4.4h. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 14:18-21: ‘Ik zal u geen wezen laten; Ik kom [weder] tot u. Nog een kleine [tijd], en de wereld zal Mij niet meer zien; maar gij zult Mij zien; want Ik leef, en gij zult leven. In die dag zult gij bekennen, dat Ik in Mijn Vader [ben], en gij in Mij, en Ik in u. Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelve aan hem openbaren.’
Hoe herderlijk en bemoedigend vertroost de Heere Jezus de Zijnen met deze woorden, met de inhoud van deze woorden. Ook deze woorden keren nooit leeg terug. Wat een geduld, wat een barmhartigheid, wat een liefde, wat een zorg. Tegelijk, wat een vermaning om Zijn geboden te bewaren, waardoor ze hun liefde tonen. Hoe worden die twee zaken aan elkaar verbonden: God liefhebben – Zijn geboden bewaren, onderhouden. Telkens weer zien we die Eénheid, Die onverwrikbaar is, omdat God Die toont en bewijst.

– Johannes 14:28: ‘Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom [weder] tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.’
Christus bewaart en verkondigt de gestelde orde, opnieuw. Tegelijk toont Hij geduld met Zijn discipelen, daar Hij hun traagheid en onbevattelijkheid opmerkt. Maar Zijn liefde dringt Hem daartoe. Hoe moeten we – immers, wij zijn vanuit onszelf niets beter of sneller! – telkens weer alle hoogmoed en eigendunk afleggen en erkennen, dat het geloof een gáve, tegelijk een opgave is. Laten we ons extra inspannen om te horen en te verstaan, met het verstand, maar eerst in geloof.

– Johannes 15:1-14: ‘Ik ben de ware Wijnstok, en Mijn Vader is de Landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. Blijft in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zo zij niet in de wijnstok blijft; alzo ook gij niet, zo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok, [en] gij de ranken; die in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand. Indien gij in Mij blijft, en Mijn woorden in u blijven, zo wat gij wilt, zult gij begeren, en het zal u geschieden. Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt; en gij zult Mijn discipelen zijn. Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft, heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde. Indien gij Mijn geboden bewaart, zo zult gij in Mijn liefde blijven; gelijkerwijs Ik de geboden Mijns Vaders bewaard heb, en blijf in Zijn liefde. Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat Mijn blijdschap in u blijve, en uw blijdschap vervuld worde. Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn vrienden. Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied.’
De Heere Jezus benadrukt opnieuw, dat de mens, de gelovige, helemaal niéts vanuit zichzelf heeft of kan. ALLES moet hij ontvangen van Jezus Christus. En dat gewerkt door de Heilige Geest.

Opnieuw de Eénheid van Vader, Zoon, Heilige Geest en Woord. Daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ieder mens. Want de Vader – de Landman – let nauwkeurig op, of de ranken vruchten dragen. Want Hij zoekt goede vruchten, bekering, geloof, liefde, barmhartigheid, recht, rechtvaardigheid, trouw, zachtmoedigheid, waarheid, enz. Maar vindt Hij die niet waar Hij heel royaal het Woord gezaaid heeft, waar Hij veel zorg besteed heeft – opnieuw bemesten, nog een jaar wachten, denk aan de gelijkenissen – dan neemt Hij die ranken weg, onherroepelijk.

Als we dat lezen, dan moeten we ons zelf ernstig onderzoeken, of er bij ons vruchten van bekering en geloof zijn. Niet in het oog van mensen, niet naar de beoordeling van familie of bekenden of vrienden, maar naar het rechtvaardig oordeel van God. Kunnen we dat onderzoeken, kunnen we er van verzekerd zijn? Zeker, want de Schrift leert ons van bladzij tot bladzij wat we moeten geloven, Wie we moeten geloven, hoe we Hem moeten geloven op Zijn Woord, in woord en daad en gedachte.

Proberen we daarin trouw te zijn, dan zullen we opmerken, dat de vruchten daarvan niet anders zijn dan de vruchten die Christus oogstte op Zijn prediking: bekering, geloof, onverstand, verzet, laster, smaad, hoon, liefde, trouw, ontrouw, haat, verharding in ongeloof, volharding in geloof, het kruis, na het zoeken van het behoud van de naaste vergelding met smaad en laster en hoon – goed met kwaad vergelden! – ja, het betekent steeds meer totale zelfverloochening.

We moeten daarover niet verbaasd zijn, alsof ons iets vreemds overkomt. Wel merken we bij onszelf op, dat dat heel moeizame processen zijn, die heel moeilijk plaats krijgen, die met het verstand niet te begrijpen zijn. Ja, we zullen moeten opmerken, dat dat alles tégen ons vlees en bloed ingaat, dat we veel onbegrip oogsten en verwijdering zien. En vaak bespringt ons de gedachte: is dit ècht, moet het zó, is de mens zó hardnekkig?

Merken we deze ontwikkelingen op, we moeten niet verbaasd en verbijsterd zijn. Ja, wel over zoveel onbegrip en onverstand en traagheid en lauwheid. Maar dan moeten we eerst in de spiegel kijken: waren, zijn we zèlf anders, beter, actiever, vanuit onszelf? We zullen des te meer er voor moeten oppassen, dat we niet terugvallen in vroegere lauwheid en traagheid. Hoe gemakkelijk bespringt ons de gedachte: het helpt toch niet, het is allemaal tevergeefse moeite, ze luisteren toch niet. Hoe kunnen zulke gedachten ons verlammen.

Is er ons iets van voorzegd? We lezen in Handelingen 14:22: ‘Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.’ Of willen we onszelf en anderen voorhouden en doen geloven, dat die verdrukkingen er toen alleen waren? Maar als die verdrukkingen er niet zijn vanwege onze lauwheid en slapheid en toegeeflijkheid, dan moeten we wakker schrikken.

We moeten terug naar deze tekst: als rank zijn we verbonden met de Wijnstok: Jezus Christus. En Christus werkt door het Woord. Als rank hebben we dus niet anders te doen, dan het Woord van Christus zo getrouw mogelijk brengen in woord en daad. Niet meer, niet minder. Brengen we onze eigen fantasie, onze eigen redenering, we willen onszelf en anderen toch niet voorhouden, dat Christus de Wijnstok is en dat daarom al die eigenwilligheid uit Hèm voortkomt?

Overduidelijk heeft Hij betuigd, dat Hij Dàt leerde en onderwees, Wat Hij van de Vader gehoord en gezien had. De Vader is de Landman. Zou de Vader niet recht onderscheiden of het gebrachte en verkondigde Woord overeenstemt met Wat Hij de Zoon verkondigd en doen zien heeft? Zie die Eénheid!

Dan kunnen en mogen we op die weg alleen verder gaan, als we ons des te meer vastklemmen aan de Wijnstok, Christus, als we er des te nauwkeuriger op toezien, dàt we alleen met Zijn heilig Woord komen, niet toedoen, niet afdoen. Dat Woord, Wat tegen alle vlees en bloed en begeren ingaat. Dan mogen we ons vertrouwen stellen op de Landman, de Vader, die aan geen vijand toestaat, ons zó te benauwen en te verdrukken en te verbrijzelen, dat we geen rank meer (kunnen) zijn. Zeker, we kunnen zeer benauwd worden door tal van maatregelen, door tal van aanvechtingen. Maar vast in het geloof mogen we dan ook doen wat onze hand en mond vinden om te doen. God is immers bij machte openingen te geven, te bewerken, die voor ons onmogelijk en onwaarschijnlijk leken. Hij, de levende God, is immers de Landman, en de Wijnstok is immers Christus, de Levende, Hij, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde?

Zijn wij in al onze zwakheid en kleinheid en beperktheid trouw, Hij zal zorgen voor de vruchten daarop. Hoe, wanneer, wie, dat is aan Hèm. Voor ons geldt de opdracht: zaaien, zaaien in geloof, ruimhartig, vol goede moed, vast in het geloof, vol liefde tot God en de naaste. Zaaien: het hele Woord, zoals geopenbaard.

Dan lezen we, dat de Landman nauwkeurig oplet op de ranken die vrucht dragen: Hij snoeit ze, opdat ze meer vrucht dragen. We moeten scherp de door de Landman gezette orde zien. Hij zoekt vrucht, Hij zoekt meer vrucht. Daartoe snoeit Hij. Hij snoeit zó, dat die ranken zo geschikt mogelijk zijn om meer vrucht te dragen. Concreet: Alle natuurlijk begeren moet steeds meer ondergeschikt zijn en worden aan het dóel: goede vruchten dragen voor de Landman. Daartoe moeten we alle vertrouwen stellen in de Landman, Zijn beleid en arbeid en doel. Acht Hij het beter, dat ik dat doe, dat ik dit mis, dat ik die weg ga, dat ik over die berg moet, Hìj weet, wat goed is voor mij met betrekking tot het doel, wat Hij bepaalt.

Heeft u wel eens een rank gezien, die aan de Landman vertelt hoe Hij de rank het best kan verzorgen en snoeien? Toch zien we de hoogmoedige en eigenwillige zondaar, die aan God de Vader wil vertellen wat mag en moet en kan en nodig is, in Zijn huis, in Zijn dienst, tot Zijn eer.

De Landman stelt criteria: Zijn geboden bewaren, bij Zijn Woord blijven. Wie dat niet doet, is een onnutte rank en wordt afgehouwen en verzameld en in het vuur geworpen. Onnut, waardeloos, ongeschikt. Wie wil nog volhouden, dat hij de wil van de Landman, de Vader, niet kent, niet kan kennen? Het geldt ieder persoonlijk, daarna iedere naaste, zeker in de kerk. Onlosmakelijk zijn Gods werk en onze verantwoordelijkheid daarin.

Het algemene kenmerk, het algemene gebod: elkaar liefhebben, in waarheid, door het geloof. Hoeveel is daarvan te zien? Zien we niet veel vaker liefdeloosheid, uitkomend in een jagen naar eer, roem, macht, invloed, heerszucht. O, het is zeker, de mond stroomt over van liefde en vrede en verdraagzaamheid en tolerantie. Maar nu de praktijk, de dagelijkse praktijk, dag in, dag uit, jaar in, jaar uit, consequent.

Maar die liefde naar elkaar staat in orde ònder de liefde tot God, de liefde tot het Woord van God. En dan toch steeds weer jagen naar eer en roem en macht en invloed en heerszucht? Let op: de Heere Jezus spreekt over ranken. Wat is het verschil tussen de ene rank en de andere? Is de ene rank méér dan de andere? Kan de ene rank vanuit zichzelf méér, béter, dan de andere? Zijn er ranken, die kunnen, mogen heersen over andere ranken? Denk aan de voetwassing. U bent broeders.

Scherp moeten we zien, dat deze gegevens in orde staan bóven de invulling – in woord en praktijk – van het bijzonder ambt. Ook de meest begaafde, bekwame, geleerde, invloedrijke persoon is in het geloof: rank, in alles afhankelijk van de Wijnstok, Christus. Als de Landman, de Vader, ziet, dat de ene rank heerschappij voert, wil voeren over andere ranken, daarbij ranken verdrukt en vertrapt, zal Hij dat toestaan, zal Hij dat laten geworden?

Zal Hij ze niet met haast afrukken en verpletteren en verbranden? Jezus Christus – de Wijnstok! – kwam om te diénen, zullen de ranken – gekocht en betaald met Zijn kostbaar bloed – mogen heersen en onderdrukken, zullen ze gaven en talenten van andere ranken mogen vermorzelen ten gunste van eigen naam en eer en glorie? Zal de Landman hen niet direct onderkennen als valse huurlingen, verscheurende wolven, die in niéts verbonden zijn met de Wijnstok, Die kwam om te diénen? Als Voorbeeld! Hij wéét wat in de mens is, dàt de mens zó is, niet wedergeboren. Maar als de mens door waar geloof ìs wedergeboren, blijkt dan vervolgens, dat zijn doen en laten en spreken daar buiten blijven en dat hij gerust op de oude voet kan voortgaan? Blijkt daaruit niet duidelijk, dat zijn wedergeboorte één schijnvertoning is?

Dit betreft ieder persoonlijk, tot ernstige waarschuwing zich aan dergelijke wandaden niét schuldig te maken. Maar evenzeer betreft het ieder persoonlijk dergelijke wandaden ook niet door stilzwijgen toe te laten, ermee in te stemmen, ze aan te moedigen. Elke gedachte, dat we ons daarin ‘neutraal’ kunnen opstellen, gedragen, is vals. Herinner, we zijn ranken, verbonden met de Wijnstok. Los van de Wijnstok zijn we niets, kunnen we niets, weten we niets. Of zijn er ‘neutrale’ ranken, die niét onderkennen, niet kùnnen onderkennen, ook niet als ze gevoed worden vanuit de Wijnstok onder de voortdurende zorg van de Landman? Denk aan Johannes 7:16, 17. Die persoonlijke verantwoordelijkheid mogen en kunnen we nooit uitbesteden, uit handen geven, aan anderen. Niet wie zègt, maar die dóet! Er moet nog een aspect genoemd worden: we zijn leden van elkaar, leden van één lichaam, in en door het geloof. I Corinthiërs 12: als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Wie kan, wil, durft ‘neutraal’ zijn? Probeer dat eens uit in eigen lichaam: één deel is doodziek, andere leden doen net alsof er niets aan de hand is. Gaat het Hoofd van dat lichaam, Jezus Christus, zó voorop?

Is onze blindheid zo groot, zijn we zo kortzichtig of wìllen we gewoon niet zien, niet begrijpen, niet verstaan? Maar als het onszèlf betreft is het gejammer niet van de lucht en het meeleven niet aan te sjouwen?

Hoe blijkt telkens weer, hoe hopeloos kortzichtig we vaak zijn in het ons keer op keer focussen op bepaalde gedachten, bepaalde gegevens, bepaalde onderdelen van het Woord van God. Maar we moeten er onze uiterste best voor doen telkens weer de héle Schrift te lezen, naar de héle Schrift te luisteren, ons door de héle Schrift te laten onderwijzen. Hoe blijkt het dan telkens weer, dat we dat niet alleen, op onszelf kunnen, maar dat we elkaar zo nodig hebben. Immers, daartoe geeft de Heere de ranken aan elkaar, als leden van het ene lichaam, in dienstbaarheid.

Gods geboden bewaren, onderhouden, daaruit en daarin blijkt de liefde tot God, ook de liefde tot de naaste. Hoe blijkt de hele Schrift door, dat heerszucht telkens weer de kop opstak. Hoe staan de Evangeliën er vol van, dat de leiders, de geestelijke leiders van het Joodse volk er zich tot en met schuldig aan maakten. Hoe heeft de Heere Jezus er tegen en tegen de daaruit voortkomende uitwassen en praktijken gestreden. Hoe heeft Hij ze gehekeld en veroordeeld, Mattheüs 23. Openlijk heeft Hij verklaard: U HAAT MIJ! In Hem Zijn Woord, Zijn leer, die Hij van de Vader gehoord en gezien had.

Het slot: ‘Gij zijt Mijn vrienden, zo gij doet wat Ik u gebied.’ Hoe nauw sluit deze uitspraak aan bij Mattheüs 7:21. Voor hèn gaf Jezus Zijn leven. Hoe willen we onszelf en anderen tevreden stellen met zoveel lauwheid en laksheid en traagheid en gezapigheid en traditie? Dat zal nog een keer gaan, waar iedereen in diepe doodsslaap verkeert. Maar de beoordeling van mensen is van geen nut. Het oordeel van Jezus Christus bepáált. Hij oordeelt volmaakt rechtvaardig, naar Zijn heilig recht. Kunnen mensen nog afgeleid en beïnvloed worden door tal van bijzaken, Jezus Christus niet.

Opdat we ons goed realiseren, dat we niet op goedkope wijze rank zijn van de ware Wijnstok Jezus Christus. Hij vraagt veel, alles. Ook de Landman, de Vader vraagt veel, alles. Onze verantwoordelijkheid is groot en weegt zwaar, voor ons, voor de naaste, voor het volgende geslacht.

30 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *