9b. 2 Koningen 5. I

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Nu eerst dat heel aparte hoofdstuk, II Koningen 5:
‘1 Naaman nu, de krijgsoverste van de koning van Syrie, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de HEERE de Syriers verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, [doch] melaats. 2 En er waren benden uit Syrie getogen, en hadden een kleine jonge dochter uit het land van Israel gevankelijk gebracht, die in de dienst der huisvrouw van Naaman was. 3 Deze zei tot haar vrouw: Och, of mijn heer ware voor het aangezicht van de profeet, die te Samaria is, dan zou hij hem van zijn melaatsheid ontledigen. 4 Toen ging hij in en gaf het zijn heer te kennen, zeggend: Zo en zo heeft de jonge dochter gesproken, die uit het land van Israel is. 5 Toen zei de koning van Syrie: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan de koning van Israel zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend [sikkelen] gouds, en tien wisselklederen. 6 En hij bracht de brief tot de koning van Israel, zeggend: Zo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijn knecht Naaman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijn melaatsheid. 7 En het geschiedde, als de koning van Israel de brief gelezen had, dat hij zijn klederen scheurde, en zei: Ben ik dan God, om te doden en levend te maken, dat deze tot mij zendt, om een man van zijn melaatsheid te ontledigen? Want voorwaar, merkt toch, en ziet, dat hij oorzaak tegen mij zoekt. 8 Maar het geschiedde, als Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israel zijn klederen gescheurd had, dat hij tot de koning zond, om te zeggen: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israel is. 9 Alzo kwam Naaman met zijn paarden en met zijn wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa. 10 Toen zond Elisa tot hem een bode, zeggend: Ga heen en was u zevenmaal in de Jordaan, en uw vlees zal u wederkomen, en gij zult rein zijn. 11 Maar Naaman werd zeer toornig, en toog weg, en zei: Zie, ik zei bij mijzelf: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en de Naam des HEEREN, Zijns Gods, aanroepen, en zijn hand over de plaats strijken, en de melaatse ontledigen. 12 Zijn niet Abana en Farpar, de rivieren van Damaskus, beter dan alle wateren van Israel; zou ik mij in die niet kunnen wassen en rein worden? Zo wendde hij zich, en toog weg met grimmigheid. 13 Toen traden zijn knechten toe, en spraken tot hem, en zeiden: Mijn vader, [zo] die profeet tot u een grote zaak gesproken had, zoudt gij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer, naardien hij tot u gezegd heeft: Was u, en gij zult rein zijn? 14 Zo klom hij af, en doopte zich in de Jordaan zevenmaal, naar het woord van de man Gods; en zijn vlees kwam weder, gelijk het vlees van een kleine jongen; en hij werd rein. 15 Toen keerde hij weder tot de man Gods, hij en zijn ganse heir, en kwam, en stond voor zijn aangezicht en zei: Zie, nu weet ik, dat er geen God is op de ganse aarde, dan in Israel! Nu dan, neem toch een zegen van uw knecht. 16 Maar hij zei: [Zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme! En hij hield bij hem aan, opdat hij het nam, doch hij weigerde het. 17 En Naaman zei: Zo niet; laat toch uw knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer aan andere goden doen, maar de HEERE. 18 In deze zaak vergeve de HEERE uw knecht: wanneer mijn heer in het huis van Rimmon zal gaan, om zich daar neder te buigen, en hij op mijn hand leunen zal en ik mij in het huis van Rimmon nederbuigen zal; als ik mij [alzo] nederbuigen zal in het huis van Rimmon, de HEERE vergeve toch uw knecht in deze zaak. 19 En hij zei tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem een kleine streek lands. 20 Gehazi nu, de jongen van Elisa, de man Gods, zei: Zie, mijn heer heeft Naaman, die Syrier belet, dat men uit zijn hand niet genomen heeft, wat hij gebracht had; maar [zo] [waarachtig] [als] de HEERE leeft, ik zal hem nalopen, en zal wat van hem nemen! 21 Zo volgde Gehazi Naaman achterna. En toen Naaman zag, dat hij hem naliep, viel hij van de wagen af, hem tegemoet, en hij zei: Is het wel? 22 En hij zei: Het is wel; mijn heer heeft mij gezonden, om te zeggen: Zie, nu straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der profeten, van het gebergte van Efraim gekomen; geef hun toch een talent zilvers en twee wisselklederen. 23 En Naaman zei: Belieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels, met twee wisselklederen, en hij legde ze op twee van zijn jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen. 24 Als hij nu op de hoogte kwam, nam hij ze van hun hand, en bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen heen. 25 Daarna kwam hij in, en stond voor zijn heer. En Elisa zei tot hem: Van waar, Gehazi? En hij zei: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan. 26 Maar hij zei tot hem: Ging niet mijn hart mede, als die man zich omkeerde van op zijn wagen u tegemoet? Was het tijd, om dat zilver te nemen, en om klederen te nemen, en olijfbomen, en wijngaarden, en schapen, en runderen, en knechten, en dienstmaagden? 27 Daarom zal u de melaatsheid van Naaman aankleven, en uw zaad in eeuwigheid! Toen ging hij uit van voor zijn aangezicht, melaats, [wit] als de sneeuw.’

Naäman, de Syriër. Krijgsman, krijgsoverste geworden. In hoog aanzien bij zijn koning, doordat hij op (blijkbaar) ongedachte wijze verlossing bewerkt had. Strategisch inzicht, heldhaftige durf, vermetel. Het viel op, het werd gewaardeerd, beloond: bevordering tot krijgsoverste. En nee, het werd niet aangemerkt als het werk van de Heere, de God van Israël, integendeel.

Toch vermeldt vers 1 dat de HEERE hem die verlossing deed behalen. Hoe nauwkeurig moeten we hier Gods wonderlijke en onnavolgbare wegen zien die de Heere gaat. Want de Syriërs waren heidenen. Ze erkenden God niet en dienden Hem helemaal niet. Veelal heiligde het dóel alle middelen. Nee, we krijgen hier geen inzicht waar, wanneer, op welke wijze die verlossing plaatsvond, en welke middelen daartoe werden aangewend. Maar zeker is, dat die verlossing en de daarop volgende bevordering en eer en roem Naämans eerzucht en eigendunk gestreeld hebben. Hij, de grote legeroverste van Syrië, geroemd, gevreesd!

Er zijn benden, krijgsbenden, die ongeorganiseerd overvallen plegen, invallen doen op zwakke plekken in buurlanden. Strooptochten. Ze ontwrichten, ze benauwen, ze brengen grote angst en onzekerheid en onveiligheid. En op één van die invallen nemen ze ook een jong meisje gevangen, een Israëlitisch meisje. Losgerukt uit gezin, familie, stam, volk. Zo ging dat en wie zei er wat van, wie protesteerde er tegen? Iedereen maakte zich aan dergelijke praktijken schuldig als de kans voor het grijpen lag en er geen ernstige vergelding te verwachten viel. En de gevolgen waren vanzelfsprekend: òf als lijfeigene meegenomen en behandeld òf als slavin verkocht aan de één of andere bieder. In elk geval: overgeleverd aan de willekeur van heidense mensen. Waarbij het feit dat het een meisje was in verreweg de meeste gevallen het lot niet verbeterde.

De Schrift vermeldt alleen, dat ze jong was. Geen naam. Uit het land waar de afgodendienst en de eigenwilligheid gezamenlijk op de troon zaten. Waar velen daar actief aan mee deden of het stilzwijgend accepteerden. En als die geest zo breed aanwezig is en gedoogd wordt, wie verwacht in de huiselijke opvoeding dan nog zuiver onderwijs in de dienst aan de levende God?, Zijn Woord? Zeker, velen wisten van de profeet Elisa, van zijn doortastend optreden in Naam van God. Denk aan de 42 kinderen die te Bethel omkwamen door twee berinnen. Daarom, hoe gemakkelijk is dan de houding: niet mee bemoeien, zich afzijdig houden. Want daarbìj als koning Joram, zoon van moordenaar Achab en afgodendienares Izebel, zijn invloed, zijn macht, zijn willekeur. Wie durft dan nog openlijk zijn, haar kind nauwkeurig te onderwijzen in de zuivere dienst aan God? Ja, wié gelooft nog in het Woord van God en wié erkent nog het gezàg van dat Woord?

En dat meisje, jong, wordt meegesleurd naar een vreemd land en komt in dienst van de vrouw van de legeroverste, Naäman. Als, àls er al enige godsdienstige opvoeding geweest is, zal die niet snel wegslijten bij zoveel leed en angst en dreiging en verlating? Gewoon proberen er van te maken wat nog mogelijk is. Maar al die gevoelens, die grote eenzaamheid, die verlatenheid van bloedbanden, familie, land, volk.

Dan, dàn openbaart zich de zeer gevreesde ziekte melaatsheid bij Naäman. Besmettelijk, het functioneren van het lichaam, lichaamsdelen, aantastend. Een aflopende zaak, tenzij er dokters zijn die kunnen genezen. Helaas, ze kunnen er niets tegen doen, ze kunnen het proces niet stoppen. Ontreddering treedt in. Juist nu, nu hij in roem en eer op een hoge plaats en positie is gekomen. En nee, de goden van Syrië helpen ook niet…

Hoe indringend moeten we hierin de Hand van de Heere zien. Nee, Naäman ziet die Hand helemaal niet, zijn vrouw ook niet, de koning en andere hooggeplaatsten evenmin. De toekomst ziet zwart, afgesloten, het einde is in zicht, definitief. Puur toeval! Vreselijke pech!Want zonder dat enig mens het ziet, bewerkt de Héére die ziekte en openbaart die bij Naäman.

De mensen zagen met hun natuurlijke ogen – in dat kleine kringetje van hier en nu! – de ene op de andere overwinning van de duivel!: verlossing door Naäman, snelle bevordering, met als gevolg roem en eer. O ja, ook nog een Israëlitisch meisje geroofd. Hoe snel gaat een volk ten onder wanneer de jeugd weggeroofd wordt en in slavernij gevoerd. Daar hoor je nooit meer iets van terug…

Is er voor de Héére één situatie denkbaar, waarin Hij in de duivel inderdaad de meerdere in kracht en wijsheid moet erkennen? Want voor de ogen van àlle mensen is de situatie toch totaal onhoudbaar, onomkeerbaar, reddeloos? Ja, het is waar, deze ziekte komt hoogst ongelegen, maar dat is puur toeval. Hiermee heeft de duivel niets te maken, maar de God van Israël nog veel minder.

Maar Gòd regéért!, soeverein!, en Hìj legt Naäman die melaatse plek op het lichaam aan. Want Zìjn Wóórd moet heerschappij hebben en krijgen en houden. Hij schuift àl dat logische en beredeneerbare met één veeg aan de kant. Want Hìj werkt het geloof, in wie Hij wil, wanneer Hij wil, waar Hij wil. En als Hìj geloof wèrkt, wie zal Hèm weerstaan??? Vgl. Job.

Zó heeft Hij onnavolgbaar gewerkt in dat jonge meisje. En alle onrust en slapheid en onveiligheid en afgodendienst bij eigen volk, alle moeite en leed en verdriet en verlatenheid in een ver vreemd land bij vreemde mensen, ze hebben dat gelóóf, de vastheid en zekerheid daarvan niét kunnen breken en doen verdwijnen. Omdat Gòd dat geloof gewerkt en bevestigd en bekrachtigd heeft, zodat het meisje vast geloofde en beleed: Gods Woord is onwankelbaar vast, niet gebonden aan tijd of plaats.

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *