3b. De onontwarbare kluwen in het kleine kringetje. II

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Hoe moeilijk kunnen gelovigen verstaan die voorspoed van goddelozen en die tegenspoed van gelovigen, vergelijk Psalm 73. Omdat ook gelovigen zo gemakkelijk vergeten. We lezen in Genesis 3:16-19: ‘Tot de vrouw zei Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben. 17 En tot Adam zei Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van die boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. 18 Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten. 19 In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof, en gij zult tot stof wederkeren.’

Wat leest de mens(heid) snel en gemakkelijk over dit oordeel heen. Nee, geen herinnering daaraan. En gebeurt dat toch, dan betreft dat toch zeker alleen die ander, die anderen, maar mìj niet, o nee. Hoe gemakkelijk praat de mens zichzelf schoon. Bedenk, dat dit gebeurt waar de ZONDE geminimaliseerd wordt. Of gewoon wordt ontkend. En vervolgens kàn het niet anders, dan dat Gods zware oordeel erover – tijdelijk, eeuwig – véél te zwaar is. Naar het oordeel van de mèns! De mèns dié zòndigde!!! Hoe nadrukkelijk wéét de mens(heid) zich voor God nog zòndáár? Iéder mens? Hoe groot is het besef, dat in en met die zonde de mens(heid) zijn Schepper, het Woord van Zijn Schepper, minachtte, ja, als van weinig gewicht en betekenis achtte en waardeerde?

Hoe gemakkelijk sluipt de gedachte bij gelóvigen tussen de oren, dat die VLOEK!!! hèn niét geldt. En vervolgens, dat het helemaal terecht is dat ongelovigen zwaar lijden vanwege die vloek. Maar gelovigen??? Ja, dat ze zo af en toe (zwaar) te lijden hebben van ongelovigen, dat is waar. Maar dat God dat toestaat, dat dat is naar Gods wil en beschikking??? Nee, dat wil er bij gelovigen buitengewoon moeilijk in. Want zij gelóven toch!?!? Dan vervàlt daarmee die vloek toch?!?! en de gevolgen…. Het blijkt telkens weer, dat het besèf van schùld tegenover God gemakkelijk in het vergeetboek gestopt wordt.

En vervolgens, – als er énig zondebesef, schuldbesef is – dan treedt diezelfde mens in de vergelijking en dan ‘blìjkt!!!’ dat ìk!!! toch véél zwaarder gestraft wordt – tijdelijk, want eeuwig hebben we al buiten elk oordeel gebannen! – dan die ànder! En eigen leed weegt en voelt zwaarder. Zien we, dat anderen veel zwaarder gestraft worden, dan móet er dus grote willekeur zijn. En vervolgens is God oneerlijk, onrechtvaardig, partijdig of onmachtig.

Zo kent elk mens zichzelf de bevoegdheid toe zo subjectief mogelijk Gòds oordeel te beoordelen en te veroordelen, zich niet kunnend voorstellen, dat God – als Hij eerlijk was – anders oordeelt. Helaas, de mens ziet niet eens eigen blindheid en bijziendheid en het onvermogen tot rechtvaardig oordeel. Tegelijk onderkent hij niet zijn èigen ongekende hóógmoed, dat hij het onderscheid tussen de grote Schepper en het sterfelijke schepsel gemakshalve even vergeet. En meteen ook maar even dat hìj gezondigd heeft en dùs als schùldige voor Gods rechtbank staat. En de schùld??? Daar praten we gemakkelijk overheen. Het hier en nu geldt, vandaag. En morgen? Dat zien we dan wel weer.

Daarin volgt de mens de duivel, die ook meende het rècht te hebben te beoordelen of Gòds gezètte orden wel juist waren. Tegelijk het rècht die orden aan de kant te schuiven en zìjn orden daar vrijblijvend náást te zetten en daarna de mens uit te nodigen hetzelfde te doen. En de mens vòlgde!!!, vrijwillig!!!

Dan, dàn dat o zo moeilijke: het blijven erkennen en belijden: HEERE, U BENT RECHTVAARDIG! Ja, als alles voorspoedig gaat, dan. Maar we zien het bij Job, bij Daniël, bij Ezra, bij Nehemia, bij David, bij andere gelovigen. Telkens weer zien we, dat ze groot geduld hebben geoefend bij allerlei ‘tegenslag’ en verdrukking en onrecht van mensen. Telkens weer de erkenning: Heere, U zult op Uw tijd rechtvaardig oordelen, maar U doet mij geen enkel onrecht, daar U mij beproeft OM TE ZIEN WAT IN MIJN HART IS!

Waarom dat laatste met hoofdletters? Wel, de Heere heeft de eerste mens ook gezien, dat hij gehoor gaf, daarna geloof hechtte aan de duivel, aan zijn woorden en leugens en bedrog. Hoe vaak lezen we in de Bijbel, dat de Heere ziét: dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij. Dan volgt daaruit: de Heere gééft geloof; nu moet die mens doen blijken dat hij gelóóft! en in en uit dat geloof lééft! ongeacht welke weg de Heere met hem, haar gaat! Zie Bijbelboek Job.

Dan beproeft de Heere, weer, nog weer, zwaarder. Dan dat wonderlijke: Hij geeft zoveel geloof, dat het voor betrokkene steeds ‘gemakkelijker’ wordt daarin te onderscheiden en die beproeving te dragen en te weerstaan. Hij klemt zich steeds meer vast aan de onwankelbaarheid van Gods Woord, Zijn beloften, Zijn verbond. Tegelijk bemerkt hij steeds meer het blijvende, het vaste, het zekere daarvan, en dat tegenover alle onzekerheid en onvastheid en voorbijgaandheid van het hier en nu. Hoe zuiverend werken die beproevingen!

Voor de ongelovige is dat één grote dwaasheid. Tuchtigt God Zijn kinderen??? en overlaadt Hij ongelovigen met grote rijkdom en voorspoed??? Maar zie, dat die ongelovige alleen ziet binnen dat kleine kringetje, tussen geboorte en sterven. En in die verstikkende blindheid ziet hij alleen het hier en nu en komt zijn oordeel ook geen millimeter verder. En dat oordeel verkondigt hij luidruchtig als volkomen juist en correct. En de duivel stimuleert dat tot en met en wijst steeds weer op het hier en nu, op wat voor ogen is en beredeneerd kan worden. Immers: geen geloof: geen jongste dag, geen eeuwig oordeel!

Maar de gelovige is ook een gewoon mens, die vanuit zichzelf geen stap verder kan komen, die vanuit zichzelf ook nooit verder ziet dan het hier en nu, dan wat voor ogen is en beredeneerd kan worden. En daarbij regeren in zijn hart evenzeer de hebzucht en begeerte en jaloezie en hoogmoed en afgunst. En hoe kunnen ook bij hem de driften van het natuurlijke bloed hem aanvechten en ten onder houden. Hoe groot is de neiging, het verlangen het recht in eigen hand te nemen en zèlf wraak te nemen, op eigen wijze, naar eigen goeddunken. Want iedereen doet dat toch??? wil dat toch??? En als de gelegenheid komt, zich voordoet, aangereikt wordt, gepresenteerd wordt, voor het oprapen ligt….

Hoe moeilijk is het zich in het geloof gewonnen te geven, het recht aan God over te geven, daarin geduld te oefenen, actief lijdzaamheid en lijdelijkheid te betrachten. Want het blijkt heel snel, dat de medemens nauwelijks begrip toont, daarin nog veel minder solidair is, ja, er veelal toe aangespoord wordt daarvan misbruik te maken tot eigen voordeel. En dat niet alleen de ongelovige, nee, ook die als medegelovige gezien en beschouwd en geaccepteerd wil zijn, die reageert vaak nauwelijks anders. Hoe veelzeggend is vaak het zwìjgen, een blìk, een gebáár, het genegéérd worden!

Want dan komen er invloeden bij. Invloeden van eigen denken, eigen hart, omgeving, familie, media, wereld, meerderheid, schijn, suggestie, hypocrisie, huichelachtigheid, enz. En in de zondestaat blijkt er van dat koninklijke van de schepping niéts terug te zien. De mens zwijgt, kruipt in zijn schulp, kijkt eerst hoe anderen reageren, sluit zich gemakkelijk aan bij de meerderheid, de leiders, is tegelijk zeer bedacht voor alle mógelijke!!! gevolgen met betrekking tot eigen positie, naam, eer, zaak, voordeel, belang. Hier. Nu. Wie is het slimst???

En achteraf, ja, achteraf weet men het vaak zo goed, of gewoon commentaar vanaf de (veilige) zijlijn. De mens vergeet, dat ieder mens straks zònder enige ondersteuning, zònder de mogelijkheid van verbergen achter andere mensen, de mening van andere mensen, het oordeel van andere mensen, voor de levende God staat en zèlf verantwoording af moet leggen. Zeker, God oordeelt volmaakt rechtvaardig. Maar het is goed als ieder mens beseft, dat hij, zij, straks moet stáán voor alles wat hij, zij, dacht, sprak, deed, of niet.

Maar in grote blindheid en zorgeloosheid schuift de mens dat van zich af. Zou God rekenschap vragen? En als er één mens zègt en tóónt dat hij KAPOT!!! is van zijn schuld voor God! en dat hij een strijd op leven en dood voert tégen de zonde die hem elke dag weer probeert onder te houden òmdàt hij straks verantwoording moet afleggen, dan lachen de mensen hem uit. Tòch moet ieder mens zover komen, zich voor God zeer diep te vernederen en te verootmoedigen en te èrkènnen!!! dat hij vanuit zichzelf door die zonde midden in de dood ligt. Want elke zondaar wéét, dat hij in die strijd weinig vordert.

Dan weet de gelovige nú al, dat hij, zij straks kan èn mag schuilen achter Jezus Christus, Zijn offer, eens voor altijd gebracht. De ongelovige accepteert hier en nu zonder ‘dank U wel’ àl Gods goede gaven en talenten en mogelijkheden voor èigen genot en plezier, is ontevreden als het niet goed genoeg is naar zijn zin, wandelt in grote hoogmoed en wil van geen ontferming weten, noch minder leven, en wil zijn staat in zonde voor God niet erkennen.

Toch gebruikt hij al Gods gaven om niet. En het ‘meer’ is nooit vol. Maar mens!, besef, wat u meenam toen u geboren werd, wat u meeneemt als u sterft. Inderdaad, niéts! ALLES krijgt u, om niet! Van God! Want van Hèm is alles, blijft alles, altijd. Hij beschikt er soeverein over en Hij geeft het aan wie Hij wil, Hij neemt het terug wanneer Hij het wil. ALLES! Tot en met het leven toe. Daarom is diefstal ook het meest kortzichtige bedrijf.

Maar dan is de mens toch dubbel dànkbaar, en dat temeer daar de mens wéét en besèft, dat de mens gezondigd heeft tegen God, revolutie gepleegd, Zijn Woord voor onzeker, onwaar, onbetrouwbaar heeft verklaard. En God blìjft maar géven, om niet. En God hééft geduld met de mens, waar Hij niet wil dat enig mens verloren gaat. Prompt vertaalt de mens dat geduld naar zwakheid van God, dat God er ook niets aan kan doen, dat Zijn Woord zo te manipuleren en eigenwillig is uit te leggen en toe te passen als de mens zelf wil.

Of dat Woord van God gewoon straal negéren, bespottelijk maken, belachelijk maken. En doet de mens vanuit pure minachting zo met God, met Zijn Woord, Zijn gebod, dan moet de gelovige niet verbaasd kijken, dat die medemens ook zo met hem, met zijn woord handelt. Inderdaad, dan zien we dat hele diepe in de handel en wandel van de mens: HIJ VERGELDT AL HET GOEDE VAN GOD MET ONNOEMELIJK KWAAD!!! De mens maakt er een spel van. Want de mens duldt geen ènkel gezag boven zich. Hij is zèlf baas en verdraagt geen concurrentie. De autonome mens! Hoezo verdraagzaam en solidair en mededeelzaam?

Toch blijft God de mens oproepen tot bekering, tot leven met Hem, eeuwig. Maar de mens heeft zijn keus gemaakt en wenst er niet op terug te komen. En omdat God het grote oordeel heeft bepaald op het moment dat het getal van hen die behouden worden vol is; tegelijk de maat van de ongerechtigheid vol is, daarom handhaaft God Zijn geduld nog. Maar hoe groot is Zijn toorn en straks Zijn wraak over en aan hen, die àl dat verbeurde!!! goede van Hem met enkel kwaad vergolden hebben??? Alle ware wijsheid begint daarom met VREZE DES HEEREN!

Dan houdt die mens er geen rekening meer mee dat er een eeuwig oordeel aankomt. Dan meent diezelfde mens te weten, te kunnen beoordelen, dat hij God dat oordeel onmogelijk kan maken door bijv. crematie. En vervolgens denkt diezelfde mens, dat God vergeet, zonde door de vingers ziet, zonde afwaardeert. Hoe is en wordt er gefantaseerd op grond van enkele teksten met tegelijk verwaarlozing van veel andere.

Maar de Heere Jezus kòmt weer en het grote oordeel nádert met rasse schreden en God brèngt alle daden en woorden en gedachten van alle mensen die geleefd hebben in herinnering en Hij vònnist volmaakt rechtvaardig.

Dan zullen de dan levende mensen die niet geloven zich trachten te verstoppen, wensen verpletterd te worden door heuvels en bergen, want ze zién Gods brandende toorn op zich afkomen en ze besèffen dat er geen ontkomen aan is. Maar dan is het tè laat, eeuwig.

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *