1. Leven in en uit geloof in zuivere gezindheid.

Job 1:1: ‘Er was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.’ Heel opmerkelijk, dat van Job niet vermeld wordt van wie hij een zoon is, uit welk geslacht hij stamt. Opmerkelijk, dat de naam van zijn vrouw niet genoemd wordt, de namen van zijn zonen niet. Alleen de namen van zijn tweede drie dochters worden vermeld.

Uit deze gegevens blijkt heel duidelijk, dat de Bijbel niet een Boek is, waarin allerlei weetjes vermeld worden om onze nieuwsgierigheid tegemoet te komen. Telkens weer moet de mens beseffen, dat God, de Heilige Geest, de Hoogste Auteur van de Bijbel is. Zijn doel is elke verontschuldiging bij de mens weg te nemen, zodat een mens in het gericht nooit kan zeggen: ik wist het niet, ik kon het niet weten. En zó zien we in de Bijbel van de ene mens een heel geslachtsregister, van Job weinig meer dan wat ons in dit boek wordt meegedeeld. Naar God nodig oordeelt voor ons.

Daaruit blijkt, dat de Heere met dit Bijbelboek heel andere doelstellingen heeft voor de lezers dan een gezellig inkijkje in het familieleven van Job. Tegelijk bevestigt dit het feit, dat de Heere het geloof wèrkt! In volkomen vrijheid, naar Zijn welbehagen.

‘en dezelve man was oprecht, en vroom, en godvrezende, en wijkende van het kwaad.’ Dit wordt door de Heere Zelf herhaald in 1:8 en 2:3, opdat we er meer op letten dan alleen maar een kennisgeving. ZO WAS JOB. En de Heere schaamt Zich er niet voor tegenover de duivel dìt getuigenis van Job te geven. Twee keer. Elke twijfel is uitgebannen.

Wat is de inhoud van zulk een leven? Dat beschrijft Job heel breed in Job 29 en 31.

Job 29:
‘En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zei: Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, [toen] God mij bewaarde! Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, [en] ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde; Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was; Toen de Almachtige nog met mij was, [en] mijn jongens rondom mij; Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot; Toen ik uitging naar de poort door de stad, [toen] ik mijn stoel op de straat liet bereiden. De jongens zagen mij, en verstaken zich, en de stokouden rezen op [en] stonden. De oversten hielden de woorden in, en legden de hand op hun mond. De stem der vorsten verstak zich, en hun tong kleefde aan hun gehemelte. Als een oor [mij] hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als [mij] een oog zag, zo getuigde het van mij. Want ik bevrijdde de ellendige, die riep, en de wees, die geen helper had. De zegen desgenen, die verloren ging, kwam op mij; en het hart der weduwe deed ik vrolijk zingen. Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed. De blinden was ik [tot] ogen, en de kreupelen was ik [tot] voeten. Ik was de nooddruftigen een vader; en het geschil, [dat] ik niet wist, dat onderzocht ik. En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp de roof uit zijn tanden. En ik zei: Ik zal in mijn nest de geest geven, en ik zal de dagen vermenigvuldigen als het zand. Mijn wortel was uitgebreid aan het water, en dauw vernachtte op mijn tak. Mijn heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijn hand. Zij hoorden mij aan, en wachtten, en zwegen op mijn raad. Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijn rede drupte op hen. Want zij wachtten naar mij, gelijk [naar] de regen, en sperden hun mond open, [als] naar de spade regen. Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen. Verkoos ik hun weg, zo zat ik bovenaan, en woonde als een koning onder de benden, als een, die treurigen vertroost.’

Job 31:
‘Ik heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd? Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten? Is niet het verderf voor de verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid? Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij; Hij wege mij op, in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtigheid weten. Zo mijn gang uit de weg geweken is, en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft; Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden! Zo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb; Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen! Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad [bij] de rechters. Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben. Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts, of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij; (Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden? Heeft Hij niet, Die mij in de buik maakte, hem [ook] gemaakt en Een ons in de baarmoeder bereid?) Zo ik de armen [hun] begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe laten versmachten; En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft; (Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als [bij] een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;) Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had; Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd; Zo ik mijn hand tegen de wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag; Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af! Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid. Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen; Zo ik blij ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had; Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande; En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft; Dat ware ook een misdaad [bij] de rechter; want ik zou de God van boven verzaakt hebben. Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond; (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren). Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden, wij zouden niet verzadigd worden; De vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar de weg; Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende! Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldig onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben; zodat ik gewezen zou hebben, en ter deure niet uitgegaan zijn. Och, of ik een had, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve. Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden [als] een kroon. Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen. Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen; Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen; Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid!

Deze hoofdstukken geven een ruim beeld hòe Job invulling heeft gegeven aan zijn leven in de praktijk. In die tijd, in dat land, temidden van die mensen. Zeker, ook hierin zien we, dat Job meent zich tegenover de Heere te kunnen verantwoorden als ‘een vorst’, ‘het getal mijner treden’. Daarop spreekt de Heere hem aan. Maar de Heere bevestigt door Zijn zwijgen, hoe Job van ogenblik tot ogenblik invulling heeft gegeven tegenover zijn naasten, zijn ondergeschikten, zijn bezittingen. Recht en gerechtigheid betrachten en liefhebben, zonder aanzien van persoon, niet belust op geschenken, rechtvaardig. En Job verheft zich niet boven zijn naasten om zich vanwege zijn vermogen te laten bejubelen, noch door zijn goeddoen, noch door zijn rechtspreken.

Nee, maar zijn vroomheid, zijn oprechtheid, zijn godvrezendheid en daarom zijn standvastig wijken van het kwaad, ze BEWIJZEN met de dáád, dat die vroomheid, die oprechtheid, die godvrezendheid zijn gezindheid ZIJN! Eerst voor God, tegelijk tegenover ieder mens. En de Heere heeft deze hoofdstukken doen optekenen, opdat geen mens ooit kàn menen, dat God wel tevreden is met alléén wat vrome woorden. Hoe wordt hiermee elk vertoon voor mènsen te kijk gezet als een momentvertoning, voor God waardeloos! God ziet het hàrt aan, God proeft de niéren om te zien hoe de gezindheid van het hart van de mens IS.

Ja, we kunnen alle geboden van de Heere naast dit leven van Job leggen. Dan blijkt het, dat Job inderdaad àlles gedaan heeft wat in zijn vermogen lag om zijn hele leven te leggen, te zetten onder die klem, in het dienen van God, in het dienstbaar zijn voor de naaste.

Er zijn te weinig gegevens om precies te weten waar het land Uz ligt, lag. Er zijn te weinig gegevens om precies te weten in welke tijd Job geleefd heeft. Een aantal gegevens wijzen naar de tijd van de aartsvaders, Abraham, Izak en Jakob. Ze zijn van ondergeschikt belang voor het verstaan van de inhoud van dit Bijbelboek.

Eén les moeten we op dit moment trekken: is de gezindheid van mijn, ons leven ook zó als de gezindheid van Jobs leven? Voor God? Voor de naaste? In woord? In daad? In gedachte?

6 november 2013

Dit bericht is geplaatst in Het Bijbelboek Job. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *