4.4g. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 13:34, 35: ‘Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander liefhebt. Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.’
Hoe naadloos sluit dit gebod aan bij het gebod de Heere Jezus te volgen, ook in het elkaar de voeten wassen. Liefhebben, elkaar liefhebben. Echt liefhebben, ook als er alleen voorspoed en geluk is. Dat lijkt heel gemakkelijk, maar de gewoonte sluipt maar zo naar binnen, als dat het altijd zo blijft. En als het dan verandert, dan is de neiging er direct om een schuldige te zoeken en aan te wijzen.

Hoe blijken beproevingen een zware test te zijn om te doen blijken of de liefde ècht is, blìjvend is. Dat te meer, als de algemene mening tégen is. Dan blijken (alleen) woorden weinig meer te zeggen, woorden gesproken in het verleden. Nu is er de praktijk, nu is er deze beproeving, nu is er deze aanvechting, nu is er deze verleiding.

Met deze opdracht blijkt het, dat de Heere Jezus het elkaar liefhebben op geen enkele manier begrenst, beperkt, afbakent. Dat betekent dus, dat we elkaar altijd, overal, onder alle omstandigheden en verwikkelingen moeten liefhebben, levenslang.

Dit gebod moeten we niet op zichzelf bezien, noch op zichzelf houden, noch op zichzelf benaderen. Aan dit gebod gaat het andere gebod vooraan: God liefhebben boven alles. Doen we dat niet, willen we dat niet, aan dit gebod komen we nooit toe. Want deze liefde gaat ver boven alle natuurlijke, vleselijke liefde uit.

De Heere Jezus heeft op een andere plaats – Johannes 14:15, 21, 23, 24 – er heel nadrukkelijk op gewezen, dat God liefhebben tegelijk inhoudt Gods Woord, Gods geboden liefhebben. Opnieuw, hoe zullen we liefhebben, als we Ze niet kennen? Hoe zullen we liefhebben, als we Ze niet vertrouwen? Als we de Auteur – God – niet liefhebben, vertrouwen, kennen, ons voor Hem in diep ontzag en eerbied neerwerpen en aanbidden, ja, dan moet Zijn Woord voor ons ook nietszeggend zijn.

Is Zijn Woord, zijn Zijn geboden nietszeggend, dan is ook dit gebod van Christus: elkaar liefhebben, op zijn hoogst een wens, waarmee we vrijblijvend kunnen omgaan, al naar gelang het ons uitkomt.

Hebben we God, Zijn Woord, Zijn geboden wèl lief, dan hebben we ook elkaar lief, echt lief. Maar wel in de juiste orde: eerst God, Zijn Woord, Zijn geboden. Dan elkaar.

Nu wordt er veel onder liefde samengevat. En veel is daar ook zeker onder samen te brengen. Alleen, als de situatie moeilijker wordt, als er spanningen zijn, komen, als er onenigheid is, verschil van inzicht, verschil in karakters, aanleg, als belangen hun tol gaan eisen, als eer en aanzien en macht en invloed hun aandeel vragen, als geld de aandacht vraagt, dan kan de liefde gemakkelijk verkillen. En als de liefde verkilt, kunnen ondergeschikte zaken maar zo leiden tot ruzie, scheuring, verkettering. Afgezien nog van alle aspecten die die ontwikkeling kunnen aanjagen, aanscherpen, tot een onontwarbare kluwen van intrige en intimidatie en verdachtmaking kunnen maken.

En voor we het weten worden we gedwongen partij te kiezen, vóór of tégen. En met een standpunt worden ook aanverwante dingen, uitspraken, beslissingen aangewreven, met alle gevolgen. De kettingreactie. Over de liefde tot God, Zijn Woord, elkaar, wordt gezwegen, die is buiten beeld. Alsof die liefde daar buiten staat. Maar juist die liefde in de juiste (volg)orde moet ons bij God en bij elkaar houden en bewaren.

Want telkens weer moet het ons heel scherp voor ogen staan: hebben wij God lief, Zijn Woord, Zijn geboden, we móeten elkaar liefhebben en vasthouden. We moeten het verdragen, dat er verschillen zijn, verschillen in mensen, in aanleg, in karakter, in gaven, in talenten, in graden, in hoedanigheid. Omdat God het zo heeft goedgedacht! Zijn veelkleurigheid daarin, ook Zijn beproeving daarin òf wij elkaar zó verdragen en accepteren als van de Heere ontvangen broeders en zusters.

Maar tegelijk: echte liefde ziet heel scherp, zeker in het geloof. Daarom is het ook onmogelijk, dat echte liefde òngehoorzaamheid aan het Woord, aan God, over het hoofd ziet, onbesproken en onweerlegd laat. Dan kàn de liefde niet zwijgen. Tegenover God niet, tegenover de naaste niet. Dat moet telkens weer voorop staan: de volmaakte betrouwbaarheid van Gods Woord. Daarom hebben we dat Woord lief. Daarom zwijgen we niet als het Woord geweld aan gedaan wordt, als (delen van) dat Woord als onbetrouwbaar en onwaarachtig voorzien worden van vraagtekentjes. Want maar zo herhalen we wat de duivel in het paradijs deed.

De Heere Jezus zegt: ‘Hieraan zullen zij allen bekennen, dat gij Mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander.’ Die liefde onder elkaar is de graadmeter voor de buitenwacht. Maar die liefde mag nooit los gezien worden van de liefde tot God, tot Zijn Woord. Die orde moet steeds in acht genomen worden, ook door de buitenwacht. Gebeurt dat niet – en weinigen nemen daartoe de moeite – dan worden zaken en personen zo vermengd en scheefgetrokken.

Hoe zullen we ook dan moeten onderkennen, dat de duivel en zijn volgers er alle belang bij hebben, als Christus kerk in een verkeerd en verdacht daglicht komt te staan. Ze zullen er alles aan doen, om dat vuurtje aan te blazen en de zaak nog verder uit elkaar te jagen. Bedenk: ontbinding en ontwrichting zijn de kenmerken van de duivel en zijn volgers, vermengd met leugen en doodslag, gevoed door háát.

De gelovige moet zich daardoor niet laten verontrusten. In zuiver geweten voor God en naaste moet hij de geboden weg bewandelen, daarbij niet afwijken naar rechts of links. En wat mensen zeggen, wat mensen er van maken? Leg het voor God neer. Is Christus daarin niet ten einde toe verzocht geweest met alle valse aantijgingen en laster en smaad en hoon en spot? Hij wéét en Hij oordeelt op Zijn tijd volmaakt rechtvaardig.

– Johannes 14: 1: ‘Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.’
Hoe bemoedigt de Heere Jezus Zijn discipelen. Hij roept hen op tot volharding in het geloof, ook nu Hij de meest vernederende en smadelijke lijdensweg moet gaan. Als Rechtvaardige, om zondaren vrij te kopen. Maar o, dat onverstand, die kortzichtigheid, dat kleingeloof. Hoe moet dat telkens weer gevoed worden, bemoedigd, aangespoord. Hoe vaak komen we dat ook in eigen geloofsleven tegen en moeten er tegen vechten. Tegelijk de erkenning: Heere, zo U ons niet van ogenblik tot ogenblik vasthoudt en aanzet tot volharding, Heere, wij zouden struikelen en vallen en nooit weer opstaan. Op U zijn onze ogen gericht, op U Alleen.

– Johannes 14:15: ‘Indien gij Mij liefhebt, zo bewaart Mijn geboden.’
We noemden deze tekst al eerder. Het is een gebod van Christus. Hoe bindt Hij deze twee zaken aan elkaar als onlosmakelijk. Hier is het een gebod. Zoals we zagen in Mattheüs 7:21 is dat in het grote oordeel het breekpunt: die dóet! We lezen het gebod, het oordeel is nabij. Onze verantwoordelijkheid is er hier en nu. Eerst voor God, ook voor de naaste.

– Johannes 14:16, 17: ‘En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; [Namelijk] de Geest der waarheid, Welke de wereld niet kan ontvangen; want zij ziet Hem niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem; want Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn.’
Christus benadrukt opnieuw die Eénheid. Hij bidt, de Vader zal zenden. Dan, de Trooster, de Heilige Geest, de Geest der waarheid blijft tot in eeuwigheid bij Zijn kinderen. Hoe troostvol, hoe bemoedigend. Ja, ook door dood en sterven heen, zonder één ogenblik over te slaan. Is er één belofte van de duivel die hierbij ook maar in de schaduw kan staan? Laat staan de inlossing er van.

Zoals de wereld God niet kent, de Zoon niet kent, het Woord niet kent, zo kent de wereld ook de Heilige Geest niet. De wereld kan Hem ook niet ontvangen, omdat zij Hem niet kent. Telkens weer wordt ons die Eénheid getekend, opdat wij niet moedeloos zijn, niet vergeten, niet wanhopen temidden van een wereld, een mensheid, die van God niet wil weten, Zijn Woord veracht, ja, die God háát zoals de duivel doet en zo ook Zijn kinderen háát met een dodelijke haat.

Alleen in waar geloof kan een mens daarin staande blijven, niet in eigen kracht. God moet hem staande doen blijven. Daartoe heeft Hij de Heilige Geest gezonden, Die in ons werkt en woont, eeuwig. Hij zal niet toelaten, dat één van de Zijnen verloren gaat.

30 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *