4.4b. De menselijke dwaasheid herhaald: èigen (volg)orde gehandhaafd.

– Johannes 6:63: ‘De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven.’
Hoe duidelijk geeft de Heere Jezus hier de òrde aan. De òrde met betrekking tot Zijn verlossingswerk. De Heilige Geest maakt levend. Het vlees, de mens kan daar niets aan toe voegen.

We moeten niet verveeld gaan kijken vanwege de gedurende herhaling in steeds weer andere woorden en beelden, maar we moeten opnieuw verbijsterd zijn over ònze intense doodsslaap, waaruit wij zo moeilijk wakker te krijgen zijn. En worden we even wat minder slaperig, dan zijn ons oude vlees en de duivel meteen paraat om ons in nòg dieper slaap te brengen. Opdat wij onze intense hoogmoed leren kennen en ten onder brengen. Opdat wij helemaal niéts van onszelf verwachten.

– Johannes 7:15: ‘En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet Deze de Schriften, daar Hij ze niet geleerd heeft?’
Hier zien we de menselijke logica. Geen (hoge) opleiding. Maar dan, dàn, de erkenning, dàt Christus de Schriften kènt. Nu blijkt uit het voorgaande, uit het vervolg, dat de Joden zich daardoor niet (allemaal) hebben laten gezeggen door waarachtige bekering.

Maar ze onderkènnen, onderscheiden, zodat zij moeten toegeven, dat Christus leer náár-, in overeenstemming mèt de Schriften ìs. Herinner u Johannes 7:16, 17. Dat betekent, dat die erkenning, die onderscheiding niét gebonden is aan geloof. Geloof omhèlst de Christus, ongeloof háát Hem. Hem en Zijn leer.

Tegelijk bevestigen ze Christus Eigen woorden, dat Hij alles leert, wat Hij van de Vader gehoord en gezien heeft en dat Hij daarom niet in de eerste plaats afhankelijk en aangewezen was op een gedegen (hoge) opleiding. Tegelijk bevestigen ze daarmee, dat Christus leer helemaal overeenstemt met de Schriften, toen het Oude Testament. Op tal van plaatsen maakt Hij in Zijn leer openbaar, dat de door de schriftgeleerden en leiders gebrachte leer niét is in overeenstemming met de Schriften. Soeverein plaatst Hij de zùivere leer, de zùivere uitleg, de zùivere toepassing. Dan blìjkt, dat de schriftgeleerden en leiders zich niét laten gezeggen, zich niét laten overtuigen, zich niét laten leren, maar aan èigen leer en uitleg en toepassing vasthouden. Hoe vaak blìjkt dan daarin de traditie!

Maar zie daarmee scherp: ze stellen daarmee het Woord van God niét op de eerste plaats. Ze lezen niét eerbiedig de Schriften en luisteren er niét eerbiedig naar, maar ze onderwerpen de Schriften aan hùn denken, aan hùn willen, aan hùn redeneren, aan hùn traditie. Ja, dan móet de Schrift wel buigen onder hùn gezag en willekeur en eigenwilligheid. En moet dàt, ja, dan móet Jezus Christus Zelf Zich óók buigen en neerleggen onder hùn regering.

Dit is niet iets waar we nu kennis van nemen, vanaf afstand, neutraal, buiten bereik van- en invloed op ons. Integendeel, dit is de strijd vanaf de zondeval, die ieder mens betreft, aangaat, die ieder mens móet strijden: Wie, wie regeert in mijn leven: Gods Woord, God, òf mijn eigen verstand, fantasie, willekeur en eigenwilligheid, hoogmoed en eigendunk? Hoezeer ik ook probeer het een christelijk aanzien te geven, voor mensen. Dat is voor God zonder waarde.

Laten we van al die mènselijke beoordelingen afzien, steeds weer, steeds meer. Want de beoordeling van en door mensen is tijdelijk, daarnaast éénzijdig, partijdig, wispelturig, onzeker, moment. Maar het oordeel van God is eeuwig, vast, betrouwbaar, zeker, waarachtig. Laten we scherp zien en alle blindheid daarin ver van ons verwijderen.

De Heere Zelf brengt hen tot deze belijdenis en daardoor tot bevestiging en bekrachtiging van de betrouwbaarheid van het Woord, daarmee van de God van het Woord.

Laat deze belijdenis ons des te meer stimuleren, dat wij met grote ernst de Schriften onderzoeken en bestuderen, zodat wij de Schriften kènnen en daardoor geleerd worden. En dat met grote eerbied en diep ontzag, want de levende God spreekt.

– Johannes 7:18: ‘Die van zichzelve spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar Die de eer zoekt Desgenen, Die Hem gezonden heeft, Die is waarachtig, en geen ongerechtigheid is in Hem.’
Hoe schoon stelt de Heere Jezus Zichzelf hier in Zijn spreken ten voorbeeld aan ieder die gezonden wordt. Dat kan uiteraard nooit alleen tot kennisgeving gebeuren, maar als Voorbeeld, dat nagevolgd moet worden. Mocht er nog enige onduidelijkheid zijn inzake orde en volgorde, Christus zet ze nadrukkelijk in helder licht.

De Heere Jezus ontmaskert hiermee iedere gezondene, die zich met opzet niét houdt aan het nauwgezet brengen van de Boodschap waarmee hij is gezonden: het héle Woord, zonder af te doen of toe te doen; daartoe eerbiedig lezend- en luisterend naar wat er stáát.

Wie met opzet afwijkt van de Boodschap, die zoekt zijn eigen eer. Christus betuigt het hier nadrukkelijk. Dàt is de uiteindelijke oorzaak en reden tot afwijken. En we moeten ons scherp voor ogen houden, dat Christus dit niet éénmaal zegt en het daarna meteen vergeet. Integendeel, dit Woord staat op de jongste dag in het grote oordeel nog even scherp en doordringend voorop, opdat geen enkele gezondene zich kàn verontschuldigen of verschuilen.

Dan zal iedere vrome gezondene, die onbewust of onbekend afwijkt, zich graag laten gezeggen door hoorders, die hem de rechte weg wijzen. Vergelijk Handelingen 18:24-26: ‘En een zeker Jood, met name Apollos, van geboorte een Alexandrier, een welsprekend man, kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften. Deze was in de weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarstiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk de doop van Johannes. En deze begon vrijmoediglijk te spreken in de synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich, en legden hem de weg Gods bescheidenlijker uit.’

De Heere leidde Apollos zó, dat hij zich niet te hoog vond voor ‘bijscholing’ door gewone leden. Tegelijk zijn geen ‘produkten’ van zijn welsprekendheid, van zijn machtig zijn in, in de Schrift weergegeven, om elke vorm van ‘verheerlijking’ en roem te voorkómen. Opdat ieder gelovige klein van zichzelf blijft denken. Herinner, gekrégen gaven, de Gever de eer. Tegelijk, Apollos heeft zeer gewoekerd met de gaven die hij kreeg. Hierin zien we, dat hij zich heel bewust was van eigen verantwoordelijkheid.

Hoe hebben de ware profeten ondervonden, dat de ware profetie veelal niét tot roem en eer heeft geleid, maar tot verguizing, vervolging, smaad, hoon, laster. Zij zochten in het brengen van ‘alles waarmee de Heere hen zond’ Gods eer in grote trouw en gehoorzaamheid. Hoe heeft dat ook tot geweldige strijd geleid – denk aan Jeremia – maar ze mochten trouw blijven.

De Heere Jezus getuigt van Zijn spreken, tot eer van God de Vader. En als Hij later in het gebed betuigt, dat Hij alles gedaan heeft wat Hem door de Vader geboden was te doen – ook dit getuigenis – en het besluit met Zijn waarachtigheid en dat in Hem geen ongerechtigheid is, dan worden we des te meer bemoedigd en versterkt. ZO IS ONZE HEILAND. ZO IS GOD.

– Johannes 7:23, 24: ‘Indien een mens de besnijdenis ontvangt op de sabbat, opdat de wet van Mozes niet gebroken worde; zijt gij toornig op Mij, dat Ik een gehele mens gezond gemaakt heb op de sabbat? Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.’
Hier zien we één van de afwijkingen van de schriftgeleerden, de leiders. Dat móet leiden tot zelfrechtvaardiging, dat móet (hier) leiden tot verwerping van Christus genezing van een zieke op sabbat. Opnieuw, ònze uitleg en ònze toepassing zìjn alleen juist en alle afwijking dáárvan is verwerpelijk. Opnieuw, de mens regeert, Gods Woord is enkel kapstok. Al naar het òns uitkomt.

We moeten de besnijdenis op sabbat niet zetten tegenóver de genezing op sabbat, maar we moeten Gods recht en barmhartigheid – zie Genesis 3:15! – niet eigenwillig versmallen en niet eigenwillig inkorten, naar òns inzicht. Hoe moet de mens er steeds weer toe komen Gods Woorden te horen en Gods daden te zien en ze te verheerlijken! Ook als ze tégen ons verstand of begrip ingaan. Hoe belangrijk is het dàn ons verstand en begrip te dwìngen die als Gòds werk te erkennen en ons daaraan te onderwerpen.

Maar dat kàn alleen, als we vast geloven, dàt God volmaakt rechtvaardig ìs en blìjft, eeuwig. Ja, telkens weer moet de mens de èigen zondeval en de daarop volgende totale èigen verdorvenheid voor God voor ogen stellen. Als de mens dat niét doet – en van nature wìl de mens dat nóóit! – hoe kan er dan wedergeboorte, zelfverloochening, afsterving van de oude mens, opstaan tot de nieuwe gehoorzaamheid, bekering, plaatsvinden?

Alleen dàn onderwerpt de mens eigen denken en redeneren aan God, aan Zijn Woord, met heel het hart, met heel het verstand. Daarmee wordt het eigen denken en redeneren telkens weer onderworpen aan het dóórlichten door het Woord, met het dóórlichten aan het bijstellen, het corrigeren, ja, het fundamenteel veranderen en vernieuwen van het eigen denken en redeneren. Dan regeert het Woord die mens en wordt die mens daarmee opnieuw geboren.

Het gaat allemaal tegelijk op. Met het één komt het ander. Komt het één niet, dan ook het andere niet. Ook daarin blijkt de éénheid. Is God Eén? Ook de mens moet één worden, in denken, in spreken, in doen. Nu is de geschiedenis er vol van, dat de mens – in navolging van de duivel: zich voordoen als een engel van het licht! – graag de schijn ophoudt, al naar gelang de situatie, de omstandigheden, de reactie van de omgeving. Daardoor valt die mens niet uit de toon, maar voegt zich gemakkelijk naar de mening van het moment, aan de mening van de meerderheid. En is zijn gedachte toch anders, dan wordt het zó gebracht en verwoord, dat er verder niet tot nauwelijks aandacht aan besteed wordt. Want vervolgens legt hij zich neer bij de mening, de uitvoering van de meerderheid, de leiding, de invloed.

Dat werd van de Heere Jezus ook gevraagd, verwacht, gehoopt, geëist, afgedwongen. De Heere Jezus dééd het niét! Hij verkondigde de zuivere leer en zette die niet als alternatief náást, maar tegenóver de gangbare leer, als de enig ware, de enig betrouwbare, de enig zuivere, de enig rechthebbende, de enig gezaghebbende. En daarmee zètte Hij de beslissende stap, Genesis 3:15: Het Woord van God komt in Jezus Christus in deze puur vijandige wereld – de zondige mensheid!, geleid door de overste van deze wereld, de duivel – en dwìngt de mens tot de beslissende keus: vóór of tégen.

Daarmee wordt de mens voor de beslissende keus gesteld: òf blijven in de eeuwige dood in navolging van de knecht, de duivel, en daardoor voor eeuwig ònterfd worden, òf zich in de weg van wedergeboorte voegen onder het gezag van Jezus Christus, Zijn Woord. Maar daarin (her)vinden en ontvangen de waarachtige vrede met God, die alle verstand te boven gaat. Daarmee opnieuw gesteld worden in het bezit van de erfenis, in en door Jezus Christus, eeuwig.

De duivel probeert het telkens weer: het compromis, het ‘verdragen’ van de levende God náást zich. Denk aan de ark van God náást dagon, bij de Filistijnen. En daarom sinds de zondeval: het geloof náást het ongeloof, het bijgeloof, het schijngeloof, het traditiegeloof. Het elkaar verdragen en respecteren en zó in ‘vrede’ en ‘harmonie’ met elkaar door één deur kunnen.

Maar laten we ons niet vergissen. Als we dàt aanvaarden, dan was Genesis 3:15 niet meer dan een ‘mogelijkheid’, dat er wel eens onenigheid zou kunnen ontstaan, ook wat tegenstand en tegenstelling, maar, na overleg, na compromis, na overeenkomst, we kunnen samen verder. Oké, we denken er verschillend over, maar we maken elkaar geen verwijten en we gunnen elkaar de ruimte en de plaats op deze wereld.

Zien we, dat de duivel telkens weer zich probeert te laten kennen als de grootste ‘vredesapostel’ die er ooit geweest is? En zo hij, zo zijn volgers. Hier, de schriftgeleerden, de leiders, ze willen best een discussie aangaan met de Heere Jezus. Alleen, op voet van gelijkwaardigheid. Maar Jezus accepteert dat niet, integendeel. Ja, dan kan het niet anders, dan dat HIJ de misdadiger, de opstandeling, de revolutionair is, waartegen niet hard genoeg kan worden opgetreden, ja, die zo fel mogelijk bestreden moet worden.

Daarmee is hun toorn geheel terecht, toch? Onderken, dat al die ‘vredelievende’ woorden en gebaren en voorstellen en compromissen maar één doel beogen: náást elkaar, gelijkwaardig! Dat de geschiedenis van bladzij tot bladzij léért, tóónt, dat de invulling van dat doel enkel een gedachte, een papieren regel, een wensdroom is, dat wordt ontkend, liever: doodgezwegen.

Want de geschiedenis léért, dat de praktijk binnen de kortste keer betekent: náást elkaar, maar de meerderheid beslist. En het wordt altijd zo gedraaid, dat het ongeloof, het bijgeloof, nóóit hoeft toe te geven, maar alle ‘vrijheid’ tot eigen invulling en praktijk houdt, of zich toeëigent. Dan komt er de verleiding van de gelovigen bij, de gewoonte, de traditie, de sluipende ondermijning en afbraak van het geloof: is dat nou zo erg; zou God dat niet goed, niet mooi vinden; God wil toch, dat we in vréde met elkaar leven; het is toch raar, dat we dit niet sámen kunnen doen, niet sámen kunnen organiseren; moeten we niet alle aandacht bepalen bij wat ons bindt in plaats van wat ons scheidt? En vele vragen meer. Verstandelijk.

Dan zien we opnieuw de tekst. We zien, dat de schriftgeleerden, de leiders, opgestookt en aangevuurd door de duivel! – immers hij wéét wie Jezus is, zie de verzoeking in de woestijn – alle maskers van compromis en overleg en samenwerking afwerpen. Want dit is onverdrááglijk! Jezus leert als gezaghebbend! Wèg compromis, wèg overleg, wèg samenwerking en samengaan. Er is nu maar één maatregel: te oorlog, te zwaard, met inzet van alle mogelijke wapens en methodes, zo vals mogelijk, zo geraffineerd mogelijk, zo geslepen mogelijk, zo duivels mogelijk.

Uiteraard zèggen we dat niet (hardop). Want uiteraard moet de massa blijven geloven, dat wìj het meest ‘vredelievend’ zijn. En zo wìj zijn, zo zijn onze bedoelingen, onze voornemens, onze doelstellingen, onze intentie. Daar kan en mag niet aan getornd worden, door niemand. En daarom doen we van dag tot dag onze uiterste best die beeldvorming overeind te houden.

Het was immers niet zo moeilijk geweest. Als Jezus Zich maar had neergelegd en aangepast aan de fèiten: wìj zijn rechtmatig verkozen, benoemd, als leiders, als voorgangers, als zielzorgers, en daarom. Dat we vervolgens – bijna ongemerkt, geruisloos – de INHOUD van de leer hebben veranderd, ervan afgedaan, eraan toegevoegd, dat moet het volk als bijzaak niet meerekenen. Dat we vervolgens het volk onderdrukken met wet op wet, gebod op gebod, regel op regel, maar ze zèlf met geen vinger aanraken, nee, daar moet ook niemand over vallen, dat heet traditie. Léért het volk: niét in gehoorzaamheid onderwerpen aan de leiders, dat is òngehoorzaamheid aan Gòd, aan Gods Wóórd!, met als noodzakelijk gevolg: de HEL!

Ja, en wie durft dàn de leiders nog te bekritiseren, hoe onderbouwd ook. Het minste of geringste kan leiden tot uitwerping, excommunicatie. Zie blindgeborene. Maar de héérszucht regeert, de dictatuur héérst, de willekeur en zelfdienst zitten op de troon, liefde, barmhartigheid, geduld, ze zijn totaal àfwezig.

Maar nú, nú is daar Jezus Christus, Die de waarachtige vrede met God – zoals in het paradijs – wil herstellen en stelt en leert. Alleen, die waarachtige vrede met God verdráágt geen compromis, geen overleg, geen samenwerking, geen samengaan, met de duivel, met zijn volgers. Nee, ook nu niet de ark náást dagon. Want de dùivel, de knècht, pleegde revolutie, kwam in opstand, verwierp Gods gestelde orde en hij verleidde de mens, en die liet zich verleiden en pleegde ook revolutie, kwam in opstand en verwierp de door God gestelde orde. Toen wàs er wànorde, dood, ontbinding, ontwrichting, willekeur.

In déze wonderlijke weg zèt de Heere Jezus de zuivere leer. Maar de dodelijke vijandschap van de duivel kàn alleen maar die vrede minachten en verwerpen. Maar dan wel zó, dat het er sterk op lijkt, dat het gelijk helemaal aan zìjn kant is. En dat gaat het gemakkelijkst, als het volk onwetend is. Dan wordt hij immers niet scherp gecontroleerd in het licht van Gods Woord en daarmee ontmaskerd.

Want zoals de Heere Jezus het compromis met de duivel radicaal verwerpt, zo vraagt de Heere van Zijn kinderen ook, dat zij géén gemeenschap zoeken met ‘vredelievende’ compromissenjagers, geen verbond sluiten met vijanden van het geloof. Vergelijk Ezra 4:2, 3. Want als Zerubbabel en Jesua als hoofden de samenwerking en het samengaan op goede gronden weigeren, blijkt er van de ‘vredelievende’ bedoelingen weinig over te blijven. Zie Ezra 4:4 vvv.

En zo kunnen nog tal van gelovigen in zowel het Oude- als het Nieuwe Testament genoemd worden, die dat compromis, dat samengaan en samenwerken op grond van het geloof weigerden. Ze oogsten daarmee géén eer, géén roem, géén aanzien, van mensen, wèl de zegen daarop van de levende God. Opnieuw zien we die Eénheid van Vader en Zoon en Woord. Waar God tot dan toe ten strengste verbóden heeft tot die vermenging, keer op keer, we zouden het gewoon vinden, als de Zóón die wegen zou betreden en daarmee goedkeuren? Dan zou die Eénheid immers waardeloos zijn?

Maar Jezus handhaaft Genesis 3:15 met volledige instemming, vanuit en in volmaakte gehoorzaamheid. Want Hij ziet zeer scherp het dóel van Zijn komen in de wereld: het uit die puur vijandige wereld en mensheid Zich Zijn volk vrijkopen, Zich ten eigendom. Daarnaast: de schepping rechtmatig terug vorderen van de duivel, de revolutionair. En zie, dat Christus daarbij en daartoe werkt naar Goddelijke Normen: met het Woord! Hoe veelzeggend voor Zijn kinderen: naar dié ene Norm, niet anders, en helemaal niet met gebruikmaking van de methodes van de duivel. Alsof God, Zijn kinderen hulp mogen verwachten, gebruik mogen maken van duivelse methodes.

In de weg van die gehoorzaamheid is er de erfenis van deze (vernieuwde) aarde. In de weg van ongehoorzaamheid is er de radicale ònterving, eeuwig.

De mens schrikt terug voor deze radicaliteit. Kan het niet wat gemoedelijker, wat vriendelijker, wat genuanceerder, wat diplomatieker, wat gematigder? Zó verdorven is de mens, dat ze het zich voordoen als een engel van het licht door de duivel niét ziet, daarin niét onderscheidt, ja, op voorhand als volger de duivel gelijk geeft. Het wordt van de duivel niet onderkend en doorzien, van zijn volgers ook niet. En nee, geen zondvloed, geen omkering van Sodom en Gomorra heeft de mensheid wakker geschud en wakker gehouden. De mens viel zo weer terug in alle gemoedelijkheid en gezapigheid. Het valt nog wel mee ….

In dezelfde lijn zien we het optreden van Jezus Christus vóórtgaan in Openbaring 2 en 3, waar Hij diverse gemeenten en hun voorgangers ernstig vermaant en scherp waarschuwt voor de gevolgen, als zij zich niet bekéren van hun lauwheid en laksheid en gezapigheid, uitkomend in het toestaan van valse leer, goddeloos leven. Zie je wel, het kàn: náást! Christus verandert niét, nóóit. Daarom: bekering òf Ik vertrek. Omdat God Eén is.

En als we in de geschiedenis van het Nieuwe Testament tot nu toe zien, dan zien we soortgelijke handelingen steeds weer plaatsvinden: overleg, compromis, verdragen, overeenkomsten, afspraken, samengaan, samenwerken. En dat ook, waar het loslaten van het Woord (oogluikend) wordt toegestaan, aangemoedigd. Komen er gegronde bezwaren, dan is veelszins de reactie: til er niet zo zwaar aan; wat ben jij een zwartkijker; kijk eerst eens naar de gemaakte afspraken, hoe nauwkeurig; of: vertrouw je dié persoon niet, zo vroom, zo innemend.

De mens ziet wèl scherp, dat bezwaren, blijvende bezwaren vaak leiden tot problemen, uitsluiting, negéring, laster, smaad, ja, het mogelijk uitgeworpen worden. En dat met alle sociale gevolgen voor gezin, familie, vrienden, kennissen.

Het leidt er gemakkelijk toe, dat vanuit dàt oogpunt de situatie overzien wordt en standpunten bepaald en ingenomen worden. Maar zien we óók, dat het toegeven, het meegaan, voor onszelf, voor de omgeving, voor ons nageslacht, vèrgaande gevolgen heeft? Leert de geschiedenis niet van bladzij tot bladzij, dat, waar het ene geslacht het Woord verlaat, het volgende geslacht er nog drie scheppen bij op doet en het daarop volgende geslacht gelijkvormig aan de wereld is? Dat leert de geschiedenis tot nu toe.

Maar dan staat er nòg deze tekst, waarin de Heere Jezus Zich niét laat ompraten, Zich niét laat verleiden tot meegaan, ja veeleer Zich versterkt in Zijn spreken en doen door standvastig de duivel en zijn volgers te ontmaskeren van hun schijnheiligheid, van hun hypocrisie, van hun ‘vredelievende’ bedoelingen en raadslagen, die even later blijken niets meer dan één schijnvertoning te zijn.

De duivel zal echter nooit ophouden de zaken telkens weer zó voor te stellen, zó te manipuleren, zó te verdraaien, dat hìj de grote ‘vredestichter’ is en de tegenstanders enkel revolutionair. En omdat we naar onze oude natuur de duivel, zijn volgers, niet wantrouwen – daarin onze eigen revolutie in het paradijs handhavend! – kan het moeilijk anders, dan dat we al zijn redeneringen en fantasieën en leugens geloven en volgen. Ook als maskers worden afgeworpen, ook als blijkt, dat de leugen daarin regeert, de mens vòlgt blindelings.

De gelovige bouwt steeds meer op God, op Gods Woord. Hij ziet, dat Christus de strijd ten einde toe heeft gestreden, heeft overwonnen, is opgestaan uit de dood, opgevaren naar de hemel en van daaruit alles regeert en soeverein ook vandaag Zijn volk vergadert, beschermt en onderhoudt. En als Hij ziet, dat Zijn kinderen vanwege hun gehoorzaamheid aan het Woord worden weggezet als misdadigers, goddelozen, revolutionairen, die geen plaats op deze aarde gegund mag worden, dan wáákt Hij over hen, over hun geloof, over hun behoud, dwars door alle nood en druk heen.

Dan leest de gelovige de genoemde tekst opnieuw en wéét: als ik Christus volg, waarachtig volg, en mij overkomt hetzelfde, dan moet ik niet vreemd opkijken, maar dan mag ik met grote dankbaarheid en verwondering zien: ik mag deelgenoot zijn in het lijden, in de verdrukking en alles wat volgt, ook in de laster en verguizing en uitwerping. Mag ik dat en mag ik uit genade daarin standvastig blijven, dan mag ik in Christus ook delen in Zijn overwinning en heerlijkheid en erfenis. Wonder van genade! Wie ben ik?

‘Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.’ Wie zegt dat? Jezus Christus. Daarmee wordt het begrip ‘rechtvaardig’ zeer geladen, want dat betekent direct dat dit gebod tot rechtvaardig oordelen gelijk moet staan, één moet zijn met Gòds oordeel. Tegelijk doorziet de Heere Jezus hier heel zuiver, dat nagenoeg alle oordeel naar het aanzien onderhevig is aan-, beïnvloedbaar is door partijdigheid, eenzijdigheid, onwaarachtigheid, subjectiviteit, omkoopbaarheid, afhankelijk van belangen of druk of geld of eer of aanzien of macht of ….

Hier spreekt de Heere Jezus alle aanwezigen toe. Het staat opgetekend in de Schrift en het geldt alle mensen. Hoe beklemtoont dit gebod het er nadrukkelijk op toezien, dàt er rechtvaardig geoordeeld wordt. De wereld is vol van ònrechtvaardig oordeel en ònrechtvaardige rechtspraak. Hoe vaak is er de begunstiging van belangen.

De Heere Jezus zegt het hiér, in deze situatie, waar eigenwillig oordeel en uitvoering verheven wordt bóven het waarachtige Woord van God. Daarmee karakteriseert Hij het eigenwillig oordeel van de Joden, de leiders, als ‘naar het aanzien’, als ‘naar gegroeide situatie, traditie’. Dan kunnen de duivel, zijn volgers, hun uiterste best doen de beeldvorming zo vroom mogelijk te doen lijken, Christus doorziet hen en wijst hen terecht en vermaant hen openlijk. De leiders, en het gewone volk.

We moeten deze scherpe vermaning niet alleen hier en nu aannemen en aandachtig in ons opnemen. Christus vermaant hierdoor alle mensen op alle terreinen van het leven in alle situatities en omstandigheden tegenover iedereen tot rechtvaardig oordeel en rechtspraak. Laten we er scherp op toezien, dat er niéts is wat niét onder deze vermaning valt. Hoe zou het anders kunnen, daar God volmaakt rechtvaardig is, en van Zijn schepselen volmaakte rechtvaardigheid eist? In oordeel, in rechtspraak, in uitvoering.

Wellicht werpt iemand tegen: en Prediker 7:16, 17 dan?: ‘Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen? Wees niet al te goddeloos, noch wees [al] [te] dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?’ Bedoelt de Schrift daar mee, dat wat Jezus gebiedt overdreven is en daarom niet letterlijk genomen moet worden? Beslist niet. Maar de Prediker leert de mens hier vóór alles te zien op èigen kleinheid en beperktheid en zwakheid.

En dàt ziende, dáármee rekenend, zegt Prediker dat, opdat de hoogmoedige mens niet meent in èigen kracht volmaakt rechtvaardig te (kunnen) zijn. Dat betekent beslist niét, dat de mens met beroep op deze tekst het onrecht kan of mag toelaten of goedpraten. Dàn zou deze tekst inderdaad Christus gebod ontkrachten. Ziende alle menselijke zwakheid en om te voorkómen dat de gelovige mens zichzèlf overschat, zegt de Schrift dit. Hetzelfde geldt het tweede deel van deze tekst. Het betekent tegelijk geduld hebben met de zwakheid van onze naaste en het betonen van barmhartigheid, ziende, herinnerend Gòds geduld en barmhartigheid.

Let op de gezindheid van het hart van de mens. Is de gezindheid, dat de mens God hartelijk liefheeft en met grote ijver God wil dienen naar Zijn Woord, dan is er bij die mens geen enkele gedachte ‘misbruik’ te maken naar aanleiding van Prediker 7:16, 17, laat staan het in praktijk brengen. Maar is de gezindheid traditie, meelopen, kleurloos en smaakloos, die mens zal zich in voorkomende gevallen graag op deze tekst beroepen, maar dan als ‘goedpratertje’.

Zagen we, dat de leiders, de schriftgeleerden, het volk, afgeweken waren van de zuivere leer, daarmee van het zuivere leven naar de leer, dan gaat dit vermaan veel dieper. De Bijbel laat ons keer op keer zien, dat de duivel zelden van het ene op het andere moment de mens heel grof verleidt. Nee, meestal gaat het geleidelijk, langzaam aan, sluipenderwijs. Ja, als het kan zó, dat de mens het niet eens doorheeft.

Maar de verleiding van de duivel is altijd gericht op het verstand van de mens, op de hebzucht, op de lusten van het vlees. En daarom moet éérst de leer wat afgestompt worden. Want de verleiding is er telkens weer om het verstand, de rede en de redelijkheid in orde vóórop te doen gaan. Dus vóór het Woord, vóór het Woord van God. En daarom maakt het ontbreken van kennis van het Woord van God de mens ook tot een gemakkelijke prooi voor verleiding. Hoe scherp moet Christus gebod tot ons doordringen en ons wapenen tégen alle verleiding: ONDERZOEKT DE SCHRIFTEN! Gelooft Ze!

Is er wel (wat) kennis, dan moet er toch voor gezorgd worden, dat die kennis komt te staan náást alles wat de rede voortbrengt. Zijn we zover gekomen, dan valt het gezàg van het Woord immers weg en dan staat de deur wagenwijd open naar èigen invulling en uitleg en toepassing. Daarna volgen de stapjes elkaar geruisloos op. Is het gezàg van het Woord weg, ja, dan kan het moeilijk anders, dan dat het ook helemaal niet meer nodig is dàt we het Woord kennen. Immers, waartoe?

Onderken, dat hiermee ook de deur wagenwijd openstaat voor allerlei wind van leer. En daarmee moet automatisch de praktijk van het brede leven wel volgen. Dan zien we allerlei ideologieën, allerlei sekten, allerlei stromingen, die bepaalde standpunten te vuur en te zwaard verdedigen. Maar in elk geval eisen ze bestaansrecht. Náást! Willekeur regeert!

Met het bepleiten van het bestaansrecht is de eis naar rechtvaardig oordelen het zwijgen opgelegd. Omdat de eis tot rechtvaardig oordelen alleen dàn geloofwaardig en vol kracht is, als die eis met groot gezag kan worden opgelegd en als dat gezag erkend wordt. God is Eén, Zijn Woord is Eén, Zijn gezag is Eén. Alles wat daarvan afwijkt is tijdelijk, vergankelijk, veranderlijk.

Ieder mens begrijpt – de Schrift leert het duidelijk! – dat geen mens het gezag van twee heren kan aanvaarden en opvolgen. Dat geldt hier temeer: òf Christus erkennen in het gezag waarmee Hij deze eis stelt, òf de duivel erkennen in de wanorde waarmee hij eist dat de mens Gods Woord zet náást alle eigen redenering en fantasie.

Laten we niet menen het wèl te kunnen èn God daarmee en daardoor oprecht te dienen. De geschiedenis bewijst overtuigend, dat het steeds weer is òf òf, òf de Eén, òf de ander.

Ook in deze geschiedenis in Johannes 7 en volgende hoofdstukken blijkt, dat de Joden, de leiders, de schriftgeleerden echt àlles doen wat mogelijk is om Jezus, Jezus leer in discrediet te brengen. Openlijk wordt Hem toegevoegd: Gij zijt bezeten, een Samaritaan, Gij doet het door Beëlzebul. En dat diverse malen. Niet per ongeluk, nee, expres, opzettelijk. Hoe vlàmt de háát!

Daarmee geven ze openlijk te kennen, dat ze rechtvaardig willen oordelen naar Gods Woord vèr van zich werpen. Géén bekering, géén wederkeer, wèl verharding. En daarom: Christus, Zijn leer verworpen. Ja, Christus, de Rechtvaardige. En zo Christus, zo Zijn kinderen.

Of meent u nog, dat met de gezètte vijandschap van Genesis 3:15 ‘vredelievend’ en ‘vredestichtend’ kan worden omgegaan, zoals de duivel graag wil doen geloven? Daarom is het plaatsen van Gods Woord en Gods leer naar dat Woord uniek in gezag en het verdraagt niemand noch andere leer náást Zich. Doen wij dat wel inzake afwijkende leer, valse leer, en het leven in de praktijk van elke dag daarop volgend, dan kàn ons oordeel niet rechtvaardig zijn naar Christus gebod. Het is ALLES of NIETS.

Want het heeft zeer grote gevolgen, omdat de Heere van ieder mens het héle hart vraagt, niet meer, niet minder. De gezindheid van ons hart komt naar buiten, wordt gekend, is gekend van de Heere, de levende God. Wee ons, als we menen toch vrede met ‘náást’ te kunnen houden, en zo bewarend de onderlinge ‘vrede’. Het is schijn, want Gods waarachtige vréde verheugt zich in rechtvaardig oordeel en rechtvaardige rechtspraak en jaagt die na.

Hoe kunnen en moeten we anders dat andere Woord van God verstaan? We bedoelen Spreuken 17:15: ‘Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn de HEERE een gruwel, ja, die beiden.’ Ook hier weer: òf òf. In Johannes zien we, dat Christus de Rechtvaardige door de mensen verdoemd wordt. God vergeet beslist niet!

We brengen in herinnering Johannes 7:16, 17: ieder mens kàn onderkennen of de gebrachte leer wèl of niét uit God is. Eigen verantwoordelijkheid! En dáármee, met die onderkenning, geeft Christus dìt gebod: niet naar aanzien, maar rechtváárdig, naar Gods recht. Opnieuw: eigen verantwoordelijkheid. Niemand kan zich nog verontschuldigen. En hier zien we, dat de schriftgeleerden, de leiders, de Joden, in volle verantwoordelijkheid Christus leer verwerpen en eigen ‘naar het aanzien’ oordeel bevestigen. Hier is de ultieme verharding in de revolutie, Genesis 3.

Geloven we de duivel, zijn volgers nòg, dat de door God gezètte vijandschap in Genesis 3:15 hooguit tot wat meningsverschillen leiden? Dan zagen we hierboven wel het tegenbewijs. God is Eén, Zijn kinderen zijn één in geloof, één in belijden, ònder het gezag van Gods Woord. Zie de door God gezette en gehandhaafde orde.

De duivel wil ook graag geloofwaardig zijn. Hoe bewijst Gòd van dag tot dag, dat het huis van de duivel zo verdeeld is als maar enigszins mogelijk is. Hoe bewijzen tal van conflicten in de wereld, klein en groot, nationaal en internationaal, dat. Tegelijk, hoe tracht men keer op keer aan te tonen, te bewijzen, dat de uiteindelijke óórzaak van al die ellende ligt in de godsdienst, in God. Nee de duivel verandert niets, zijn volgers ook niet: VERDACHTMAKING! De fèiten getuigen tégen! Er worden nieuwe afspraken gemaakt, nieuwe verdragen gesloten, nieuwe … Die in de hemel zetelt, làcht, de Heere spòt met hen.

Laten we eerbiedig lezen in- en eerbiedig luisteren naar Gods heilig Woord en ons met vreugde onderwerpen aan Zijn gezag en alles wat daarmee niet overeenstemt uit ons leven wegdoen. Laten we onderkennen, dat het ‘náást’ van de duivel niet anders wil, dan de scherpe kanten van Gods gezètte vijandschap uitwissen. Maar het dóel blijft gelijk voor de duivel: radicale verwerping van Gods gestelde òrde: engel – knecht, mens – kind.

29 september 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *