6b. God liefhebben met héél ons verstand. II

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

We lezen in Galaten 1:6-16: ‘Ik verwonder mij, dat gij zo haast [wijkende] van dengene, die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie; 7 Daar er geen ander is; maar er zijn sommigen, die u ontroeren, en het Evangelie van Christus willen verkeren. 8 Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit de hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. 9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, [zo] zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt. 10 Want predik ik nu de mensen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus. 11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar de mens. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. 13 Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte; 14 En [dat] ik in het Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen. 15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd heeft, en geroepen door Zijn genade, 16 Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;’ Paulus, hoog opgeleid aan de voeten van Gamaliël, bevestigt hier zo overduidelijk, dat àl zijn menselijk verstand en àl het geleerde voor God als zodanig geen enkele waarde hebben, niets toevoegen. Maar het van God geléérd zijn is alles bepalend. Waarmee Paulus de aangehaalde teksten uit Mattheüs 11 en Lucas 10 voluit bevestigt. Hoe bevestigt hij ook keer op keer Deut. 29:29! Vergelijk ook de eerste hoofdstukken van I Corinthe.

Zó machtig is het WOORD van de Heere! En dat WOORD is vlees geworden en HET heeft onder ons gewoond, Johannes 1. Hoe toont en bewijst de Heere in Oude- als Nieuwe Testament in tal van wonderen door het WOORD, dat dat WOORD nóóit, nèrgens in kracht tekort schiet. Ja, HET toont, bewijst, dat al die wonderen en tekenen garantie en verzekering zijn van het totale, definitieve, volkomen herstel met de jongste dag. En wij twijfelen??? Wij zijn onzeker of Christus Woord, dat Hij àlle macht heeft in de hemel en op de aarde, en dat Hij met ons is alle dágen tot aan de voleinding der wereld, wel enige waarde heeft? Dagen, inderdaad, omdat we zo gemakkelijk zo geringschattend kunnen praten over ‘een dag’. Net zo over ‘een haar’, waar al onze haren geteld zijn. Opdat het diep tot ons doordringt, dat wij alleen in grenzeloze hoogmoed en overmoed zo geringschattend denken en praten, en wij met haast tegen die hoogmoed en overmoed strijden en haar ten onder brengen.

Wellicht zou het goed zijn voorafgaande aan elke Schriftlezing éérst Genesis 1 te lezen, opdat het langzaam maar zeker weer tot ons doordringt hoe màchtig het WOORD van God is en blijft. Opdat we niet vergeten! Opdat we niet twijfelen!

We citeerden Deuteronomium 29:29: ‘De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.’ Des te meer moeten we de hand op onze mond leggen in het beteugelen van ongepaste en ongeoorloofde nieuwsgierigheid, en daarbij het onszelf en anderen toekennen van bevoegdheid tot ‘wetenschappelijk’ onderzoek en de ‘vrijheid’ daarin tot het zèlf bepalen van de grenzen. Terwijl de duivel ons elke dag opnieuw influistert: er zijn geen grenzen meer, juist dáár niet, want je bent als God, kènnend.

Hoe moet ons daarbij heel scherp voor ogen staan, waar we in de Schrift lezen:
a. Johannes 14:28: ‘Gij hebt gehoord, dat Ik tot u gezegd heb: Ik ga heen, en kom [weder] tot u. Indien gij Mij liefhadt, zo zoudt gij u verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen tot de Vader; want Mijn Vader is meerder dan Ik.’ Hoe hàndhááft en belìjdt en èrkènt Jezus públiek de gezètte orde tussen de Vader en Hem, de Zoon. Toch, daarbij Johannes 10:30: ‘Ik en de Vader zijn één.’ Hoe hoog, hoe verheven, hoe ondoorgrondelijk. Daarna Paulus in I Corinthiërs 11:3: ‘Doch ik wil, dat gij weet, dat Christus het Hoofd is eens iegelijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het Hoofd van Christus.’ Geleid door de Geest gesproken.
b. Mattheus 10:40: ‘Die u ontvangt, ontvangt Mij; en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, Die Mij gezonden heeft.’ Mattheus 15:24: ‘Maar Hij, antwoordende, zei: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israels.’ En heel veel andere teksten waarin Jezus openlijk zegt dat Hij gezonden is. En Wie zendt is méér in orde dan Wie gezonden wordt.
c. Mattheus 11:27: ‘Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijn Vader; en niemand kent de Zoon dan de Vader, noch iemand kent de Vader dan de Zoon, en die het de Zoon wil openbaren.’ Jezus verkondigt hier weer de gezètte orde.
d. Mattheus 24:36: ‘Doch van die dag en die ure weet niemand, ook niet de engelen der hemelen, dan Mijn Vader alleen.’ Markus 13:32: ‘Maar van die dag en die ure weet niemand, noch de engelen, die in de hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.’ Handelingen 1:7: ‘En Hij zei tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;’ Hoe eerbiedig onderwerpt de Heere Jezus Zich aan de Vader in het èrkènnen van de door de Vader gezette grenzen.

In de laatstgenoemde tekst herhaalt en bevestigt en begrenst Jezus Zijn toehoorders indringend in andere bewoordingen wat Deuteronomium 29:29 ons voorhoudt. Dit doet de grote Zoon Zèlf! Worden als de kìnderen, zoals vóór de zondeval, kènnend en èrkènnend de door God gestelde òrde! En als gelovigen de grote gehoorzaamheid van de Zoon zien en horen in Zijn Zich onderwerpen aan die gezètte orde en gestèlde grenzen van de Vader, zìjn wij dan inderdaad kinderen van God als wij die gestelde orde en grenzen aan de kant zetten als niet voor ons geldend??? Daarom is het ook beslist niet ‘onschuldig’ als er telkens weer mensen opstaan die menen te ‘wéten’ wanneer Jezus Christus weerkomt.

Hoe dringend noodzakelijk is het, dat Deuteronomium 29:29 met grote letters staat geschreven op de voordeur van elke theologische opleiding! En ze achter diezelfde voordeur in praktijk gebracht wordt! Tegelijk, hoe gróót onze natuurlijke arrogante overmoed: u zult als God zijn.

Worden als de kinderen, ook, ja, juist in verstand. Jonge kinderen vertrouwen – in goede verhoudingen – hun ouders op hun woord. Zo, zó moeten wij ook kind zijn van onze hemelse Vader. Hoe onbegrensd is dan die vertrouwelijke omgang, hoe zuiver die hartelijke liefde tot onze Schepper, hoe vertrouwelijk verlaten we ons dan op Gods geopenbáárde WOORD! Ja, zeker, met héél ons verstand, zoals de grote Zoon.

Dan blìjkt! dat God liefhebben met héél ons verstand zo radicaal staat tegenóver de belofte van de duivel – Genesis 3, zijn als God, kennend! – dat het een levenslange strìjd is van elk kind, volwassen geworden tot man, vrouw. En als het de Heere goedgedacht heeft ons te sieren met een groot verstand, dan is de verzoeking bijzonder groot méér te vertrouwen op eigen verstand en redeneren, dan ons als kìnd – ook, juist met héél ons verstand! – vertrouwelijk door Gods WOORD te laten leiden en gezeggen. Zie ook Romeinen 4.

We weten, dat dàn de minachting van de wereld en haar denken ons van dag tot dag zal achtervolgen en bespotten en belachelijk maken. En de wereld van de theologie zal niet achterblijven, integendeel. Dan moeten we dóór het geloof ons verstand weer onder de banden leggen van Deut. 29:29, zoals vóór de zondeval.

Nòg een laatste opmerking hierbij over Genesis 1. Ziet u de WIJSHEID van God dáárin, dat Hij de mens op de zesde dag schept? De mens heeft geen heugenis over wat God dééd op de eerste vijf dagen. Dan zegt God Zèlf, Exodus 20:11: ‘Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde denzelven.’ Ziet u, dat de mens(heid) dáárin God móet gelóven op ZIJN WOORD???, of blijven in zelfhandhaving. Alle bedachte methodes tot berekening móeten berusten op theoretische aannames. Deut. 29:29 in praktijk in Genesis 1. Hoe schèrp is dàn de eerste vraag van de Heere aan Job, Job 38:4a: ‘Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde?’

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *