4.11. Afronding.

We schreven: ‘Zit Jezus Christus Alléén als Hoofd van Zijn kerk op Zijn troon, in Woord èn daad? Of wordt dat tot en met beleden, maar als op de dagelijkse praktijk inzake leer en leven op- en aanmerkingen gemaakt worden, als gebreken, afdwalingen, zonden, concreet aangewezen worden, onderbouwd afgewezen worden?’ Dit is een heel teer en gevoelig onderwerp, met grote gevolgen. Wat is het verleidelijk om dergelijke zaken over te slaan, onbesproken te houden, òf er zó over te praten en te schrijven, dat we na kennisname ervan opgelucht adem halen: we kunnen voort op de oude vertrouwde weg…, de één zó, de ander ànders, ieder naar eigen inzicht en behoefte.

Maar zouden we zó schrijven, dan zouden we metterdaad het Woord Zelf eerst dichtdoen, ons aan Zijn zeggingskracht onttrekken en uiteindelijk onszelf in slaap wiegen bij zelfingebeelde fantasieën. Daarom, het Woord moet ópen, het Woord moet helder schijnen, rechte lijnen trekken, niet tekort gedaan worden. We hebben gemeend uitvoerig te moeten zien op hoe de Heere Jezus Christus Zich verbond aan het Woord. Nergens was er ook maar een gedachte, een signaal, dat de mens vrij was in de manier waarop hij het Woord benaderde. Het Woord spreekt met gezag! God liefhebben is het Woord liefhebben.

We moeten meteen ook onderkennen: de vijanden van het Woord zullen al hun fantasie en inbeelding aanwenden, om het Woord te ontkrachten, in delen, in Zijn geheel. Zij hebben het Woord niet lief, zij haten het. Denk aan de duivel in het paradijs, denk aan de duivel ten tijde van Job. Denk aan verleiders en misleiders.

Laten we eerst een vraag stellen: àls het Woord van God, de Bijbel, over dit onderwerp niét heel duidelijk en eenduidig sprak, hoe zou dat Woord dan het vertrouwen in God en Zijn Woord bevestigen? God spreekt zuiver recht!, in onderzoek, in oordeel; in het paradijs, tegenover Kaïn, tegenover de mensheid vóór de zondvloed tegen Noach, tegen Abraham inzake Sodom en Gomorra, enz. Zonder omwegen, eenduidig, zonder enige mogelijkheid tot misverstand.

Er zijn tal van Schriftplaatsen, die ons hierin wegwijs maken, de weg wijzen. En laten we meteen zeggen: die weg is radicaal tégen ons vlees en bloed, die weg vraagt, eist, radicale totale zelfverloochening. Want er zijn zóveel argumenten en redenen en verwachtingen en bedreigingen en situaties en omstandigheden en onzekerheden aan te voeren, waaròm we nú toch even die weg niet op gaan, nog niet op gaan, dat, ja, dat we er al te gemakkelijk niet toe komen om dwalingen, zonden aan te wijzen, te benoemen, ze af te wijzen en te veroordelen.

En, zoals de mens heel vaak doet, hij kijkt eerst eens naar anderen, of en hoe zij reageren, of niet. En zeker, als het vooraanstaande mensen zijn, gezaghebbend, geleerd, invloedrijk, en zij zwijgen, dan, dàn zal ik wel niet goed geluisterd of gelezen hebben, of dàn zie ik beren op de weg die er (blijkbaar) niet zijn. Hoe wordt ZWIJGEN vaak verklaard wìjsheid te zijn. Maar zwìjgen, waar de Schrift gebiédt te spreken, is dwaze kortzichtige domheid. Want dàt zwijgen let alleen op de situatie nú, en de gevolgen nú en stràks en láter, maar niét op het grote oordeel van de levende God, Die zo duidelijk gebiédt: onderzoek, beproef, ontmasker elke geest, of hij uit God is. En blìjkt, dat die geest niét uit God is: weerstá, ontmàsker, weerlèg, verdraag hem niét, want hij houdt niet op de kerk te verwoesten en te verstrooien. WERP DIE GEEST UIT! HEB ER GEEN GEMEENSCHAP MEE!

Maar heeft de Geest ons overtuigd, de ogen daartoe geopend, dàt er in leer en/of leven afgeweken wordt, en Hij ons in het Woord daarin van bladzij tot bladzij bevestigt en versterkt, dan spreken we, dan schrijven we, onderbouwd, en dan wijzen we concreet aan. Het is de weg van vallen en opstaan. Geen enkel zondig mens kan dat goed doen, heeft dat goed (genoeg) gedaan. Tal van zwakheden en gebreken begeleiden ons. Maar ze moeten ons niet tot stilstand brengen en er ons mee doen ophouden. Het is onderzoeken, weer onderzoeken, leren van gemaakte fouten en zwakheden en gebreken uit het verleden.

Uiteraard, er komt reactie, er komen reacties. Die reacties kunnen vernietigend zijn, sterk afwijzend, afkeurend. Die reacties kunnen de manier betreffen, de toon, de gezichtsuitdrukking, het moment, de plaats. Die reacties kunnen gebreken in nauwkeurigheid betreffen, ook in onderbouwing, ook in motivatie. Die reacties kunnen ook vooruit wijzen naar (mogelijke) gevolgen voor eigen plaats, positie, geloofwaardigheid, in de gemeenschap. Ofwel: WAS HET NIET VEEL VERSTANDIGER TE ZWIJGEN!!!

De praktijk leert en heeft geleerd – lees de Bijbel maar – dat het trouw naspreken en belijden van Gods Woord heel vaak leidt tot: alleen staan, geïsoleerd worden, genegeerd worden, vals beschuldigd en/of verdacht gemaakt worden, gemeden worden als een dodelijke ziekte, dodelijk vervolgd worden, uitgestoten en uitgesloten worden. Daarin overkomt de gelovige niets nieuws. Dan blijkt ook gauw, wie de ware broeders en zusters in de Heere zijn.

De Heere Jezus heeft zonden aangewezen, benoemd, veroordeeld. Hij heeft opgeroepen tot bekering, waarachtige bekering. We lezen in Johannes 7:7: ‘De wereld kan ulieden niet haten, maar Mij haat zij, omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn.’ Daar zien we de gevolgen van het openlijk aanwijzen en benoemen van de zonden, individueel, collectief. En de Heere Jezus nam daarvan geen woord terug, als Hij de diepe vijandschap en haat bemerkte en hoorde en ondervond. Dan zien we, dat die haat zó diep zit, zó intens is, dat alle vermomming afgeworpen wordt, dat Hij openlijk en publiek gescholden en belasterd en verguisd en straks uitgeworpen en gekruisigd wordt.

Johannes 12:31: ‘Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden.’ Johannes 14:30: ‘Ik zal niet meer veel met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan Mij niets.’ Johannes 16:11: ‘En van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.’ Weet u nog, Genesis 3:15: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.’

Ziet u, Jezus Christus is afgedaald van de Vader, Vlees geworden en zó als Dienstknecht in vernedering de wereld binnengetreden. Puur vijandelijk gebied, waar de dùivel de overste is. En dáár, dáár getuigt Hij, dat haar werken boos zijn! Dit moet voor de duivel en zijn volgers ònverdraaglijk en òntoelaatbaar zijn. Maar hij kan het niet voorkómen. Proeft u, onderkent u, hoe groot de háát van de duivel moet zijn?

Weet u nog, hoe dezelfde duivel zichzelf als wettige eigenaar van alle wereldse rijken en machten gedroeg tegenover Jezus in zijn verzoekingen? Jezus wees hem scherp af: alleen Gòd aanbidden, niet een eigenmachtige wereldveroveraar, een knecht, die zich voordoet als heer. Hoe nauw ligt dit alles bij elkaar.

Bij ons is er de neiging er met een schouderophalen aan voorbij te lopen. Zijn ‘ze’ boos, kwaad, dat hen een keer de waarheid verteld wordt, dreigen ze, enkele dagen later maken we het weer ‘goed’, we praten nog wat: het was niet zo kwaad bedoeld, en helemaal niet om de goede verhoudingen te verstoren en, nee, we kunnen gewoon weer met elkaar verder, door één deur. En – uiteraard – wij maken ook fouten.

Maar hebben we hen dan ook aangesproken op hun zònden, hebben we zònde zònde genoemd, onderbouwd vanuit het Woord? Want zònde is vìjandschap met God en vriendschap met de dùivel; zònde is dienstbaarheid aan de knecht, de duivel en zó blijven en liggen in de dood. Halen we die scherpe kanten er af, dan verbleken zonden tot foutjes, tot gebreken, tot vergissingen ondanks alle goede bedoelingen.

Dóen we dat, láten we dat toe, dan móet noodzakelijk volgen: God is niet rechtvaardig, als Hij zulke ‘foutjes’ zó zwaar straft: eeuwige vloek en verdoemenis. En dùs móet dat anders gelezen en verstaan worden. Wordt de vloek zo terug vertaald, dan zijn de beloften ook waardeloos. Of ieder kiest naar eigen goeddunken…., maar het Woord blijft dicht. Maar merken we zònden aan als dodelijke vijandschap tegenover God, als werken der duisternis, en blijven we daaraan vasthouden, dan blijkt heel gauw, dat die hooggeprezen en wijd verkondigde verdraagzaamheid en tolerantie flinterdun zijn en heel kort duren.

Want zo gaan we niet met elkaar om, dit is geen broederliefde. We moeten in tegendeel verdraagzaam zijn, elkaar liefhebben, vriendelijk zijn, vergevingsgezind zijn. Dat gebiedt de Schrift toch duidelijk, op diverse plaatsen? Lees niet te snel, lees niet onnauwkeurig, lees onderscheidend. Want ze staan niet tegenóver elkaar, maar náást elkaar. En als we de Bijbel lezen, dan zién we ze ook steeds náást elkaar.

Wié zet ze tegenover elkaar? Zij, die niet wìllen onderscheiden, zij, die zònde niet erkennen als vijandschap tegenover God en daarom vriendschap en onderwerping aan de duivel, aan de dood. Hoe heeft de Heere Jezus Zelf Zijn barmhartigheid en liefde en vergevingsgezindheid en vriendelijkheid getóónd en bewézen, keer op keer, hoe heeft Hij zijn dwarsliggende en tegenwerkende en trage discipelen verdrágen in al hun kortzichtigheid en eenzijdigheid en kleingeloof, zodat Hij uitroept, Mattheüs 17:17: ‘En Jezus, antwoordende, zei: O, ongelovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal Ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem Mij hier.’ Denk aan de Emmaüsgangers. En wij zijn niets beter vanuit ons zelf.

In het geloof verdragen we zulke scherpe terechtwijzingen, laten we ons terechtwijzen en bekeren we ons met haast. Hoe heeft de Heere Jezus Zijn discipelen veel vaker scherp vermaand, ook Zijn kinderen in het Oude Testament, ook Zijn kinderen tot vandaag toe. Maar als we géén kinderen blìjken te zijn, maar bastaards, valse kinderen, kinderen van Hagar, de slavin, in plaats van kinderen van Sara, de vrije – zie Galaten 4 – dan kùnnen en wìllen we geen enkel terecht vermaan – van wie ook! – aannemen.

De Heere Jezus heeft zònde zònde genoemd en heeft daaraan vastgehouden. Hoe heeft Hij de valse kerk gestriémd, Mattheüs 23, toen ze in al haar ongeloof en bijgeloof volhardde en verhardde, maar zich ondertussen als de meest vrome mensen aan de mensen, de gemeenteleden, vertoonden en voordeden en navolging eisten. Hoe klinkt dan keer op keer op: WEE U!

Dan zien we telkens weer dat sluipende, dat aantrekkelijke, dat verleidelijke: aan de kant staan, afwachten, na afloop volop commentaar geven en (ver)oordelen; veel misbaar over dié, die zònde zònde noemde en opriep tot bekering en wederkeer. Ook in de Bijbel wordt dat scherp opgemerkt: op twee gedachten hinken; lauw zijn, nòch koud, nòch heet; niet willen, durven kiezen; uitstellen met het innemen van standpunten, eindeloos uitstellen.

Maar dat is tegelijk het dódelijke. Want velen sterven in afwachtende houding, bang om te beslissen, bang voor … mensen, hùn afkeuring, hùn toorn, hùn ergernis. Vgl. Johannes 12:42: ‘Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeen wil beleden zij het niet; opdat zij uit de synagoge niet zouden geworpen worden.’ Oversten, voorgangers.

De Schrift noemt hen vreesachtigen, Openbaring 21:8: ‘Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al de leugenaars, is hun deel in de poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.’ Lijkt het er niet vaak op, dat zij, die niet kiezen, dat zij, die met alle winden meepraten, met iedereen vriend zijn, dat zij, die niet willen, kunnen onderscheiden, gezien en aangemerkt worden als mensen, die het gebòd: vriendelijk zijn, verdraagzaam, vergevingsgezind zijn, in praktijk brengen en dùs het Schriftuurlijk gebod najagen en in praktijk brengen?

Vergis u niet. Léés de Schrift, léés en onderschèid: niet het oordeel van een mens, heel veel mensen is uiteindelijk bepalend en doorslaggevend, maar Gòds oordeel. Hoe gemakkelijk laat de mens zich leiden naar het oordeel van mensen. Hoe gemakkelijk sluipt de gedachte tussen de oren: zoals mènsen oordelen in al hun braafheid, zo zal Gòds oordeel ook wel zijn. Denk alleen aan het gezegde: over de doden niets dan goed. We citeerden uit Openbaring 21:8.

Direct daarnaast zetten we die andere verzen, Mattheüs 7:21-23: ‘Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!’ Zie opnieuw: Johannes 12:42. We spraken er over.

Johannes 15:20: ‘Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.’ Herinner u: wie DOET! De Heere Jezus wijst hier de twee werken aan, die Hij gedáán heeft: met wóórd, met dáád. De mensen hebben gehoord, gezien, en ze hebben zich massaal afgekeerd. Barmhartigheid gehoord en gezien: Beëlzebul. ‘zij zullen ook u vervolgen;’ Méént de Heere Jezus dat? Of kàn dat zo nu en dan vóórkomen? Moeten we niet heel nadrukkelijk Johannes 7:7 bìnden aan dìt gevolg?

Tegelijk het tegenovergestelde: àls we zònde geen zònde meer noemen en als zodanig aanwijzen en veroordelen, en daarin standvastig blijven, zijn we verbaasd, dàt we niét vervolgd en verdrukt worden? Of leven we in zó’n doodsslaap en willen we daarin blijven, dat we denken, dat God ons nu rust van strijden geeft en dat het dáárin volgen (Johannes 7:7!) voor ons niet geldt, niet méér geldt en dat God dat wel goed vindt? En inderdaad, dat noodzakelijk gevolg: ‘zij zullen ook u vervolgen;’ ook dat blijkt in de praktijk zwaar overdreven, toch?

Verstandelijk geloof: berekenend geloof, waarbij de berekening steeds weer, steeds meer voorop gaat, de leiding neemt, regeert. Het geloof vervalt gemakkelijk tot alleen woorden, maar het mist de daarop volgende daad, en dat consequent, volhardend.

Toch plakt het zo gemakkelijk vast tussen de oren: veel woorden, veel vrome woorden, tegelijk samengaan en samenwerken met mensen, die in woord en/of daad duidelijk afwijken van de rechte weg, van de zuivere leer. Dan blijkt, dat er voorrang gegeven wordt aan het dóel van dat samengaan en samendoen bóven het vóór alles eerst samen één zijn in het ware geloof, in leer èn leven.

Dan wordt het dóel steeds groter, steeds belangrijker, tegelijk verstomt de eis tot eenheid in leer èn leven. En wie daar toch op wijst en dat toch als eerste vereiste noemt en bepleit en vraagt, die moet zwijgen, die wordt het woord ontnomen, die mag vertrekken en niet weer komen, òf zich onderwerpen aan de wìl van de meerderheid. Ziet u, het Woord is dichtgedaan, eigen fantasie en willekeur regeren, de meerderheid beslist.

Hoe wordt daarna – in die weg verder gegaan! – gewezen op de geweldige resultaten en prestaties, die dat samengaan en samendoen hebben opgeleverd. Dit als ‘bewijs!’ hoe verkeerd we het hadden. De verleiding is er om toe te stemmen, om mee te gaan, ziende op wat voor ogen is. En hoe verleidelijk kan de volgende suggestieve opmerking doorwerken: ‘Denk je nu werkelijk, dat God dit (wat bereikt is) niet mooi vindt en er niet blij mee is? Hoe heeft de Heere dit samengaan en samendoen gezégend!’

Onderken in het gelóóf!: Nergens in de Schrift heeft de Heere de aandacht van mensen bepaald bij bereikte resultaten van mensen, met als gedachte, gebod: volg die mensen na. Want vervolgens kunnen diezelfde mensen neerbuigend wijzen op de gevòlgen, de zichtbare gevòlgen van het nu alleen staan en dus … zichtbaar … niets bereiken. Het gelijk!!!

Onderken tegelijk: er is in de Schrift nergens een noodzakelijke werking van: gehoorzaamheid wordt àltijd gezegend in zìchtbare voorspoed, evenmin omgekeerd! Hoe zou het Schriftwoord dàn verstaan kunnen en moeten worden: wie de Heere liefheeft! (toch alleen vanwege geloofsgehoorzaamheid!?!?) tuchtigt Hij. Denk aan Job, aan David, aan Paulus, aan zoveel gelovigen.

Onderken ook de berekenende hebzucht. Telkens weer zien we, dat mensen die rijk zijn, rijk willen zijn in bezit en geld en goed, gemakkelijk van het geloof afvallen, hun bezit stellen bóven de rijkdom van het geloof. Hoe zijn en worden ze verblind in en door de rijkdom van het bezit. De Heere weet dat, Hij ziet dat. Hij weet ook, hoe mensen vaak àlles in het werk stellen òm rijkdom te verwerven en uit te breiden.

Rijkdom verlegt vaak grenzen, grenzen van macht, van aanzien, van invloed, van eer, van genot. Hoe gemakkelijk worden ge- en verboden opgerekt, aangepast, buiten werking gesteld, want daar ben IK te hoog, te voornaam voor. Hoe nauwkeurig beschrijft de Heere, dat Hij de nodige verordeningen geeft, opdat het land Kanaän, Zijn land!, nooit een bron van hebzucht en verdrukking wordt, Leviticus 25.

Zie daarbij de voorschriften voor een koning, Deuteronomium 17:15-20. In I Samuël 8 lezen we, dat Samuël het volk ernstig waarschuwt, wat de koning zal doen, die zij begeren. Hoe duidelijk wordt het verwerpen van de Heere als Koning hier vervolgd met de voorzegging, dat dié (eigenwillige) koning zich niét houdt aan de voorschriften in Deuteronomium 17. Het volk luistert niet!

Later vergrijpt koning Achab zich tegenover Naboth aan de bepalingen uit Leviticus 25. Is het land niet meer heilig, veilig, naar Gods verordeningen, dan ook de andere verordeningen niet, zie Ezra 9 en 10. Dit moeten we nauwkeurig voor ogen houden, ziende op het paradijs, ziende op de nieuwe hemel/aarde, waar gerechtigheid wóónt, ook in alle stoffelijke zaken.

Gebeurt er wat nieuws? Iets dat vandaag voor het eerst plaats vindt? Zijn we er verbaasd over? We willen wijzen op Johannes 6:59-66: ‘Deze dingen zei Hij in de synagoge, lerende te Kapernaum. Velen dan van Zijn discipelen, [dit] horende, zeiden: Deze rede is hard; wie kan dezelve horen? Jezus nu, wetende bij Zichzelven, dat Zijn discipelen daarover murmureerden, zei tot hen: Ergert ulieden dit? [Wat zou het] dan [zijn], zo gij de Zoon des mensen zaagt opvaren, daar Hij te voren was? De Geest is het, Die levend maakt; het vlees is niet nut. De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn leven. Maar er zijn sommigen van ulieden, die niet geloven. Want Jezus wist van de beginne, wie zij waren, die niet geloofden, en wie hij was, die Hem verraden zou. En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd, dat niemand tot Mij komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader. Van toen af gingen velen Zijner discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem.’

Zagen we eerder, dat Christus barmhartigheidswèrk vervloekt werd als duivelswerk, hier zijn Zijn wóórden met noodzakelijk gevolg velen tot onuitstaanbare ergernis. DIT WILLEN WIJ NIET HÓREN! Want dit betekent totale bekering, tegelijk totaal àfzien van iets in mijzelf, dat voor God belangrijk zou kunnen, en moeten!, zijn. De HOOGMOED van de mens is zo geweldig groot en zo onnoemelijk hard, die kan geen mens vanuit zichzelf klein krijgen en ten onder brengen. Hier plaatst Christus hen er voor en velen weigeren.

Maar is Christus werk nu helemaal tevergeefs geweest, keert Hij snel terug en neemt Hij vele harde en scherpe woorden terug?: niet zo bedoeld. Om ze alsnog (weer) achter Hem aan te krijgen? Nee. Integendeel, Hij vervolgt naar de twaalven, vers 67: ‘Jezus dan zei tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?’ Hij neemt geen enkel woord terug, veeleer onderstreept Hij Zijn gesproken woord hiermee.

Hoe zuiver, hoe duidelijk, hoe scherp moet voor ieder mens vaststaan: Jezus Christus volgen, in woord, in daad, betekent tegelijk totaal àfzien van iets in mijzelf en mij in volkomen vèrtròuwen aan Hèm, aan Hem àlléén toevertrouwen en Hèm alleen volgen, in woord, in daad. Let op die tere woorden: ‘tenzij dat het hem gegeven zij van Mijn Vader.’ Hoe onnavolgbaar de eenheid in werking: tot de Zoon komen, door de Vader gegeven, door de Heilige Geest bewerkt.

In herinnering: IK heb gezondigd en IK lig daardoor onder Gods vloek middenin de dood. Alles is Uw werk alleen o God! Hoe groot is Uw barmhartigheid over zòndaren! Wie zoekt hier nog in de eerste plaats naar zichtbaar resultaat, los van geloofsgehoorzaamheid?

Hoe wordt met bovenstaande de terechte oproep om de vrede en de eenheid met en onder elkaar te bewaren en te bevorderen, onder grote spanning gebracht. Inderdaad, we moeten onderling en met iedere naaste de vrede en de eenheid bewaren en bevorderen. Keer op keer wordt deze oproep uitgesproken, benadrukt. Onderken, deze oproep wordt (vaak) zo gemakkelijk losgekoppeld van dat andere gebod: blijf in de Waarheid.

Dan worden ze als twee afzonderlijke geboden benaderd en behandeld. Het duurt niet lang of er wordt een volgorde in aangebracht. Zo niet met woorden, dan wel metterdaad. Wat blijkt? De (zichtbare) vrede en eenheid komt op de eerste plaats te staan. Met nadruk: ZICHTBARE! Want die kunnen we zien, daarop kunnen we wijzen, die kunnen ons in het samen verdergaan stimuleren en motiveren. En dat tweede gebod: blijven in de Waarheid?

Dan blijkt, dat het komen tot eenheid en vrede onderling het éérste doel was en is. En als dat bereikt is – na veel en moeizaam overleg inzake voorwaarden, afspraken, doelstelling – dan gaan we werken aan dat andere gebod: blijven in de Waarheid. De praktijk leert, dat het werken aan-, het jagen naar het blijven in de Waarheid (uiteraard!) niet mag gaan ten koste van de bereikte eenheid en vrede.

We zoeken naar het compromis, het compromis waarin ieder zich kan vinden. Maar als dat niet te vinden is, als er (ernstige) inhoudelijke bezwaren inzake leer en/of leven blijven opklinken? Zullen we die heikele zaken voorlopig maar laten rusten en ons concentreren op de zaken waarover we het wèl eens zijn? En ons daarover met elkaar verheugen en ons daarin met elkaar sterk maken en daarin met elkaar pal staan? Maar de mens vergeet, dat de tijd gegronde bezwaren snel uitslijt, weg manoevreert, op een (doodlopend) zijspoor plaatst en houdt.

Dan leert de Heere Jezus in bovenstaande met des te meer klem, dat het blìjven in de Waarheid op de eerste plaats stáát en móet staan. In orde, in volgorde! Ja, als het blijven in de Waarheid van die plaats verdrongen wordt, dan wordt daarmee en daardoor de Christus der Schriften verworpen en uitgeworpen. Hoe duidelijk wordt dat getoond en bevestigd in bovenstaand Schriftgedeelte. En de Heere Jezus onderstréépt het Zelf, waar Hij niét terugkomt op Zijn woorden, maar de twaalf apostelen ook nadrukkelijk aanspreekt op het ZICHTBARE: vélen ergeren zich en keren Jezus de rug toe en gaan niet langer met Hem mee. WAT DOET U? Nog sterker: WILT U OOK NIET WEGGAAN?

Elk compromis wordt hier radicaal afgesneden. Hier openbaart Christus de twee wegen: a. zich buigen onder het gezag van Zijn Woord als het enige Woord van leven. b. zichzelf handhaven in HOOGMOED en toegeven en blijven in het zich mateloos ergeren aan het gevolg van het zich buigen onder het gezag van het Woord der Waarheid.

Want bèide hebben verstrekkende gevolgen: a. totale zelfverloochening in het volgen van Jezus en het daarop moeten volgen van het nadragen van zijn kruis van verguizing en versmading van en door mensen. Ook: zo met Christus gekruisigd, zo ook met Hem leven. Ook: zo Christus gekruisigd, Zijn Woord verworpen en veracht, zo ook de verstikkende duisternis in het totaal verlaten-zijn van Hem, hier en eeuwig.

In de praktijk van het leven hier en nu: als we diverse kerkgenootschappen zien, waar ‘vleugels’ van zeer uiteenlopende richtingen elkaar toch ‘vasthouden’ onder het dak van de ene naam, dan kunnen we niet anders constateren, dat er een compromis is gevonden – uiteraard: niet ideaal! – waar we mee (kunnen) leven.

Maar als we vervolgens zien, dat er in bepaalde ‘vleugels’ leringen verkondigd worden, praktijken in stand gehouden worden, die duidelijk afwijken van de geopenbaarde Waarheid, dan slaat ons de schrik om het hart: hebben WIJ het compromis gevonden, wat de Heere Jezus zo duidelijk en radicaal heeft afgewezen en veroordeeld? Want Hij leert heel duidelijk: Eérst blijven in de Waarheid en daarin en daarmee en van daaruit werken en jagen naar de waarachtige eenheid en vrede. Die orde, die volgorde.

En als we die orde en volgorde middels compromissen verwijderen, hoe willen we (doen) geloven, hoe willen we volhouden, dat we Jezus Christus navolgen, hoe willen we voor Hem verschijnen? Of kan, mag, vandaag toch meer, dan tijdens Zijn omwandeling op aarde? En zelfs als we dat aannemelijk zouden kunnen maken voor elkaar, hoe komt Jezus Christus ons opnieuw tegen in de zeven brieven aan de zeven gemeenten in Openbaring 2 en 3. ‘IK HEB TEGEN U!’

Zullen we niet ernstig onderzoeken of deze waarschuwingen – toen en daar in concrete afwijkingen in leer en leven! – vandaag niet evenzeer gelden in ons – ter wille van – gedogen en goedpraten en vooruitschuiven van alle heikele punten betreffende leer en leven, die ònze compromissen in zich bergen? Of sussen we onszelf en elkaar en de gemeenten in slaap met Schriftuurlijke preken, terwijl we – ter wille van – jaar in jaar uit heen blijven draaien om die punten? Of wachten we – al jaren! – op het juiste moment, de juiste gelegenheid, waarop we ‘terecht!’ moeten breken? Maar dit naar het oordeel van mènsen!

Terwijl blijkbaar afwijking in leer en leven daartoe géén, ònvoldóende reden vormen. Hoe willen we Johannes 14:23, 24 dan verstaan? ‘Jezus antwoordde en zei tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken. Die Mij niet liefheeft, die bewaart Mijn woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft.’ Of willen we deze beslissende scherpe onderscheidinng afdoen als ‘onbetekenend’, als ‘ieder moet dat voor zichzelf maar uitmaken’, of maar gewoon negéren en doodzwijgen? Dit zegt het HOOFD! En de leden kijken snel de andere kant op aan?

Maar onderken!: is dit niet een variant op de houding van Kaïn: ben ik mijns broeders hoeder? Heb ik hen, die volharden en verharden in leer en leven wat duidelijk tégen de Schrift ingaat, lief??? Want die liefde openbaart zich in het veel bedekken van zwakheden en gebreken en tekortkomingen – zie I Corinthiërs 13 – maar evenzeer in het vermanen van elkaar inzake zònden.

Vermanen we zònden niet, dan hebben we de zondáár niet lief. Hebben we de zondáár niet lief, het laat ons koud, of hij behouden wordt of verloren gaat, eeuwig. Maar wee ons, waar het bedekken van allerlei zwakheden tegelijk inhoudt, dat we zònden bedekken, tolereren, beschermen, afwijkingen van de gezonde leer verdragen en toelaten.

Of willen we volhouden dat bovenstaande geschiedenis – Johannes 6 – alleen voor kennisgeving in de Schrift staat? Of zijn we van mening, dat Jezus Christus om ons te vermaken deze ‘spannende’ geschiedenis zo uitgebreid heeft doen optekenen? Vervolgens ook Openbaring 2 en 3? Anderszins voor zover het ons past en uitkomt? Hóe lezen we de Schrift en hóe luisteren we ernaar? Selectief, subjectief, òf gezaghebbend, ook voor hier en vandaag in de praktijk van het concrete leven?

Nee, het is allerminst onze bedoeling alleen maar te wijzen, aan te wijzen. Wel, dat we ons er (opnieuw) ernstig rekenschap van geven: kàn ik mijn Heiland, Die mij zó scherp onderwees, dat ik moet DOEN de wil van mijn Vader, Die in de hemelen is, met deze compromissen onder ogen komen? Zijn ze Hem welgevallig, of staan ze vijandig tegenover Hem?

Zeg niet: wie moet dat beoordelen, wie kan daarover het laatste woord voeren? De Heere Jezus Zelf geeft het bepalende antwoord, Johannes 7:16, 17: ‘Jezus antwoordde hun, en zei: Mijn leer is Mijne niet, maar Desgenen, Die Mij gezonden heeft. Zo iemand wil Deszelfs wil doen, die zal van deze leer bekennen, of zij uit God is, dan [of] Ik van Mijzelven spreek.’

Leest u: iemand. Doelt de Heere Jezus hiermee op een geleerd iemand, iemand die leiding geeft, een ambt bekleedt, vooraanstaand, een selecte groep? Of geldt dit ieder gelovige, die in en door het geloof de Schriften kent en daarin onderscheidt wat de zuivere leer is èn wat daarvan afwijkt. Opnieuw, het is Pinsteren geweest: de Heilige Geest is uitgestort op àlle vlees.

Geloven we dat echt, of komt het zo nu en dan toch beter uit, dat er personen zijn voor wie dat méér van toepassing is? En als we voor die gedachte ruimte denken, vervolgens creeëren, daarna in praktijk brengen, we zitten zo weer in de hiërarchische structuur. En in orde en volgorde wordt het zich onderwerpen aan hen (ambtsdragers!) die boven hen staan maar zo weer op de eerste plaats gezet.

En, o ja, het is ook Pinksteren geweest. Tegelijk wordt de ambtelijke diénst een ambtelijk héérsen, met alle daarop volgende willekeur en eigenwilligheid. Hoe heeft de geschiedenis telkens weer deze ontwikkeling met alle gevolgen getoond en bewezen. Hoe heeft de Heere Jezus deze ontwikkeling aangewezen en veroordeeld: U BENT BROEDERS! Hoe heeft Paulus zijn uiterste best gedaan, dit in praktijk te brengen, in woord en daad, Handelingen 20:18 vvv.

Zeker, Paulus heeft ook heel scherp opgemerkt en ervaren waartoe het zó handelen leidde, I Corinthiërs 4:9-13: ‘ Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot de dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld, en de engelen, en de mensen. Wij [zijn] dwazen om Christus’ wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten. Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden, en wij zegenen; wij worden vervolgd, en wij verdragen; Wij worden gelasterd, en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld [en] aller afschrapsel tot nu toe.’

En Paulus wijst de Corinthiërs de weg, vers 16: ‘Zo vermaan ik u dan: zijt mijn navolgers.’ Dan tekent Paulus hierin de weg, die vanzelfsprekend is voor ieder, die Jezus Christus dient en navolgt. Of was de weg van de Heere Jezus een weg van eer en glorie en roem en heerschappij voeren? Of staat ergens in de Schrift, dat dit een tijdelijke vernedering is, alleen voor de Corinthiërs, toen, of voor alle gemeenten, toen?

Maar dat dit beslist niét geldt voor de gemeenten en ambtsdragers in de 21e eeuw? Integendeel, zij zijn daar bovenuit gegroeid en zij zijn tot aanzien en eer en macht gekomen. Waar spreekt de Schrift zo? Of heeft Paulus – daartoe geleid door de Heilige Geest – dit zo breed beschreven, omdat het dé les voor alle volgelingen van Christus ìs: wees niet verbaasd, als u deze weg moet gaan, Mij ter navolging. Vergelijk Johannes 15:18, 19, 23: ‘Indien u de wereld haat, zo weet, dat zij Mij eer dan u gehaat heeft. Indien gij van de wereld waart, zo zou de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld. Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader.’

In het geloof, wat zijn we: slááf van Christus? of toch vriénd van de wereld? Of is er nu toch een acceptabel compromis, dat de Schrift scherp en radicaal ontkent en afwijst?

Eén ding is zeker: De Schrift gruwt van alleen maar wóórden, veel vrome wóórden, waar de daden niets meer dan vormendienst zijn, gelegenheidswerken. De Heere toetst ieders hart, wat de gezindheid ervan is: vóór of tégen Christus. In woord èn daad.

Huiveringwekkend, hoe het woord van mensen zo gemakkelijk verheven wordt bóven het levende Woord van de levende God! Vervolgens, dat diezelfde mens onderwerping eist van de medemens aan zijn eigen redeneringen en fantasie. Wel of niet vroom gebracht, wel of niet aannemelijk gemaakt door allerlei schijn van vroomheid. Maar let op de vruchten! Zit Jezus Christus Alléén als Hoofd van Zijn kerk op Zijn troon, in Woord èn daad? Of wordt dat tot en met beleden, maar wàt, als op de dagelijkse praktijk op- en aanmerkingen gemaakt worden, als gebreken, afwijkingen, zonden, concreet aangewezen worden, gefundeerd afgewezen worden?

Hoe vergeetachtig is de mens! Want de mens kan lezen van Noach, die vele jaren lang profeteerde van het komende gericht, de zondvloed. Ook toen werd hij door de medemens bespot en gehoond en uitgelachen. Want de mens vergéét, elke dag weer, dat Gods oordeel wèl kwam en àllen wegraapte, behalve het gezin van Noach. En de hele Bijbel door, ook in het Nieuwe Testament, tot vandaag toe, zien we, dat de mensheid met haast vergéét!, te beginnen bij de vooraanstaanden, de geleerden, de vakbekwamen.

Hoe gemakkelijk worden Gods beloften veralgemeniseerd, uitvergroot. Hoe gemakkelijk wordt van de Heere Jezus één grote karikatuur gemaakt. Hoe gemakkelijk wordt déze ernstige waarschuwing met dreiging! – Mattheüs 18, verleiders – vergeten, overgeslagen, het zwijgen opgelegd. Vergeet nooit: dezelfde Jezus, Die zei: Ik ben de goede Herder!, zei ook, dat het voor een verleider, misleider nuttiger was, dat hij met een molensteen aan zijn hals verdronken was, dan dat hij één van deze kleinen verleidde.

Er wordt verleid en misleid door mensen, die willens en wetens God en de Christus háten en dùs Zijn Woord. Er wordt ook verleid door mensen, die van het geloof afgevallen zijn, nadat ze zelf verleid en misleid zijn door vele begeerten en de hebzucht. Er wordt ook verleid en misleid, door mensen, die meegesleept door rijkdom en bezit hun zinnen dáárop gezet hebben en zich daaraan hebben overgegeven. Er wordt ook verleid en misleid door mensen, die door druk en vervolging afgevallen zijn en gaandeweg de strijd van het geloof hebben opgegeven.

Is het niet dáárdoor, dat ze het leven hier en nu uiteindelijk verkozen bóven het leven in en door het geloof? Is het niet dáárdoor, dat ze de smaad en spot en verguizing en verwerping van Jezus Christus een té groot offer achten?

Ook, wat we zojuist noteerden uit Prediker 8 – de voorspoed en een lang leven van goddelozen – ze verleiden en misleiden. Niet, omdat God daarin onrechtvaardig handelt, integendeel, God handelt volkomen naar Zijn volmaakt recht!, maar om de mens te beproeven, òf de mens eerst en voor alles en alleen zijn geloof op Gòd stelt, Gods Woord voor volmaakt betrouwbaar acht en houdt. Dan verandert jaloezie in medelijden, hebzucht in erbarming. Weet u nog: schat in de hemel òf schatten op deze aarde die snel voorbij gaan en verdwijnen.

Want we richten eerst ons oog op God, op Zijn Woord: eeuwig vast, onwankelbaar! Dan zien we opnieuw die broze mens, ‘rijk’ in alles wat zijn hart hier en nu begeert: wat is het wankel, tijdelijk, voorbijgaand, vergankelijk, even. Daarom: we moeten vàst staan in het geloof, vàst gegrond in de levende God, Zijn Woord, Zijn beloften, Zijn verbond. En alles, wat ons daarvan kan en wil vervreemden en verwijderen, radicaal afwijzen en van ons werpen.

Denk, uit welke poel van dood en verderf – door èigen schuld! – de levende God ons trekt en wil trekken. Daartoe wijst Hij de smalle weg: totale zelfverloochening hier en nu; tegelijk volhardend geloof in vast vertrouwen op het ene offer van Jezus Christus. Onderken, dat Jezus Christus elk compromis van èn èn radicaal afwijst, terwijl de duivel en zijn volgers niet anders doen dan compromissen zo verleidelijk mogelijk aan te prijzen en aan te bevelen. Daartoe wordt het Woord van God telkens weer verdraaid en vervormd en verleugend, naar de mens!

Jezus Christus, het Hoofd van Zijn kerk. Inderdaad, maar dan zullen we ook accepteren en aannemen, die Hìj vergadert. En onze gevoelens dááraan onderwerpen. Die volgorde mag en kan en moet alleen de juiste zijn. In woord, in daad. Want de Heere Jezus gaat zeer wonderlijke wegen, ook onbegrijpelijke. Daardoor stelt Hij ons op de proef, òf wij Hem geloven op Zijn Woord of niet.

We willen wijzen op de onbegrijpelijke weg, als de Heere voorgangers in de gemeente op jonge leeftijd tot Zich neemt. ‘Wij kunnen hen niet missen!’ Denk aan Johannes de Doper, onthoofd, denk aan Jakobus, onthoofd, denk aan Stefanus, vol van de Heilige Geest, gestenigd. Hoe moeten die gebeurtenissen ons er met de neus op drukken, dat Jezus Christus in niéts ook maar iéts van hen afhankelijk is. HIJ IS HET ENE HOOFD! HIJ REGEERT SOEVEREIN, ALLE EEUWEN DOOR! Dat moet alle eeuwen door Zijn kinderen scherp voor ogen staan. Dat moet hen er scherp op doen toezien, dat ze zich niét verlaten op voorgangers, leiders, welsprekende redenaars.

Hoe scherp en sterk moet ons dat vandaag, hier, voor ogen staan. Hoe verleidelijk de gedachte, dat Christus blij mag zijn met MIJN inbreng, in woord, in daad, MIJN trouw, MIJN volharding, MIJN … Nee!!! Elke gedachte in die richting betreffende mijzelf, maar ook ieder ander persoon, moeten we direct radicaal afwijzen. Ook als die gedachte bij anderen leeft, door anderen uitgesproken wordt. We zullen moeten trachten elke dag tròuw te zijn in de ontvangen opdrachten.

Jesaja 66:4, 5: ‘Ik zal ook verkiezen [het] [loon] hunner handelingen, en hun vreze zal Ik over hen doen komen, omdat Ik geroepen heb, en niemand antwoordde, Ik gesproken heb, en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in Mijn ogen, en verkoren hetgeen waartoe Ik geen lust had. Hoort des HEEREN woord, gij, die voor Zijn woord beeft! Uw broeders, die u haten, die u verre afzonderen, om Mijns Naams wil, zeggen: Dat de HEERE heerlijk worde! Doch Hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.’

Laten we er scherp op toezien, dat wij niét scheiden, waar God sámenbond, noch samenbinden, waar God nadrukkelijk scheidde.

Willen we eerbiedig naar Gods heilig Woord luisteren, willen we eerbiedig Gods heilig Woord lezen, we zullen de gezètte vijandschap in deze bedeling moeten blijven zien. Daarbij onze natuurlijke staat voor God naar onze oude natuur: MIDDEN IN DE DOOD! Dan zullen we ook Gods oneindige barmhartigheid opmerken, waar Hij ons roept en trekt tot Zijn redding en verlossing uit het slavenhuis van duivel, zonde en dood. In en door Christus.

Hem alleen alle lof en prijs en dank.

8 oktober 2014

Dit bericht is geplaatst in Toegespitst. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *