3.1f Ná het Bijbelboek Job.

Psalm 57:1, 2, 4, 5, 7: van David
1. Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.
2. Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
4. Hij zal van de hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
5. Mijn ziel is in het midden der leeuwen, ik lig [onder] stokebranden, mensenkinderen, welker tanden spiesen en pijlen zijn, en hun tong een scherp zwaard.
7. Zij hebben een net bereid voor mijn gangen, mijn ziel was nedergebukt; zij hebben een kuil voor mijn aangezicht gegraven; zij zijn er midden in gevallen. Sela.

Psalm 58:
1 Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Altascheth. 2 Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij, vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij, mensenkinderen? 3 Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde. 4 De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van [moeders] buik aan. 5 Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, [die] haar oren toestopt; 6 Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan. 7 O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE! 8 Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren. 9 Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, [als] ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen. 10 Eer dan uw potten de doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als [in] hete toorn wegstormen. 11 De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen. 12 En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor de rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.

Psalm 59:
Een gouden kleinood van David, voor de opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die [zijn] huis bewaren zouden, om hem te doden. 2 Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan. 3 Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds. 4 Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE! 5 Zij lopen en bereiden zich zonder [mijn] misdaad; waak op mij tegemoet, en zie. 6 Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israels! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela. 7 Tegen de avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad. 8 Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het? 9 Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten. 10 [Tegen] zijn sterkte zal ik [op] U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek. 11 De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien. 12 Dood hen niet, opdat mijn volk [het] niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild! 13 [Om] de zonde huns monds, [om] het woord hunner lippen; en laat hen gevangen worden in hun hoogmoed; en om de vloek, en om de leugen, [die] zij vertellen. 14 Verteer hen in grimmigheid; verteer hen, dat zij er niet zijn, en laat hen weten, dat God heerser is in Jakob, [ja], tot aan de einden der aarde. Sela. 15 Laat hen dan tegen de avond wederkeren, laat hen tieren als een hond, en rondom de stad gaan; 16 Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd. 17 Maar ik zal Uw sterkte zingen, en des morgens Uw goedertierenheid vrolijk roemen, omdat Gij mij een Hoog Vertrek zijt geweest, en een Toevlucht ten dage, als mij bange was. 18 Van U, o mijn Sterkte! zal ik psalmzingen; want God is mijn Hoog Vertrek, de God mijner goedertierenheid.

Psalm 60:3-5: van David
3-5. O God! Gij hadt ons verstoten, Gij hadt ons gescheurd, Gij zijt toornig geweest; keer weder tot ons. 4 Gij hebt het land geschud, Gij hebt het gespleten; genees zijn breuken, want het wankelt. 5 Gij hebt Uw volk een harde zaak doen zien; Gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

Psalm 61:4, 5: van David
4. Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor de vijand.
5. Ik zal in Uw hut verkeren [in] eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.

Psalm 62:4, 5, 10, 11: van David
4. Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen een man? Gij allen zult gedood worden; gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestoten muur.
5. Zij raadslagen slechts, om [hem] van zijn hoogheid te verstoten; zij hebben behagen in leugen; met hun mond zegenen zij; maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.
10. Immers zijn de gemene lieden ijdelheid, de grote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen, zouden zij samen [lichter] zijn dan de ijdelheid.
11. Vertrouwt niet op onderdrukking, noch op roverij; wordt niet ijdel, als het vermogen overvloedig aanwast, en zet er het hart niet op.

Psalm 63:10-12: van David
10-12. Maar dezen, [die] mijn ziel zoeken tot verwoesting, zullen komen in de onderste plaatsen der aarde. 11 Men zal hen storten door het geweld des zwaards; zij zullen de vossen ten deel worden. 12 Maar de koning zal zich in God verblijden; een iegelijk, die bij Hem zweert, zal zich beroemen; want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.

Psalm 64:
1 Een psalm van David, voor de opperzangmeester. 2 Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik. 3 Verberg mij voor de heimelijke raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid. 4 Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen [als] hun pijl; 5 Om in verborgen plaatsen de oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet. 6 Zij sterken zichzelven [in] een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien? 7 Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart. 8 Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er. 9 En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken. 10 En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken. 11 De rechtvaardige zal zich verblijden in de HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.

Psalm 66:3, 7, 10-12:
3. Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij [in] Uw werken! Om de grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden geveinsdelijk aan U onderwerpen.
7. Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; Zijn ogen houden wacht over de heidenen; laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.
10-12. Want Gij hebt ons beproefd, o God! Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert; 11 Gij hadt ons in het net gebracht; Gij hadt een enge band om onze lenden gelegd; 12 Gij hadt de mens op ons hoofd doen rijden; wij waren in het vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een overvloeiende verversing.

Psalm 68:2, 3, 7, 15, 22, 24, 31: van David
2. God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.
3. Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
7. Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
15. Als de Almachtige de koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit [als] op Zalmon.
22. Voorzeker zal God de kop Zijner vijanden verslaan, de harige schedel desgenen, die in zijn schulden wandelt.
24. Opdat gij uw voet, [ja], de tong uwer honden, moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.
31. Scheld het wild gedierte des riets, de vergadering der stieren met de kalveren der volken; [en] die, die zich onderwerpt met stukken zilvers; Hij heeft de volken verstrooid, [die] lust hebben in oorlogen.

3 januari 2014

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *