2. De oorlogsverklaring van Genesis 3 door God zuiver gesteld. Eerste confrontatie.

Uitdrukkelijk wordt de rijkdom van Job vermeld. De rijkdom in bezit en gezin. Beschreven wordt hoe Job er alles aan doet om zijn kinderen in de genoemde weg op te voeden en voor te gaan, in woord, in daad. Hij schaamt er zich niet voor, voor hen te offeren om hun mogelijk afdwalen van de Heere te verzoenen. Job staat middenin het leven en kent het mensenhart. Hij weet, hoe snel een mensenhart geneigd is van de Heere af te wijken. Hij weet ook, dat feestmaaltijden daartoe sterk kunnen verleiden. En kent hij de wispelturigheid, de onvastheid van het hart van de jeugd niet?

Job wist (inhoudelijk) van Prediker 7:3 en 4: ‘Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd. Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde.’ Nee, Job verbood die feestdagen, die maaltijden niet, maar hij onderkende wel de arglistigheid van ieders hart. Immers, waar vrolijkheid heerst, vermindert gemakkelijk de bedachtzaamheid, dat de mens stof is en sterfelijk. Ook die offers riepen om Bethlehem, Golgotha. Hoe gemakkelijk dwaalt een mensenhart af en zegt God vaarwel, vooral bij voorspoed en smakelijk eten en plezier.

Dan, Job 1:8: ‘En de HEERE zei tot de satan: Hebt gij [ook] acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.’

Ja, de Heere vestigt de aandacht op het leven van Job tegenover de duivel! Dat deed de Heere niet, omdat Hij van oordeel was, dat de duivel geslapen zou hebben. We kunnen terug naar de zondeval: de duivel verwierp de door God gestelde orde, daarmee de door God gegeven geboden. God zètte de vijandschap, de dódelijke vijandschap tussen vrouwenzaad en slangenzaad. En zou de slang, de duivel zèlf dan slapen??? Met deze vraag, met dit getuigenis van Job, zèt God Zijn werk in de mèns Job tegenóver al de duivelse listen en raadslagen van de duivel, en de uitwerking ervan. HET IS OORLOG!

Nou, hier is tegenover de duivel geen woord teveel gezegd. De duivel geeft niet eens fatsoenlijk antwoord op de gestelde vraag. Maar dat bleek in het paradijs ook al zo te zijn. In Job 1:9 en 10 staat: ‘Toen antwoordde de satan de HEERE, en zei: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij niet een betuining gemaakt voor hem, en voor zijn huis, en voor al wat hij heeft rondom? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn vee is [in] [menigte] uitgebroken in de lande.’ Hier beschuldigt de duivel de Heere van oneerlijke strijd! Hoe duivels is deze aantijging! We komen hier straks op terug.

Dan Job 1:11. Daar zegt de duivel tegen de Heere: ‘Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?’ In de Nieuwe Vertaling van NBG staat voor zegenen: vaarwel zeggen. In de kanttekeningen SV wordt ‘zegenen’ hier en op andere plaatsen aangemerkt als: vloeken, misprijzen, versmaden. Om elk misverstand uit te sluiten.

Onderkennen we de duivelse aanval van de duivel in deze verdachtmaking? Want hij zegt hier maar zo, dat het geloof van Job geen ècht geloof is, zoals God dat gebiedt, maar dat Job gelooft omdàt. Iemand die echt gelooft, gelooft in God als Schepper, zonder één bijbedoeling, zoals in het paradijs. Om Wie God IS, als Schepper, Onderhouder, in al Zijn deugden. En het geloof van Job – door God gewèrkt! – IS geen echt geloof, aldus de duivel. Het is afhankelijk van zijn bezit! Ofwel, alleen omdat God al de bezittingen van Job beschermt doet God het vóórkomen, dat Job inderdaad vroom, oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad is.

God gaat geen discussie aan met de duivel. Hij berispt hem niet over zijn sluwe verdachtmakingen. Maar dat betekent beslist niét, dat God de duivel dat niet aanrekent en toerekent. Alleen, God bepaalt het tijdstip en de plaats waarop Hij de duivel hierover ter verantwoording roept. Soeverein. Over al het onrecht dat gebeurt roept GOD ter verantwoording! Geen mens moet ooit de gedachte krijgen, dat God iets door de vingers ziet. NEE! Alleen, God bepaalt wanneer het daarvoor het geschikte moment en de juiste plaats is. Dat moet de mens met diep ontzag vervullen. Want dan is het ondergeschikt of dat over 10 minuten gebeurt of over 100 jaar. Ieder mens zàl rekenschap afleggen, voor God. Naar Zijn volmaakt recht. Het is tegelijk een grote troost voor ieder gelovige: de Heere ziet het, de Heere hoort het, HIJ zal rechtvaardig oordelen!

Job 1:12a: ‘En de HEERE zei tot de satan: Zie, al wat hij heeft, zij in uw hand; alleen aan hem strek uw hand niet uit.’ In vers 9 en 10 zien we het, hier zien we het en straks zien we het in Job 2:6: de duivel KAN NIETS buiten Gods wil. Inderdaad, Gods wil. God gééft de duivel hier zóvéél ruimte, niet meer. En de duivel kàn onmogelijk verder gaan. Maar hij gáát ook zo ver als hij kan. Hij is duivel en hij blijft duivel, in zijn afval van God, in zijn strijd tegen God, in zijn strijd tegen de vrouw, in zijn strijd tegen het zaad van de vrouw. En zijn werk is vol leugen, vol valsheid, vol list, vol bedrog, alles ontwrichtend, pure wanorde bewerkend.

Voor alle duidelijkheid: DE DUIVEL WIL NIET ANDERS, DE DUIVEL KAN NIET ANDERS, NOOIT. ZO IS ZIJN AARD, ZIJN WEZEN, sinds zijn zondeval.

Laat het heel duidelijk zijn: GOD roept ook de duivel en zijn trawanten ter verantwoording, voor àl hun daden, voor àl hun woorden, voor àl hun gedachten. Op Gods tijd en plaats. En God zal daar rechtvaardig over oordelen en vonnissen. Het vonnis is bekend: de eeuwige verdoemenis! En dat betekent tegelijk, dat God de duivel hier en nu volkomen in Zijn macht heeft, ook in de tijd van Job, zodat de duivel nooit verder kan gaan, dan God wil. Maar het betekent ook, dat God dat oordeel en dat vonnis ZAL vellen EN uitvoeren. Zijn macht zal nooit tekort schieten, ook dan niet, ook daarin niet. Opdat de mens zich met haast bekeert, ziende Gods toorn, ziende Gods wraak, ziende Gods eeuwig oordeel en vonnis, weet hebbend van het komende gericht. Niet uit angst maar met diep ontzag in God geloven als de God van het leven, erkennend en belijdend onze dwaasheid, dat we de duivel gevolgd zijn in zijn revolutie. Daarom, met groot waarachtig berouw onze toevlucht zoeken en vinden in het ene offer van de Heere Jezus Christus.

Maar laat elke gedachte definitief vallen, dat de HEERE Zijn ambt als RECHTER zou verwaarlozen. Maar als RECHTER oordeelt HIJ volmaakt rechtvaardig op ZIJN tijd, zijn Zijn vonnissen waarachtig en de uitvoering definitief.

De duivel aarzelt niet. Op één dag verwoest hij Jobs bezit, Job 1:14-19. Daartoe zet hij Sabeeërs aan, kan hij beschikken over het vuur Gods, hitst hij Chaldeeën op en krijgt de macht over een grote wind. Toch, de duivel is volop verantwoordelijk. Zeker, ook de Sabeeërs en de Chaldeeën zijn verantwoordelijk en zullen voor hun daden verantwoording moeten afleggen inzake hun overtreden van Gods geboden. Zij kunnen zich onmogelijk verschuilen achter de verleiding door de duivel. Hoe groot de verleiding ook is tot zonde, de mens moet die verleiding beheersen en er zó over regeren, dat de zonde geen macht over hem krijgt.

Job is in diepe rouw als hij al die berichten ontvangen heeft. Als uiting daarvan scheurt hij zijn mantel en scheert zijn hoofd. Dit zijn zeer zware beproevingen. Wie kan dit bevatten?

Dan opent Job zijn mond en zegt, vers 21a: ‘Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarheen wederkeren.’ Wàt een belijdenis. Want hiermee zegt Job veel meer, dan enkele natuurlijke feiten over geboren worden en sterven. Hij plaatst hiermee het lijntje tussen geboren worden en sterven nadrukkelijk onder de aandacht. Inderdaad, ik ben naakt geboren, ik had niets bij me, helemaal niets. Ik kon van mezelf niets, wist niets, zelfs het leven kréég ik. Alleen de datum van mijn geboorte is mij bekend.

‘naakt zal ik daarheen wederkeren.’ Ik zal sterven. Daarmee belijd ik, dat ik gezondigd heb, dat ik van mezelf midden in de dood lig. Ook: wàt ik in dit korte leven ook ondervind, krijg, ontwikkel, op welk gebied ook, ik moet het bij mijn sterven achterlaten. Op niéts kan ik bij mijn sterven staat maken en niéts kan ik meenemen. Tegenover God heb ik geen enkel recht. Nee, zelfs mijn sterfdag en sterfuur zijn mij onbekend. Hierin ligt geen enkel onderscheid tussen enig mens. Dit is de naakte weg.

Dàt beseffend, dat moet ons verbijsterd doen staan: de hebzucht, de graaizucht, de gokzucht èn de verleiding en verlokking daartoe, ze zijn niet van de lucht! Alle mogelijke middelen worden bedacht om de mens maar te verleiden. En vervolgens de druk van de massa: iedereen doet mee; wat zit daar nou voor kwaad in; het is voor een goed doel. Nee! Als de Heere het geeft door hard werken, laat het niet verleiden tot afgoderij. Laat het besèf steeds voor ogen staan: Heere, geef mij rijkdom noch armoede, voed mij met het dagelijks brood. Daarin erkennend: hoe groot is de verleiding in rijkdom, ook, hoe sluipend kan armoede knagen aan mijn vertrouwen op God. Wat kunnen de genoemde hoofdstukken 29 en 31 ons dan veel leren inzake besteding, zorg voor de behoeftige naaste en rechtvaardigheid in sociale verhoudingen.

Troost is en blijft: hóe mensen ook opsparen, verzamelen, bij elkaar harken, op welke manier ook, alles is en blijft van de Heere. De Heere Zelf getuigt, Job 41:2: ‘Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik [hem] zou vergelden? Wat onder de ganse hemel is, is het Mijne.’ En nee, welke opeenhoping van uitzinnige rijkdom, welke schade rampen of oorlogen ook veroorzaken, ze veranderen daar niets aan. O, arme mens, die net doet alsof dit korte lijntje tussen geboorte en sterven àlles is en dáárop uw hoop en betrouwen stelt. Weet u het nog? God is de God van het léven! Bron en Oorsprong. En dáártoe heeft Hij de mens geschapen: eeuwig leven! O, blinde mens, die net doet alsof de dóód het laatste woord heeft. Als dàt zo was, wat zou God hier een wrééd spel met Job spelen. Geloofd zij God, nee!

Dan, dàn volgt het tweede deel van vers 21: ‘De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!’ Ofwel, wàt ik gekregen heb, ik kréég het van de Heere. Ik mocht er tijdelijk rentmeester over zijn. En nu hoor ik, dat de Heere àlles weer heeft genomen. Nee, over de manier waarop spreek ik niet en wie dat deden benoem ik niet en over de laagheid ervan laat ik mij niet uit. Ik let op de Heere: Hij gaf, Hij nam, vrijmachtig, soeverein. En dàt gelovend, dàt belijdend, past mij niet anders dan nu te zeggen: de Naam des HEEREN zij geloofd! Nee, ik kan noch mag God in Zijn handelwijze enig onrecht toeschrijven. Onder géén beding mag ik afgoderij plegen met wat Hij mij toevertrouwde, alsof ik enig recht had.

Job 1:22: ‘In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.’ Hieruit blijkt, dat Job vanwege de zonde wist en beleed en erkende, dat God hem alles om niet toeschikte, zolang het Hem behaagde, zonder dat Hij daarvan rekenschap aflegt, waarom, hoe, hoe lang. Job erkent, dat hij in alles helemaal afhankelijk is van God. En nee, ook zijn gezindheid in woord en daad en gedachte – zie Job 29 en 31 – veranderen er niets aan. Niets is verdiend.

6 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *