10g. Bijbelboek Esther. VII

De artikelen 1 tot en met 12 vormen één geheel.

Dan gaan de zaken heel snel. De koning keert terug uit de hof van het paleis. Als hij ziet, dat Haman neergevallen is op het bed waarop koningin Esther ligt, is de conclusie snel gesproken: Haman doet de koningin geweld aan. Meteen wordt Hamans gezicht bedekt. En als vervolgens kamerling Charbona de koning meedeelt, dat Haman een paal heeft opgericht voor Mordechai, die in het belang van de koning gesproken heeft!, dan is het oordeel en bevel in enkele woorden geformuleerd: HANG HEM DAARAAN!

Hoe hoog zijn Gods gedachten en wegen! Koning Ahasveros gaf enkele maanden terug aan Haman àlle vrijheid en mogelijkheid en bevoegdheid tot het uitroeien van het Joodse volk; nú voert hij Gods bànvloek uit over diezelfde AGAGIET Haman: Gehangen aan een paal, zie Deut. 21:23: Een gehangene is van God vervloekt! Esther 7:10a: ‘Alzo hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden;’

Hoe hoog zijn Gods gedachten en wegen! Hij gebruikt de gedachte achter ‘wet van Meden en Perzen, die niet herroepen kan worden’ tot ZIJN doel en de uitvoering van ZIJN raadsplan. Dat zien we in het bevel van koning Kores tot terugkeer van de Joden naar Jeruzalem en tot herbouw van de tempel, zie Ezra, Nehemia. Dat zien we ook hier in het bevel, dat de Joden zich op dezelfde datum mogen verdedigen tegenover hun vijanden.

Dan staat er dat merkwaardige vers, Esther 8:17b: ‘en velen uit de volken des lands werden Joden, want de vreze der Joden was op hen gevallen.’ Hoe wonderbaar zijn Gods wegen, hoe hoog zijn Gods gedachten. Want Hij verspreidt de roem en vrees en schrik voor Hèm, de levende God, voor Zijn volk!, over andere mensen, volken, wanneer het Hem goeddunkt. Zo werkt Hij soeverein op de door Hem geschapen aarde, door de duivel en zijn volgers besmet en verleugend, liggend onder Gods vloek. Tijdelijk, want God zal àlles volmaakt herstellen, op Zijn tijd, op Zijn wijze. In tal van wonderen en oordelen en het lèggen van de schrik, de vrees, bevèstigt Hij Zìjn heerschappij. Wat een ontzaglijke troost voor al Zijn kinderen, tot aan de jongste dag toe: Zijn Woord is volmaakt BEtrouwbaar!

Want Gods bànvloek wordt definitief voltrokken aan het nágeslacht van Haman, de AGAGIET. Esther 9:10a: ‘De tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand der Joden, doodden zij;’ vers 13: ‘Toen zei Esther: Dunkt het de koning goed, men late ook morgen de Joden, die te Susan zijn, toe, te doen naar het gebod van heden; en men hange de tien zonen van Haman aan de galg.’ vers 14: ‘Toen zei de koning, dat men alzo doen zou; en er werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen van Haman op.’ Het wordt zó uitgebreid en gedetailleerd beschreven, dat het moeilijk vol te houden is, dat het Bijbelboek Esther alléén zou gaan over het uitredden van de Joden om de weg naar Bethlehem – menselijk gesproken! – open te houden. Het is èn èn!

Nee, ook het vloekwoord van de Heere keert niét leeg terug, komt niét in het vergeetboek. Want ook hier zien we, dat met het huis van Haman, de AGAGIET, gedaan wordt zoals met de huizen van Jerobeam, de zoon van Nebath, van Baësa, van Achab: UITGEROEID, WEGGEDAAN VAN DE AARDE. Geen voortbestaan, geen toekomst, totaal onterfd, van God weggevloekt! Deze aarde, zo volmaakt goed geschapen door God, God staat niét toe, dat mensen, volken, die zich zó in haat en vijandschap tégen Hem, tégen Zijn Woord, tégen Zijn volk gekeerd, gedragen hebben, een plaats houden, hoe tijdelijk ook. Daarom: volkomen uitgeroeid!

Dit moet een schrikwekkende geschiedenis zijn voor àlle ongelovigen, àllen, die God niet willen dienen náár Zijn Woord, in eigenwilligheid, naar eigen goeddunken, in zelfhandhaving. GOD LAAT NIET MET ZICH SPOTTEN! Toen niet, nu niet. Hij wáákt! over Zijn Woord.

We willen nog één aspect aanhalen, Esther 9:7-10a: ‘En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata, en Poratha, en Adalia, en Aridatha, En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, De tien zonen van Haman, de zoon van Hammedatha, de vijand der Joden,’ Waarom noemt de Schrift de námen van de tien zonen van Haman?

We gaan nog even terug naar Genesis 3:15: ‘En Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzelve zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.’ DATZELVE ZAL U DE KOP VERMORZELEN!!! Proeft u de spòt van God? De spòt, dat Hij hier àl die tien namen openlijk noemt, die Hij hier vermòrzeld heeft? De spòt van de levende God, die ook leidde tot het opschrijven, het zo uitgebreid opschrijven van Genesis 36? Ezau, van God geháát, Maleachi 1:3. Dan lezen we in Genesis 36: ‘die geweest zijn’, ‘en hij stierf’. Het ging voorbìj! VERMORZELD! De spòt van de levende God over hen die zich verharden in ongeloof en haat tégen God, Zijn Woord, Zijn volk.

Er is nog een derde deel in de Schrift, waarin de Heere heel breed Zijn spòt met àlle geweldenaars op aarde tekent: Ezechiël 25, Ezechiël 26, Ezechiël 27, Ezechiël 28, Ezechiël 29, Ezechiël 30, Ezechiël 31, Ezechiël 32. Ook de klaagliederen daarin zijn met spòt doordrenkt, heilige spot! Dan het refrein in deze hoofdstukken: ‘EN ZIJ ZULLEN WETEN, DAT IK DE HEERE BEN.’ 17 keer! Opdat de mens niét vergeet! Maar léés die hoofdstukken eerst met grote aandacht. Zie ook Jesaja 14!

Want hoe duidelijk zijn hier de voortekenen zichtbaar van de finale, definitieve oordelen op de jongste dag. In het Oude Testament, vóór de komst van Jezus Christus in het Vlees. Zó zéker toont God de Waarheid en waarachtigheid van Zijn WOORD!, ook als heel veel nog gebeuren móet!, nog in de toekomst verborgen lìgt!, voor mensen. Ja, dan worden Genesis 3:15 èn jongste dag in één adem genoemd, want GOD, de levende GOD regeert!

‘EN ZIJ ZULLEN WETEN, DAT IK DE HEERE BEN.’ 17 keer! Heeft de mens(heid) er van geleerd? Heeft ze die dreigende ondertoon daarin bemerkt? Blijkt het niet van dag tot dag, dat de mens(heid) zich háást in het vergeten, zich háást in het terugkeren op de oude paden van zelfgenoegzaamheid en hoogmoed en eigendunk, naar èigen redeneren, HIER, NU???

Psalm 2:4: ‘Die in de hemel woont, zal lachen; de HEERE zal hen bespotten.’ Openlijk, heel breedvoerig, met naam en toenaam. Niemand kan nog zeggen: ik wist het niet, ik kon het niet weten. Hoe heeft David het bezongen, geleid door de Heilige Geest, Psalm 37:35 en 36: ‘[Resch]. Ik heb gezien een gewelddrijvende goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. Maar hij ging door, en zie, hij was er niet [meer]; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.’ Haman, tien zonen.

En de gelovige? De gelovige leest het ook. Hoe is er de zuigkracht om ook – als God – te spotten met alle ongeloof, en alle ongelovige werken en uitspattingen. Hoe zal de gelovige zich met klèm voor ogen moeten stellen: IK heb gezòndigd!!! tegen Gòd!!! God doet mij geen enkel onrecht, als Hij mij in die duisternis en doodsslaap van het ongeloof láát! Dat Hij ook met mìj zo Zijn heilige spòt drijft, om mìjn hoogmoed, mìjn eigendunk, mìjn zelfhandhaving, HIER, NU. Hij is op geen enkele manier iets aan mij verplicht.

Maar de volgende tekst dan? Daarin wordt door de dochter van Sion toch óók bespot? En dit is toch het Woord van de Heere??? Jesaja 37:21-23: ‘Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkia, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israels: Dat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, de koning van Assyrie, [heb] [Ik] [gehoord]. Dit is het woord, dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, de dochter van Sion, veracht u, zij bespot u, de dochter van Jeruzalem schudt het hoofd achter u. Wie hebt gij gehoond, en gij gelasterd, en tegen Wie hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen de Heilige Israels!’

De geschiedenis is bekend. Hizkia bidt tot God vanwege de uitzinnige hóógmoed van koning Sanherib, waarin hij de HEERE, de God van Israël bespot en gelijkstelt met afgoden. En dàn komt dit woord van de Heere tot koning Hizkia. Hoe vernéderend voor de koning van Assyrie: veracht en bespot worden door meisjes! Dat was toen en daar een diepe vernédering voor een heidense koning. Maar próeft u de heilige spòt van de Heere, die daarin doorklinkt?

Tegelijk moeten we ook zien, dat die àfgang van koning Sanherib – 185.000 doden door de engel des Heeren! – niét geleid heeft tot hartelijke en blijvende bekering van het volk Israël, ziénde de diepe vernedering, bewèrkt door de Heere! De spòt van de Heere gaat verder, als Hij koning Sanherib daarna brengt in de tempel van zijn afgod in Ninevé, en daar, dáár!, laat doden door zijn eigen zonen. Dan zien we, dat die bespotting van die meisjes géén gebod van de Heere is maar een weergave van wat ze doen.

Dat zien we de hele geschiedenis door: de Heere verlost, Hij bevrijdt, Hij redt uit. Zie Exodus 15. Lees de lofzang op God, Zijn machtige uitredding, door Mozes en de Israëlieten na de grote verlossing van de Farao van Egypte. Hoe prijzen ze Gods wonderdaden en kracht en macht. Maar drié! dagen later moppert het volk als ze geen drinkbaar water vinden en twisten met de Heere. Hoe snel slaat dankbaarheid om in vergeten en daarna mopperen. Vers 25: de Heere verzocht het volk. Inderdaad, maar hoe moeilijk is het telkens weer deze les te leren en te onthouden en in praktijk te brengen.

Jozua 6: Israël moet op de zevende dag jùichen en de muren van Jericho zullen instorten en Israël moet de ban voltrekken over Jericho. Het volk luistert en juicht en neemt Jericho in en voltrekt de ban over haar. Maar Achan luistert en gehoorzaamt niét, maar rooft iets van het gebannene en brengt daarmee de bàn over Israël. En dan zien we de straf van de Heere daarover in Jozua 7: Israël lijdt de nederlaag tegen Ai. Dan blijkt het juichen van pas bij Jericho te veranderen in weeklagen. Zó snel verheft de hoogmoed zich in de mens en meent diezelfde mens(heid) zèlf wel weer te kunnen bepalen wat goed is en wat niet goed is.

We willen stilstaan bij I Samuël 4. De Filistijnen verslaan Israël, 4000 man. Dan staat er, de verzen 3-5: ‘Als het volk [wederom] in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israel: Waarom heeft ons de HEERE heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des HEEREN, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden. 4 Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de ark des verbonds des HEEREN der heirscharen, die tussen de cherubim woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de ark des verbonds van God. 5 En het geschiedde, als de ark des verbonds des HEEREN in het leger kwam, zo juichte gans Israel met een groot gejuich, alzo dat de aarde dreunde.’

Groot gejuich!!! Dan lezen we in vers 10: ‘Toen streden de Filistijnen, en Israel werd geslagen, en zij vloden een iegelijk in zijn tenten; en er geschiedde een zeer grote nederlaag, zodat er van Israel vielen dertig duizend voetvolks.’ 30.000! Nee, er was geen hartelijke bekering ná die eerste nederlaag. Er was géén onderzoek naar de wèrkelijke oorzaak. Nee! Maar in eigenwilligheid bedenken we zèlf het grote wòndermiddel!!!: de ark van Gòd in de legerplaats, met als bijgedachte: God zal Zijn ark nooit prijsgeven, en dus, dùs zal God ons nu verlossen! Hoe heeft de Heere die eigenwilligheid afgestraft, smadelijk afgestraft, bespòt, te kijk gezet. Heeft Israël er van geleerd? Is er met haast waarachtige bekering gekomen, blijvend? Nee!

We willen nog een plaats noemen waar gejuicht wordt: I Samuël 17! De Filistijnen zijn gekomen om tegen Israël te strijden. Ze sturen Goliath naar voren als vertegenwoordiger om namens de Filistijnen te strijden tegen één Israëliet: één tegen één, eerlijker kan niet. Goliat spòt met Israël, daardoor met de Gòd van Israël. En wat doet Israël dan? Vers 11: ‘Toen Saul en het ganse Israel deze woorden van de Filistijn hoorden, zo ontzetten zij zich, en vreesden zeer.’ Ze waren doodsbang! En dat hielden ze VEERTIG!!! dagen vol! Verzen 24 en 25: ‘Doch alle mannen in Israel, als zij die man zagen, zo vluchtten zij voor zijn aangezicht, en zij vreesden zeer. 25 En de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden die man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israel te honen; en het zal geschieden, dat de koning die man, die hem slaat, met grote rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israel.’ Twee keer: doodsbang!

En nee, geen geschenk van de koning kon iemand overhalen om zich beschikbaar te stellen en te gáán strijden met Goliath. Dan komt David. Dan dat opmerkelijke vers, vers 28: ‘Als Eliab, zijn grootste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zo ontstak de toorn van Eliab tegen David, en hij zei: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wie hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uw vermetelheid, en de boosheid uws harten wel; want gij zijt afgekomen, opdat gij de strijd zaagt.’ Eliab, Davids oudste broer, toont in deze woorden de gezìndheid van heel Israël over Davids gelóóf, – het wáre geloof! – uitkomend in Davids woorden, vers 26: ‘Wat zal men die man doen, die deze Filistijn slaat, en de smaad van Israel wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn, dat hij de slagorden van de levende God zou honen?’

Inderdaad, die laatste woorden stéken verschrikkelijk! Want Israël gelóóft niet!!! Israël gelooft God niét op Zijn Woord! Israël vertrouwt God niét op Zijn Woord! En zònder geloof móet!!! Israël wel hoog opzien tegen die reus, en zònder geloof is het een bijzaakje, dat die reus de slagorden van de levende God hóónt! Maar het gelóóf!!! verdraagt dit nóóit! en de gelóvige verdraagt dit óók nóóit! Daarom de wóórden, daarna de dáden van David.

David gáát, vast in het gelóóf! Hij verslaat Goliath met een slinger en een steen, vàst in het geloof! Dan staat er in vers 52a: ‘Toen maakten zich de mannen van Israel en van Juda op, en juichten,’ Hoort u hoe vàls dat gejuich klinkt??? Twee keer: doodsbang! en nú juichen???Heeft Israël zich met haast bekeerd tot de Heere, koning Saul voorop? Nee!

Is David overmand door de overwinning en ging hij in grote overmoed Israël achterna in die roes? Nee, vers 58b: ‘En David zei: Ik ben een zoon van uw knecht Isai, de Bethlehemiet.’ In alle eenvoud zoekt David geen enkele roem vóór zichzelf, noch beroemt hij zich op iets ìn of vanùit zichzelf. Ik sprak en handelde uit gelóóf, in vast vertròuwen op de levende God!

Dat zien we de hele geschiedenis door: de Heere verlost, Hij bevrijdt, Hij redt uit. Vaak op wonderbare wijze. Vergelijk Richteren 7:22, II Kronieken 20:15, 17 en 23. Maar de dànkbaarheid, de blìjvende dànkbaarheid, uitkomend in hartelijke wederkeer en berouw over zonden??? Telkens weer is er de haastige terugkeer naar de eigenwillige afgodendienst.

Dan ìs er plaats voor heilige spot, ook bij Gods kinderen. Tegelijk past ons grote terughoudendheid, ziende op eigen zwakheid en onverstand. Maar ìn, en dóór Jezus Christus zìjn we nu al overwinnaars, dóór het geloof. Zie Spreuken 24:17: ‘Verblijd u niet als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;’

De gróte les, telkens weer, bij alles wat gebeurt, bij alles wat besloten wordt, door wie ook, door hoeveel ook, met welke gevolgen ook. ONDERKEN!, ONDERSCHEIDT!, of het gedaan, besloten, uitgevoerd is ìn en dóór wáár gelóóf!, wèl òf niét in trouwe gehoorzaamheid aan God, Zijn Woord, ja òf nee. Dat blijkt telkens weer DE grote vraag. Dan is elke uitkomst bijzaak, dan is elke vervolgstap bijzaak. Die gróte beslìssende hóófdzáák is telkens weer: WEL òf NIET in volstrekte gehoorzaamheid aan God, aan Zijn Woord. En waar die hóófdzáák telkens weer gepasseerd, genegeerd wordt en verdoezeld wordt door allerlei bijzaken en bijkomstigheden, daar zèt God telkens weer dié hóófdzáák!

Telkens in de geschiedenis sinds de zondeval zien we die èis van God tot gehóórzaamheid onderworpen worden aan wat voor ogen is, wat beredeneerd en bereikt kan worden. En ja, als de ‘gemeenschappelijke’ grondslag daartoe aangepast moet worden, als de grondslag wordt onderworpen aan de ‘democratische meerderheid’, dan moet de mens niet verbaasd zijn, dat die grondslag nog hooguit een vlag op een modderschuit is. Immers, wie ziet nog op elkaar toe òf iemand, allen zich wel aan die grondslag houden, in leer, in leven? En worden daarna grote ‘successen’ geboekt, beste ‘resultaten’, ja, dan deinst men er niet voor terug daaraan Gòds zegen te koppelen en te verbinden.

En bij tegenvallende uitslagen, en bij teleurstellende resultaten? Worden dan niet gemakkelijk de ‘democratische’ richtlijnen en gewoonten ter hand genomen en uitgevoerd?En néé!, er komt géén bezinning, géén inkeer of wederkeer! Voor het gemak sluit men de ogen, waar men gemakkelijk kan constateren, dat iedereen maar doet zoals goed is in eigen ogen, in leer, in leven. En als de grondslag opnieuw aangepast, opgerekt moet worden, dan moet er een zorgvuldige aanpak en een diepgaande studie aan ten grondslag liggen. Daarna gewoon stemmen, en de meerderheid beslist. EN DAT KAN TOCH OOK NIET ANDERS IN DEZE MOEILIJKE TIJD!?!? In de wereld, in de kerk, in allerlei organisatie.

Daarna worden ook allerlei belangrijke besluiten van topvergaderingen, uitkomsten van verkiezingen, onderworpen aan de pragmatische inkleuring van òns gedachtenpatroon, wat uiteindelijk onze ‘rust’ HIER en NU niet moet verstoren of mag verontrusten. Maar zien we vóór alles ook, dat nagenoeg àlle topvergaderingen, àlle verkiezingen, àlle overleg over alle ingewikkelde en complexe vraagstukken, nationaal, internationaal, God, de levende God op geen enkele manier erkennen? Dat naar Zijn Woord niémand vraagt, niémand verwijst? Dat áán en ònder Zijn Woord niemand bindt, of wil binden? O ja, zo af en toe nog een ‘verwijzing’ naar christelijke principes, naar morele uitgangspunten, naar ethische grenzen. Maar die blijven daarna ook veelal vrijblijvend staan náást allerlei ideologische en aktivistische en vrijzinnige denkbeelden. En nee, daar is de duivel niet ontsteld over, integendeel. Zijn ‘NAAST!!!’ zit gewoon weer op de troon! Gelijkwaardig, gelijk gerechtigd!

De duivel hoort en ziet die spot ook! Hij siddert! Toch blijft hij in zijn verharding om de orde van God hardnekkig te háten en te verwèrpen, en om zijn volgers daarin en daartoe telkens weer mee te slepen. De duivel weet ook, dat die spot een lichte schaduw is van de ééuwige spòt van God over hem, zijn volgers, in de hel!!! Wilde het schèpsel Gods gezètte òrde verwèrpen??? Ieder mens kan deze breed beschreven spòt lezen, herlezen. Toch verkiest de mens vèr daarboven de doodsslaap, de eeuwige doodsslaap. Mens, wordt wàkker!!!

Dan ziet de gelovige de gróótheid van Gods liefde, ontferming, barmhartigheid, genade, lankmoedigheid, geduld. Om niet getoond en bewezen in Jezus Christus, Zijn Zoon, In Zijn ene offer voor ZONDAREN, zoals ìk! Welk schepsel kan dit bevatten??? Welke woorden kunnen dat verwoorden??? Is de eeuwigheid ooit groot genoeg om alle dank aan GOD daarvoor uit te zingen???

19 september 2015

Dit bericht is geplaatst in De twee getuigen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *