4.4a. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 5:23: ‘Opdat zij allen de Zoon eren, gelijk zij de Vader eren. Die de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft.’
We spraken al eerder over die Eénheid tussen de Vader en de Zoon. Maar ook al de menselijke dwaasheid die geopenbaard is vanaf de zondeval, ze heeft op geen enkele manier en in geen enkel opzicht afbreuk kùnnen doen aan die Eénheid. Oók éénheid in eer. De Heere Jezus verwijdert elk (mogelijk) misverstand: òf èn de Vader èn de Zoon worden geëerd, òf geen van Beiden. De Eén weigert alle eer, indien de Ander daarin gepasseerd wordt. Opdat de mens beseft en erkent, dat het werk tot verlossing, herstel, Gòds werk is, helemaal. Dat betekent erkenning van Gòd, God als Schepper, Regeerder, de levende God waartegen de duivel en vervolgens de mens zondigde. God, Eén in Wezen.

– Johannes 5:39: ‘Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben; en die zijn het, die van Mij getuigen.’
Hoe belangrijk is dit bevel, deze opdracht. Diverse keren hebben we daarbij vragen gesteld, hoe de mens het mogelijk acht, geloofwaardig wil houden, dat we zèggen God te dienen, God lief te hebben, verlangen naar de hemel, terwijl we daarnaast nauwelijks iets doen om God recht te kennen, oprecht te leven naar al Zijn geboden. Daarbij ook het voorgaande, dat we de Zoon recht kennen en volgen in Zijn woorden, in Zijn doen, zoals Hij van de Vader gehoord en gezien en geleerd heeft.

Maar hoe zullen we de Schriften onderzoeken, als we diezelfde Schriften onder ònze loep leggen en beoordelen inzake waarheidsgehalte en betrouwbaarheid naar ònze mening en redenering en daarin zo gemakkelijk eerst luisteren naar de mening en redenering en fantasie van mensen? Terwijl we zo goed (kunnen) weten, dat onze mening en redenering zo veranderlijk zijn als wind. Ofwel, wie daarin vastheid, betrouwbaarheid, waarheid zoekt, die zoekt tevergeefs.

In deze uitspraak is elke onzekerheid afwezig. Jezus beklemtoont de uitermate grote betrouwbaarheid van dàt getuigenis. En zo kan en mag het niet anders zijn, dan dat we met en vanuit déze overtuiging het Woord van God openslaan. Dit is het Woord van God, volmaakt betrouwbaar, omdat Jezus het hier (opnieuw) onderstreept en bevestigt. En daarom zullen we eerbiedig moeten lezen en eerbiedig moeten luisteren en eerbiedig moeten onderscheiden.

Of willen we nog volhouden, dat het afwijken van het Woord niet direct daarmee de betrouwbaarheid van héél de Schrift aantast? Staan we dàt toe, hebben we dáár geen moeite mee, ja, dan is Schriftonderzoek ook maar een ijdel tijdverdrijf, een onnutte bezigheid. Die betrouwbaarheid moet heel vast voorop staan, die moet ons helemaal in beslag nemen, die moet hecht in ons wonen. Daarmee staat of valt het geloof, en het leven in en uit het geloof.

Hoe kunnen we de Schriften betrouwbaar achten? Alleen als we de Gòd van de Schriften betrouwbaar achten en Hèm vast geloven op Zijn Woord. Als we Hem vertrouwen, dan kunnen we Hem ook liefhebben. Vertrouwen we Hem niet, dan is onze liefde schijn.

Maar vertrouwen we Hem vast, hebben we Hem hartelijk lief, dan begeren we ook van harte naar al Zijn geboden te leven. Niet om daarmee iets te verdienen – immers al onze werken zijn onvolmaakt! – , wel om onze diepe dankbaarheid daarin te tonen en te bewijzen.

Tegelijk is het dan onmogelijk, dat we er niet onze best voor doen Hem steeds beter te leren kennen en lief te hebben. De Heere zal ons steeds meer vervullen met Zijn liefde, ons hart steeds meer openbreken en erin wonen met Zijn Geest en Woord. Het zal worden tot bronnen van levend water. Kunnen we zwijgen? Dat is dan toch onmogelijk? Tegelijk zal zich dan de háát van de duivel, zijn volgers openbaren in de hun bekende werkwijzen.

Dan blijft het niet een privé aangelegenheid van ieder voor zich, maar dan proberen we ook elkaar daarin te helpen en te bemoedigen en aan te sporen, belangeloos. Nooit mag het gaan om eer van mensen, altijd tot eer van God. Betweterigheid is daaraan vreemd.

Maar het niet doen, het uitstellen, het af laten hangen van allerlei faktoren, dat geeft een duidelijke inkijk in onze gezindheid voor God. En die moet uiteindelijk voor God en mensen doen blijken van en voor wie ons hart in liefde brandt.

– Johannes 5:44: ‘Hoe kunt gij geloven, gij, die eer van elkander neemt, en de eer, die van God alleen is, niet zoekt?’
De Heere Jezus plaatst de éér voor de aandacht. Hoe eergevoelig en eerbelust zijn mensen. Want mèt eer komt meestal aanzien, respect, bewondering, roem mee. Hoe streelt eer ons imago. En als we het jagen naar eer als dóel stellen, dan is het middel daaraan ondergeschikt. Maar als het om geloof gaat, dan komt Gòd alle eer toe. Hìj werkt het geloof, soeverein. En zo zien we, dat we heel goed moeten opletten, dat eer in òrde en vòlgorde altijd ná geloof komt.

En willen mensen ons dan nog eren, laten we er op bedacht zijn: het geloof is een gave van Gòd. De talenten, die we ontvingen, ze zijn gáven van Gòd. God gàf, God kan ook (plotseling) afnemen. Opdat we er steeds op bedacht zijn, dat eer van mensen heel gevaarlijk kan zijn, veel kan bederven, de verhoudingen blijvend kan verstoren. Want maar zo worden personen met méér talenten – tenminste, die hier van belang zijn – verheven boven personen met mìnder talenten.

Hoe moeten we steeds voor ogen houden, dat Gòd soeverein talenten gééft, aan deze die, aan anderen andere, aan de één meer, aan de ander minder. Dat is Zìjn zaak! En Hèm moeten we eren, ook al begrijpen we er niets van. Het is zo verleidelijk de eer die de Géver toekomt toe te brengen aan de ontvanger van de gaven. Hoe onderwijst I Corinthiërs 12 ons daarin over de geboden òrde en vòlgorde. Zie artikel 52 Eén lichaam I.

Hoe onderscheidend moet de gelovige met eer ànders omgaan dan de ongelovige, die eer geeft, die eer ontvangt. Laat de gelovige zich nadrukkelijk laten onderwijzen door het Hoofd, Christus. Hoe doorziét Hij hier de eergevoelige mens en hoe wijst Hij hier de geboden òrde aan.

– Johannes 5:46, 47: ‘Want indien gij Mozes geloofdet, zo zoudt gij Mij geloven; want hij heeft van Mij geschreven. Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zult gij Mijn woorden geloven?’
Hoewel Mozes een mens was zoals wij, wijst de Heere Jezus hier toch met name op Mozes, op de door hem geschreven boeken. Dat kàn Hij alleen doen, als Hij wéét, dat Mozes die boeken niet naar eigen bevinding en lust en fantasie heeft geschreven, maar gedreven door Gods Geest, en zó als Gods Woord gerekend en gehouden moet worden.

Wáár heeft Mozes over de Heere Jezus geschreven? Wel, onder andere in Genesis 3:15, de moederbelofte. Maar als we Mozes niet geloven, dan geloven we ook de daar gezette vijandschap niet. Dan zijn we aangewezen op eigen fantasie, op eigen redenering, en dan blijven we voor God, Zijn Woord wegvluchten zoals Adam en Eva en blijven zo midden in de dood. Let op, Gòd riep Adam en Eva terug. Zo roept Hij alle mensen terug.

Hij zèt de tegenstelling! Niet tussen Mozes boeken en Zijn woorden, nee, die zet Hij op één lijn. En daarom is de tegenstelling er in het (on)geloof. Christus niet geloven, dan ook Mozes niet, òf Mozes wel geloven, maar dan ook Christus woorden geloven. En dat niet als veronderstelling, maar als noodzakelijk gevolg. Hoe zèt Christus hier Gods Woord in Oude en Nieuwe Testament op één lijn in gezag, in hoedanigheid, in oorsprong.

Hoe noodzakelijk blijkt het telkens weer, dat we dié éénheid van Gods Woord vast geloven. Geloven we dat, het versterkt ons vertrouwen. Geloven we dat niet, staan we toe, dat er vraagtekens bij gezet worden, het ondergraaft alle vertrouwen. Hoe wordt de noodzaak van gedegen Schriftonderzoek hiermee onderstreept. In de onderlinge verbanden, Oude zowel als Nieuwe Testament.

– Johannes 6:53-56: ‘Jezus dan zei tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Tenzij dat gij het vlees des Zoons des mensen eet, en Zijn bloed drinkt, zo hebt gij geen leven in uzelve. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage. Want Mijn vlees is waarlijk Spijs, en Mijn bloed is waarlijk Drank. Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.’
Eten en drinken, de eerste levensbehoeften. Christus vlees en Christus bloed, de enige ware levensbehoeften tot leven, tot ééuwig leven! Daarbuiten heerst de dóód.

Dat betekent voor ieder mens (zondaar!) totale àfhankelijkheid, àfhankelijkheid van het eten van Christus vlees en àfhankelijk van het drinken van Christus bloed. Hoe wordt hier tegelijk ieders persoonlijke verantwoordelijkheid benadrukt. In het dagelijks leven vraagt niemand aan iemand anders: ik heb trek, dorst, wil jìj voor mij gaan eten en drinken? Want dat kunnen we niet aan iemand anders overdragen, noch van iemand anders overnemen.

Net zó geldt dat het eten van Christus vlees en het drinken van Christus bloed. Hoe wordt hiermee opnieuw traditiegeloof ongeloofwaardig!

Maar het èrkennen van onze totale àfhankelijkheid van Christus vlees en bloed staat puur tegenover onze oude natuurlijke gezindheid. Het betekent, het vereist totale zelfverloochening, het betekent, het vereist radicale wedergeboorte. Het betekent, het vereist, dat de aanwijzing van de duivel, Genesis 3: keer de òrde om, éérst het verstand!, dan, niet luisteren naar Gods Woord, óók radicaal af te zweren. En zo is ook het verstandelijk geloof ongeloofwaardig.

De Heere Jezus zegt niet: het leven, nee, Hij zegt: ‘die heeft het eeuwige leven.’ Omdat Hij, in God (weer die Eénheid!) daar soeverein over beschikt en het gééft aan wie Hij wil. Eeuwig, opnieuw leggen we de hand op de mond, wij, die elk ogenblik staan bij al onze vergankelijkheid en beperktheid, onze broosheid en voorbijgaan. En de Heere Jezus spreekt hier met gezàg: ‘die heeft het eeuwige leven.’ ‘heeft’, elke onzekerheid wordt hiermee radicaal weggenomen. Tegelijk, geen macht ter wereld kàn Mij hierin beperken.

Maar ook: niét eten, niét drinken, u bènt dood en u blìjft dood, eeuwig. Dit doet de mens in zijn zelfhandhaving en vasthouden aan de omgedraaide òrde: eerst mijn verstand! Hier geldt in uiterste vorm: ALLES of NIETS! Naar beide kanten. ‘Neutraliteit’ ìs NIETS!

Christus geeft daarbij een betrouwbare garantie: ‘en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.’ Dit is de noodzakelijke weg naar het eeuwige leven. Alle (mogelijke) onduidelijkheid is hiermee weg: volledige openheid. Ieder mens wéét hiermee de weg ten leven èn het blijven in de dood.

Christus geeft nòg een garantie: ‘Die Mijn vlees eet, en Mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik in hem.’ Kan het nog duidelijker, kan het nog overtuigender? En de mèns legt er zijn totaal onwetend verstand naast??? en wil daarmee de orde bepalen en voorschrijven???

Dan zien we de uitermate wonderbare weg tot verlossing van zondaren náást de ultieme dwaasheid van de hoogmoedige mens, die zichzelf wil redden. Elke dag toont op talloze manieren de jammerlijke ondergang van alle plannen en raadslagen van die hoogmoedige mens.

Laten we de levende God des te meer loven en prijzen en aanbidden om die wonderbare weg tot verlossing van zondaren!

29 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *