4.4i. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 15:16, 17: ‘Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en [dat] uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van de Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u [dat] geve. Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefhebt.’
De Heere Jezus benadrukt het zo, dat àlle initiatief aan Zijn kant ligt. Hoe moet de mens zich telkens weer scherp voor ogen stellen: IK LIG VAN MEZELF MIDDEN IN DE DOOD! Hìj moet mij eerst tot leven wekken, wedergeboren doen worden, door Zijn Geest en Woord. Dàn, daarná is er die opdracht: heengaan, vrucht dragen. Wee ons, als we die orde vergeten, als we die orde omdraaien in al onze hoogmoed en eerzucht. Onze totale àfhankelijkheid van Hèm. Dàn, die geweldige opdracht, ieder op zijn plaats, ieder met de gaven en talenten die hij kreeg, ieder gedurende de weinige dagen van ons leven hier. Uitstel kan dodelijk zijn, niet wetend of we ‘morgen’ krijgen.

De Heere Jezus geeft daarbij een grote belofte: ontvangen van de Vader, wat we in Christus Naam van Hem begeren. We stonden er al eerder bij stil. Het is wonder op wonder! Niéts is er in ons waarop wij ons kunnen beroemen: MIDDEN IN DE DOOD, DOOR ONZE ZONDE! Dat is onze positie! Dan, tòch dááruit geroepen, om niet! Door Gòd in Zijn verbond geplaatst, door de heilige doop, toen we pas geboren waren. Wij wel, anderen niet, rechtvaardig! Daarbij: beloften! Elke vanzelfsprekendheid moeten we direct inslikken. Wonder op wonder, genade op genade, liefde op liefde, barmhartigheid op barmhartigheid. Door Christus offer.

Heeft u wel eens een rank gezien, die zijn Wijnstok uitkiest?

– Johannes 15:21, 23-25: ‘Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft. Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader. Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat. Maar [dit geschiedt], opdat het woord vervuld worde, dat in hun wet geschreven is: Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat.’
ZO GROOT IS DE DOOD VAN DE ZONDE! God is tot het einde gegaan, om zondaren te trekken, te bevrijden, te verlossen, te herstellen, uit die macht van duivel, zonde en dood. De mens wìl niet, vanuit zichzelf. En daarom kàn hij ook niet en dóet hij het ook niet vanuit zichzelf. Hoe onmogelijk is het voor ieder mens die EIGENDUNK in zichzelf te doden en héél de verlossing op rekening van Jezus Christus te zetten.

Hoe groot is telkens weer de verleiding van de duivel: het kan ook náást! God dienen èn de wereld liefhebben en volgen. Meteen is er het volgende: de duivel verzwìjgt!!!: het gaat geruisloos van kwaad tot erger. Hij verzwìjgt!!!: het einde is de eeuwige dóód, het eeuwig van God verlaten zijn, met mij, waar geen spoor van barmhartigheid te ontdekken is. Dat is mijn aard, na mijn revolutie: PUUR ONBARMHARTIG! Hij verzwìjgt!!!: God is Eén! en daarom was en is mijn revolutie kansloos en móest en móet hij totaal mislukken. Ook àl mijn woedend vertoon en dat van al mijn volgers onder de mensen – nu al duizenden jaren lang – ze helpt daartoe niéts! Want God is Eén, en ik sidder! Want ik wéét: Hij kòmt! Zijn oordeel staat voor de deur, onherroepelijk.

Bovenstaande tekst onderstreept die Eénheid, hier weer. Opdat we dat vàst geloven en ons daaraan vastklemmen.

De mens kàn zien Gods grote liefde, Gods grote barmhartigheid en ontferming, Gods grote geduld in het roepen en trekken van zondaren tot geloof, uit de macht van dood en duivel en zonde; de mens kàn zien de werken, die Christus onder de mensen gewerkt heeft, die niemand anders gedaan heeft, die Hij in navolging en opdracht van de Vader deed. De mens ziet het niet, wìl het niet zien, háát het zien ervan. Hoe overtuigend is de mens in zijn beslissende keus vóór de DOOD! Hij wil daar onder geen beding op terug komen en erkènnen, erkènnen, dàt hij door èigen schùld daar midden in ligt en er geen moment over piekert alleen uit genáde!!! daaruit verlost te worden.

De mens volgt de duivel, die de mens van dag tot dag voorhoudt, dat die gezètte VIJANDSCHAP – Genesis 3:15 – eigenlijk niet bestaat. Mens, zie je wel, het kan ook, nog steeds, náást elkaar. En de mens volgt hem daarin, heel volgzaam, zonder enig protest, ja, willens en wetens! In volmaakte doodsslaap. In vol vertrouwen. Wie durft de duivel te wantrouwen?

Maar wordt die doodsslaap verstóórd, verstóórd door Gods bevrijding en verlossing uit de macht van dood en zonde en duivel, dan is dàt – en dàt alléén!!! – de enige aanleiding en oorzaak van en tot die dodelijke vijandschap en haat!

Het geloof verstaat dat, het ongeloof verwerpt dat. Daarin overwint het geloof de oude mens, het natuurlijke leven en verstaan en begrip van die oude mens. Daarom ìs er die dagelijkse strijd tussen geloof èn vlees en bloed en begeren, omdat we die oude mens zo goed kènnen in haar begeren, in alle verleiding en verlokking om te voldoen aan die geweldige zuigkracht náár dat begeren. Die oude mens hùnkert naar alle verwijdering van alle scherpe kantjes die het geloof vraagt, ja, die die gezètte vijandschap stelt en eist.

Daarom is die strijd er levenslang. Niet zo, dat er elke dag wisselende kansen zijn, en dat we maar moeten hopen, dat het ‘goed’ afloopt. Nee, door waar geloof strijden we elke dag weer en gaan we door dat geloof ons oude IK met al haar begeren steeds meer overwinnen en kruisigen en zó, zó alléén gaat Christus in ons regeren door Zijn Geest en Woord en láten we ons door Hem regeren. Maar dan doen wij het zèlf niet, maar dan doet Hìj dat. HIJ WOONT EN WERKT IN ONS EN REGEERT ONS LEVEN, EEUWIG.

Lees bij voorbeeld Romeinen 7 en 8. Hoe uitgebreid wordt onze natuurlijke gesteldheid beschreven, maar daarna Christus overwinnende en triomferende werk in ons. Tot Zijn eer, eeuwig!

Het is waar, door het geloof verstaan we. Onze oude mens, ons oude IK verstaat het niet, kan het niet verstaan, wil het niet verstaan, ja, voor ons oude IK is het één grote dwaasheid. Hoe duur is de opdracht: GELOOF! Mens, geloof Mij op Mijn Woord!

– Johannes 16:25-28: ‘Deze dingen heb Ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt, dat Ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van de Vader zal verkondigen. In die dag zult gij in Mijn Naam bidden; en Ik zeg u niet, dat Ik de Vader voor u bidden zal; Want de Vader Zelf heeft u lief, dewijl gij Mij liefgehad hebt, en hebt geloofd, dat Ik van God ben uitgegaan. Ik ben van de Vader uitgegaan, en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld, en ga heen tot de Vader.’
De Heere Jezus onderwijst Zijn discipelen naar dat zij aan kunnen. Telkens weer dat grote wonder: Gods werk – de verantwoordelijkheid van de mens. Buiten Gods werk kàn de mens niets, toch blijft de mens volledig verantwoordelijk of hij gelooft of niet gelooft. Daartoe Gods Woord als enig Richtsnoer. Daarin, daar doorheen Gods verkiezend welbehagen, ook, Gods rechtvaardig oordeel. We leggen de hand op de mond: wie kan dit verstaan?

Nee, we zijn geen onafhankelijke, neutrale toeschouwers, die vanaf de zijlijn observeren en waarderen naar eigen goeddunken. Wij vallen allemaal onder het eeuwig oordeel van God, rechtvaardig. Dat moet telkens weer voorop staan. Met dàt voor ogen moeten we Gods verkiezend welbehagen benaderen en roemen en prijzen. Daarin centraal het ene offer van onze Heere Jezus Christus. Daarbij onze persoonlijke verantwoordelijkheid, waarin we van dag tot dag hopeloos tekort schieten in het dragen en volbrengen van de verplichtingen die God van ons vraagt. Alle HOOGMOED en EIGENDUNK in ons moet verbrijzeld worden. Houden we er aan vast, God geeft ons aan onszelf over in alle hoogmoed en eigendunk en we hebben géén deel aan Christus en Zijn offer.

We zien opnieuw de liefde, de echte liefde van mensen tot Jezus Christus, tot God de Vader, tot God de Heilige Geest, tot Zijn heilig Woord. Die liefde, die God onverdiend in onze harten legt, die liefde, die nog zo gebrekkig en zwak is. Toch wil God die door Hem Zelf gewerkte liefde beantwoorden met Zijn liefde naar ons toe. En die liefde is sterk en onverbrekelijk, ja, volmaakt en door niets of niemand te verbreken.

De Heere Jezus verbindt hier het gebed aan, het gelovig gebed. Hoe zal het gebed van een mens God aangenaam zijn, als diezelfde mens er niet voor terug schrikt Gods Eigen Woord van bladzij tot bladzij te verloochenen en in twijfel te trekken? Of náást het Woord ook allerlei fantasie van mensen als waar en waarachtig aan te nemen? Vergeet niet: niémand kan twee heren dienen!

En zó is er elke dag weer die beslissing: alléén God dienen naar Zijn Woord òf God niét dienen naar Zijn Woord maar in alle eigenwilligheid. Het ware geloof onderwerpt zich van harte aan Gods Woord en laat zich keer op keer Daardoor gezeggen en leiden. Het eigenwillige ‘geloof’ onderwerpt zich niet, maar handhaaft èigen wil en èigen inbreng en èigen fantasie en èigen regeltjes en wetjes en gebodjes, hoe vroom gebracht en ingekleed ook. Het blijkt telkens weer, dat het eigenwillige ‘geloof’ zich niét laat gezeggen, zich niét laat waarschuwen, zich niét laat vermanen, maar steeds weer allerlei eigenwilligheid aanvoert en inbrengt en voorwendt om dat te ontgaan.

Blijft het terechte vermaan aanhouden, dan moet dat tot stoppen gedwongen worden, hoe dan ook. Hoe blijkt dáárin en dááruit, dat alle voorgewend ‘geloof’ volzit met eigenwilligheid en dat nú blijkt, dat die eigenwilligheid op de troon zit, die alléén! Alle maskers worden afgegooid, het ware gezicht wordt openbaar: eigen HOOGMOED regeert, eigen EIGENDUNK heerst. Hoe gemakkelijk aapt de mens de duivel hierin na: zich voordoen als een engel van het licht.

God zegt in Zijn Woord: NEE!, alleen oprecht berouw, alleen totale zelfverloochening, alleen oprechte wedergeboorte neem Ik aan. Het offer van Christus moet ALLES zijn. Alsof Ik nog iets van de mens zelf nodig zou hebben, alsof Ik nog in iets van de mens, de menselijke inbreng afhankelijk zou zijn. Onmogelijk. Ondenkbaar.

– Johannes 16:30: ‘Nu weten wij, dat Gij alle dingen weet, en Gij hebt niet van node, dat U iemand vrage. Hierom geloven wij, dat Gij van God uitgegaan zijt.’
Wat een belijdenis! Alleen God alle eer. God legt het geloof in de harten van mensen, arme zondaars vanuit zichzelf. Dat geloof dringt naar buiten, via de mond, via de tong, en dat geloof belìjdt Gods grote Naam, Gods grote werk in mensen: geloof! En zó is God alles in allen, eeuwig.

– Johannes 17:9, 10: ‘Ik bid voor hen; Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uw. En al het Mijne is Uw, en het Uwe is Mijn; en Ik ben in hen verheerlijkt.’
Hoe heerlijk is dit gebed. We zagen, dat mensen openlijk beleden, dat Christus bidden door de Vader altijd verhoord wordt. Weer: die Eénheid! Wat een machtig gebed is dit. Hier moet alle kleingeloof beschaamd staan. Hierdoor moeten alle gelovigen nieuwe geloofskracht ontvangen, ja, tot en met bevestigd worden in het ware geloof. Elke onzekerheid, elke twijfel moet hier totaal wegsmelten. Hier mag en moet elke gelovige róemen in God, in Christus: dit gebed is vol kracht en majesteit, door niets of niemand te verzwakken. Christus bidt! De Vader hoort en verhoort!

Toen, vóór Golgotha, vóór Gethsemane. Nu, vele eeuwen ná Golgotha, Gethsemane, Pasen, Pinksteren. Ja, het heeft aan kracht niets ingeboet en het zal niets inboeten, totdat ook de laatste is toegebracht. Hem alleen alle eer en lof en aanbidding.

Huiveringwekkend, verschrikkelijk voor de ongelovige, de ‘gelovige’ in alle eigenwilligheid: dit gebed geldt hèn niét! Hoe radicaal is de scheidslijn. Tegelijk, hoe groot is de menselijke verantwoordelijkheid. Immers, de Heere behandelt de mens niet als een blok of stok, maar als verantwoordelijk mens.

Elke afwachtende lijdelijkheid is dodelijk. Niet dat God veranderlijk is, maar de mens zèlf vernedert zich daardoor tot een willoos blok of stok. Dat lijkt wel heel nederig en vol ootmoed, maar het miskent totaal Gods doelstelling in de schepping van de mens. Tegelijk wekt het de gedachte, dat de mens door God toch ook niet zo hoog geschapen is als beschreven staat. Opnieuw: miskenning en minachting van Gòds doel met de schepping van de mens. Hoe wil iemand, die zich daaraan moedwillig overgeeft, of dat léért, Johannes 7:16, 17 verstaan? Dit moet dan toch een enorme vergissing van de Heere Jezus zijn?

– Johannes 17:11, 12: ‘En Ik ben niet meer in de wereld, maar deze zijn in de wereld, en Ik kome tot U, Heilige Vader, bewaar ze in Uw Naam, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij een zijn, gelijk als Wij. Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik ze in Uw Naam. Die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.’
Het gebed in absoluut vàst vertrouwen, dàt God de Vader hen zàl bewaren in éénheid van het ware geloof. Daarbij de bevestiging van dat vast vertrouwen, daar de Heere Jezus na Zijn opstanding naar de hemel gaat, niet twijfelend, dat de Vader Zijn gebed zeker verhoort. Zó vast mogen de gelovigen zich ook vastklemmen aan- en vertrouwen op Gods beloften en Gods Verbond, alle dagen die God ons geeft, hier, nu, tot aan de jongste dag. Dàn trekt de Heere Jezus Zijn kinderen tot Zich om eeuwig bij Hem te zijn. Niemand zal dan gemist worden.

Hier spreekt de Heere Jezus van Judas Iskariot, de verrader, één van de twaalf. Dan, direct daarna: ‘opdat de Schrift vervuld worde.’ Dat is telkens weer het terugkerend refrein: ‘opdat de Schrift vervuld worde.’ Welke Schrift? Wel, Die God geopenbaard heeft, gegeven heeft. En dan móet de Schrift wel zó eenvoudig en eenduidig zijn, dat ieder mens de Schrift voldoende kan verstaan. Elke gedachte, dat ‘het’ aan de Schrift ligt, dat de mens niet gelooft, is fantasie, is moedwillige blindheid. Maar de mens kan niet achterover leunen in afwachtende houding dat ‘het’ vanzelf moet komen aanwaaien.

De Heere hóudt de mens zèlf verantwoordelijk voor zijn doen en laten, ook, vooral in zijn omgaan met de Schrift, Zijn Woord. We wezen zojuist op Johannes 7:16, 17. Willen we onszelf en anderen echt doen geloven, dat het zuiver onderkennen en onderscheiden ook wel kan als we de Schriften niét kennen, niét bestuderen, niét vast geloven? Maar dan was Christus bevel om de Schriften te onderzoeken dus blijkbaar ook gericht aan het eerste het beste voorwerp, en niet aan de verantwoordelijkheid dragende mens.

Hoe vaak heeft de Heere Jezus Zijn discipelen verweten, dat zij niet zagen, niet geloofden, niet verstonden, niet begrepen. Was dat, omdat ze niet konden? Of was het verwijt terecht vanwege hun traagheid, hun lauwheid. En zo blijkt elke keer weer: God gééft, Hij Alleen. Daarbij: Hij schakelt de eigen verantwoordelijkheid van ieder mens niet uit, maar Hij wijst de mens daar telkens opnieuw op, want zó – met die verantwoordelijkheid! – heeft Hij de mens geschapen. De zondeval neemt die verantwoordlijkheid niet weg of ontneemt de mens die verantwoordelijkheid, maar God blìjft die mens aanspreken op zijn verantwoordelijkheid. Zó, opdat Gods rechtvaardigheid volmaakt blijkt in Zijn rechtvaardig oordeel.

– Johannes 17:15-21: ‘Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van de boze. Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. Heilig ze in Uw waarheid; Uw woord is de waarheid. Gelijkerwijs Gij Mij gezonden hebt in de wereld, [alzo] heb Ik hen ook in de wereld gezonden. En Ik heilige Mijzelve voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor degenen, die door hun woord in Mij geloven zullen. Opdat zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons een zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt.’
Ook als de Heere Jezus hier opnieuw zo breed die Eénheid noemt en aanwijst van Hem en de Vader en daarbij het Woord, het geopenbaarde Woord, dan moet ons het schaamrood diep op de wangen staan. Inderdaad, zó hardleers zijn wij, zùlke trage en lauwe leerlingen, dat we niét verstaan, niét begrijpen, niét geloven op het eerste zeggen. Dan roemen we in Gods geduld, dat Hij het opniéuw zó uitvoerig, zó breed, zó duidelijk uitlegt, opdat we elke uitvlucht van ‘niet kunnen’ aan de kant móeten leggen en alleen maar kunnen en moeten toegeven: IK WIL NIET!

Het is de hoogste ernst. God wil niet dat iemand verloren gaat, iemand, die door moedwillige ongehoorzaamheid de dood verkoos. We beginnen hier iets te zien van de eeuwige wroeging in de hel, waar de mens Gods grote geduld steeds weer herinnert en daarbij bedenkt: IK WILDE NIET LUISTEREN, NIET GEHOORZAMEN, EN DAAROM, DAAROM, DAAROM, BEN IK NU VAN ALLES EN IEDEREEN VERLATEN, EEUWIG, LIGGEND ONDER GODS TERECHTE VLOEK EN TOORN.

Dan: ‘En Ik heilige Mijzelve voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid.’ Hoe heeft de Heere Jezus gestréden om Zijn opdracht in alle heiligheid en gerechtigheid te volbrengen, naar Gods eis. Zijn hele leven op aarde geeft daarvan een zuiver getuigenis. Willen wij dan zeggen, dat Zijn eis aan de mens om ‘geheiligd te mogen zijn in waarheid’ een vrijblijvende wens is, zònder aanwijsbare gevolgen, in leer, in leven, in woord, in daad?

De Heere Jezus getuigde: Uw Woord is de waarheid. En met dàt Woord zendt Hij de Zijnen de wereld in om te getuigen, om dat Woord te verkondigen, om dat Woord te verspreiden. Dat Wóórd, niet een eigen variant of fantasie daarop of een aftreksel daarvan. Dat Wóórd! Dat Woord is de waarheid. Afdoen, toedoen, naar eigen believen, betekent daarmee, dat de waarheid geweld aangedaan wordt zo gauw de mens er iets vanaf doet of aan toedoet. Wie neemt genoegen met een deel? Wie verdraagt het, dat mènsen, zòndáren – van nature stekeblind! – zich verheffen bóven de Zoon en feitelijk zeggen: het kan ook wel zo, met iets minder, met dit erbij?

Het bewijst opnieuw: we moeten Gods Woord bestuderen, kennen, om niet verleid, misleid te worden met allerlei drogredenen, allerlei van de waarheid afvoerende redeneringen. Weer, die eigen verantwoordelijkheid. Hoe staat die eigen verantwoordelijkheid in het blijven in dat geheiligd zijn in de waarheid, puur vijandig tegenover alle vrijblijvendheid en eigenwilligheid. Tonen, bewijzen we ons kinderen te zijn van de gerechtigheid, het koninkrijk van God, paradijskinderen, òf wìllen we midden in de dood blijven liggen in alle ònheiligheid, òngerechtigheid, waarbij we de leugen voor waarheid houden en het slaaf van de knecht zijn verkiezen.

Dan is er de levenslange strijd: heilig leven, heilig vast blijven houden aan het ene volstrekt betrouwbare Woord van de levende God òf de strijd opgeven en blijven in de zonde en in de dood. Dan strijden we in het geloof niet in de eerste plaats tegen mensen, maar dan proberen we de geesten te beproeven en scherp te onderkennen en te onderscheiden of de geest die zich aandient uit God is of niet uit God, dat is uit de duivel. Dan is het volgen òf uitwerpen, bestrijden, de oorlog aandoen. Niet aarzelen, niet twijfelen, omdat het dié of dié persoon, personen betreft. Die orde moeten we in acht nemen.

Verderop hopen we hier nog wat meer over te zeggen.

Voor het menselijk oog is het een onmogelijke strijd, voor het verstand een niet te winnen oorlog. Kijk: ons verstand, zo beperkt en tekortschietend; kijk: onze kracht, zo zwak, zo beperkt, zo onhandig; kijk: ons aantal, zo klein, zo nietig; kijk: de tegenstand, zo groot, zo imponerend, zo massaal, zo indrukwekkend, zo alles overstromend.

Zullen we niet maar meteeen stoppen??? Maar kijk, ons Hoofd is Jezus Christus! Hij overwon! En … in en door Hem mogen en kunnen we overwinnen, want Hij bewaart ons in die strijd en Hij gééft ons de overwinning en doet ons delen in Zijn overwinning. Want die strijd is in de eerste plaats geestelijk.

Dan gaan we heel anders taxeren. We taxeren niet meer naar wat voor ogen is, naar wat beredeneerd wordt, maar we zien Hèm, Jezus Christus, de Overwinnaar. Nu mogen we de moed niet meer verliezen, nu mogen we niet meer wanhopen, nu mogen we nieuwe moed putten en standvastig en vastberaden de strijd voeren. We strijden niet voor ons zelf, we strijden voor Gods eer, Gods roem, Gods majesteit, waar deze zondeperiode – tussen zondeval en jongste dag – voorbij gaat en straks voltooid verleden tijd is.

De wereld kan dit alles zien, weten. Opdat de wereld zich bekeert, de wereldmens.

God heeft ons in die wereld geplaatst, daar, zo lang, met die gaven en talenten, ook met al die zonden en gebreken en tekortkomingen, met die taak, die verantwoordelijkheid: ZAAI, ZAAI HET WOORD, in woord en daad, zolang het kan, in alle heiligheid en reinheid, in alle waarheid. Daarbij, daaraan voorafgaand: heb Mij lief, heb Mijn Woord lief, heb je naaste lief, zoek voor hem het beste, zijn behoud. Maar: ZAAI, PLANT, BEGIET. In alle getrouwheid. Bidt daarbij om vruchten van bekering en geloof. Dat is Gods werk, Zijn werk alleen.

Maar ook ons leven in ongeloof, in ongehoorzaamheid, is zaaien, is laten zien en aanmoedigen tot soortgelijk leven. Ook dat roept uit tot vruchten, slechte vruchten, totaal ongeschikt voor het koninkrijk van God. Laten we zó ons leven beproeven en toetsen in leer en leven òf ons leven voor God heilig is of onheilig, vruchtbaar of onvruchtbaar. De Landman zoekt vruchten!

De veel geroemde ‘neutraliteit’ bestaat hier niet. We staan in dienst van de levende God of we blijven slaven van de revolutionaire knecht.

We delen in de Eénheid van God, eeuwig, òf we vallen uiteen in absoluut individualisme en tot individualisten in volstrekte ontbinding, los van God, los van de naaste, eeuwig.

– Johannes 17:22-26: ‘En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij een zijn, gelijk als Wij Een zijn; Ik in hen, en Gij in Mij; opdat zij volmaakt zijn in een, en opdat de wereld bekenne, dat Gij Mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt. Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld. Rechtvaardige Vader, de wereld heeft U niet gekend; maar Ik heb U gekend, en dezen hebben bekend, dat Gij Mij gezonden hebt. En Ik heb hun Uw Naam bekend gemaakt, en zal [Hem] bekend maken; opdat de liefde, waarmede Gij Mij liefgehad hebt, in hen zij, en Ik in hen.’

We leggen de hand op de mond. Wie kan hier iets zinvols over zeggen? Ziende op alle gebrokenheid, ziende alle ontwrichting en ontbinding die door de duivel en zijn volgers gewerkt is en wordt. De duivel zwijgt daarover en probeert de mens met al zijn vertoon en betovering te verleiden in hem te blijven geloven, steeds weer suggererend, dat dit iets is van voorbijgaande aard. Maar mòrgen, overmorgen, volgende week, dan …. Dan is er de volgende vredesconferentie, met afspraken, met overeenkomsten, met akkoorden, met …. Hoe vaak moet de mens weer constateren, dat al die gemaakte afspraken en gesloten verdragen geen blijvende waarde hebben, omdat ze nooit gemaakt zijn op grond van het vaste Woord van God, maar altijd op basis van menselijke bedenkselen en redeneringen.

Ieder mens kan dit zien sinds de zondeval. Er is geen enkele vooruitgang aan te wijzen.

De Heere Jezus spreekt hier zo ronduit over die onwrikbare Eénheid, alles en iedereen omspannend, in en door de absolute liefde. Opnieuw die Eénheid van Vader en Zoon. Vervolgens die roep om herstel, volmaakt herstel, eeuwig herstel, met hen die de Vader Hem gegeven heeft. De nieuwe hemel/aarde.

De Heere Jezus wijst op een ‘verleden’: vóór de grondlegging der wereld. Hoe gaat dat ons verstand ver te boven. Wat verstaat de mens van eeuwigheid?

Dan zien we die kleine sterfelijke mens met die verschrikkelijk grote mond en die onmetelijke eigenwaan, die zich beroemt op … ja, op wat? Want alles wat hij opnoemt, daarvan moet hij zeggen, erkennen: de Heere gaf en geeft het. Niéts is van of vanuit mijzelf. Over niéts heb ik blijvend de macht in en door mijzelf.

30 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *