3.1d Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 30:2: van David
2. Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.

Psalm 31:5, 7, 9, 12-14, 16-19, 21: van David
5. Doe mij uitgaan uit het net, dat zij voor mij verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.
7. Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op de HEERE.
9. En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
12-14. Vanwege al mijn wederpartijders ben ik, ook mijn naburen, grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straten zien, vlieden van mij weg. 13 Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat. 14 Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
16-19. Mijn tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden, en van mijn vervolgers. 17 Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid. 18 HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf. 19 Laat de valse lippen stom worden, die hard spreken tegen de rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
21. Gij verbergt hen in het verborgene Uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans; Gij versteekt hen in een hut voor de twist der tongen.

Psalm 34:17, 22: van David
17. [Pe]. Het aangezicht des HEEREN is tegen degenen, die kwaad doen, om hun gedachtenis van de aarde uit te roeien.
22. [Thau]. De boosheid zal de goddeloze doden; en die de rechtvaardige haten, zullen schuldig verklaard worden.

Psalm 35:
1 [Een] [psalm] van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders. 2 Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp. 3 En breng de spies voort, en sluit [de] [weg] toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil. 4 Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken. 5 Laat hen worden als kaf voor de wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg. 6 Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen. 7 Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel. 8 De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting. 9 Zo zal mijn ziel zich verheugen in de HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil. 10 Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die de ellendige redt van die, die sterker is dan hij, en de ellendige en nooddruftige van zijn berover. 11 Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij. 12 Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel. 13 Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem. 14 Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over [zijn] moeder treurt. 15 Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij [als] geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden [hun] [klederen], en zwegen niet stil. 16 Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden. 17 HEERE! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen. 18 Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen. 19 Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijanden zijn; [noch] wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten. 20 Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land. 21 En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien! 22 HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij. 23 Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en HEERE! tot mijn twistzaak. 24 Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden. 25 Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden! 26 Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken. 27 Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot de vrede Zijns knechts! 28 Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, [en] Uw lof de ganse dag.

Psalm 36:2-5, 13: van David
2-5. De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen. 3 Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, [die] te haten is. 4 De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen. 5 Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op een weg, die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.
13. Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen; zij zijn nedergestoten, en kunnen niet weder opstaan.

Psalm 37:1, 2, 7, 10, 12, 14, 15, 17, 20-22, 28, 32, 35, 36, 38: van David
1. [Een] [psalm] van David. [Aleph]. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.
2. Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.
7. [Daleth]. Zwijg de HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.
10. [Vau]. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.
12. [Zain]. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen de rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.
14. [Cheth]. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om de ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.
15. Hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.
17. Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.
20-22. [Caph]. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met de rook zullen zij verdwijnen. 21 [Lamed]. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft. 22 Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.
28. Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.
32. [Tsade]. De goddeloze loert op de rechtvaardige, en zoekt hem te doden.
35. [Resch]. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.
36. Maar hij ging door, en zie, hij was er niet [meer]; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.
38. Maar de overtreders worden te zamen verdelgd. het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.

Psalm 38:13, 21: van David
13. En die mijn ziel zoeken, leggen [mij] strikken; en die mijn kwaad zoeken, spreken verdervingen, en zij overdenken de ganse dag listen.
21. En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *