2. Onderscheid.

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Alleen, dan moet onze horizon wel veel ruimer zijn, worden, dan die kleine kringetjes van hier en nu. Inderdaad, dan moeten we vèr voorbij zien aan die beperkte horizon. Want dan geloven en vertrouwen we Jezus Christus ook vast op Zijn Woord, als Hij in Mattheüs 28:18 zegt: ‘Mij is gegeven àlle macht in hemel en op aarde.’ Zònder enige beperking in tijd en plaats en duur en omstandigheid. Het komt nog dichter bij als de Heere Jezus zegt, Mattheüs 28:20: ‘ En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.’ Gelooft, vertrouwt u God, Jezus Christus op Zijn Woord, altijd, overal?

Dan liggen de voorbeelden voor het oprapen: Noach, Abraham, Sara, David, de drie vrienden van Daniël staande voor de brandende oven, Jozef en Maria, Stefanus. Want dan blijkt het gelóóf en vertròuwen véél verder te gaan dan het hier en nu en alles wat beredeneerd kan worden. Ja, dan wordt Gods leiding en zorg ook rustig geaccepteerd zònder te weten hoe Gods weg verder gaat. Er in alle geloof en vertrouwen van overtùigd!!! dat God hen niet beschaamd doet uitkomen. Nee, ook niet na lijden, dood en graf.

Dan blijkt het vertrouwen oneindig veel verder te gaan dan wat gezien en gehoord en beredeneerd kan worden. Maar er is geen mens die ook maar in iets kan uitleggen en verklaren dat hij-, zij zelf zich dat geloof, dat vertrouwen heeft toegeëigend, gegeven. En vervolgens zal iedere gelovige èrkennen dat het geloof een gáve is, onverdiend. Tegelijk, dat er voor God in die mens niets aanwezig was waarom God in dié mens het geloof legde, werkte. Waarom Hij hart en verstand van die mens opende om bùiten dat kringetje te zien.

We moeten terug naar de Schrift: OMDAT IK U LIEFHAD. Dàt is de enige beweegreden van God na mìjn, ònze zondeval. En omdat God zó lief had, al van vóór de grondlegging van de wereld!, gaf Hij Zijn enige Zoon, onze Heere Jezus Christus, opdat Hij aan Gods recht zou voldoen in Zijn enige offer voor mìjn, ònze zonden. Vanuit het geloof kunnen we getuigen, vast getuigen, telkens weer, zeker. Ieder op eigen plaats, positie, van God ontvangen, tegenover hen die God op onze weg plaatst.

Tegelijk moet ons heel vast voor ogen staan: ik kan aan niémand enig geloof overdragen, ik kan niémand daarin overtuigen. Dan blijft over: getuigen, vast getuigen van het geloof, de hoop die God Zelf in ons legde, plantte. Telkens weer van onszelf afwijzen op Gods Woord, beloften, verbond. Het is God Zèlf, Die door Zijn Geest en Woord werkt, bekering, geloof, òf afkeer, verharding in ongeloof. Toch blijft ieder mens persoonlijk ten volle aansprakelijk.

Want dan komt er een zee aan vragen los: en hoe kan dit dan? en dat? en waarom laat God dit toe? en dat? en kijk eens naar al het onrecht, alle rechteloosheid, alle leugen en bedrog, alle valsheid. Daarbij alle ongelijkheid. En waarom moet deze jonge persoon zoveel lijden en sterft zo vroeg, terwijl oude, lijdende, dementerende, aftakelende mensen gráág willen sterven, en blijven leven. We kunnen de laatste vraag niet opschrijven…

Dan lezen we Handelingen 5, de geschiedenis van Ananias en Saffira. De verkoop van hun akker, het afdragen van een deel van de opbrengst onder het mom van het zijn van de totale opbrengst. Dan, de directe straf van direct sterven waar Petrus – geleid door de Heilige Geest – dit handelen aanwijst als ‘bedriegen van de Heilige Geest’. Eerst Ananias, daarna, na volledige bevestiging ervan, Saffira. Nieuwe Testament.

De grote vraag: hoe kan de mens dit aanvaarden? Is deze straf niet buitengewoon zwaar en hard van de Heere?

We gaan een heel eind terug in de geschiedenis: Genesis 4:8-15: ‘En Kain sprak met zijn broer Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kain tegen zijn broer Habel opstond, en sloeg hem dood. 9 En de HEERE zei tot Kain: Waar is Habel, uw broer? En hij zei: Ik weet [het] niet; ben ik mijns broers hoeder? 10 En Hij zei: Wat hebt gij gedaan? daar is een stem des bloeds van uw broer, dat tot Mij roept van de aardbodem. 11 En nu zijt gij vervloekt van de aardbodem, die zijn mond heeft opengedaan, om uws broers bloed van uw hand te ontvangen. 12 Als gij de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde. 13 En Kain zei tot de HEERE: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde. 14 Zie, Gij hebt mij heden verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden, dat al wie mij vindt, mij zal doodslaan. 15 Doch de HEERE zei tot hem: Daarom, al wie Kain doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden! En de HEERE stelde een teken aan Kain; opdat hem niet versloeg al wie hem vond.’

Hoe is dit met elkaar te rijmen? ‘Beschermt’ God Kaïn ná broedermoord, maar straft Hij Ananias en Saffira meteen streng na een ‘leugentje’?

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *