11a. Ananias en Saffira, Handelingen 5. I

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Handelingen 5:1-11: ‘En een zeker man, met name Ananias, met Saffira, zijn vrouw, verkocht een have; 2 En onttrok van de prijs, ook met medeweten zijner vrouw; en bracht een zeker deel, en legde [dat] aan de voeten der apostelen. 3 En Petrus zei: Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld, dat gij de Heilige Geest liegen zoudt, en onttrekken van de prijs des lands? 4 Zo het gebleven ware, bleef het niet uw, en verkocht zijnde, was het niet in uw macht? Wat is het, dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen? Gij hebt de mensen niet gelogen, maar Gode. 5 En Ananias, deze woorden horende, viel neder en gaf de geest. En er kwam grote vrees over allen, die dit hoorden. 6 En de jongelingen, opstaande, schikten hem toe, en droegen [hem] uit, en begroeven [hem]. 7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijn vrouw daar inkwam, niet wetende, wat er geschied was; 8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zoveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zoveel. 9 En Petrus zei tot haar: Wat is het, dat gij onder u hebt overeengestemd te verzoeken de Geest des Heeren? Zie, de voeten dergenen, die uw man begraven hebben, zijn voor de deur, en zullen u uitdragen. 10 En zij viel terstond neder voor zijn voeten, en gaf de geest. En de jongelingen ingekomen zijnde, vonden haar dood en droegen [ze] uit, en begroeven [haar] bij haar man. 11 En er kwam grote vreze over de gehele Gemeente, en over allen, die dit hoorden.’

In deze geschiedenis vervult de Heere twee Schriftwoorden.

In de eerste plaats Gen. 2:17: ‘Maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven.’ Met name: WANT TEN DAGE, als gij daarvan eet, ZULT GIJ DE DOOD STERVEN. Dat is ná de zondeval van Adam en Eva niét direct gebeurd. Tenminste, de lichamelijke dood niet. Hiér, in Handelingen 5, gebeurt het wèl! Toch is er tussen dat Woord van God in Genesis 2 en deze geschiedenis van Ananias en Saffira alle verband.

Er zijn verschillen:
– Ananias en Saffira eten niét van de boom van kennis van goed en kwaad.
– Ananias en Saffira worden er niet direct van buiten af toe verleid; èigen initiatief.
– Adam en Eva waren nog in de staat van vóór de zondeval; Ananias en Saffira ná de zondeval.
– In het paradijs ging de hùlp – Eva – voorop; hier gaat het hóófd – Ananias – voorop.
– Ananias en Saffira wisten zelf of hadden door de apostelen gehoord – zo vlak ná Christus omwandeling, lijden, sterven, opstanding, hemelvaart – van Christus lijden voor zòndáren. Toch minachten ze dat verschrikkelijk door hùn begéren op de eerste plaats te zètten èn te hóuden.

Ananias en Saffira kònden weten van de Schriften, het OT. Daarmee van het Woord van de Heere tot Kaïn, Gen. 4:7: ‘Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.’ Want dit Woord geldt in de eerste plaats Kaïn, maar alle volgende geslachten kunnen onmogelijk volhouden, dat deze Woorden van minder kracht zijn voor ieder van hen. Immers, èlk mens heeft te strijden tegen de zonde, tegen de verleiding tòt zonde, tegen èlke verleiding tot zonde. En die strijd is alleen te voeren en vol te houden ìn en dóór het geloof. Vergelijk Bijbelboek Job. Want ìn en dóór het geloof is de mens weer kìnd van God, zònder geloof blìjft de mens slááf van de knècht, de duivel. Maar zònder geloof is er ook geen strijd tégen de zonde, of alleen de eigenwillige.

Hoe belangrijk is de òrde die God stelt. Want náást dit vers – Gen. 4:7 – staan Deut. 29:29: Geopenbaarde en verborgen dingen, maar ook Deut. 32:35; Rom. 12:19: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden. Hoe geweldig groot is de verleiding om het recht in èigen hand te nemen, om náást Gods Woord en gebod tòch maar te grijpen naar èigen middelen en manieren en methodes om het gestelde doel te bereiken, op ònze tijd, op ònze wijze. Denk aan David, die wèigerde zijn hand uit te strekken tégen koning Saul, de gezalfde des Heeren. De weg van de gehoorzaamheid aan God, Zijn Woord is een weg vol geduld, vol actieve lijdelijkheid: De Heere zal er op Zìjn tijd! in voorzien! Want Zijn Woord is volmaakt BEtrouwbaar!

Dat betekent telkens weer zien op God, Zijn Woord, Zijn gebod en ons in gehoorzaamheid aan Hen onderwerpen. In die weg zien we van dag tot dag mensen, die dié weg verwerpen, negeren, mijden. WANT IEDEREEN DOET TOCH WAT GOED IS IN EIGEN OGEN!?!? En dan ‘NEE’ zeggen en ‘NEE’ blìjven zeggen, vanuit het gelóóf!, dat is onbegrijpelijk, onmenselijk, onwaarschijnlijk, ja, verwerpelijk, en die weg móet daarom zo fel mogelijk bestreden worden en gehaat en gesmaad. En àlle middelen zijn toegestaan.

Hoe màchtig moet dit Woord van God – Genesis 4:7!!! – ieder mens voor ogen staan, als de verleiding zich aandient, als de begeerte lonkt, als de suggestie imponeert, als àlles wat voor ogen is en beredeneerd kan worden in dié richting wijst en gaat, maar waar onderkend en onderscheiden móet worden, dat deze weg tégen God, Zijn Woord, Zijn gebod ingaat. Hoe nadrùkkelijk móet Deut. 29:29 hier gelden: Genesis 4:7 is de mens geopenbaard, is niet verborgen! Ná het verbod in Genesis 2 wordt hier uitdrukkelijk gewezen op het gevaar van de zonde, de verleiding tot zonde, die aan de deur van ieders hart, geweten, leven, verstand, lìgt!, zijn-, haar leven lang. En telkens weer móet de mens die begeerte onderkennen èn bestrijden èn overwinnen, dóór het geloof.

De zonde van Gehazi – 2 Koningen 5! – had Ananias en Saffira er zeer ernstig voor moeten waarschuwen, dat hun poging om hun bedrog verborgen te houden, totaal mòest mislukken, onmogelijk kòn standhouden. Hier zien we de mèns, levend in het kleine kringetje van het HIER en NU, zichzèlf bedriegen. Het betekent tegelijk hoe noodzakelijk het elke dag weer is de Schriften te bestuderen en te kennen, daarin geleid door de Heilige Geest. Alleen Hìj kan hart en verstand openen en geloof werken en bevestigen. En ìn dat geloof doet Hij ook staande blijven, daar de Heere belooft, BELOOFT!!!, dat niemand bóven vermogen verzocht wordt. Opnieuw: vertròuwen!

Niet alleen de zonde van Gehazi, maar ook àl de toen bekende Schriften, spreken overduidelijk in één richting. Christus leer en leven hebben dat duidelijk bevestigd! Hoe heeft Jezus Genesis 4:7 gebrùikt bij de verzoeking van de duivel! Hij heeft alle verzoekingen weerstaan mèt het Wóórd! Stond Hem daarbij niet evenzeer de volgende tekst voor ogen, Zach. 4:6: ‘niet door kracht, noch door geweld, maar door Mijn Geest.’ Elk(e) eigen middel en manier en methode heeft Hij daarmee als belachelijk en waardeloos verworpen. En de duivel vluchtte van Hem weg! Hoezo??? is het Woord van God onvoldoende, ontoereikend???

En waar de Heere éérst Ananias, en vervolgens Saffira, direct – TEN DAGE! – straft met de lichamelijke dood, wil de Heere voor íeder mens toch zeer duidelijk maken, dat Hij de aangekondigde straf in Genesis 2 nú voltrekt tegenover Ananias èn Saffira, in de gemeente, in het Nieuwe Testament. Elke gedachte, dat God verandert, dat Hij in het Nieuwe Testament de zonde ‘lichter’ beoordeelt en veroordeelt en aanrekent, wordt hier meteen radicaal verworpen. Vergelijk I Petrus 4:17: ‘Want het is de tijd, dat het oordeel beginne van het huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen, die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?’ God vraagt heilig leven in een heilige gemeente en alle (begin van) onheiligheid háát Hij. Zie Openbaring 2 en 3.

Laten we even teruggaan naar Gen. 4:7. Want zelden komt iets van het één op het andere moment. Er is nagenoeg altijd een tijd van bezinning, groei, overleg, evaluatie. Zo ook in het gezin van Ananias en Saffira. Zij hadden gehoord wat Joses, genaamd Barnabas, gedaan had, Hand. 4:36, 37. En wellicht nog anderen. Ananias en Saffira hadden ook een akker. Ze konden die verkopen, ze konden die zelf houden. Er is een moment dat ze besluiten tot verkoop. Vervolgens is er een moment dat ze besluiten een déél van de opbrengst aan de voeten van de apostelen te leggen. Op dàt moment móeten ze beseffen, dat ze daarmee liegen, als ze zèggen dat dàt de héle prijs is. Vervolgens – als ze het daarover eens zijn! – moet de akker aangeboden worden in de verkoop. Er moet onderhandeld worden over de prijs. Daar gaat tijd in zitten. In al die tijd moeten ze in hun geweten dat beslùit òf bevestigen òf herzien. En als na verloop van tijd de akker verkocht is, de verkoopsom gebeurd, dan ìs er nog steeds dat beslùit! Want wordt die nu wèl uitgevoerd of toch niet? Hoe moet het geweten van bèiden gaandeweg òf toegeschroeid zijn in verharding, òf gebonkt hebben in het besef van bedrog. Want dat beslùit was wel genomen met een bepaalde doelstelling, meerdere doelstellingen. En de uitvoering ervan gebeurt nooit zo maar even zonder na te denken. En zó moeten die doelstellingen telkens weer hun geweten onderdrukt hebben, in òrde! En het berèiken van die doelstellingen wettigt alle toegepaste middelen, toch? Daarom, MOND DICHT!, er met niemand over praten. Het mocht eens ontdekt worden: wèg doelstellingen. Maar die doelstellingen zijn HIER, NU! En God is ver weg. Ook Hij weet en ziet niets en zal even de andere kant op aan kijken. Hij vraagt geen rekenschap.

Laten we opnieuw héél scherp zién, hóe de duivel te werk gaat, hóe hij zijn uiterste best doet op zo geruisloze en onopvallende manier aan de ene kant Ananias en Saffira in te palmen met begeerlijke doelstellingen HIER en NU, tegelijk God, Zijn Woord, als krachteloos, ongeloofwaardig, onbetrouwbaar, verdacht wèg te zetten, in de vergeethoek te plaatsen. Hoe belangrijk is het daarom telkens weer, dat de mens zich ernstig bezìnt, òf de verkozen weg wèl of niét is tot Gods eer, wèl of niét is in gehoorzaamheid aan Zijn Woord, Zijn gebod. Hoe moet mijn liéfde openbaar worden, in òrde!, òf IK, mìjn belangen, òf God, Zijn Woord, Zijn dienst. Die òrde bepaalt de plaats, de volgorde, de heerschappij: WIE zit op de troon? En God zwijgt want God zegt: mens, u hebt Mijn Woord, ook Gen. 4:7, Mijn gebod, Mijn eis. Kiés nu wie u dienen wilt, òf de afgoden, òf de levende God, maar dan ook náár Zijn Woord.

Hoe heeft de begéérte naar het bereiken van de gestelde doelen, HIER, NU, Ananias en Saffira vervuld! En die begéérte heeft hen tot het plan, vervolgens tot de dáád gebracht. Inderdaad, het hóófd gaat voorop. Vervolgens, de hùlp stemt er mee in, en vòlgt. En onder de schijn van een God welgevallig offer kómen ze met een krèupel offer. Vergelijk Maleachi 1:8 en 13. In dat toegeven aan hun begeren draaien ze meteen de door God gezette òrde om. Altijd moet de gehoorzaamheid aan de Heere, Zijn Woord, voorop stáán en gáán.

Uit de vraag van Petrus in vers 8 aan Saffira móet wel volgen, dat hij dezelfde vraag ook aan Ananias gesteld heeft. Ook Ananias kon zich verdedigen. Deze gebóden rèchtsregel staat in de Schrift altijd zo pal voorop, dat het onmogelijk gedacht moet worden, dat Saffira zich wèl en Ananias zich niét zou kunnen verdedigen.

Tegelijk wordt de zonde des te ernstiger, daar het hele bedrog met voorbedachte raad plaatsvindt. En zelfs de vraag tot verantwoording brengt niet tot inkeer. De verharding openbaart zich in keiharde ontkenning! En meteen dáárop volgt het oordeel, twee keer! Er kan geen misverstand overblijven! De zonde is gehandhaafd en volgroeid!!!

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *