11b. Ananias en Saffira, Handelingen 5. II

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

In de tweede plaats willen we Johannes 20:22, 23: ‘En als Hij (Jezus, bjp) dit gezegd had, blies Hij [op hen], en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. 23 Zo gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven; zo gij iemands [zonden] houdt, [die] zijn zij gehouden.’ noemen.

Hoeveel tijd is het, dat deze geschiedenis plaatsvindt, nádat Jezus bovenstaande woorden sprak? We weten het niet. Heel veel tijd in elk geval niet.

We moeten er hier scherp op letten, dat de Heilige Geest Petrus geleid heeft. Dat voorop. Hij heeft Petrus bekend gemaakt dàt Ananias mèt bedrog een déél van de opbrengst van de verkochte akker bracht. En die vóórkennis brengt Petrus tot het onderzoek, en daarná tot de scherpe veroordeling. Dan formuleert Petrus de zonde heel scherp, Hand. 5:3: ‘Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt, en onttrekken van de prijs des lands?’ Inderdaad, de satan heeft u er toe aangezet. Maar u moest Gen. 4:7 scherp voor ogen houden en niét toegeven aan die verzoeking. U had de strijd er tegen aan moeten binden en die verzoeking moeten weerstáán, vast in het geloof. Zelfs ná het eerste besluit bent u er gaandeweg niet op terug gekomen, maar u hebt u erin verhard! Van dag tot dag, van week tot week, en nu ontkent u keihard, dàt u iets onrechtmatig achterhoudt.

Petrus vervolgt, Hand. 5:4: ‘Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt de mensen niet gelogen, maar Gode.’ Petrus onderbouwt hier het oordeel, dat Ananias tot deze daad op geen enkele manier gedwongen was, maar dat hij in de gang van de besluitvorming en uitvoering gelùisterd heeft naar de satan, en blééf luisteren, en blééf volgen en uitvoeren totdat er geen terugkeer meer mogelijk was. Dan, Ananias, u hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God!

In Gen. 4:7 heeft God zeer ernstig gewaarschuwd, dàt de mens in grote verzoeking zou komen, máár dat de mens in die verzoeking volhardend móet strijden tégen de verzoekér!, onderkennend en onderscheidend de áárd van de verzoeking, daarin bewárend de door God gezette òrde. Ananias, u kunt weten, dàt Kaïn niét streed, dàt Gehazi niét streed. En nu uzelf?!?! Daarom, als we struikelen, vallen, niet (op tijd) onderkennend, onderscheidend, en de Heere ontdekt ons Zelf aan onze zonde, we worden door anderen er op gewezen, laten we ons met grote haast bekeren!!!

Hoe heeft de mens gedwaald, als hij Gen. 4:7 opsloot – probeerde op te sluiten – in de woorden van God tot alléén Kaïn, tóen, dáár. Wat zegt u? We lezen er verder niets meer over in de Bijbel? Mèns, waar leest u, dat God (eindeloos!) moet herhalen, omdat u anders te verontschuldigen zou zijn? Het stáát er, heel duidelijk. U bènt ernstig gewaarschuwd! En verschuil u niet achter de grote moeilijkheid in de vertaling van dit vers.

Dan volgt Hand. 5:5a: ‘En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf de geest.’ Hoe bevèstigt de Heilige Geest de woorden van de apostel, gesproken door Hem. Tegelijk, hoe bevèstigt de Heilige Geest de woorden van Jezus Christus in Joh. 20:23b: ‘zo gij iemands [zonden] houdt, [die] zijn zij gehouden.’ We staan hier bij de onpeilbare diepten van de kerkelijke tucht, die naar Waarheid bediend wordt. Dan zien we de volmaakte BEtrouwbaarheid van het Woord, gesproken door onze Heiland. Dan zien we de volmaakte BEtrouwbaarheid van het Woord, bediend door de trouwe dienstknecht. Dan zien we de volmaakte BEtrouwbaarheid van het Woord, bevestigd door de Heilige Geest.

In Joh. 20:23a lezen we: ‘Zo gij iemands zonden vergeeft, die worden zij vergeven;’ Even BEtrouwbaar en krachtig en machtig is dìt Woord van de Heiland. Hem alleen àlle dank, lof en aanbidding!

Maar nu moet ook het andere ons met grote klèm voor ogen staan: Als ambtsdragers zèlf afwijken van het BEtrouwbare Woord en tòch binden waar het Woord niét bindt; als ambtsdragers zèlf afwijken van het BEtrouwbare Woord en tòch ONTbinden en vergeven waar het Woord niét ontbindt en vergeeft, zullen het HOOFD Jezus Christus en God de Heilige Geest dan niet met dezelfde ijver tóórnen over zoveel tròuwelóze ‘ambtsdienst’? Daar onlosmakelijk aan vast: zullen leden die daardoor getroffen en daardoor veroordeeld en uitgeworpen worden en zijn, niet meteen de toevlucht nemen tot Jezus Christus, het HOOFD en zich vastklemmen aan dat volmaakt BEtrouwbare Woord? En op grond dáárvan wéten, dat die VALSE ‘tucht’ totaal krachteloos en waardeloos is voor God?

Vergelijk de veroordeling van de Heere Jezus Christus door èn de burgerlijke overheid èn de kerkelijke regering. Hoe heeft God die veroordelingen voor eeuwig te schande gezèt in de opstanding en hemelvaart vàn Jezus Christus.

Hieruit móet volgen: Alléén het Woord van God doet onderkennen en onderscheiden om te komen tot de enig juiste òrde, en recht te verstaan het volmaakt BEtrouwbare Woord van de levende God in al Haar bedoeling.

Hoe scherp moet daarbij dit Woord van God voor ogen staan, Spreuken 17:15: ‘Wie de goddeloze rechtvaardigt, en de rechtvaardige verdoemt, zijn de HEERE een gruwel, ja, die beiden.’

Hand. 5:7, 8: ‘En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was; 8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel.’ Onbevooroordeeld door wat gebeurd was, onderzoekt Petrus of de hùlp van het hóófd het hoofd willens en wetens vòlgt, návolgt, nadrukkelijk bevèstigt in zijn omkering van de door God gezette òrde.

Haar antwoord is de volmondige, overtuigde verharding in het luisteren en volgen van satan, in zijn verblindende voorstellingen in het HIER en NU. Hoe gróót is de verharding, hoe intèns de blindheid.

Dan zegt Petrus, Hand. 5:9: ‘Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken de Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.’ Petrus benoemt nauwkeurig de áárd van de zonde: het doen vóórkomen, tegelijk dat zeggen èn uitdragen, dat alle kracht en BEtrouwbaarheid van het Woord, de Heilige Geest Die door het Woord wèrkt, inbeelding is, nietszeggend, van geen enkele waarde; en daarom is het verzoeken van de Geest des Heeren een onschuldige daad, die onmogelijk tot enig (kwaad) gevolg kan leiden.

Onderken daarin, dat daarmee geloof en vertrouwen herhaald en bevestigd worden in de leugens van de duivel. Tegelijk, dat ze in alle vrede náást elkaar kunnen staan, gelijkwaardig, gelijk gerechtigd. Het is de zoveelste poging van de duivel om dat beeld weer overeind te krijgen en staande te houden. We zagen al veel vaker, dat hem dat niet lukte. Toch probeert hij telkens weer ‘geloofwaardig’ te zijn in zijn leugens. Hoe wordt de mens van dag tot dag overspóeld met alles wat gezien en begeerd wordt en wat beredeneerd kan worden, HIER, NU! DIT IS HET LEVEN! Tegelijk doet de duivel er àlles aan om elke herinnering aan oordeel, eeuwig oordeel, verantwoording, dáárdóór te doen vergeten.

Hand. 5:10a: ‘En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf de geest.’ Hoe bevèstigt de Heilige Geest nu voor de tweede maal het BEtrouwbare Woord van de Heiland, tegelijk het BEtrouwbare dienstwerk van de apostel. Waarmee Hij tegelijk aantoont, dat Hij nóóit met Zich laat spotten, noch met Zijn Woord.

De twee begrafenissen hebben de BEtrouwbaarheid van het Woord van God tot en met bevestigd. Tegelijk hebben ze de leugen en de grote leugenáár, de duivel, ontmaskerd en te kijk gezet, aangewezen en doen kennen en herkennen.

Hand. 5:11: ‘En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.’ We reageren gemakkelijk: vanzelfsprekend!!!, wie zou niet diep onder de indruk zijn, als dit in de gemeente gebeurt? Zeker, zeker. Toch zien we de hele geschiedenis door vanaf de zondeval, dat de mens snèl vergeet en al snel weer overgaat tot de orde van de dag. ‘Dat was tóen!, dáár!, bij dié!’ En al gauw staan de hoogmoed en eigendunk in al haar arrogantie weer op en verheffen ze zich in brallende grootspraak: dat zal mij, ons niet overkomen.

Zoals staat in Numeri 16:41: ‘Maar des anderen daags murmureerde de ganse vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aaron, zeggende: Gijlieden hebt des HEEREN volk gedood!’ Zegge en schrijve één!!! dag ná de voltrekking van Gods oordeel over de bende van Korach, Dathan en Abiram. Dit is niet alleen vergéten, maar dit is moedwillig niét wìllen zien en onderscheiden. Hoe móest Gen. 4:7 hen waarschuwen en voor ogen staan.

Hier is opnieuw de benauwende constatering: daartoe aangespoord door de duivel verèngt de mens Gods Woord, Gods daden, Gods oordelen terug naar tóén!, dáár!, vóór díé! Waarmee de mens de gedachte wekt, zichzelf voorhoudt in die geweldige doodsslaap!, dat Gods Woord een sterk golvend iets is: vandaag is het van kracht, maar morgen is er alleen nog een vage herinnering en daarmee onbetekenend, voorbij gegaan. Vandaag betreft het die tekst, dat gedeelte, morgen een heel andere tekst, een heel ander gedeelte, al naar dat het MIJ, ONS uitkomt, al naar dat het MIJN, ONS belàng dient! Inderdaad, daarmee krijgt ‘eigentijds’ een heel gespannen lading, een gevaarlijke en verdachte gespannen lading. Daar direct náást het oorverdovende ZWIJGEN!!! van de duivel, die op die manier hèt voorbeeld aan zijn volgers geeft en ze daartoe aanmoedigt en dwingt. Alsof zwijgen voor God ònschuldig, neutraal is. Zie Bijbelboek Job.

Hoe radicaal daar tegenover het (herhaaldelijk!) door de Heere Jezus ùitgespróken: ZOALS GESCHREVEN STÁÁT! Hoe staan het spréken van God en het zwìjgen van de duivel direct náást Genesis 3:15! Hoe blind de mens, die dat spréken negeert en dat zwìjgen klakkeloos naloopt.

Aan het begin van deze artikelen zetten we bij deze geschiedenis het volgende: De grote vraag: hoe kan de mens dit aanvaarden? Is deze straf niet buitengewoon zwaar en hard van de Heere?

Na wat we gezien hebben tot nu toe, moeten we met klèm zeggen: NEE! (in antwoord op de tweede vraag). Want hiermee en hierin bevèstigt God Zijn Eigen Woord, Wat ons geopenbaard ìs! En daarmee de volmaakte BEtrouwbaarheid ervan!

Dan de eerste vraag : hoe kan de mens dit aanvaarden? Deze vraag is arrogant! Want vóór het aanvaarden van Gods doen dóór de mens ìs er de beoordeling vàn diezelfde mens óver wat God geopenbaard heeft in Zijn spreken, in Zijn doen. En de mens zal zich daarbij heel scherp voor ogen moeten stellen, dat hij als mens daar nóóit!!! staat, kan staan als onafhankelijk, onpartijdig, neutraal mens, die objectief kàn en màg beoordelen. Dat altijd eerst! Als dat besef hem scherp voor ogen staat, dan zal geen mens zich nog de ijdele gedachte onder ogen brengen om serieus zichzelf en anderen de ‘ruimte’, de ‘mogelijkheid’, de ‘tijd’, het ‘recht’ te geven òf en hóe de MENS!!! dit kan, moet aanvaarden.

Inderdaad, dan lezen we hoe God direct oordeelt over die ZONDE! Opdat er bij geen mens de gedachte grond vindt, dat God deze ZONDE niet zo erg vindt. Het directe oordeel moet ieder mens overtuigen! Maar als de vraag: ‘hoe kan de mens dit aanvaarden?’ wèl voor God toegestaan is, dan onderwerpt diezelfde mens Gods handelen aan zìjn oordeel om verstàndelijk te zien òf en hóe hij dat rédelijk kan áánváárden! Maar als dit màg!, dan kan het dus ook zo zijn, dat diezelfde mens dat directe oordeel niét kan aanvaarden, niét aanvaardt. En de misplaatste verontwaardiging van Kaïn wordt maar zo herhaald. Laten we meteen ook onderkennen, dat dan het verstànd!!! van de mens zich niét bindt onder Gen. 4:7, noch onder Deut. 29:29, noch onder enig ander Woord van de levende God. Dan zit het verstànd op de troon.

Want voorop móet gaan het diepe besef: IK HEB GEZONDIGD TEGEN GOD! HIJ DOET MIJ – EN ANDEREN – GEEN ENKEL ONRECHT!!! Dat besef doet en moet doen zeggen: IK HEB DE EEUWIGE DOOD VERDIEND!!! WAT GEEFT GOD NOG VEEL GOEDS, HIER, NU! En die bedreven zonde tegen en tegenover Gòd!!! moet MIJ, U, ONS zó diep treffen en doordrìngen, dat hij zich wel duizend keer bedenkt vóórdat hij zichzelf, anderen, ruimte, tijd, recht, geeft, toestaat om te bedenken hoe hij het spreken en handelen van God moet en kan aanvaarden.

Aan het begin legden we de hand op de mond inzake de vraag of Ananias en Saffira voor eeuwig verloren zijn. Nú zeggen we op grond van wat God geopenbaard hééft: JA, ze zijn voor eeuwig verloren. Omdat Gods JA in de vèroordeling van de zonde en Gods JA in de vèroordeling van de zondáár in verharding!!! – TWEE KEER! – onmogelijk Gods NEE kan zijn, worden, op de jongste dag, in het eeuwig oordeel. GOD LIEGT NIET!

Nee, deze woorden spreken we niet in hoogmoedige zelfverheffing, alsof wìj er boven staan. Integendeel, we beven, we sidderen, ziende op onze èigen zonden, ziende op al onze zwakheid en onverstand in de strijd tégen de zonde, tégen alle verleiding tot zonde. Toch mógen we er ook niet voor terugschrikken Gods geopenbáárde Woord duidelijk na te spreken. We zien ook Abraham, die God niét berispte inzake Gods recht tot het oordelen en veroordelen van de inwoners van Sodom en Gomorra, maar zich ootmoedig boog ònder Gods rechtvaardig oordeel. Wel smeekte hij om Gods barmhartigheid over de (mogelijk) aanwezige rechtvaardigen. Ja, zo ver, dat omwille van die rechtvaardigen God aan Sodom en Gomorra vergeving zou doen. En we lezen nèrgens, dat Abraham zich de volgende dag – toen hij de rook van de verbranding en omkering zàg – afvroeg hoe hij dit moest aanvaarden. Hij was overtuigd van Gods BEtrouwbaarheid in Gods rechtvaardigheid!

Dàn, dáár zien we de heilige vrees voor Gods spreken, Gods doen, èrkennend Gods waarachtige en rechtvaardige oordelen en veroordelingen, over Sodom en Gomorra, over Ananias en Saffira, bij hen, die ootmoedig buigen onder het gezàg van Gods heilig Woord.

Hoe onnoemelijk groot is dan de afstand, het verschil, de tegenstelling, tussen geloof en ongeloof, tussen zelfverloochening en zelfhandhaving, tussen Waarheid en leugen, tussen leven en dood, tussen gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, tussen vrezen en verharden. Voor Gòd! Ook voor de gelovige. Terwijl de duivel, zijn volgers, er àlles aan doen om die afstand te overbruggen, te dóen!, alsof ze ‘in vrede’ náást elkaar kunnen stáán en gáán.

Gods geopenbaarde Woord moet ieder mens méér dan voldoende zijn om diezelfde mens te overtuigen van de waarachtigheid van God, Zijn Woord.

Nee, een mens overtuigt niet, maar Gods Woord kàn door de kracht van de Heilige Geest wèl overtuigen. Telkens weer die EENHEID! van God.

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *