6a. God liefhebben met héél ons verstand. I

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

God liefhebben als Zijn kind. Dóór Christus terug gebracht worden in de positie zoals vóór de zondeval. Alsof we zèlf volbracht hadden wat we móesten volbrengen. Er komt nog een ontzaglijk punt bij, Mattheüs 22:37: ‘En Jezus zei tot hem: Gij zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, en met geheel uw verstand.’ Ze kunnen onmogelijk van elkaar gescheiden worden.

Opnieuw moeten we beginnen met: HERINNER!!! Wat zei de duivel ook al weer? Genesis 3:5: ‘Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.’ KENNENDE. Waarmee? Kennen we niet in de eerste plaats met ons verstand? En de praktijk van het leven leert ons telkens weer, dat de verleiding enorm is, toe te geven aan de zucht en drang, gebruik, misbruik, te maken van het méér weten, het béter weten dan die ander. Tegelijk het zó proberen te doen, dat die ander er nooit, of zeker te laat, achter komt.

In die weg liggen voor het verstand ook (vaak) veel andere wegen open: het bezit van geld, macht, invloed, geweld, en het inzetten en toepassen ervan. En al gauw zijn alle morele regels en verplichtingen, tegelijk alle ethische voorschriften onderworpen aan het belang van enkelen, aan de wil van velen, aan de willekeur van allen. Zeker, de mond loopt er van over, maar de praktijk, de weerbarstige praktìjk, van die ander…, van die anderen…

God liefhebben met heel ons verstand.

De Heere Jezus heeft geleerd, Matt. 11:25, 26: ‘In diezelve tijd antwoordde Jezus en zei: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderen geopenbaard. Ja, Vader! Want alzo is geweest het welbehagen voor U.’ Lucas 10:21, 22: ‘Te dier ure verheugde Zich Jezus in de geest, en zei: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderen geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet, wie de Zoon is, dan de Vader; en wie de Vader is, dan de Zoon, en die het de Zoon zal willen openbaren.’

We moeten hier duidelijk onderscheiden: In de eerste plaats staat voorop, dat de gave van verstand een gave van God is, vgl. Salomo. Dat is een grote gave. Daarin zien we een ontzaglijke onderscheidenheid en veelkleurigheid en mate. Het blijft een ontzaglijk wonder dat mensen met een ‘groot’ verstand op een aantal terreinen, op een aantal vlakken ‘gemakkelijk’ leren, maar op andere terreinen en vlakken beginneling blìjven. Daar misgaat diezelfde mens zich meteen al, waar de ‘eigen’ gave op-, overgewaardeerd wordt tot staand bóven de gave aan die ander. En Wie wordt hier genegeerd en geminacht? De GEVER: God!

Het heeft Hèm goedgedacht aan de één die, aan de ander deze, aan de één zoveel, aan de ander weinig of niet, aan de één op dat vlak, aan de ander op dit gebied toe te delen. Maar de hoogmoedige mens schrijft het zichzelf toe, of het lot, het geluk, het noodlot, enz. Daarmee miskent die mens de Gever, waar de mens kàn weten, dat de Gever het verstand ook kan afnemen, later weer teruggeven, naar Zijn raad. Vgl. koning Nebukadrezar.

Die gave mogen, moeten we gebruiken tot Gods eer, tot heil van de naaste. Daarbij telkens bedenkend, dat we die gave gekrégen hebben, dat we die niet zelf meegebracht hebben. Opnieuw, de grote strijd tegen alle hoogmoed, die tegelijk op dit vlak zo uitermate verleidelijk is.

In de tweede plaats moeten we erop bedacht zijn, dat die gave van verstand beperkingen kent. Deuteronomium 29:29: ‘De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde zijn voor ons en voor onze kinderen, tot in eeuwigheid, om te doen al de woorden dezer wet.’ Zó was het vóór de zondeval. Zó is het op de nieuwe hemel-aarde.

Opnieuw, Genesis 3:5: ‘Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.’ GIJ ZULT ALS GOD WEZEN. Dat betekent dus meteen, dat die beperking van Deut. 29:29 daarmee vervàlt! Tenminste, dat beloofde en belooft de duivel. Daarin volgt elk natuurlijk mens, theologen niet uitgezonderd.

In onze zondestaat is er de continue verleiding grenzen te verleggen, want we WILLEN ons niet binden aan en onder die beperking. En dat zeker niet op het terrein van de theologie, de Godskennis. En juist dàn en dáár wil Matt. 22:37 ons aan banden leggen: God liefhebben met héél ons verstand. Dat betekent God èrkènnen als God, Die soeverein bepaalt wat Hij wèl openbaart en wat niét, hóe en wannéér Hij oordeelt. En tegelijk staat Hij de mens niet toe daarin grenzen te overschrijden, die Hij gesteld heeft. Elke gelovige theoloog staat al snel alleen, als hij tegenover zeer veel anderen dié band in acht neemt, zich daaronder búigt, en zich daarmee opnieuw kìnd toont, en geen huurling, geen bastaard.

Ja, en dan wordt het meteen heel moeilijk. Want de door God gezette orden staan lijnrecht tegenover onze verstandelijke redeneringen en logica. We willen enkele dingen noemen. Volledigheid is onmogelijk. Ook daarin moeten we onze kleinheid en beperktheid zien.

God schept de engelen als knechten, de mensen als kinderen. Kinderen staan in orde boven de knechten. Toch zegt II Petrus 2:9-11: ‘Zo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot de dag des oordeels, om gestraft te worden; 10 Maar allermeest degenen, die naar het vlees in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten; die stout zijn, zichzelf behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren; 11 Daar de engelen in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen hen voor de Heere voortbrengen.’ Toch: meerder in sterkte en kracht dan mensen. Omdat God dat zo wilde. Hoe hoog zijn Gods gedachten.

Genesis 1:3-5: ‘En God zei: Daar zij licht! en daar werd licht. 4 En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. 5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag.’ Genesis 1:9-14: ‘En God zei: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen de dag en tussen de nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! 15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo. 16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren. 17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde. 18 En om te heersen op de dag, en in de nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was. 19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.’ Hoe groot en majesteitelijk toont God op de eerste dag, dat Hij in niets afhankelijk is van de ‘opbrengst’ van Zijn schepselen op de vierde dag. Vers 4: ‘En God zag het licht, dat het goed was;’ En diep verduisterd VERSTAND door de zònde wil hierover met Zijn Schepper twisten??? er vraagtekentjes bij zetten???

Numeri 22: het spreken van de ezelin van Bileam. Maar dat kàn een ezelin toch niet? Heeft een ezelin stembanden om te kunnen spreken? In Lucas 19:38-40 staat: ‘Zeggende: Gezegend [is] de Koning, Die daar komt in de Naam des Heeren! Vrede [zij] in de hemel, en heerlijkheid in de hoogste [plaatsen!] 39 En sommigen der Farizeen uit de schare zeiden tot Hem: Meester, bestraf Uw discipelen. 40 En Hij, antwoordende, zei tot hen: Ik zeg ulieden, dat, zo deze zwijgen, de stenen haast roepen zullen.’ Heerst ons verstand zó over het geopenbaarde Woord van God, dat we Hem eerder beschuldigen van fantasie, dan dat we ons verstand met haast onderwerpen aan Zijn WOORD??? Regeert niet alleen de hoogmoed in en over ons, maar ook de overmoed???, en staan we dat toe???, laten we die de vrije loop??? Dus tòch: als God zijn….

Jozua 10:12-14: ‘Toen sprak Jozua tot de HEERE, ten dage als de HEERE de Amorieten voor het aangezicht de kinderen Israels overgaf, en zei voor de ogen der Israelieten: Zon, sta stil te Gibeon, en gij, maan, in het dal van Ajalon! 13 En de zon stond stil, en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijn vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des oprechten? De zon nu stond stil in het midden des hemels, en haastte niet onder te gaan omtrent een volkomen dag. 14 En er was geen dag aan deze gelijk, voor hem noch na hem, dat de HEERE de stem eens mans [alzo] verhoorde; want de HEERE streed voor Israel.’ Alle menselijk verstand staat hier stil. Dit is niet te doorgronden, niet te verklaren, niet uit te leggen. WANT DE HEERE STREED VOOR ISRAEL. Soeverein!

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *