8. De psychische confrontatie rond de ashoop. IV

Bildad vervolgt, Job 8:3: ‘Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?’ Hoe suggestief worden Gods recht en gerechtigheid door Bildad geclaimd en gekoppeld aan hun eigenwillige ‘rechtsgang’ en ‘rechtsinhoud’. En daardoor probeert Bildad – door hem de duivel! – Job in zijn geloof en zekerheid aan het wankelen te brengen. DRIE gezonde mannen met een gezond verstand tegenover een doodziek, oververmoeid, totaal uitgeput, door leed en ellende verbrijzeld persoon. Zouden die DRIE geen gelijk hebben??? Alleen de gedachte al, dat zij zouden dwalen …. onbestaanbaar, ondenkbaar. Die gelegde koppeling – tussen Jobs ellende èn zijn zware zonde tegenover God – ligt onwrikbaar vast. Job, geef toe!, God verandert niet!

Daarna zegt Bildad, Job 8:4: ‘Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.’ Hier zien we één van de meest duivelse aantijgingen. Immers, Job in rouw over het verlies van zijn tien kinderen, wordt hier geconfronteerd met de suggestieve gedachte, dat zijn kinderen gezondigd kunnen hebben en dat dáárdoor die gelegde koppeling juist is. En meteen er aan vast gekoppeld: Job, de Heere heeft hen dáárvoor reeds uit dit leven weggerukt. Job, geef nu maar snel toe! Wat ontstellend goedkoop! Bildad heeft geen bewijs voor zijn verdachtmaking en hij kan de kinderen daarover niet vragen. Wat gemakkelijk om overledenen bepaald gedrag toe te schuiven, suggestief. Duivels vàls!

Job 8:5-7: ‘[Maar] indien gij naar God vroeg zoekt, en tot de Almachtige om genade bidt; Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken. Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.’ Bildad weet niet van ophouden en herhaalt een vroegere gedachte: kijk, Job, wij spreken volstrekte waarheid en daarom, bekeer je met haast en God zal je leven herstellen.

In Job 8:8-10 vervolgt Bildad: ‘Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen. Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn. Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?’ Valse bescheidenheid. Hier wordt een nieuwe pijl afgeschoten: de ouden, de vorige geslachten, die suggestief gesteld worden precies hetzelfde verkondigd te hebben. Nee, ze leven niet meer, maar ik wéét, dat ze dat onderzocht hebben en tot dat oordeel gekomen zijn. Willen wìj het beter weten dan zij? Hoe hoogmoedig moet je dan zijn.

Bildad gaat voort, Job 8:13-15: ‘Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan. Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop. Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.’ Bildad gaat in het pad van Elifaz. Het is waar, dat zó de paden zijn van allen, die God vergeten. Tegelijk, wat ik, Bildad, daarvoor gezegd en gesteld heb – suggestief – het is de hele waarheid! En dáárom, Job, dáárom bèn jij een huichelaar. Jouw leven was één schijnvertoning. Ja, en dat kan onmogelijk bestaan, vandaar wat volgt. Zie het verband!, en deze aantijgingen zijn duivels vàls.

Job 8:18-22: ‘[Maar] als [God] hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, [zeggende]: Ik heb u niet gezien. Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten. Zie, God zal de oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand; Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich. Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet [meer] zijn.’ Hoe suggestief redeneert Bildad hier verder. Telkens in andere bewoordingen wordt de ene verdachtmaking gekoppeld aan de volgende beschuldiging. En God wordt suggestief ingevoegd; God wacht enkel op jouw berouw en bekering, maar dàn, als je dat doet, dan is alle leed snel voorbij. Nee, elke vorm van gedegen onderbouwing zoeken we tevergeefs. Dáárom had Job gevraagd.

En Elifaz en Zofar corrigeren Bildad niét en zwijgen! En de duivel grijnst!

Job 9:1, 2: ‘Maar Job antwoordde en zei: Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?’ Job kent zijn kleinheid tegenover God. Hij wist van zijn natuurlijke verdorvenheid en liggen in de dood. Hij beleed immers: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen wederkeren. Job verheft zich niet boven zijn vrienden.

In Job 9:3: ‘Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.’ en volgende verzen weet Job van zijn onvermogen tegenover God. Tegelijk, één lofzang op Gods grootheid en almacht. Dan vers 15a: ‘Denwelke ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden;’ Ofwel, zegt Job, mijn eerbied en ontzag voor God zijn zó groot, dat er geen gedachte bij mij is mij met God te meten, of te denken, dat er bij God enig onrecht is. Daarin het bewijs: lege suggestieve verdachtmakingen uiten jullie, meer niet.

Job 9:15b: ‘mijn Rechter zal ik om genade bidden.’ Job erkent: God is mijn Rechter. En zeker, ook ik kan alleen van genade leven en voor Hem bestaan, door Jezus Christus.

In Job 9:17, 18: ‘Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak. Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.’ wordt Job weer overmand door al zijn leed en ellende. Hij erkent, dat God het hem toeschikt. Ook in het voortgaande erkent Job het onderscheid tussen God als Schepper en Job als schepsel. Elk vergelijk gaat mank.

Dan Job 9:32, 33: ‘Want Hij is niet een man, als ik, die ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen. Er is geen scheidsman tussen ons, [die] zijn hand op ons beiden leggen mocht.’ Job erkent en belijdt eigen kleinheid en onvermogen tegenover de almachtige God.

Job 10:1, 2: ‘Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel. Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.’ De worsteling in zijn ziel – waar hij niet uitkomt – beweegt Job in de richting van God ter verantwoording roepen. De opeenhoping van leed en ellende gedurende zo lange tijd; daarbij het niet weten wanneer het einde daarvan daar is; daarbij al de suggestieve verdachtmakingen en beschuldigingen van zijn vrienden, ze putten hem ontzaglijk uit, ze doen hem zijn geduld steeds meer verliezen. Wie kan zijn leed peilen???

Job 10:5-9: ‘Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans? Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt? 7 Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse. Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom [mij] zijn zij, en Gij verslindt mij. Gedenk toch, dat Gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren.’ Steeds weer de grote worsteling: God kènt mij in mijn oprechtheid èn Hij beproeft mij zo zwaar. Ik, Job, versta dit niet, ik kom er niet uit, het wordt niet helder voor mij, en ik begrijp Gods bedoeling daarin niet met mij. En de ziekte met al haar gevolgen, ze geven me geen moment rust. En mijn vrienden beschimpen me wreed en meedogenloos. Ik kan geen orde meer ontdekken en zie geen uitweg.

Job 10:12-15: ‘Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard. Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet, dat dit bij U geweest is. Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden. Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.’ Hierin bevestigt Job het voorgaande. Het is dodelijk vermoeiend continue heen en weer geslingerd te worden en geen uitweg te zien.

Job 10:20, 21: ‘Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke; Eer ik heenga (en niet weerkom) in een land der duisternis en der schaduw des doods;’ In de laatste verzen uit Job opnieuw zijn diepe wens tegenover God, dat God hem met haast uit dit leven wegneemt. Hij is levensmoe en levenszat door alle doorstane ellende. Maar aan de wens van de duivel geeft hij niet toe!

En God zwijgt.

14 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *