigden en de dood verkozen als vertegenwoordigers van heel de mensheid: wie wil beweren, dat hun nageslacht vanuit zichzèlf voor God, voor Jezus kiest? Dan was hun val dus niét totaal. Tegelijk, dan is de betrouwbaarheid van de Schrift daarin àfwezig. Ook het andere.

Ja, dan kan die HOOGMOEDIGE verstoktheid alleen bestaan, waar de mèns niét erkent, dat het hem eerst van God gegéven moet zijn, dat Gòd werkt het willen en het werken. Het geloof vraagt àlles, in àlles afzien van mijzelf en àlles alléén van God verwachten, in tijd en eeuwigheid, wat mensen ook doen, wat mensen ook beraadslagen. Hoe blijkt telkens weer: God is almachtig, eeuwig, de mens is zwak, een ogenblik. En tòch zien we, dat de mens zich telkens weer door mènsen laat gezeggen, verleiden en misleiden, overtuigen, en niet door God.

De vraag klemt: HOE lees ik de Bijbel, HOE luister ik naar de Bijbel? Als een boek náást alle menselijke voortbrengselen, op welk vlak ook? Of als het levende Woord van God, Dat met absoluut gezag regeert over alle menselijke voortbrengselen, ja, ook van vooraanstaande theologen, vermaarde wetenschappers, hooggeroemde synodes, theologische universiteiten en haar vruchten. Die vraag moeten we eerst scherp onder ogen zien, ons daarvan rekenschap geven, voor onszelf, voor elkaar, voor God. In het antwoord openbaart zich de gezindheid van ons hart. En zou God, de Kènner van alle harten, daarin niet volmaakt zuiver onderscheiden … en scheiden? Maar dan spreken we over het grote oordeel, wat komt. Nee, die onderscheiding, die scheiding is er nú al, in dìt leven, voor God.

Er komt nog een vraag bij: durft u het aan ruimte, gelegenheid, tijd te nemen, te vragen, om met mènselijke voortbrengselen wèl of niét te bewijzen, aan te tonen, òf en dàt en in hoevèr Gods Woord wèl of niét waar is? Moeten we daarin niet heel radicaal vaststaan: eerst, voor àlles, GODS WOORD IS VOLKOMEN WAAR EN WAARACHTIG, en àlle menselijke voortbrengselen en gedachten moeten daarom daaraan volkomen onderworpen zijn en getoetst worden.

Maar de mens wil niet luisteren, is zichzelf tot wet, stelt zelf zijn regels, in grote willekeur, al naar gelang de mogelijkheden die er dan zijn, die hij zichzelf creëert. En zijn die mogelijkheden groot, dan zijn er nauwelijks grenzen. Hoe dikwijls ontaardt het in pure willekeur en uitleven in hartstocht. Hoewel de medemens dat ziet, de veroorzaakte misstanden afkeurt en veroordeelt, loopt ze het volgend ogenblik gedwee mee.

Of ze worden verteerd door afgunst en jaloezie. Hoe gemakkelijk laat de mens zich verleiden en misleiden met lege beloften, met vage toezeggingen, met overdadige lofprijzingen en vleierijen. Ofwel, hoe gevleid is de mens met al die bewieroking … van en door mènsen. Alsof die van blijvende waarde en betekenis zijn. Hoe leeft de mens bij het moment!

Nog één keer: De ernstige dreiging, waarmee de Heere Jezus verleiders en misleiders dreigt, schrikken we, ze, daar niet van? Telkens weer blijkt: NEE!!! Of preekt u met grote regelmaat over alle verleiding en misleiding in de wereld, in de valse kerk, van allerlei sekten en stromingen, daar ú deze ernstige waarschuwing wèl serieus neemt en de gevolgen ervan wèl dagelijks voor ogen ziet in tal van ontwikkelingen en besluiten en voornemens? Of hóórt u er met grote regelmaat tegen waarschuwen, onderbouwd en al? Zo niet, vráágt u erom, dringt u er op aan?

Of staat Openbaring 20:8: ‘En hij zal uitgaan om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, de Gog en de Magog, om hen te vergaderen tot de krijg; welker getal is als het zand aan de zee.’ verloren en vergeten in uw Bijbel? Want de duivel zàl dat doen en hij zàl niemand sparen, die de tijd en gelegenheid voorbij hebben laten gaan om zich tegen hem en al zijn verleidingen vanuit en naar de Schrift te laten waarschuwen en er zich vanuit en naar de Schrift tegen gewapend hebben met waar geloof.

De genoemde verzen uit Prediker 8 staan niet in de Bijbel om ons gerust te stellen, dat we alle tijd wel hebben. Nee, ze staan als zeer ernstige waarschuwing opgetekend, opdat wij de tijd op tijd uitkopen, opdat ook deze beproeving: blind staren op wat voor ogen is en dat stellen bóven het geloof dat Gòd regeert en rechtvaardig oordeelt op Zijn tijd!!!, ons niet in slaap sust waaruit wij niet meer wakker worden. Hoe moet de geschiedenis van vele eeuwen ons niet de ogen met geweld openbreken! Veel meer nog: één enkele waarschuwing van God!

En zien we dan àl die geweldplegers, àl die verleiders en misleiders, àllen die zich uitleven in allerlei slechtheid en valsheid, ze moeten ons des te meer waarschuwen en zó tot baken dienen. Hierin en hieruit blijkt opnieuw de grote BLINDHEID en KORTZICHTIGHEID en DWAASHEID van de mens. Van het ongeloof. Want de mens wil niet verder kijken dan hier en nu. Ook het rechtvaardig óórdeel van God over alle ongerechtigheid: wie vuil is worde nog vuiler. Huiveringwekkend: God benéémt de mens de weg tot bekering en gééft hem rechtvaardig over aan de eeuwige ondergang. Wie zal niet vrezen?

Want vervolgens loochent diezelfde mens het grote oordeel, waar ze Gods Woord van generlei waarde en zeggingskracht acht, ja, openlijk bespot en uitlegt naar èigen mening en gedachte. En de gedachte is springlevend: als God dìt toelaat, niet meteen ingrijpt, dan bestaat God niet, dan oordeelt en veroordeelt God niet, dan lijdt God met de mensheid mee en kan Hij aan al het kwaad ook niets meer doen. Tenminste …., naar het oordeel van de mèns! En zó onderwerpt die door de zonde BLINDE en DOVE en STOMME mèns het oordeel van de levende God aan zìjn kortzichtig oordeel en … vèroordeelt God, veroordeelt Gods Wóórd!

Tegelijk, die HOOGMOEDIGE mens wil voor God bepalen wat de geschikte tijd en gelegenheid en mate van Gods oordelen moeten zijn. Meteen vergetend, dat die oordelen HEMZELF in de eerste plaats betreffen. Hoe snel wordt EIGEN liggen in vloek en zonde vergeten! Hoe gemakkelijk spiegelt de ene mens zich aan de ander en schijnt daardoor zelf ‘schoon’. En dat wordt gemakkelijk bevordert door het kwaad van de ander te benoemen en uit te vergroten. Hoe doorslaggevend is de beeldvorming voor en bij anderen voor ons!

8 oktober 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *