9c. 2 Koningen 5. II

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Dan, in vers 3 zegt ze tegen haar meesteres, de vrouw van Naäman: ‘Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen.’ Nee, geen roem mèt naam en hoogheid en aanzien van die profeet. Wèl DE profeet, dit in tegenstelling met alle valse profeten, die hun broodheer naar de mond praatten en zo bekoorden. DE profeet. Die te Samaria is, wèl de plaats, het adres, dáár! Dan zou die hem van zijn melaatsheid ontledigen. Merk op: geen enkele aarzeling, geen enkele onvastheid, geen misschien of wellicht of waarschijnlijk. Nee, vaste zekerheid, wànt … bij hem is het Wóórd van de levende Gòd!!!, en dat Woord is volstrekt BEtrouwbaar en waar.

Maar zal een meesteres naar haar slavin luisteren??? En de meester zelf, die onlangs zo hoog in eer en aanzien en roem is verheven???, hij??? Want de status van een persoon was – en is! – sterk verbonden met de waarde van zijn inbreng. Hoe is alles door en door met elkaar verweven. Maar zie daarbij scherp de willekeur, het enkele moment. Vandaag geroemd, morgen even hard verguisd.

Op diverse plaatsen in de Schrift lezen we, dat de Heere het hart, de oren van iemand, meerderen, opent, zodat die persoon luistert, aandacht geeft, opmerkt.

Hier ook. De Heere doet de meesteres luisteren, daarna haar man, daarna de koning! Zié!!!, dat de Heere soeverein wèrkt in het hol van de vijanden van Zijn volk. En als Hij werkt, wie zal Hem weerstaan? Nee, niet met groot wapengekletter, niet met indrukwekkend vertoon van optreden van imponerende sprekers. Nee, maar door Zijn Wóórd!, in trouw gebracht door een slavin. Hoe geweldig groot de tegenstellingen!

Maar nadat ze gehóórd hebben, voegen ze de dáád erbij. De koning schrijft brieven aan de koning van Israël. Wel via de officiële kanalen. En bij uitkomst, uitredding, bevrijding behoren ook aanzienlijke geschenken, toch? Het is steeds weer dat heidense denken wat telkens weer insluipt sinds de zondeval. Voor wat, hoort wat. Voor veel, hoort veel. En de God van Israël is toch gelijk aan alle andere goden? Maar in dit geval – ziekte Naäman – iets sterker… als er genezing komt.

Maar de Heere vráágt geen geschenken, toen niet, nu niet. Hij vraagt gehóórzaamheid, gehoorzaamheid aan Zijn Wóórd! Want heel de aarde met alles erop en erin, ze behoren Hèm toe. Hoe scherp moet dat Zijn kinderen telkens weer voor ogen staan en moeten ze daarnaar spreken en handelen. Het blijkt telkens weer, dat dàt wéten heel moeilijk doordringt tot mensen. Tegelijk, dat mensen heel gemakkelijk daarvan terug vallen. Want ‘iedereen’ doet het toch??? En het is waar, de verleiding daartoe is geweldig groot!

En opnieuw blìjkt, hoe verleidelijk en aantrekkelijk is, wat voor ógen is, en wat dus beredenéérd kan worden. Want de mens verbindt aan aanzien, grootte, prestatie, macht, aantal meteen de gedachte van de maat van belangrijkheid, eer, aanzien, roem, positie, status, bij mènsen. Maar op hetzelfde moment vergéét die mens – en nagenoeg alle mensen mèt hem, haar!!! – dat daarmee onlosmakelijk dat hele kleine kringetje weer gesloten is, ja, potdicht zit en het HIER en NU weer vast op de troon zitten. En prompt vertroebelen geschenken het recht en de rechtspraak en de beoordeling en het oordeel. Maar het ergst is het, dat geschenken de schittering van Gods WOORD vertroebelen en verduisteren. Alsof het toch voor God weer kan: èn – èn. Heeft de duivel tòch gelijk?

We kijken terug naar het paradijs. De Heere gaf de mens het onderkoningschap, het kindschap onder God, daarbij het beheer over Gods schepping, de aarde. Daarbij meteen een vette rekening die door de mens(heid) in de loop van heel veel eeuwen terugbetaald moest worden??? Nee!!! De Heere schiep en gaf om niet, tot Zijn éér! Uit het Zijne! Toch blééf alles van Hem. Zie de verdeling van het land Kanaän tot erfelijk bezit aan Israël, het jubeljaar. Gedenk!

Toch, hoe moeizaam dringt dat telkens weer dóór, dat God zó ìs! En àls de mens dat ziet, hoe onhandig en ongemakkelijk weet hij dat te plaatsen, daarmee om te gaan, òmdàt dat niet samengaat met de zònde! Daarom, in Jezus Christus àlles hebben, vóór het HIER en NU en wat voor ogen is en beredeneerd kan worden – in òrde! – dat kan alleen in absolute zelfverloochening. En weer staan ze lijnrecht tegenover elkaar: de zònde, de dóód in zelfhandhaving – eeuwig leven in totale zelfverloochening.

Het reisgezelschap komt in Samaria bij koning Joram en overhandigt de brieven. Hoe gróót, hoe stèrk is de háát van Joram tégen de Heere, tégen het Woord van de Heere, tégen de profeet van de Heere, want het zelfbeklag is één vertoning. Maar hij is slim en hij doorziet meteen de verborgen bedoeling van die brieven, in dat kleine kringetje… Maar verder kàn hij niet kijken, verder wìl hij niet kijken en daarom kènt hij DE profeet niet, noch het Woord van DE profeet.

Opnieuw toont de Heere, dat Hij nóóit half werk doet, integendeel. Hoe beschaamt Hij Joram en heel zijn hof! De Heere doet Elisa weten, dat de koning zijn klederen heeft gescheurd in groot misbaar. Elisa stuurt bericht naar de koning, dat de koning Naäman en zijn gevolg moet doorsturen naar hem, opdat Naäman wéét dat er een profeet in Israël is. Hoe fijntjes herinnert de Heere aan de woorden van de slavin: DE profeet. Elisa: een profeet. Want het gaat niét!!! om de persoon, maar om het WOORD Dat de Heere verkondigt dóór die persoon. De Heere, Zijn Naam, Zijn Woord, Die moeten schitteren!

Naäman gáát naar Elisa toe, met al zijn gedachten. Elisa tóónt DE ware profeet van de Heere te zijn en stuurt zijn bode naar Naäman toe met het WOORD, de opdracht. Dat is alles… Hoe onbetekenend in mensenogen die zó totaal vervuld zijn van eigendunk en hoogmoed en kracht en macht en invloed en hebben en begeren, HIER en NU. En de reactie van Naäman ìs puur natuurlijk: Hij voelt zich diep vernederd, belachelijk gemaakt, gekrenkt, en hij is woedend! Dit – het handelen van Elisa! – staat haaks op al zijn verwachtingen en gedachten. Dit kàn gewoon niet, dit màg geen enkele aandacht meer krijgen. Hoe wordt en is hij hierdoor voor de ogen van al zijn knechten diep vernederd! Hij, de krijgsoverste!

Naäman aanvaardt de terugtocht. Die gaat langs en over de Jordaan. En nòg blijft hij steken in veel heidens denken, want hij zoekt de uitweg toch weer in de mìddelen! En hij vergelijkt de Jordaan met de Abana en Farpar, twee rivieren van Damascus, schoner dan de Jordaan. En daarmee tegelijk de gedachte, dat God hulpmiddelen nódig heeft, hier, afhànkelijk van water. En ja, dan vergelijkt de mèns en oordeelt meteen dat het ene water schoner is dan het andere, en dùs, dùs, God maar heel vreemde besluiten neemt en opdrachten geeft. En ja, dan is het aan de mèns zèlf om te beoordelen of hij die besluiten serieus neemt en die opdrachten uitvoert. En de mèns voelt zich vrij tot eigen oordeel en beseft niet, dat hij daardoor bewìjst slááf van de dùivel te blìjven: het woord van de duivel ‘zijn als God, kennend’ handhavend en bevestigend als volkomen wáár.

Hoe vaak loopt de mèns, de door de zonde zo verduisterde mèns in verstànd!!!, God voor de voeten in zijn denken en oordelen, en meent het béter te weten en béter te kunnen en béter te doen in pure zèlfhandhaving. Opnieuw, de geweldige hóógmoed en èigendunk op de troon: zijn àls God, gelijk gerechtigd in oordeel en beoordeling, ziénde op de voor ogen zijnde middelen en óórdelend naar de met het verstànd beredeneerde oplossingen. In de wereld, in de kerk.

Telkens weer zien we, dat de Heere die eigen middelen en die zelf beredeneerde oplossingen aan de kant schuift, ze te kijk zet, ze beschaamd doet staan. Zo de eigen hoogmoed en eigendunk, omdat hun positie voor God gelijk staat aan de positie van alle afgoden. Het kàn niet, die èigen middelen en oplossingen vertrouwen, èn God op Zijn Woord vertrouwen! Want in de weg van de gehóórzaamheid schuift de mens àl die hoogmoed en eigendunk en middelen en oplossingen aan de kant en begint met: ‘Spreek Heere want Uw knecht, dienstmaagd hóórt!’ Dat éérst, dat vóór alles! Daarin wordt eigen kleinheid en onwetendheid bevèstigd, beléden, èrkènd; daarin wordt eigen àfhankelijkheid van God beléden en èrkènd; daarin wordt èrkènd en beléden, dat alleen God de enig juiste uitkomst wéét en gééft en bewèrkt; daarin wordt de door God gezètte òrde – Schepper-kìnd – weer in begin èrkènd en bewàndeld en gevòlgd.

En dàt zien en erkennen en belijden vóór dat de Heere Zijn besluit, Zijn oplossing kenbaar maakt, in waar gelóóf, in vast vertròuwen. Van daaruit zéker weten, dàt elk besluit en èlke oplossing en èlke uitkomst volkomen veilig en geborgen ligt in Gods Vaderhand. Daarom telkens weer: gelóóft, vertròuwt u God op Zijn Woord, altijd, overal? Dàn leren we al de gelovigen verstaan, die in dié weg gegáán zijn, hoe moeilijk ook, de hele Bijbel door. Dat waren gewone mensen zoals u en ik, ieder in eigen gekregen omstandigheden.

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *