Inleiding I

Op grond van de Bijbel geloven we, dat God de aarde met alles wat erop en erin is, geschapen heeft tot Zijn eer. Daarop heeft Hij de mens als rentmeester geplaatst, tot Zijn eer, tot heil van de naaste, tot beheer en ontwikkeling van de schepping.

Door de zondeval heeft de mens revolutie gepleegd tegenover God en zich vergrepen aan al het geschapene. De naaste blijkt niet meer de door God geschapen medemens, maar een onuitstaanbare concurrent.

De mens nu – levend in de 21e eeuw ná de komst van onze Heere Jezus Christus – ziet terug op de geschiedenis vanaf de schepping. Het kan niet anders, dan dat hij ziet welk een enorme en totale chaos de mens heeft bewerkt door zijn zondeval. Alleen, dat wil de mens niet zien, dat hij zèlf dé grote veroorzaker is van alle ellende. De mens in zijn eerste voorouders, Adam en Eva. In hen heeft de mènsheid gezondigd en is totaal verdorven voor God.

Nu blijkt het keer op keer, van dag tot dag, dat de mens daar niet aan herinnerd wil worden. Sterker, de mens ontkent het ten stelligste. Tegelijk ontkent ze al de gevolgen daarvan, ook al staan al de geschiedenisboeken er vol van, ja, ook al zijn de stromen vergoten bloed niet meer te tellen of te meten. Of ze worden genegeerd, òf ze worden ontkend, òf ze worden als een tragische episode in de geschiedenis aangemerkt. Maar dan wordt meteen opgeroepen tot diepgaand onderzoek om de óórzaken daarvan op te sporen. Want als we de oorzaken weten, dàn kunnen we die bestrijden en uitroeien en dus in het vervolg voorkómen.

Hoewel de geschiedenis overtuigend toont, dat elke zoektocht naar de diepste oorzaken van alle ellende géén resultaat heeft opgeleverd, weigert de mens toch te luisteren naar wat God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard. Nee, dat wordt juist met een beslist en resoluut gebaar aan de kant geschoven als onmogelijk. Want daarmee zou de mens eigen schuld erkennen, daarmee zou de mens zich weer afhankelijk stellen van Gods Woord als mogelijk waar en juist. En in de zondeval heeft de mens dáár nu juist overtuigend en radicaal afstand van genomen.

Misschien denkt u nu bij zichzelf: wat een zwartkijker, wat een doemdenker.

Integendeel, ik tracht niet anders te doen dan het heel dikke en dichte mistgordijn wat ons uitzicht totaal wègneemt op te lossen en te verwijderen.

Wat is dat mistgordijn dan? Wel, dat is dat het zién van alles wat er is en gebeurt en bereikt is en gedaan wordt niét afhankelijk is, het gevolg is van enige menselijke prestatie of verstandelijke denkkracht, maar alléén, ja, alléén van GODS ontferming en barmhartigheid over de verloren mensheid. Die ontnemen daarmee elke menselijke verontschuldiging.

Dan zou je verwachten, dat de dànkbaarheid van de mensheid óverloopt, als ze haar eigen schuldige verlorenheid ziét en daarmee haar liggen midden in de dood. Dan zou de mens toch automatisch de hand op de mond leggen bij het zién van zóvéél goedheid en trouw en gunst, en dat ònverdiend, om niet! Wie begrijpt dat, dat God zó doet???

Maar dan zien we juist, dat de mens al die goedheid en gunst gretig naar zich toegrist, de ander niets gunt, ja, alle mogelijke middelen aangrijpt om dàt te verwezenlijken. Ja, dan ontstaat er onenigheid, dan ontstaan diefstal en roof en onderdrukking en afpersing en intimidatie en chantage en moord en oorlogen en uitbuiting. En die worden dan opgebouwd en uitgevoerd, omhangen met leugen, bedrog, schijn, valsheid, onjuiste voorstelling van de waarheid, eenzijdigheid, vertekening, verdachtmaking, omkoperij, oplichting, verlinking. In het kleine, in het grote. En wie er wat van zegt of er kritiek op heeft, nee, die is niet bij de tijd, want IEDEREEN doet het! En wie het niét doet is DOM, OLIEDOM! En dan gaat het om macht, om invloed, om eer, om aanzien. En … geld, want met geld is ALLES te koop en geld vergoedt alles!

De mens doet méér! Tegelijk verklaart de mens God dood, totaal onmachtig, onwetend, zodat de mens zichzèlf moet redden, verlossen, uithelpen. Daarom: slim zijn, slimmer dan de ander. Want we leven maar één keer, tussen wieg en graf. Dus: pluk de dag, na ons de zondvloed. Want God vraagt geen rekenschap. Maar daarnaast verklaart ze die hopeloze kortzichtigheid van het moment tot deskundige veeljarige toekomstverwachting. Stilzwijgend daarin: VERTROUW OP MIJ, MENS, MIJN INZICHT, MIJN WETENSCHAP!

En God, de levende God? Hij gaat van dag tot dag door met al Zijn goedheid en barmhartigheid en gunstbewijzen op ontelbare manieren uit te strooien, uit te gieten. Daarbij houdt Hij de mens in toom, zodat ze in al haar razen de hele mensheid niet binnen de kortste keren ombrengt. Maar als God al die òndankbaarheid ziet, al dat negéren van Hem, ja, dat diezelfde mens er niet voor terugschrikt om God te schelden en te vloeken bij de minste of geringste tegenslag, daar de mens meent ten onrechte benadeeld te worden, ja, dan kan het toch niet anders, dan dat God daarover wraak oefent?

En als we mensen zien die zó bevoorrecht worden, in geld, in goed, in eer, in aanzien, in macht, in invloed, in ….. Juist, dan zien we vaak, dat diezelfde mensen met God spòtten, Hem belachelijk maken, zichzelf àlle eer en roem toeschuiven, dat zij dàt verkregen, dàt bereikt hebben.

Maar de mens ziet niét, dat Gòd het bewerkte, dat Gòd het zo leidde. Nee, de mens ziet aan wat voor ogen is en werkelijk, het is oogverblindend!!! En de mens is zó onder de indruk, hij is verpletterd en tegelijk totaal verblind: WIE KAN HEM, HAAR EVENAREN???

De mens ziet niét, dat God regeert, almachtig, alwijs. De mens ziet niét, dat God alle tijd en gelegenheid aan Zich houdt. De mens houdt er géén rekening mee, dat God daarin helemaal vrij is. Vrij om geduld te hebben met die dwaze mens, vrij om te geven, vrij om te overladen, vrij ook om het geduld op Zijn tijd af te breken, om het gegevene weg te nemen, om de mens van het één op het andere ogenblik van alle heerlijkheid en roem en eer en invloed te beroven.

Maar waarom doet God het dan zo? Waarom wordt de ene mens in ellende geboren en zwoegt en ploetert hij zijn leven lang in ellende en jammer en wordt de ander in alle weelde en eer geboren en neemt het gedurende zijn leven alleen maar toe? Doet God daarin de mens geen onrecht? Daarover hopen we breed te spreken in artikelen over het Bijbelboek Job. Hier en nu moeten Gòds wijsheid, Gòds almacht, Gòds geduld en barmhartigheid door de mens erkend en beleden worden. Tegelijk zijn totale afhankelijkheid. Maar dàn steigert de mens zeer hoog: DAT NOOIT!!!

Er is wel eens de vergelijking gemaakt met varkens en koeien. Als ze méér kosten dan opleveren worden ze vètgemest, voor de slacht! Niet dat ze dat beseffen, maar het gebeurt. Ze schrokken juist zoveel mogelijk op en weten niet dat het hun dood dichterbij brengt. En we vinden dat de meest normale gang van zaken. En zó overlaadt de HEERE de onbekeerlijke mens met eer en roem en macht en goederen en geld, tot in het bizarre toe. Opdat de onbekeerlijke mens zich niét bekeert en leeft. En zó wordt de onbekeerlijke mens door God rechtvaardig heengeleid naar de grote slachtbank van het oordeel van het Lam, Jezus Christus. Omdat de mens het béter meende te weten dan God, in het paradijs. Omdat de mens zich steeds weer laat verblinden door alle eer en schatten van deze wereld en daarmee het offerbloed van onze Heere Jezus Christus als enige losprijs voor onze zonden verachtelijk minacht en versmaadt.

Wie gelóóft onderkent de sluipende verleiding van eer en roem en geld en goed en macht. Hij erkent óók, dat alleen God de Heilige Geest hem de ogen en het hart en het verstand kan openen, zodat hij dat ene offer van oneindig groter waarde acht dan alle macht en schatten ter wereld. Hij ziet het grote verschil: de waarde van het offer is eeuwig, onwankelbaar vast; de waarde van alle macht en schatten hier en nu is tijdelijk, vergankelijk, het wankelt van ogenblik tot ogenblik. Want Gòd regeert, almachtig, alwijs, rechtvaardig, eeuwig. De wereld en haar volheid, ze zijn van Hèm, en Hij beschikt er over naar Zijn voorzienig bestel en raad. Hij heeft geduld zolang het Hem goeddunkt, opdat de mens voor Zijn heilige Naam vreest en diep ontzag heeft. Want Hij kòmt, Hij zal de wereld richten in rechtmatigheid, de volken naar Zijn recht.

Laat nu de groten der aarde maar razen, laat nu de machthebbers der wereld maar brallen, laat nu alle rijken en aanzienlijken maar pronken en zich laten bejubelen en toejuichen door de massa, laat nu de massa maar jagen naar invloed, macht, eer en rijkdom, laat nu …..

De HEERE làcht er om, de levende GOD spòt ermee. Hij heeft de Heere Jezus Christus gezèt tot Rots van behoud voor allen die zichzelf het eeuwige leven onwaardig keuren vanwege hun zonden en hun heil alleen in Christus zoeken en vinden, ook tot Steen van ergernis en verplettering voor alle hoogmoedigen die het van zichzelf en eigen prestaties verwachten. Hoe radicaal anders is Gods oordeel dan het menselijk oordeel, opdat de mens aan het menselijk oordeel geen eeuwigheidswaarde toekent.

7 september 2013

Dit bericht is geplaatst in Politiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *