3.1e Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 40:13, 15, 16: van David
13. Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
15. Laat hen te zamen beschaamd en schaamrood worden, die mijn ziel zoeken, om die te vernielen; laat hen achterwaarts gedreven worden, en te schande worden, die lust hebben aan mijn kwaad.
16. Laat hen verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Ha, ha!

Psalm 41:3, 6-12: van David
3. De HEERE zal hem bewaren, en zal hem bij het leven behouden; hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geef hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.
6-12. Mijn vijanden spreken kwaad van mij, [zeggende]: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan? 7 En zo [iemand] [van] [hen] komt, om [mij] te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van. 8 Al mijn haters mompelen te zamen tegen mij; ze bedenken tegen mij, hetgeen mij kwaad is, [zeggende]: 9 Een Belialsstuk kleeft hem aan; en hij, die nederligt, zal niet weder opstaan. 10 Zelfs de man mijns vredes, op welke ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven. 11 Maar Gij, o HEERE! wees mij genadig, en richt mij op; en ik zal het hun vergelden. 12 Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.

Psalm 42:10, 11: van Korach
10. Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
11. Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij de ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

Psalm 43:1, 2:
1. Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van de man des bedrogs en des onrechts.
2. Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij [dan]? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

Psalm 44:6, 11-17, 23, 25: van Korach
6. Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.
11-17. Gij doet ons achterwaarts keren van de wederpartijder; en onze haters beroven [ons] voor zich. 12 Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen. 13 Gij verkoopt Uw volk om geen waardij; en Gij verhoogt hun prijs niet. 14 Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. 15 Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken. 16 Mijn schande is de ganse dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij; 17 Om de stem des honers en des lasteraars, vanwege de vijand en de wraakgierige.
23. Maar om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood; wij worden geacht als slachtschapen.
25. Waarom zoudt Gij Uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

Psalm 46:2, 3, 6, 7, 9, 10: van Korach
2. God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.
3. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde [haar] [plaats], en al werden de bergen verzet in het hart der zeeen;
6. God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van de morgenstond.
7. De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.
9. Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.
10. Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, de boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.

Psalm 49:6, 7: van Korach
6. Waarom zou ik vrezen in kwade dagen, [als] de ongerechtigen, die op de hielen zijn, mij omringen?
7. Aangaande degenen, die op hun goed vertrouwen; en op de veelheid huns rijkdoms roemen;

Psalm 52:3-9: van David
3-9. Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid [duurt] [toch] de ganse dag. 4 Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog. 5 Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela. 6 Gij hebt lief alle woorden van verslinding, [en] een tong des bedrogs. 7 God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela. 8 En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, [zeggende]: 9 Ziet de man, [die] God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.

Psalm 54:5, 7, 9: van David
5. Want vreemden staan tegen mij op, en tirannen zoeken mijn ziel; zij stellen God niet voor hun ogen. Sela.
7. Hij zal dit kwaad mijn verspieders vergelden; roei hen uit door Uw waarheid.
9. Want Hij heeft mij gered uit alle benauwdheid; en mijn oog heeft gezien op mijn vijanden.

Psalm 55:3-14, 16, 19-22, 24: van David
3-14. Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier; 4 Om de roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij. 5 Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen. 6 Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij; 7 Zodat ik zeg: Och, dat mij iemand vleugelen, als ener duive, gave! ik zou henenvliegen, waar ik blijven mocht. 8 Ziet, ik zou ver wegzwerven, ik zou vernachten in de woestijn. Sela. 9 Ik zou haasten, dat ik ontkwame, van de drijvende wind, van de storm. 10 Verslind hen, HEERE! deel hun tong; want ik zie wrevel en twist in de stad. 11 Dag en nacht omringen zij haar op haar muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar. 12 Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat. 13 Want het is geen vijand, [die] mij hoont, anders zou ik het hebben gedragen; het is mijn hater niet, [die] zich tegen mij groot maakt, anders zou ik mij voor hem verborgen hebben. 14 Maar gij zijt het, o mens, als van mijn waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende!
16. Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
19-22. Hij heeft mijn ziel in vrede verlost van de strijd tegen mij; want met menigte zijn zij tegen mij geweest. 20 God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen. 21 Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond. 22 Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijn woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn blote zwaarden.
24. Maar Gij, o God! zult die doen nederdalen in de put des verderfs; de mannen des bloeds en bedrogs zullen hun dagen niet ter helft brengen; ik, daarentegen, zal op U vertrouwen.

Psalm 56:1-3, 6-8, 10: van David
1-3. Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, op Jonath Elem Rechokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath. 2 Wees mij genadig, o God! want de mens zoekt mij op te slokken; de ganse dag dringt mij de bestrijder. 3 Mijn verspieders zoeken [mij] de ganse dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
6-8. De ganse dag verdraaien zij mijn woorden; al hun gedachten zijn tegen mij ten kwade. 7 Zij rotten samen, zij versteken zich, zij passen op mijn hielen; als die op mijn ziel wachten. 8 Zouden zij om [hun] ongerechtigheid vrijgaan? Stort de volken neder in toorn, o God!
10. Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *