3.1c Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 18:1, 4-6, 14-16, 18, 19, 28, 38-46, 48, 49: van David
1. Voor de opperzangmeester, [een] [psalm] van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot de HEERE gesproken heeft, ten dage, als de HEERE hem gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.
4-6. Ik riep de HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden. 5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij. 6 Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
14-16. En de HEERE donderde in de hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen. 15 En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze. 16 En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.
18. Hij verloste mij van mijn sterke vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.
19. Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.
28. Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
38-46. Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had. 39 Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten. 40 Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden. 41 En Gij gaaft mij de nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik. 42 Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot de HEERE, maar Hij antwoordde hun niet. 43 Toen vergruisde ik hen als stof voor de wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten. 44 Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, [dat] ik niet kende, heeft mij gediend. 45 Zo haast als [hun] oor [van] [mij] hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen. 46 Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.
48. De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;
49. Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van de man des gewelds.

Psalm 21:9-13: van David
9-13. Uw hand zal alle vijanden vinden; uw rechterhand zal uw haters vinden. 10 Gij zult hen zetten als een vurige oven ter tijd uws [toornigen] aangezichts; de HEERE zal hen in Zijn toorn verslinden, en het vuur zal hen verteren. 11 Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen. 12 Want zij hebben kwaad tegen U aangelegd; zij hebben een schandelijke daad bedacht, [doch] zullen niets vermogen. 13 Want Gij zult hen zetten tot een wit; met Uw pezen zult Gij het op hun aangezicht toeleggen.

Psalm 22:
Een psalm van David, voor de opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. 2 Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, [van] de woorden mijns brullens? 3 Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte. 4 Doch Gij zijt heilig, wonende [onder] de lofzangen Israels. 5 Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen. 6 Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. 7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. 8 Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, [zeggende]: 9 Hij heeft [het] op de HEERE gewenteld, dat Hij hem [nu] uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft! 10 Gij zijt het immers, Die mij uit de buik hebt uitgetogen; Die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten. 11 Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van de buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God. 12 Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper. 13 Vele varren hebben mij omsingeld, sterke [stieren] van Basan hebben mij omringd. 14 Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, [als] een verscheurende en brullende leeuw. 15 Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands. 16 Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods. 17 Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven. 18 Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij. 19 Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad. 20 Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp. 21 Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds. 22 Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen. 23 Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen. 24 Gij, die de HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel! 25 Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep. 26 Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen. 27 De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen de HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. 28 Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot de HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden. 29 Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen. 30 Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden. 31 Het zaad zal Hem dienen; het zal de HEERE aangeschreven worden tot in geslachten. 32 Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen de volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

Psalm 23:5: van David
5. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.

Psalm 25:2, 3, 19, 22: van David
2. [Beth]. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij.
3. [Gimel]. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.
19. [Resch]. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wrevelige haat.
22. O God! verlos Israel uit al zijn benauwdheden.

Psalm 26:4, 5, 9, 10: van David
4. Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
5. Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
9. Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
10. In welker handen schandelijk bedrijf is, en welker rechterhand vol geschenken is.

Psalm 27:2, 3, 6, 12: van David
2. Als de bozen, mijn tegenpartijen, en mijn vijanden tegen mij, tot mij naderden, om mijn vlees te eten, stieten zij zelven aan, en vielen.
3. Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.
6. Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen de HEERE.
12. Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valse getuigen zijn tegen mij opgestaan, mitsgaders die wrevel uitblaast.

Psalm 28:3-5: van David
3-5. Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart. 4 Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren. 5 Omdat zij niet letten op de daden des HEEREN, noch op het werk Zijner handen, zo zal Hij hen afbreken en zal hen niet bouwen.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *